Cultuur in engere zin (vruchten der beschaving)

Cultuurgeschiedenis en achtergrond

Via List of Dutch people en Dutch culture is veel te achterhalen over dit onderwerp. Op het grondgebied van het NL van nu zijn de vroegste sporen van menselijke aanwezigheid afkomstig van Neanderthalers die zich zo’n 300.000 jaar terug rond Maastricht ophielden (prehistorie). Uit de midden steentijd (10.000-5000 v Chr.) dateren restanten van jager verzamelaars, waaronder de oudste kunstartefacten die op het grondgebied van het NL van nu zijn gevonden. Uit de nieuwe steentijd (5500-2000 v Chr.) is de nalatenschap van cultuur in engere zin groter. Het betreft volken die tevens aan landbouw deden en vaker vaste woonplaatsen kenden. Deze worden ingedeeld naar het type aardewerk dat men naliet (van het hout is vaak weinig meer over). Het bekendst is de trechterbeker cultuur (rond 3000 v Chr.) die verantwoordelijk is voor hunebedden en grafheuvels in Drenthe. Ook latere culturen lieten grafheuvels na, bijv. uit de bronstijd die in NL laat begon omdat brons moest worden geïmporteerd. Uit deze periode (2000-800 v Chr.); met o.m. de grafheuvel en urnenveldencultuur (crematie); resteren naast gereedschap, wapens & sieraden uit brons en voorwerpen uit aarde, steen of hout het oudste Drentse veenlijk. Ook in de ijzertijd (tussen 700 v Chr. en de komst van Romeinen) zijn nog veel grafheuvels opgeworpen. In deze periode kwamen er m.n. bronzen (en wat gouden) items bij die men voorheen niet tegen kwam. Veel wat van ijzer werd gemaakt is weggeroest. Destijds leefden in zuid NL naast Germaanse Keltische stammen. Die lieten munten & enkele woorden in de eigen taal na waarmee ze een eerste bijdrage leverden aan de voorchristelijke historie van NL (oudheid). De Germaanse stammen uit de periode waren Friezen in het noorden en westen, Saksen in het oosten en Franken ten zuiden van de (oude) Rijn. Van Friezen & Franken komt het oudste (runen)schrift dat in NL is gevonden, maar veel meer van wat bekend is van Germaanse stammen in NL is opgeschreven door de Romein Tacitus. De Frankische stam van de Cananefaten in het zuid Holland van nu deed bijv. al aan waterbeheersing (2). De stam leefde, net als de Bataven, in de buurt van de grens van het Romeinse rijk (de limes) en velen van hen gingen in Romeinse dienst en leerden zo wat lezen & schrijven (in veel mindere mate deden Friezen en Saksen datzelfde). M.n. in Zuid Limburg en rond Nijmegen, maar ook elders zijn bewijzen van Romeinse aanwezigheid gevonden (oudste; Lijst) en o.m. een aantal wegen in NL dateert uit de Romeinse tijd. In NL staat niets uit deze periode nog op zijn oorspronkelijke plek overeind en vrijwel alle vondsten zijn uit opgravingen.

Ook veel van wat in NL resteert uit de vroege middeleeuwen (330-950); de tijd van volksverhuizingen & kerstening, komt uit opgravingen. In deze tijd werden de Friezen vervangen door andere Friezen met Angelsaksische invloed en vanuit het zuiden wonnen Frankische nieuwkomers terrein. NL ten zuiden van de grote rivieren bleef lang cultureel toonaangevend. Kerk & kloosters speelden de hoofdrol in de ontwikkeling van kunst & cultuur. Uitingen waren doortrokken van christelijke mystiek & thema’s en scheppers (veelal monniken) bleven vaak bewust anoniem omdat het ego niet telde. De geringe nalatenschap bestaat uit restanten van kerken & kloosters, versierde handschriften en edelsmeedkunst; m.n. vanuit de Karolingische renaissance i.e. de opbloei van kunst & cultuur rond de tijd van Karel de Grote (9e eeuw). De hoge middeleeuwen (950-1270; de periode van de kruistochten) stond in NL ook in het teken van landaanwinning (m.n. in noord NL vanuit kloosters & abdijen) en via de opkomst van steden, burgerij & handel van het wereldse aspect in de cultuur. Men bleef wel de Romeinse erfenis als voorbeeld zien (mede door de kerk van Rome). De courante schrijftaal bleef het Latijn en de gangbare stijl in beeldende kunst & architectuur werd vanuit de Karolingische stijl de romaanse stijl en later de gotische stijl met in NL de Brabantse gotiek. In de muziek kwamen polyfonie en de notenbalk (en daarmee het beroep van componist) op. In de literatuur won via fabels en ridderromans het profane gestaag terrein op het sacrale. Dit proces zette in de late middeleeuwen (1270-1500) door. Nieuwe ontdekkingen (Verre Oosten, nieuwe wereld, heelal, boekdrukkunst) gingen gepaard met meer openheid voor ervaringen. Vanuit het Italië van nu won de Renaissance terrein en vanuit waarden uit de klassieke oudheid plaatste men het feodale stelsel & kerkelijke hypocrisie in perspectief. Qua denken uitte zich dit in NL in Moderne Devotie & humanisten. In kunst & architectuur ontwikkelde de gotiek zich verder met m.n. in de architectuur meer ruimte voor wereldse elementen. De uitvinding van olieverf kwam tot uiting in paneelschilderkunst. In Gouda en Leiden kwam eenlakenindustrie op. In de literatuur bleef de geestelijke literatuur, in (ridder)romans & lyriek werd het hoofse element met zelfopofferende liefde voor aardse personen belangrijk en naast geestelijk toneel deden werelds toneel & rederijkers (voordrachtkunstenaars) hun intrede. De 16e eeuw stond in NL in het teken van reformatie, opstand tegen de roomse Spaanse Habsburgers en totstandkoming van de Republiek der 7 verenigde Nederlanden (1588-1795).

Daarmee begon de bloeiperiode op het gebied van handel, wetenschap & kunsten die bekend staat als de Nederlandse Gouden Eeuw (1588-1702). Als kunstmecenas werden rijke kooplieden & bestuurders belangrijk (de aristocratie stelde boven de rivieren minder voor) en veel beeldende kunst werd afgezet via handel & veiling. Rederijkerskamers & schutterijen vormden een stimulans voor cultuurontwikkeling. Ze zijn o.m. afgebeeld op wereldberoemde groepsportretten van de Hollandse meesters. Naast portretten waren historiestukken, landschappen & stadsgezichten, taferelen (genrestukken) en stillevens populair en daarbij werd ook symboliek niet geschuwd. Qua stromingen behielden in beeldende kunst & architectuur (late) gotiek & renaissance invloed en werd (Hollands) classicisme belangrijk. In de architectuur kwam dit tot uiting in protestante kerken, stadhuizen (paleis), pakhuizen, wagen, grachtenpanden, vestingwerken en schepen & molens. Vergeleken met omliggende landen was de republiek godsdiensttolerant en dit kon na 1630 via pecunia die men kon toeleggen nog worden verruimd. Toch behield benoorden de rivieren de calvinistische identiteit zijn invloed. Dit steile & sobere geloof was barokke frivoliteit in architectuur of muziek & beeldhouwkunst niet gunstig gezind (barok kwam wel tot uitdrukking in schilderkunst & literatuur). Het 4e en 5e Bijbelgebod indachtig, duldde het Calvinisme binnenskerks geen “gesneden beelden” en zelfs orgelmuziek was destijds taboe. Wel werd in NL orgel & carillon muziek gecomponeerd en er kwamen veel (geestelijke) liedboeken uit. Klassieke muziek haalde inspiratie uit Engeland, Frankrijk & het Italië van nu en werd bijv. gespeeld in patriciërswoningen of in schouwburgen bij podiumkunsten als drama, ballet en opera. Beeldhouwwerk was het meest te vinden in rooms NL beneden de rivieren. Elders waren m.n. patriciërs, kerken (voor de buitenkant) & begraafplaatsen opdrachtgever. In de literatuur verschoof het zwaartepunt juist van zuid naar noord; mede doordat literatoren de contrareformatie in Vlaanderen ontvluchtten. Bijbel & vaderlandse geschiedenis vormden inspiratiebronnen voor poëzie & toneel. Er werd veel gedrukt (en heimelijk uitgevoerd) wat elders verboden was, maar ook benoorden de rivieren eiste censuur soms slachtoffers. De toegepaste wetenschap voer wel bij de combi van tolerantie, handelsgeest & zeevaart met resultaten op het vlak van zeerecht, optische instrumenten en waterbouwkunde. NL kon zo m.n. via immigranten ook een substantiële bijdrage leveren aan de rationele verlichtingsfilosofie.

Het Haagse kunstenaarscollectief Confrerie Picturia (1656-1849) richtte in 1682 in Den Haag de eerste kunstacademie van NL op.

In de 18e eeuw verloor de culturele ontwikkeling terrein aan het buitenland en aan de toenemende decadentie & gezapigheid binnen de toonaangevende patriciërklasse. Wel viel in deze periode het hoogtepunt in de bouw van buitenhuizen & landgoederen. In beeldende kunst & architectuur was de rococo merkbaar aanwezig, bijv. in de vorm van chinoiserie (uitbeelden in Chinese stijl). De (pre)romantiek werd vertegenwoordigd door literatoren & schilders. Betje Wolf & Aagje Deken leverden een bijdrage uit NL aan de briefroman. De Franse revolutie kreeg rond 1795 min of meer vrij baan van patriotten en in de 19e eeuw daarop zorgden revolutionaire ideeën & uitvindingen er ook in NL voor dat het leven definitief veranderde (de late doorbraak van de industriële revolutie kon dat hooguit wat vertragen). Steden verloren bijv. hun muren & poorten, op wallen werden parken aangelegd en paardenkrachten kregen steeds vaker mechanisch vorm. NL werd een koninkrijk en ontwikkelde zich tot democratie (nog wel met beperkt kiesrecht). Vernieuwing in combinatie met verlies van het vertrouwde vormde in Europa een voedingsbodem voor een queeste naar identiteit (romantiek, decadentisme). Dit kwam tot uitdrukking in de opkomst van nationalistische bewegingen (zo kwam België in 1839 los van NL) en een tendens terug te grijpen op het verleden (neostijlen). Kunst & cultuur voeren ook in NL wel bij dit alles. Ook hier manifesteerde neoclassicisme zich veelvuldig in beeldende kunst & architectuur (bijv. gebouwen met klassieke pilaren), in de architectuur bracht de neogotiek het tot een eigen uitdrukkingsvorm en ook de Neo-Romaanse, eclectische en neorenaissance stijl (bijv. trapgevels) vonden weerklank in de bouwkunst. Door de explosieve groei van steden werd via revolutiebouw gepoogd te voldoen aan de vraag naar goedkope arbeiderswoningen (nu nog zijn daar hele stadswijken van). In de schilderkunst kreeg de noemer Nederlandse romantiek gestalte en ook qua literatuur bracht dit (met een glijdende overgang naar maatschappijkritisch Realisme) namen van internationale betekenis voort. Realisme en (post)impressionisme vonden in de schilderkunst een plek in een Haagse, Larense & Amsterdamse school. Impressionisme kwam in NL ook tot uitdrukking in literatuur (bijv. bij de Tachtigers) en bij componisten. Na 1850 ontstond in NL door de opkomst van tijdschriften een eigen illustratiecultuur. In de kunst & literatuur van eind 19e eeuw sloeg het symbolisme, een reactie op beide laatste stromingen, in NL minder sterk aan. In deze periode beleefde in NL qua podiumkunsten variététheater zijn hoogtepunt.

Onder de oudste nog bestaande kunstenaarscollectieven van NL vallen het in 1774 opgerichte Dordtse tekengenootschap Pictura en het Utrechtse genootschap Kunstliefde (sinds 1807). Ook KZOD uit Haarlem (sinds 1821), Arti (1839) en Sint Lucas (1880) uit Amsterdam, het Haagse Pulchri (1847) en het Groningse “De Ploeg” (1918) bestaan nog, al voltrok dat zich bij de laatste groep vol strubbelingen en is dit voortbestaan thans kwijnend.

Rond de 20e eeuw wisseling kreeg vanuit Frankrijk het fin-de-siècle gevoel invloed. Tegelijk kwam de Jugendstil op die in NL veelvuldig terug te vinden is in architectuur & ontwerp en hier wel werd gecombineerd met de qua visie tegengestelde rationalistische architectuur. In de schilderkunst gaf het fauvisme met felle niet gemengde kleuren een aanzet tot de moderne kunst; de benaming voor avant-gardistische kunstuiting tot eind jaren 60. Stijlen & stromingen van de tijd die verzet tegen traditionele opvattingen delen vallen onder het modernisme (al kende de literatuur niet avant-gardistisch modernisme). In NL vonden aan zulke stromingen naast expressionisme in beeldende kunst (Bergense school), architectuur & ontwerp (Amsterdamse school) & literatuur, naïeve schilderkunst en dadaïsme weerklank. De laatste stroming combineerde creatieve uitingswijzen om verwarring te stichten en vormde ook een aanzet tot abstracte kunst in NL. Hiermee sympathiserende kunstenaars verbonden zich in kunstgroep “De Stijl” en bediende zich van een eigen kunsttheorie & stijl (neoplasticisme). De kunstgroep bracht grote namen voort op het vlak van beeldende kunst, ontwerp, architectuur, literatuur en muziek en kende ook het constructivisme als kunststijl en het eclectische Art Deco als bouwstijl. In Amsterdam kwam rond dezelfde tijd de Groep van de figuratieve abstractie op die met oog voor de wisselwerking van kunstobjecten met de omgeving het abstracte zocht in verstilling. Deze bracht diverse generaties beeldhouwers en schilders voort en is nog intens levend. De vooroorlogse periode vormde hoogtijdagen voor radio & bioscoop. Qua podiumkunsten bleef variété (later kleinkunst) belangrijk met bijv. het levenslied als luisterlied. Als reactie op het expressionisme vond nieuwe zakelijkheid in NL weerklank in schilderkunst (magisch realisme), architectuur en literatuur waarbij het communicatieve terrein won op het esthetische (bijv. parlando poëzie). In de oorlog waren clandestiene periodieken & literatuur buiten de door de bezetter ingestelde Kultuurkamer van belang. Na 1920 kwam in de woningbouw het Nieuwe Bouwen op (o.m. Nieuwe Haagse school).

Dit werd alras verbasterd tot nieuwbouw en bereikte een hoogtepunt bij de wederopbouw tot zo’n 25 jaar na de 2e wereldoorlog. Mede omdat alles goedkoop & efficiënt moest waren in het wereldplatform van de architectuur CIAM onpersoonlijke rationele stijlen als functionalisme (functionele vormgeving nieuwbouw) & brutalisme (verwijst naar hardheid van beton) beeldbepalend via duplexwoningen en stroken, stempel & systeembouw. Traditionalistische tegenhangers als de Delftseen Bossche school bleven daarnaast in NL op kleine schaal bestaan. Rond 1950 mondden dada, expressionisme en naïeve kunst uit in de Cobra groep (een Frans acroniem voor Kopenhagen, Brussel en Amsterdam). Deze koesterde linkse idealen als klassenvrije kunst voor en door iedereen. Verwante avant-garde groepen waren de nul beweging en in Groningen het narrenschip. De Nieuwe Haagse school verzette zich tegen Cobra. Het surrealisme dat na 1920 opkwam en nog  vigeert kreeg rond de oorlog enige respons in beeldende kunst en literatuur. Klassieke stripverhalen werden erg populair. Na de oorlog was m.n. in de letteren de verwerking van wat was gebeurd dominant (ontluisterend realisme). In de poëzie vormden daarna de Vijftigers een groep gematigde modernisten die dichterlijke vrijheid nastreefden met als reactie daarop realistische tendensen in de jaren 60. In de klassieke muziek vigeerden deHaagse en Rotterdamse school. In de Nederlandstalige (pop)muziek was dit de tijd van tienersterren. Binnen het Nederlandse levenslied kwam de term smartlap op (goedkoop effectbejag). Eigen bijdragen aan de rock-‘n-roll kwam bijv. van de indorock van de 2e generatie uit voormalig Nederlands-Indië. Via de flowerpowertijd werd (mede vanuit het Franse existentialisme) avant-gardisme norm. Aan Dada verwante underground subculturen uit de USA kregen navolging in de vorm van de Provobeweging met haar happenings, de Kabouters en de hippiecultuur. Protest tegen de establishment culmineerde bij toneel (Actie Tomaat) en (klassieke) muziek (Notenkrakers). Eind 60er jaren nam in muziek (Nederpop, Nederbeat) en stripcultuur de variatie in stijl, genres en onderwerpen al sterk toe en Fluxus, Nieuwe figuratie & Popart (met in de 90er jaren neopop als schootvrucht) maakten alledaagse kunst met o.m. groteske absurde humor als uitkomst. In de literatuur bleef realisme dominant, maar werden steeds meer taboes doorbroken. Ook protest & emancipatie (bijv. 2e feministische golf) vonden weerklank.

Dit alles vormden de opmaat voor postmodernisme in de kunst dat neigt tot relativering (bijv. van begrippen als waarheid & authenticiteit) & ironie en kenmerken van meerdere stijlen & stromingen combineert (eclecticisme). Met het domineren van deze visie werd hedendaagse kunst een feit. Afgebakende stromingen zijn moeilijker te onderscheiden en geholpen door technologie & ICT ontwikkeling lopen stijlen & uitingsvormen door elkaar (Lijst). Zo werd bijv. schilder & beeldhouwkunst minder dominant. Met dit alles kon ook sfeer & betekenis als beeldende kunstwaarde terrein winnen op visuele & fysieke kenmerken. In de kunst kwamen bijv. conceptuele kunst, gemengde technieken en m.n. vanaf de 90er jaren vormen als digitale kunst en kunst voor het bedrijfsleven (Business art) op. Er ontstond mengkunst, bijv. ook in kunstuitingen van de Groep waaruit rond 2000 de Noordelijk realisme tak van onafhankelijk realisme voortkwam. NL is verder vertegenwoordigd bij de terug naar de natuur stromingen Nieuwe wilden (neo-expressionisme) & After nature (neorealisme) en bij Fundamentele, Digitale en Kinetische kunst, Land Art, Toyisme en sieraadontwerp. In de architectuur kregen richtingen voet aan de grond met oog voor samenhang & leefbaarheid als structuralisme, organische architectuur, “slow architecture” en postmoderne architectuur (ook Nieuwe Bouwen werd postmoderner). Verder vervaagde ook in NL de grens tussen klassieke & popmuziek (in de muziek heet mengkunst cross-over). Zo werden de oorspronkelijk klassieke Haagse en Rotterdamse school en eigentijdse klassieke muziek meer eclectisch (in Rotterdam met voorkeur voor literaire bronnen) en werd in andere muziekuitingen het aantal genres en stijlen groter, gevarieerder en meer gemengd. In de literatuur schiep postmodernisme in de 80er jaren ruimte voor vitaliteit & spontaniteit. Bij de generatie Nix (jaren 90) kreeg realisme rauwe & nihilistische trekken. Ook ontstond een belangrijke bijdrage van immigranten uit m.n. moslimlanden met o.m. identiteit als onderwerp. Ongeacht etnische afkomst lopen fantasie & werkelijkheid, eigen & geleende tekst en heden, verleden & toekomst meer door elkaar en won niet moralistisch engagement terrein in de literatuur.

NL kent een enorm scala aan cultuurprijzen. Najaar 2014 maakte de Nederlandstalige wikipedia melding van ruim 130 literatuurprijzen, 46 Kunstprijzen, 40 theater en 10 cabaretprijzen, 32 muziekprijzen; 14 prijzen op het vlak van architectuur, 14 op het gebied van film & documentaire (Ned) en 10 Nederlandse oeuvreprijzen. Sommige prijzen kennen meerdere onderdelen, niet al de prijzen bestaan nog en categorieën overlappen elkaar soms (meer info hierna onder de betreffende kopjes).

Unesco erfgoed

Op Netherlands is de nieuwste Unesco werelderfgoed lijst met info voor NL te vinden (Lijst biedt toegang tot de wikipedia pagina’s). Begin 2015 telde de lijst in NL zelf 9 definitieve objecten en 5 voorlopige. De eerste 6 definitieve objecten werden toegekend tussen 1995 en 2000 en de andere 3 in respectievelijk 2009, 2010 en 2014. De lijst van voorlopige objecten kwam in 2011 tot stand. De definitieve objecten zijn in volgorde van toekenning het voormalige Zuiderzee-eilandje Schokland in de Flevopolder (1995), de stelling van Amsterdam, de molens van kinderdijk, het Ir Wouda gemaal in Lemmer, droogmakerij de Beemster, het Rietveld Schröder huis in Utrecht (voorbeeld van “De Stijl” architectuur), de Waddenzee als enige natuurlandschap (2009), de Amsterdamse grachtengordel (typisch Nederlandse historische stadsplanning) en de van Nelle fabriek in Rotterdam (2014; vroeg 20e eeuws icoon van industriële architectuur in NL). De eerste 5 objecten werden opgenomen ter illustratie van strijd & aanpassing die voorvloeit uit NL als waterland. Bij de 5 voorlopige objecten geldt dit laatste ook voor de Hollandse waterlinie. Bij de koloniën van de maatschappij van weldadigheid is de combinatie van landwinning & latere natuurontwikkeling met 19e eeuwse liefdadigheid het thema. Het Eise Eisinga planetarium in Franeker is opgenomen als oudste nog werkend planetarium ter wereld. Voormalig TBC sanatorium zonnestraal in Hilversum geldt als schoolvoorbeeld van het functionalisme van het Nieuwe bouwen en de restanten van de grens van het oude Romeinse rijk (Limes) als meest uitgestrekt voorbeeld van Romeinse nalatenschap.

Los van het Unesco werelderfgoed kent NL een selectie van 100  Rijksmonumenten die een blauwwit Unesco schildje mogen voeren.

Voor documenten kent Unesco het Memoryof the World register. NL is daarop aanwezig met archieven van 17e en 18e eeuwse handelscompagnieën, 2 archieven uit voormalig Nederlands-Indië (de scheppingmythe van de Boeginezen van Zuid-Celebes & de biografie van de Javaanse edelman Diponegoro), het dagboek van Anne Frank, de bibliotheek van een Portugese synagoge, een ontwerp van het communistisch manifest en het archief van bioscoopexploitant Jean Desmet. In mei 2012 ondertekende NL het UNESCO verdrag rond bescherming van immaterieel cultureel erfgoed. Het centrum voor volkscultuur & immaterieel erfgoed werd belast met de uitvoering en die begint met inventarisatie. T/m 2014 had men 50 tradities & rituelen verzameld. De categorie evenementen was het grootst (15), gevolgd door ambachten & beroepen (8), feesten & vieringen (7), sociale cohesie & identiteit (7), kunst (5) en vrije tijdsbesteding (3).

Bouwkunst en beeldende kunst

De oudste prehistorische vondsten van cultuuruitingen op het grondgebied van het NL van nu komen van jager verzamelaars uit de midden steentijd (10.000-5000 v Chr.). Daaronder valt de oudste tekening van NL (op een vuursteen uit 10.000 v Chr.), de oudste boot die ooit in Europa is gevonden (de kano van Pesse van rond 8000 v Chr.) en een eikenhouten beeldje uit 6500 v Chr. dat men tegenkwam bij de aanleg van de Volkerak sluizen. De Vlaardingen & Swifterbant cultuur van rond 4000 v Chr., die al wat landbouw kende, liet o.m. sieraden na. De nieuwe steentijd (5500-2000 v Chr.) laat men beginnen waar landbouw & veeteelt meer dominant aanwezig zijn en culturen werden ingedeeld naar type aardewerk dat ze nalieten. In NL is lineaire bandkeramiek uit Zuid Limburg van een volk dat nog niet ploegde en nog veel jaagde & verzamelde het oudst. De Trechterbeker cultuur van rond 3000 v Chr. uit Drenthe e.o. is het bekendst vanwege haar hunebedden (wellicht een soort knekelhuizen) & grafheuvels. De cultuur kende reeds boerderijen met grote rieten daken. Aan grafgiften trof men naast aardewerk gereedschap, wapens & kralen aan. Het oudste in NL gevonden wiel uit 2500 v Chr. (verre) is wellicht van de eerste Indo Europese cultuur, de touwbeker cultuur die o.m. in individuele graven ongebruikte bijlen achterliet. Grafheuvels uit debronstijd (2000-800 v Chr.) zijn vaak van de grafheuvel en urnenveldencultuur (crematie). Naast gereedschap, wapens & sieraden uit brons (bijv. een sierzwaard uit Jutphaas) en o.m. gouden ringen in een graf in het Drentse Drouwen resteren veel voorwerpen uit aarde, steen of hout zoals een ritueel tempeltje en een constructie van palencirkels (Woodhenge bij Zwolle, wellicht een zonnetempel). De grafheuvel cultuur kende gescheiden graven voor vrouw & man en liet het oudste Drentse veenlijk na met o.m. restanten van kleding. Het veenlijk van het meisje van Yde van rond het begin van de christelijke jaartelling deed echter het meeste stof opwaaien en komt uit de ijzertijd (tussen 700 v Chr. en de komst van Romeinen) net als vondsten uit de grootste grafheuvel, het vorstengraf bij Oss (700 v Chr.; later zijn hier ook vroegere grafheuvels gevonden) en een boemerang van rond 550 v Chr. uit een grafheuvel bij Velsen. In deze periode kwamen er m.n. bronzen (en wat gouden) items bij van een type dat die men uit eerdere periodes nog niet was tegen gekomen zoals bronzen emmers om wijn met water te mengen (een Grieks Romeins gebruik).

Keltische stammen in het Limburg van nu leverden (naast eigen munten) een eerste bijdrage aan de voorchristelijke historie met enkele woorden die nog in het huidige Nederlands zijn te traceren en daarmee was de oudheid aangebroken. Rond 500 v Chr. hadden ze een nederzetting op de plek waar Maastricht ligt en daarmee zou dit de oudste stad van NL zijn. Onder de Germaanse erfenis uit de periode vallen (runen)inscripties uit Fries Saksisch territoir, maar later is het schrift ook in Frankisch gebied aangetroffen. In Friesland is tevens Romeinse schrift van 29 na Chr. gevonden. Dat dit schrift enkele eeuwen later was ingeburgerd blijkt o.m. uit offergaven voor voorchristelijke godinnen in de vorm van stenen met dankinscripties (votiefsteen) uit Friesland, Zeeland en Limburg. In Zeeland vallen ze onder restanten van tempels voor beschermgodin Nehalennia en in Heerlen komen ze uit thermen (Romeinse baden, nu museum) en waren ze opgedragen aan de Romeinse “vrouwe Fortuna”. Veel Romeinse nalatenschap in musea in Limburg komt uit Romeinse villa’s. Het Valkhof museum in Nijmegen kent een collectie met resten van een amfitheater en als topstuk een godenpilaar. Verder zijn veel archeologische vondsten verweven met de Limes zoals restanten van legerkampen & versterkingen in zuid Holland & Utrecht, rond Nijmegen en in Limburg en van schepen op 3 plaatsen rond Woerden. Vondsten bieden aanwijzingen dat via de komst van Romeinen en daarna door volksverhuizingen de wereld steeds groter werd. Zo was in een fibula (mantelspeld) uit het Friese Wijnaldum van rond 600 een edelsteen uit India verwerkt. Uit andere vondsten blijkt dat in deze tijd Dorestad opkwam als handelsplaats.

Veel uit prehistorie & oudheid is te zien in het Rijksmuseum van oudheden in Leiden. Onder de openluchtmusea met thema’s rond deze periode vallen het Hunebedcentrum in Borger, het Archeon in Alphen a/d Rijn en de ijzertijdboerderij in Dongen.

Uit de vroege middeleeuwen (330-950); de tijd van volksverhuizingen & kerstening, is in NL weinig meer over en wat er nog is komt vaak uit opgravingen. Vanuit het zuiden wonnen Frankische nieuwkomers terrein en NL ten zuiden van de grote rivieren bleef lang cultureel toonaangevend. Kerk & kloosters speelden de hoofdrol in de ontwikkeling van kunst & cultuur. Uit deze periode dateren bijv. hergebruikt bouwmateriaal (spolia) en restanten van de St. Servaas basiliek in Maastricht & van enkele houten kerken. Onder de nalatenschap van de Karolingische renaissance (de opbloei van kunst & cultuur in de tijd van Karel de Grote en daarna: 768-877) vallen (deels) de oude kerk van Oosterbeek (oudste van NL en enige pre-romaanse kerk); het Utrechts psalter, het oudste psalmboek van NL, (toen nog) verluchtigd met (pen)tekeningen die bovendien revolutionair waren voor de periode en wat edelsmeedkunst (schatkamer, Lebuïnuskelk). Ook in de hoge middeleeuwen (950-1270; o.m. de tijd van kruistochten) hield menig naamloze monnik zich minutieus onledig met boekverluchting, maar daar is uit NL weinig meer van over. Wel hebben veel romaanse kerken die monniken hielpen bouwen de tijd overleefd. Daarvan is het leeuwendeel te vinden in Groningen, Friesland en Drenthe, al vallen daar ook veel exemplaren onder in de iets latere romanogotiek. Bijna alle dorpskerken met een zadeldaktoren in noord NL dateren uit deze periode. Deels waren dat kloosterkerken, maar sinds de reformatie zijn ze bijna allemaal calvinistisch. De romaanse erfenis uit Maastricht is het meest gevarieerd. Onder Romaanse kunst valt Maaslandse kunst met in NL beeldhouwkunst. Later kwam de vroege (1140-1200) en hoge (1200-1300) gotiek op. Klassiek gotische kerkbouw voorbeelden in NL zijn de bergportaal van de St. Servaaskerk in Maastricht, de Domkerk van Utrecht en de Broederenkerk in Zutphen. De Helpoort in Maastricht, de oudste nog bestaande stadspoort van NL en de Kasteelruïne in Valkenburg vallen ook onder de rijksmonumenten uit de hoge middeleeuwen.

De meeste gotische architectuur is van een afgeleide Nederlands Vlaamse variant en daar zijn in NL heel wat kerken in gebouwd (Lijsten). Die bouw ging door tot ver in de 17e eeuw toen de late middeleeuwen (1300-1500) al lang voorbij waren. Wel kwamen er later ook profane gebouwen bij als stadhuizen. Onder de varianten vallen Maasgotiek (kerken in Maastricht), Scheldegotiek (St. Baafskerk Aardenburg, Haagse ridderzaal), Utrechtse & Stichtse gotiek (beide afgeleid van de Domtoren), Nederrijnse gotiek in midden en oost NL naar Duits Rijnlands model (St. Walburgiskerk Zutphen, Eusebiuskerk Arnhem) en Brabantse & Kempense gotiek met als architecten Everaert Spoorwater (rond 1450; o.m. St. Bavo Haarlem) en vroege telgen van het geslacht Keldermans (o.m. stadhuis Gouda, Grote kerk Alkmaar) en als pronkstuk de Bossche Sint-Janskathedraal. Bij de bouw speelden leden van de nog bestaande OLV broederschap een hoofdrol (deze hield zich destijds ook onledig met de aflaathandel). In de late middeleeuwen werd uit Brabantse gotiek Hollandse gotiek ontwikkeld met lichte lange kerken als aanpassing aan slappe veengrond zoals de Sint-Janskerk van Gouda, met 123m de langste kerk van NL en ook beroemd vanwege interieur en gebrandschilderde ramen. In dezelfde periode kwam er flamboyante gotiek bij met enorme rijkdom aan versiering (bijv. stadhuis Middelburg). Onder rijksmonumenten uit de late middeleeuwen vallen aan laatgotische architectuur verder het stadhuis van Veere, een woonpand in Gouda en het Haagse Binnenhof en aan overige bouw een woonpand in Maastricht, 4 monumenten in Zierikzee, de Prinsenhof in Delft (begonnen als klooster), de gevangenpoort in Den Haag, het klooster van Ter Apel, het St. Annahofje in Leiden met o.m. gebrandschilderde ramen, de oudste windmolen van NL in Zeddam en de Sassenpoort in Zwolle.

In de late middeleeuwen (1270-±1525) werd de invloed van het profane geleidelijk groter. Nieuwe ontdekkingen (Verre Oosten, nieuwe wereld, heelal, boekdrukkunst) gingen gepaard met meer openheid voor ervaringen en meer ego. Vlaanderen was destijds qua kunst & cultuur de plaats om te zijn. Boekverluchting geschiedde minder vaak naamloos en vaker door leken. Het betrof m.n. getijdenboeken (boeken vol gezongen devotie). Michiel van der Borch (±1400) was de eerste miniaturist uit NL die bij naam werd genoemd, maar het bekendst werden zijn tijdgenoten de gebr. van Limburg uit Nijmegen die sacrale en profane miniaturen maakten (de stad kent sinds 2005 een aan hen opgedragen middeleeuws festival). Ze gelden (met beeldhouwer Claus Sluter) als exponenten van internationale gotiek met invloeden uit het Italië van nu. Ook uit NL kwamen Willem Vrelant, de meester van Katharina van Kleef (eega van de hertog van Gelre en rond 1440 opdrachtgeefster) en schilder Jan Mostaert uit Haarlem (Lijst). Op de overgang van laatgotiek naar Renaissance vallen in de architectuur (Lijst) Willem van Noord (stadsbouwmeester van Utrecht) en in de schilderkunst de Vlaamse primitieven (bekend vanwege olieverf panelen met Bijbelse taferelen in Vlaamse sferen met uit het NL van nu Geertgen tot St. Jans, Dirk Bouts en Gerard Davids), de veelzijdige Lucas van Leyden (destijds verwees de “achternaam” nogal eens naar de herkomst) en schilder & houtsnijder Jacob Cornelisz. van Oostsanen. De laatste bracht een kunstenaarsgeslacht voort en leidde grote namen op. Adriaen van Wesel (Lijst) stond in de 15e eeuw in groot aanzien als beeldsnijder van m.n. altaarstukken. Textielkunst kwam in het huidige NL in Gouda en Leiden tot uiting in een bloeiende lakenindustrie (met stoffen uit wol).

Vanaf 1470 raakten sommigen die veel van de wereld zagen nog meer van god & kerk los en zo won vanuit m.n. het Italië van nu in kunst & architectuur klassieke mythologie als inspiratiebron terrein op de Bijbel (het schilder-boeck van late renaissanceschilder Karel van Mander is hier bijv. aan gewijd). In het huidige NL brak aldus de noordelijke renaissance door. Onder vroege exponenten/pioniers vielen Cornelis Engebrechtsz & zoon Pieter uit Leiden, Lucas van Leyden (het bekendst van gravures), Jeroen Bosch (werkte naar verluidt wel onder invloed van bilzekruid), schilder tekenaar Jan van Scorel (kende humanisten & hoven, zag zich als kunstenaar & intellectueel en wilde niet bij het gilde van ambachtslieden), diens maat Jan Cornelisz. Vermeyen (o.m. wandtapijten) en diens leerling Maarten van Heemskerck. De iets latere Hans Vredeman de Vries was een veelzijdige pionier op het vlak van perspectief en leverde zo een bijdrage aan zowel kunst als architectuur. In de Gouden eeuw (Lijst) werden in de republiek door zo’n 5000 schilders rond 3 miljoen schilderijen vervaardigd. In het begin vigeerde nog de Hollandse renaissance met in de architectuur o.m. trapgevels en smalle herenhuizen als kenmerk en met de Vlaamse architect Lieven de Key en Hendrick de Keyser als exponenten. Bij de laatste kreeg de architectuur trekken van hetmaniërisme, een late renaissance-uiting die door de contrareformatie werd gesteund en dusdanig werelds werd dat soms wulpse overdrijving optrad. Representanten waren beeldhouwer Adriaen de Vries en schilders Abraham Bloemaert, diens leerling Ferdinand Bol & Cornelis van Haarlem (vroege Haarlemse school; m.n. historische taferelen). Aversie uit reformatorische hoek tegen zulke overdaad kwam tot uiting in het statige en imposante Hollands classicisme (Nederlandse barok) van architecten Jacob van Kampen (o.m. paleis op de Dam & paleis Noordeinde in Den Haag), Pieter Post (paleis huis ten Bosch), Jacobus Roman (tevens beeldsnijder; o.m. paleis het Loo), Jan David Zocher & Philips Vingbooms (Amsterdamse grachtenpanden) en schilders Salomon de Bray & zn. en Gerard van Honthorst.

De laatste viel onder de caravaggistische fase van de Utrechtse school (deels reactie op het classicisme) en daarmee ook onder de barok. Bij deze vroege baroktak worden veel meesters van de Hollandse school ondergebracht met Rembrandt van Rijn (historie, portretten) als specialist in het werken met de lichtdonker contrasten van Caravaggio. Zijn bekendste werk de Nachtwacht (niet te koop & niet verzekerbaar, geschatte waarde in 2011 €500 miljoen) is een levensgroot groepsportret van één van de schutterijen die de openbare orde bewaakten. Schuttersstukken zijn een uniek Nederlands product. Er zijn er 160 in het bezit van het Amsterdams Museum en het Rijksmuseum waarvan er tot eind 2016 30 tentoongesteld zijn in de Hermitage. Andere grote namen (soms leerlingen van Rembrandt) zijn Jan van Goyen & Albert Cuyp (land & zee), Gerard ter Borch (taferelen, portretten), Gerard Dou (gedetailleerde portretten), Johan Vermeer (portretten, taferelen, stadsgezichten), Jan Steen (komische taferelen) en Pieter de Hoogh (taferelen) en van de Haarlemse school Frans Hals (portretten, taferelen), Adriaen van Ostade (volkstaferelen) en Jacob van Ruisdael (land & zeegezicht; tevens tekenaar & etser). Onder de barokke beeldhouwers met veel inbreng in de republiek der 7 verenigde Nederlanden vielen de Vlaming Rombout Verhulst (grafmonumenten) en Bartholomeus Eggers. Qua zilversmeedkunst ontwikkelden de broers van Vianen de z.g. kwabstijl. Midden 18e eeuw vigeerde de rococo met in NL in schilders Jacob Troost (satirisch werk) & Jacob de Wit (plafonds in grachtenpanden) en tekenaar Cornelis Pronk (ook Chinoiserie representant). Qua architectuur sloeg de stroming hier nauwelijks aan. Later kwamen neostijlen op met een vrij naadloze overgang van classicisme in neoclassicisme via architecten Jacob Otten Husly (stadhuis Groningen, Felix Meritis Amsterdam), schilder van toegepaste kunst Johannes van Dreght en beeldhouwers Louis Royer (standbeelden van grote Nederlanders) & Mathieu Kessels. Onder de architectuur (veelal met pilaren, schoolvoorbeeld paviljoen Welgelegen Haarlem) vallen o.m. de Korenbeurs in Groningen en waterstaatskerken. Matthias Soiron ontwierp rond Maastricht interieurs in deze stijl en veel van de (neo)classicistische parken in Engelse stijl in NL zijn creaties van Johan David Zocher of van diens zoon Jan D. Zocher & kleinzoon Louis Paul (1820-1915).

In de 19e eeuw beleefden neostijlen, die vanuit de romantiek uit de eerste helft van de eeuw teruggrijpen op het verleden, hun grootste bloei. Onder de romantische schilders vallen Jan Willem Pieneman, die als eerste niet langer 17e eeuwse schilders kopieerde, diens zoon Nicolaas (beide historisch werk), Ary Scheffer (Bijbels, historisch, portret) en landschapschilders Cornelis Springer (vader van tuinarchitect Leonard Springer) & Barend Cornelis Koekkoek (eerste van 4  generaties schilders). De eerste signalen van neogotiek deden zich vanaf 1840 voor in de architectuur (Willem II gotiek). De grondwet van 1848 met meer godsdienstvrijheid voor de roomsen betekende een doorbraak die wel tot 1940 doorging; m.n. in kerken van alle denominaties en in bijv. treinstations (o.m. Nicolaas Kamperdijk). Veruit de grootste nalatenschap in de vorm van (alleen al ruim 100 roomse) kerken, stations, kastelen en het Rijksmuseum is van Pierre Cuypers (1827-1921) en zijn leerlingen, waaronder C.H Peters (postkantoren), zoon Jos Cuypers (1861-1949), Jan Stuyt (1868-1934; beide gingen later over op meer Neo-Romaanse kerkenbouw) en Willem Crevels (houtsnijwerk gouden koets). Naast deze Amsterdamse school was er het St. Bernulphusgilde (sinds 1869) met architect Alfred Tepe (1840-1920) die vanuit de Rijnlandse gotiek m.n. roomse kerken (ruim 70 in getal) & gebouwen ontwierp (Utrechtse school) waarbij Friedrich Wilhelm Mengelberg (o.m. beeldhouwer), het edelsmedengeslacht Brom en orgelbouwer Michaël Maarschalkerweerd zich onledig hielden met het kerkinterieur. Rond Breda was Petrus Johannes van Genk actief met Belgische neogotiek. Als reactie op de van huis uit roomse neogotiek poogde men rond 1875 de neorenaissance nationale bouwstijl te doen zijn (bijv. Haagse passage, academiegebouw Groningen). Meerdere (neo)stijlen combineren heet in de architectuur eclecticisme (bijv. kerkarchitect Tjeerd Kuipers, maar ook Pierre Cuypers was eclectisch).

Midden 19e eeuw deed via invloeden uit Frankrijk het impressionisme (tevens vaak sociaal bewogen realisme als reactie op neoclassicisme en romantiek) zijn intrede. In de schilderkunst ontstonden zo 3 scholen met onderscheid naar onderwerpen. De Haagse School werd m.n. bekend door zeegezichten & landschappen. Onder de leden vielen Jan Hendrik Weissenbruch, Jozef Israëls, H.W Mesdag (o.m. Panorama), Johannes Bosboom (kerkinterieurs), Jacob & Willem Maris en Anton Mauve die o.m. Vincent van Gogh les gaf. Eind 19e eeuw ontstond vanuit de Haagse school de Larense school (taferelen & landschappen in traditionalistisch realistische stijl) met o.m. Albert Neuhuys (scènes in plattelandshuizen) Hein Kever (idem bij keuterboeren), Evert Peters & Bernard de Hoog (geliefd in Angelsaksische landen) en Jaap Dooijewaard. Onder de Amsterdamse impressionisten (mens & stad) voelden tekenaar aquarellist (en zoon van) Isaac Israëls, G.H Breitner (o.m. paarden & straatfotograaf) en Willem Witsen (schilder, fotograaf, etser, schrijver) zich verwant aan de Tachtigers. Willem de Zwart onderscheidde zich met veel onderwerpen en uitbundig kleurgebruik. Schilderessen van de groep werden bekend als Amsterdamse joffers. Na 1885 werd in de schilderkunst bereidheid om de weergave van de realiteit te vervormen ten gunste van emotie meer toonaangevend. Dit vormde de opmaat naar postimpressionistische stromingen als het symbolisme met in NL de veelzijdige kunstenaars Jan Toorop (begon in de Amsterdamse school), Johan Thorn Prikker, Richard Roland Holst en Willem Wiegmans (veel religieus werk), tekenaar schilder Carel de Nerée en beeldhouwer Joseph Mendes da Costa. Vincent van Gogh (1853-1890) valt onder een stroming die met stippen of streepjes werkte om emotie te benadrukken. Naar verluidt verkocht hij bij leven slechts één schilderij en enkele tekeningen, maar zijn invloed op de kunst na hem was enorm. In het tijdsgewricht van nu vallen zijn schilderijen onder de duurst geveilde ter wereld (Lijst) en het naar hem vernoemde museum is het meest bezochte van NL. Een beeldhouwer uit de periode, die niet zomaar bij een stroming onder te brengen is, is Pier Pander (1864-1919).

Rond de 20e eeuwwisseling kwam als reactie op de neostijlen in Engeland de Arts-and-crafts beweging op met hernieuwde belangstelling voor ambachten als tegenhanger van machinale industriële productie. Dit mondde op het continent uit in Nieuwe kunst (Art-nouveau/ Jugendstil) en sloeg o.m. aan bij architect Pierre Cuypers en bij kunstenaars Jan Toorop, Willem Dijsselhof (schilder & sierkunst), Jac. van de Bosch (meubel & interieurontwerp) en Sjoerd Hendrik de Roos (o.m. ontwerp van letters en postzegels). Ze werkten o.m. samen met de eclectische architect & ontwerper van interieurs Hendrik Petrus Berlage (1856-1934). Hij is het bekendst van de Beurs van Berlage die wel is gezien als begin van het traditionalisme (eerbied & ambacht boven functionaliteit) van o.m. H.W. Valk (1886-1973) en de Delftse school van Marinus Jan Granpré Molière. Berlage’s stijl kende verder invloeden van nieuwe kunst en rationalisme (met architect ontwerper Karel de Bazel en kerkarchitect Ane Nauta als exponenten) en is ook met het eclectische Art Deco geassocieerd. Onder de laatste stijl vallen Jan van der Mey, Piet Kramer (o.m. de Haagse Bijenkorf en bruggen), Julius Maria Luthmann (Radio Kootwijk) en Michel de Klerk (met Kramer & de Klerk voorlieden van de Amsterdamse school). O.m. in kringen van de Bergense school bewoog zich Piet Mondriaan (1872-1944; ontwikkeling van impressionistisch naar abstract, met abstract wereldberoemd: Top). Hij ontwikkelde samen met kunstenaar Theo van Doesburg (voorman in NL van Dada) een kunsttheorie; Nieuwe Beelding genaamd. Ze waren o.m. geïnteresseerd in geometrische abstractie van Bart van der Leck. Sympathiserende kunstenaars verbonden zich in kunstgroep “De Stijl (1917-1944). Leden waren pioniers van abstracte kunst en vormden een internationale inspiratiebron voor architecten en ontwerpers van toegepaste kunst. Onder de kern van de groep vielen verder architecten & ontwerpers J.J.P. Oud (o.m. nationaal monument Dam Amsterdam), Gerrit Rietveld (1888-1964, bekendst van zijn stoelen), Jan Wils (Nieuwe Haagse school) en Robert van ’t Hoff en veelzijdig kunstenaar Vilmos Huszár. Als exponenten van de Nieuwe Zakelijkheid, die geïnspireerd was vanuit de Duitse Bauhaus school, gelden Rietveld, P Wiebenga, Jan Duiker, Piet Zandstra, Mart Stam, Jaap Bakema & Cornelis van Eesteren. Deze kwam tot uiting in sobere & rationele functionele vormgeving en vormde met werk van Michiel Brinkman een inspiratie voor het Nieuwe bouwen (oorsprong van de term nieuwbouw) dat vigeerde tussen 1915 en de jaren 60 met bijv. ook Frits Peutz (1896-1974). Later keerde Oud zich hier van af. Oud en Stam lieten zich bij ontwerp van deVan Nellefabriek in Rotterdam (sinds 2014 Unesco erfgoed) tevens inspireren door Sovjet Russisch constructivisme. Architect Jan Maris liet m.n. in Groningen e.o. veel karakteristieks na.

In de schilderkunst gaf rond 1905 het fauvisme met felle niet gemengde kleuren en Kees van Dongen (1877-1968) als bekendste exponent uit NL een aanzet tot moderne kunst; de benaming voor avant-gardistische kunstuitingen tussen begin 20e eeuw en eind jaren 60. Ze overlappen met modernistisch verzet tegen traditionele opvattingen. Leo Gestel & Jan Sluijters ontwikkelden zich van fauvisme via kubisme (1906-1920) naar expressionisme (1905-1940). Dit kende in NL de Bergense school met o.m. nageslacht van Jan Toorop (m.n. dochter Charley en kleinzoons Edgar en John), Arnold Colnot, Dirk Flilarski (o.m. luminisme), de gebr. Piet en Matthieu Wiegman & Hendrik Chabot (tevens beeldhouwer). Als 2e expressionistische school ontstond het vanuit Duitsland beïnvloedde collectiefDe Ploeg uit Groningen met bijv. Jan Wiegers en Hendrik Werkman. Onder de Dada kunstenaars in NL vielen naast Theo van Doesburg de Friese broers Thijs & Evert Rinsema. Vanaf 1925 deed zich vanuit het abstracte expressionisme een terugkeer voor naar realisme met als uitkomst magisch realisme (kunstversie Nieuwe zakelijkheid) met Jan Mankes als voorloper. Exponenten uit NL waren voor de oorlog al actief, maar kregen na 1965 (flowerpower revolutie) echt erkenning. Het bekendst werden graficus M.C. Escher (1898-1972) met onmogelijke geometrische voorstellingen (op-art) en schilders Carel Willink (1900-1982), Pyke Koch (1901-1991) en Dick Ket (1902-1940). Onder de grote vooroorlogse illustratoren vallen naast Escher Cornelis Jetses (1873-1955, m.n. bekend van schoolplaten en boeken) enAnton Pieck (1895-1987, ontwierp ook sprookjespark de Efteling, één van de grootste toeristentrekpleisters van NL).

Vooral in de naoorlogse periode kwam de aan Dick Ket verwante en aanvankelijk vooral uit beeldhouwers bestaande Groep van de figuratieve abstractie op met als grondleggers Jan Bronner (1881-1972) en Paul Grégoire en verder Mari Andriessen (monument de dokwerker), portretbeeldhouwer Piet Esser, Carel Kneulman (ook veelzijdig kunstenaar, o.m. Het Lieverdje in Amsterdam), Charlotte van Palland, expressionist Han Wezelaar en architect & monnik Hans van der Laan en van naoorlogse generaties o.m. Nic Jonk, Eddy Roos en Eja Sipema van den Berg (1943) en verwante kunstschilders Wout Muller, Matthijs Röling (1943),  Henk Helmantel (1945), Johfra (zodiak posters), de zonen van Paul Grégoire Pépé (1950) & Kenne (1951), Sam Drukker (1957), (dochter van) Noëlle Roos (1969) en Rachel Dieraert (1974). Onder de leden uit NL van de Cobra groep; die in 1948 ontstond uit dada, expressionisme en naïeve kunst; verwierven expressionistisch schilder & beeldhouwer Karel Appel, schilder & ontwerper Constant en schilder Corneille de grootste internationale bekendheid. Ze noemden hun werk informele schilderkunst. Botanicus kunstenaar Herman de Vries (1931) hield zich hier ook onledig mee, maar richtte in 1961 met o.m. Armando (1929, veelzijdig), Jan Schoonhoven (minimal art) & Ben Akkerman de Nulgroep op die zich antischilderkunstig afzette tegen Cobra. In hun veelzijdige gerichtheid op basale expressievormen (minimal art, fundamentele kunst) vallen leden tevens onder de postmoderne hedendaagse kunst. Autodidact Jopie Huisman (met het naar hem vernoemde museum in Workum) nam een geheel eigen plek in. Makers van klassieke stripverhalen zijn m.n.Marten Toonder (Beer Bommel & Tom Poes en oprichter van Toonder studio’s), Alfred Mazure (detective Dick Bos) en Hans G Kresse (o.m. Erik de Noorman). Fiep Westendorp (haar “Jip & Janneke” werden iconen van eenvoudig taalgebruik) en W.G. van der Hulst jr. zijn de bekendste illustratoren. Qua architectuur bleven in de naoorlogse wederopbouw tot eind 60er jaren functionalisme (functionele vormgeving nieuwbouw), brutalisme (de term verwijst vanuit het Frans naar de hardheid van beton) en Nieuwe zakelijkheid vigeren met bijv. Jaap Bakema,Frans Welschen en Cornelis van Eesteren als architecten. Onder de scholen vielen naast het Nieuwe bouwen de Delftse school en de daaruit ontstane Bossche school rond Hans van der Laan van de Groep.

In de flowerpowertijd (1965-1975) vielen de veelzijdige kunstenaars Ans Wortel, Ger van Elk, Woody van Amen (1936), Willem de Ridder (1939), Reinier Lucassen (1939) en Wim T. Schippers (1942) onder de representanten van de uit de USA overgewaaide stromingen Fluxus, Nieuwe figuratie & Popart. In kunst & cultuur vormde deze fase de overgang van modernisme naar postmodernisme en van moderne naar hedendaagse kunst met minder duidelijke afbakening van stromingen, stijlen & uitingsvormen (Lijst). Zo kwam bijv. het werken met assemblages en installaties op en ontstond conceptuele kunst waarbij het idee de vorm bepaalt. Naast de kunstenaars hierboven worden Marinus Boezem (1934, beeldhouwer), Jan Dibbets (1941, arte povera; o.m. simpele installaties met foto’s) en Ger van Elk (1941-2014) tot de pioniers gerekend. Ook de nulgroep, Pim T Schippers, Carel Visser (1928) en Woody van Amen (1936) werken met assemblages. Paul Panhuysen (1934, visueel & geluid) en Leonard van Munster (1972) vallen onder de installatiekunstenaars en voorbeelden van digitale kunstenaars zijn Peter Struycken (1939), Martin Sjardijn (1947) en Lars Spuybroek (1959, interactieve kunst). De op de Atlantische oceaan vermist geraakte Basjan Ader (1942-1975) was een vroege videokunstenaar met performances met veel suspense. Onder de gebruikers van deze kunstvorm die ook internationaal doorbraken vallen Lydia Schouten (1955), Erwin Olaf (1959), Aernout Mik (1962) en Erik van Lieshout (1968). Uit de groep van de figuratieve abstractie kwamen rond 2000 onafhankelijk realisme voort met naast Henk Helmantel o.m. Frans Koppelaar (1943) en Herman van Hoogdalem (1956). Kinetische kunst wordt in NL gemaakt door Theo Jansen (1948, strandbeesten, vliegende schotels) en Joost Conijn (1971). Onder de representanten uit NL van (terug naar de) natuur stromingen vallen Peter Klashorst (1957), Jurriaan van ’t Hall (1962), de broers Gijs (1964) en Justus Donker (1966; nieuwe wilden & after nature) en Land Art Kunstenaars Piet Slegers (1923), Marinus Boezem (1934), Lucien den Arend (1943) & Derk den Boer (1954). Het observatorium in oostelijk Flevoland (een hedendaags Stonehenge) is van Robert Morris uit de USA. De sinds 2003 bestaande kunstenaar van het jaar titel is vanuit NL gewonnen door Jurriaan van ’t Hal (1962, in 2004), Jacques Tange (1960; 2005), Jeroen Hermkens (1960; 2006), Ad Arma (1954; 2007), Henk Helmantel (1945; 2008), Ans Markus (1947, 2009/10), Sam Drukker (1957; 2011), Ted Noten (1956, 2012), Erwin Olaf (1959, 2014; m.n. fotograaf) en Marlene Dumas (1953, 2015).

Hoewel in Zuid Afrika geboren, wordt Marlene Dumas (expressionisme, conceptueel) als Nederlands kunstenares gezien. Ze valt onder de rijkste kunstenaars van NL, net als Michael Radecker (1963). Joep van Lieshout (1963) was rond 2005 naar verluidt de meest geëxposeerde beeldende kunstenaar wereldwijd uit NL. Feit is dat Willem de Koning (1904-1997; ingedeeld bij het aan Cobra verwante abstract expressionisme uit de USA) meer dan eens voorkomt in de top 100 van duurst geveilde schilderijen (Lijst). Hij wordt; net als Karel Appel, Bram Bogart en Menno Baars (1967); tevens gezien als exponent van de wat ruigere schildertechniek ”Action Painting”. Jan Worst (1953) & Daan van Golden (1936), die maar een paar weken p/j werkt, horen tevens in het rijtje kunstenaars thuis die qua pecunia soms behoorlijk binnenlopen (Rijkste). Over de grens zijn Co Westerik (1924),Marte Röling (1939), Gerti Bierenbroodspot (1940), Arno Kramer (1945) & Marjolijn van de Assem (1947) tevens bekende namen. Hetzelfde geldt in de fotografie voor persfotografen Sem Presser, Ben van Meerendonk & Kadir van Loohuizen (1963), portretfotografen Paul Huf, Michel Szulc-Krzyzanowski (1949) en Anton Corbijn (1955) en verder voor Hans Aarsman (1951), Desiree Dolron (1963) en Rineke Dijkstra (1959). Voorbeelden van illustratoren & cartoonisten van naam zijn Rien Poortvliet (natuur), Dik Bruynestijn (sport), Dick Bruna (1927, wereldberoemd met “Nijntje”), Harrie Geelen (1939), Dick Matena (1943), Marjolein Bastin (1943, Vera de muis), Toon van Driel (1945, F.C. Knudde), Theo van den Boogaard (1948, Sjef van Oekel), Eric Schreurs (1958, Joop Klepzeiker) en Wim Meuldijk (Pipo de Clown), leerling Jan Kruis (1933, Jan, Jans & de kinderen) en diens dochter Andrea (1962) Sieraad & tassen ontwerper Ted Noten (1956) werd in 2012 kunstenaar van het jaar. Onder de bekende beeldhouwers vallen verder nog schrijver Jan Wolkers, Carel Visser (1928; constructivist), Auke de Vries (1937) en Kees Verkade (1941; figuratief, beweging). Max Heijmans, Frank Govers, Edgar Vos, Frans Molenaar en Dick Holthaus gelden als de grote 5 van NL qua modeontwerp. Holthaus sloot als enige nog levende van dit 5tal zijn couturehuis al in 1975. Als oeuvreprijs op dit vlak kent NL de Max Heijmans ring.

In de architectuur kregen richtingen voet aan de grond met oog voor samenhang & leefbaarheid. Ze worden ook wel postmodern genoemd. Onder het structuralisme vallen Aldo van Eyck, Piet Blom, Leo Heijdenrijk en Herman Hertzberger (1932), maar ook Jaap Bakema ontwierp wel in deze stijl. Representanten uit NL van organische architectuur zijn m.n. Ton Alberts en Max van Huul (1947, o.m. Gasunie gebouw Groningen). Andere hedendaagse architecten van naam zijn Gunnar Daan (1939), Hubert-Jan Henket (1940), de internationaal veelvuldig gelauwerde Rem Koolhaas (1944; Pritzker) met bureau OMA, Sjoerd Soeters (1947), Jo Coenen (1949), Francine Houben (1955), Wiel Arets (1955), Wilfried van Winden (1955) en Ben van Berkel (1957, o.m. Erasmus brug Rotterdam). Door bezuinigingen zijn een aantal prijzen op het vlak van architectuur & beeldende kunst ter ziele. NL kent een eigen Prix de Rome voor kunstenaars onder 40j. Sinds 1985 is dit een genreprijs voor 5 genres. Qua kunst zijn er o.m. Prins Claus prijzen (sinds 1998) en de koninklijke prijs voor vrije schilderkunst (sinds 1871). Ook worden sinds 2003 o.m. een kunstenaar, een talent & een briljanten kunstenaar van het jaar gekozen. Qua architectuur bestaan o.a. nog de Gouden piramide voor opdrachtgevers en de BNA gebouw van het jaar prijs. Als oeuvreprijzen is er sinds 1974 voor stripmakers destripschapprijs (zonder geldbedrag), sinds 1998 voor beeldhouwers de Wilhelminaring, sinds 2001 voor kunst & techniek de Witteveen + Bosprijs en sinds 2006 voor jonge beeldende kunstenaars een prijs van o.m. de Volkskrant.

Traditionele cultuuruitingen en festivals

In mei 2012 ondertekende NL het UNESCO verdrag rond bescherming van immaterieel cultureel erfgoed. Het Nederlands centrum voor volkscultuur & immaterieel erfgoed was in 2014 nog bezig met inventariseren. Bij de 8 ambachten & beroepen die men had verzameld stonden klompenmakers hoog genoteerd. Handmatige (1) & machinale vervaardiging zijn apart opgenomen, want beide vormen een bedreigd beroep. Thans wordt het gros van de productie in souvenirwinkels verkocht aan buitenlandse toeristen. Weinig verrassend komt het aloude ambacht van molenaar op plek 2, want buitenlanders denken bij NL ook vaak aan windmolens. Wel zakte het aantal traditionele windmolens  van 10.000 in 1900 naar 1200 nu (De) en de meeste molenaars van nu zijn vrijwilliger. De veelwiekige metalen windmotors (met voor velen ook nostalgische waarde; in 2014 waren er nog ruim 100 over) en moderne windturbines om elektriciteit op te wekken vallen er buiten. Onder de opgenomen ambachten vallen verder Fries houtsnijwerk, diamantbewerking, vervaardiging van Goudse pijpen, versieren van klederdracht in Staphorst (stipwerk) en ambachtelijk papier maken. Als kunsten zijn opgenomen papierknippen, midwinterhoorn blazen, hennakunst, de circuscultuur, de beiaardcultuur (NL heeft het grootste aantal carillons ter wereld) en het bovenstem zingen van psalmen in bevindelijk calvinistische kring (schoonrijden op de schaats is ondergebracht bij de categorie vrije tijd). Onder de noemer sociale cohesie & identiteit vallen naast 3 uitingen van de schutterij folklore in m.n. rooms NL (35, 39, 41) kunstuitingen van het Friese Hindeloopen, de stadsreus van Boxtel (stadsreuzen zijn m.n. een Vlaamse en Spaanse traditie), de woonwagencultuur in NL en vervaardigen van Afro-Surinaamse klederdracht (eind 2014 stonden Sint & Piet nog niet op deze voorlopige erfgoedlijst). Als natuurfenomeen was valkerij opgenomen, als culinair verschijnsel wecken en als niet aan data gebonden feest prijsdansen in het West Brabantse Nieuw-Vossemeer. Op de lijst en in de top 100 van het centrum zijn ook ingeburgerde gebruiken van allochtone niet christelijke groepen en Antilliaanse tradities terug te vinden. Men biedt tevens de uitslag van onderzoek naar de recente zwarte Piet discussie. Uit die discussie blijkt hoe uiteenlopend de mentale programmering is van waaruit de vele nationaliteiten in NL (in Amsterdam alleen al 180; 2014) door het leven navigeren. Wat de één voelt als onschuldige gewoonte voelt de ander even oprecht als racisme. Dat ook binnen NL door de tijd heen perspectieven verschuiven bewijst het Palingoproer van 1886. Bij dit protest tegen een verbod op rukken aan een opgehangen levende paling vielen toen 26 doden.

In 2014 maakte folkloristische klederdracht nog deel uit van het leven van alledag rond Staphorst Rouveen in west Overijssel en Bunschoten Spakenburg in Utrecht. De andere streekdrachten van NL worden vooral nog uit de mottenballen gehaald bij folkloristische evenementen & dagen of om geld te verdienen aan toeristen. In 2014 waren bij de FFGN rond 65 dansgroepen aangesloten die in streekdracht volksdansen presenteren als de authentiek Nederlandse klompendans en Driekusman. Onder de nog niet genoemde folkloristische uitingen vallen priksleeën (het zich op een sleetje voortbewegen over ijs met behulp van 2 puntige stokken) en allerlei Oudhollandse spellen als sjoelen (houten schijfjes via een polsbeweging door een gepolijste houten bak in kleine openingen schuiven), zaklopen en koekhappen. Een (voor velen dubieus) ei­gentijds Nederlands cultuurgoed als de coffeeshop is op zijn retour. Tussen 1997 en 2014 halveerde het aantal van 1200 naar 600 (Cof) en men controleert streng op de minimum­leeftijd voor toelating (18 jaar), overlast en harddruggebruik. Instanties zijn er nog niet uit of en wanneer eventuele laatst overgebleven coffeeshops erfgoed worden. Wel kent Amsterdam sinds 1985 een cannabismuseum. Op Lijst staan specifiek folkloristische festivals, maar veel andere festivals en evenementen kennen ook folklore.

Zang, muziek en dans

Wikipedia categorie Dutch musicbiedt de nodige ingangen rond dit onderwerp. Onder de oudste muziekinstrumenten van Nederlands grondgebied valt een snorrebot/ zoemsteen van rond 7500 v Chr. uit de buurt van Tilburg. Ook zijn prehistorische fluiten uit bot aangetroffen, maar het is bijv. moeilijk inschatten hoelang al fluitjes zijn gemaakt uit fluitenkruid. De oudste geschreven bronnen bevatten (net als in de meeste EU landen) gewijde klassieke muziek. In NL betreft het Gregoriaanse muziek uit de 9e eeuw. Met  notatie van meerstemmige muziek kwam vanaf de 11e eeuw het beroep van componist op, al zette dit in NL aanvankelijk weinig zoden aan de dijk. In de late middeleeuwen werd vrijwel alleen in het België van nu klassieke muziek gecomponeerd. Wel liet in de 20e eeuw componist MatthijsVermeulen (1888-1967) zich inspireren door Gregoriaans. Jan Pietersz. Sweelinck (1562-1621; m.n. orgel & klaviermuziek, grondlegger Noord Duitse orgelschool) geldt voor NL als belangrijkste componist van de renaissance. Naar hem is de Sweelinckprijs voor componisten van orgelmuziek vernoemd. Onder de componisten en musici van barokmuziek zijn o.m. de blinde Jacob van Eyck (1590-1657; orgel & carillonvirtuoos; componist voor fluit) en diplomaat & componist van concerten Italiaanse stijl UnicoWilhelm van Wassenaer (1692-1766) belangrijk. Onder de hedendaagse uitvoerende musici vallen Frans Brüggen (1934-2014, blok & dwarsfluit, dirigent), Anner Bijlsma (1934, cello), Jaap van Zweden (1960; violist, dirigent) en het Amsterdam Baroque orchestra & choir en Bachkoor Holland. In NL valt klassieke muziek t/m de barok onder oude muziek. Bij het classicisme worden als componist Pieter Hellendaal (1721-1799, ook violist & organist), schrijfster Belle van Zuylen (1740-1805) en de veelzijdige Rudolf Esscher (1912-1980) ondergebracht. Qua klassieke muziek viel de romantiek tussen 1815 en 1910 met in NL patriottisch gekleurd werk als uitkomst. In de eerste helft van de 19e eeuw was componist, violist & dirigent Johannes van Bree toonaangevend. Bernard Zweers (1854-1924; Lijst) liet zich o.m. inspireren door de Tsjechische componist Smetana. Bij Johan Wagenaar (1862-1941, o.m. sprankelende ouvertures) was een eigen stijl herkenbaar. Hedendaags pianist Folke Nauta (1973) vertolkt m.n. barok, classicisme en romantiek. Samuel de Lange jr. (1811-1884, pianist, componist) werd in de 19e eeuw internationaal de meest bekende telg uit een erg muzikale familie en is niet direct bij een stroming onder te brengen.

Autodidact Alphons Diepenbrock (1862-1921; schreef ook over muziek, overgang van romantiek naar impressionisme) liet zich minder gelegen liggen aan vaderlandsliefde. Tijdgenoot bariton Arnold Spoel (1859-1934) werd intussen erg populair als koor en volkszanger. Ook de compromisloze Matthijs Vermeulen (1888-1967) en Rudolf Escher (1912-1980; orkest, kamermuziek, poëzie, kunst) worden bij het impressionisme ondergebracht. Naar Vermeulen is de belangrijkste compositieprijs in NL vernoemd. Anna Kramer (1873-1968) componeerde haar eigen liederen en pianobegeleiding en nam o.m. deel aan Hollandse muziekfeesten die componist & dirigent Jan Ingenhoven (1876-1951) o.m. in Duitsland organiseerde. Bij componist dirigent Frits Coeberg (1876-1961) valt m.n. productiviteit op. Peter van Amrooy (1879-1954) maakte tevens patriottisch werk en stond bijv. ook in de oorlog voor zijn principes. De sociaal bewogen Lex van Delden (1919-1988) maakte zijn onderduikernaam officieel en viel in de 50er en 60er jaren onder de meest uitgevoerde componisten van zijn generatie. Albert Meijns (1880-1969) componeerde muziek en bewerkte ook klassieke muziek voor de harmonieën & fanfares die tijdens het interbellum en na de oorlog erg populair waren. Bekend als componisten van m.n. orgel & kerkmuziek werden Nico Andriessen (1845-1913) en zoons Willem (1887-1964) & Hendrik (1892-1981) met bijv. de zeer productieve Otto Ketting (1935-2012; o.m. filmmuziek voor Bert Haanstra) als leerling. Kleinzoon Louis Andriessen (1939) stond open voor alternatieven & democratisering, integreert genres, schrijft veel muziek voor podiumkunsten en geldt als medeoprichter van de Haagse school van Kees van Baaren (1906-1970). Deze was bijv. pionier van 12toonsmuziek, componist voor symfonie en blaasorkest en docent van o.m. ook dirigent Jan van Vlijmen (1935-2004), dirigent, componist en pianist Reinbert de Leeuw (1938) en Harry Bannink (1929-1999; erg bekend van liedjes op TV  & zijn pianobegeleiding).

Van Baaren zelf was weer leerling van Willem Pijper (1894-1947); misschien wel de belangrijkste vooroorlogs componist. Hij leverde o.m. een bijdrage aan de ontwikkeling van polytonale moderne muziek in NL. Onder zijn leerlingen vallen ook componiste pianiste Henriëtte Bosmans (1895-1952; naar haar is een aanmoedigingsprijs voor jonge componisten vernoemd), de veel gelauwerde Henk Badings (1907-1987) met Ton de Leeuw (1926-1996) als succesvolle leerling en Rudolf Esscher (1912-1980; harmonische tonale muziek voor kamer & orkest; tevens schrijver & schilder). Anthon van der Horst (1899-1965) was vooraanstaande organist, dirigent & componist en groot Bachkenner. Hij gold als tegenpool van de behoudende romantisch dirigent Willem Mengelberg (1871-1951) die tijdens de oorlog in ongenade geraakte wegens collaboratie. Desondanks wordt hij als één van de groten van de 20e eeuw gezien. Onder de grote namen vallen ook dirigent Eduard van Beinum (1900-1959), componist docent Tristan Keuris (1946-1996, leerling van Jan van Vlijmen & Ton de Leeuw), componist Simeon ten Holt (1923-2012) en dirigentcomponist Willem van Otterloo (1907-1978) & zoon Rogier (1941-1988; o.m. veel muziek bij bekende films uit NL). Muziekpedagoog en violist Willem Gehrels (1885-1971) werd m.n. bekend door zijn zangmethode voor onderwijs. Henk van Lijnschooten (1928-2006) was een beroemd componist & dirigent bij notoire blaasorkesten en speelde klarinet. Feike Asma (1912-1984) verwierf in calvinistische kring icoonstatus als organist en Gerard Boedijn (1893-1972) was een belangrijke componist voor fanfares.

In de hedendaagse klassieke muziek is sinds de 60er en 70er jaren de grens met bijv. pop, jazz en wereldmuziek vaak niet scherp meer te trekken. Een uitgesproken voorbeeld is jazz & klassiek pianist, componist & Fluxus lid Misha Mengelberg (1935, verre familie van…) die met Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw, Louis Andriessen en Peter Schat (1935-2003) deel uitmaakte van de conventies doorbrekende actiegroep Notenkrakers (Peter Schat probeerde later in zijn leven de breuk te herstellen). Theo Loevendie (1930) componeerde aanvankelijk jazz, maar in okt. 2014 ging een opera van hem over Spinoza in première. Dick Raaijmakers (1930-2013) is o.m. als pionier van elektronische muziek & componist van muziektheater veelvuldig gelauwerd. Willem Breuker (1944-2010, tevens saxofonist) was erg eclectisch, geldt als peetvader van improvisatiemuziek in NL en had ook affiniteit met de Haagse school (met stuwende ritmische kracht als uithangbord). Andere exponenten zijn componisten van o.m. elektronische muziek Dick Raaijmakers (1930-2013, tevens theatermaker), Gilius van Bergeijk (1946) en diens leerling Kristoffer Zegers (1973). Ze werkten samen met componist & pianist Martijn Padding (1956) met o.m. verstand van theater, wereld en popmuziek. Naast de Haagse school is er de Rotterdamse school (expressie via veel stijlen) rond Otto Ketting (1935-2012) die kamer, opera, ballet & filmmuziek maakte. Onder de exponenten vallen verder Klaas de Vries (1944; eerbied voor tradities, inspiratie door literatoren, strevend naar eigen identiteit) en componist & organisten Peter Jan Wagemans (1952) en Hans Koolmees (1959), Oscar van Dillen (1958) met o.m. Indiase muziek en kunst als inspiratie en de jongere doorbraak talenten Dimitris Andrikopoulos (1971, tevens altviolist), Edward Top (1972) en Joey Roukens (1982). Ook Willem Jeths (1959, o.m. oude blokfluitmuziek) is al veelvuldig gelauwerd. In 2014 is hij door auteursrechtenorganisatie Buma benoemd tot eerste componist des Vaderlands.

Onder de internationaal bekende klassieke musici vallen verder als dirigenten Bernard Haitink (1929), Edo de Waard (1941), Hans Vonk (1942-2004) en Jaap van Zweden (1960). Hij is ook violist, net als Herman Krebbers (1923) en leerlinge Gwendolin Masin (1977), Theo Olof (1924-2012), Dick Bor (1944-2007), de even oubollige als populaire André Rieu (1949), Emmy Verhey (1949), Theodore Geraets (winnares Nederlandse muziekprijs 1989), Rudolf Koelman (1959) en doorbraaktalenten Janine Jansen (1978, muziekprijs 2003), Liza Ferschtman (1979, muziekprijs 2006), Lisanne Soeterbroek (1984) & Lisa Jacobs (1985). Klassieke pianisten (1.3) zijn Jaap Spaanderman (1896-1985), diens leerlingen Bart Berman (1938) en Theo Bruins (1929-1993, dodecafonie, serieel), Ronald Brautigam (1954, muziekprijs 1984), Jeroen van Veen (1969), Matthijs Verschoor (leerling Bart Berman) en jong talent Martin Oei (1996). Als contrabassist wonnen Hans Roelofsen (in 1981) en Rick Stotijn (1982; in 2013) de muziekprijs en klassiek gitarist Izhar Elias (1977) won hem in 2010. Onder de fluitisten vallen Koos Verheul (1927-2010) en leerlinge Eleonore Pameijer (1960), Henk van der Vliet (1928), Thijs van leer (1948, ook popmuziek), Abbie de Quant & Marion Verbruggen (beide rond 1950), Kathinka Pasveer (1959), Jacques Zoon (1961) en Erik Bosgraaf (1980) en onder de hoboïsten Han de Vries (1941), Bart Schneeman (1954; leiding NBE van jonge concertmusici) en Pauline Oostenrijk (1967, muziekprijs 1999). Als klarinettist is Jan Cober (1951) een naam. Op fagot geldt zulks voor Ronald Karten en Bram van Sambeek (1980, muziekprijs 2009), op saxofoon voor Olga de Roos (muziekprijs 1987), Arno Bornkamp (1959, muziekprijs 1991) en Ties Mellema (1976, muziekprijs 2010) en op trombone voor Jörgen van Rijen (1975, muziekprijs 2004). Op cello verwierven Ernst Reijseger (1954), Manja Smits (muziekprijs 1993), Pieter Wespelwey (1962, muziekprijs 1992) en Quirine Viersen (1972, muziekprijs 1994) binnen en buiten NL faam en op harp geldt dit voor Rosa Spier (1891-1967) Phia Berghout (1909-1993), Erika Waardenburg (1954), Godelieve Schrama (muziekprijs 1995), Gwyneth Wentink (1981, muziekprijs 2007), Lavinia Meijer (1983, muziekprijs 2009) & Marianne Smit (1984).

Bij de klassieke vocalisten vallen Arnold van Mill (1921-1996), Henk Smit (1932-2010) Max van Egmond (1936), Marco Bakker (1938), Ernst Daniël Smit (1953), Peter Kooij (1954, barokzang), Henk Poort (1956), Geert Smits (1965, muziekprijs 1997), Bastiaan Everink (1969) en Henk Neven (1976, muziekprijs 2010) onder de lage mannenstemmen (bas & bariton). Voorbeelden van tenoren zijn Johan Heesters (1903-2011, trad nog op zijn 107e op in Duitsland) en Kees Taal. Bij de vrouwen verwierf Aafje Heynis (1924) faam als altzangeres van geestelijke liederen en kennen Cornélie van Zanten (1855-1946) en Caroline Kaart (1931) een bereik van alt tot mezzosopraan. Onder de laatste zangstem vallen ook Jard van Nes (1948), Merel Huizinga (1963), Margriet van Reisen (1972), Mirjam Schreir (1972) Cora Burggraaf (1977) en Christianne Stotijn (1977, muziekprijs 2008). Sopranen van naam zijn Jo Vincent (1898-1981), Gré Brouwenstijn (1915-1999), Christina Deutekom (1931-2014), Elly Ameling (1933), Wiebke Göetjes (1961), Maaike Widdershoven (1969) en Eva-Maria Westbroek (1970). Grote symfonieorkesten zijn bijv. het Koninklijk concertgebouw orkest, het Nederlands filharmonisch orkest, het residentie orkest (The Hague philharmonic) en het niet klassieke Metropole orkest en onder de klassieke koren vallen het groot omroepkoor, de Nederlandse opera, de Mastreechter staar en het Nederlands kamerkoor. Aan prijzen voor klassieke muziek kent NL voor jonge musici naast de Nederlandse muziekprijs een internationale Gaudeamus prijs voor uitvoerende musici en voor componisten. Voor componisten is er ook de Matthijs Vermeulenprijs. Sinds 1998 worden speciale Edisons voor klassieke muziek uitgereikt. Voor vocalisten leidt een 2jaarlijks internationaal concours in Den Bosch tot een prijsuitreiking (Dutch).

NL kent mede dankzij de bijdrage van modern klassiek opgeleide musici een rijke jazz traditie. Onder de orkesten & groepen vallen bigband The Ramblers (sinds 1926), de Dutch swing college band (dixieland) & het Metropole orkest (beide 1945), Boys big band van Boy Edgar (1915-1980) naar wie een belangrijke jazzprijs is vernoemd, het Willem Breuker collectief van rietblazer Willem B, orkest “de volharding” (1972-2009) en New Cool Collective (1993). Zangeres Rita Reys (1924-2013) & pianist Pim Jacobs vormen het bekendste duo uit de jazzgeschiedenis van NL. Individuele bijdragen die over de grens bekend werden komen o.m. van Ernst van ’t Hoff (1908-1955) & houtblazer Herman Schoonderwalt (1931-1997, beide waren ook bigbandleider), pianiste & zangeres Pia Beck (1925-2009), saxofoonspelers Harry Verbeke (1922-2004), Hans Dulfer (1940) & dochter Candy (1969); pianisten Misha Mengelberg (1935, zie boven), Louis van Dijk (1941) en Michiel Borstlap (1966, ook componist), drummer & percussionist Han Bennink (1942) en zangeressen Denise Jannah & Greetje Bijma (beide 1956). Qua jazzfestivals geniet m.n. het NorthSea jazzfestival wereldfaam.

In de middeleeuwen maakte geestelijke muziek nogal eens gebruik van melodieën van volksmuziek. Onder de oudste verzamelingen op schrift van populaire Nederlandstalige  liedjes vallen teksten van Hadewijch (rond 1250) enliedboeken als het Gruuthuse handschrift (rond 1400) & het Antwerps liedboek uit 1544 (o.m. met de liefde als onderwerp in even bedekte als pikante termen). Muziekensemble Camerata Trajectina gaf ruim 20 Cd’s uit met volksliedjes uit deze periode. Tussen de 16e en 20e eeuw mochten duizenden liedboeken het levenslicht aanschouwen (van de relatief recente uitgave Nederlands volkslied uit 1941 zijn ruim een half miljoen exemplaren verkocht). Buiten dat verschenen nog veel meer liedblaadjes die voor een luttel bedrag op markten etc. werden verkocht door marskramers & straatzangers. Deze zongen hun straatliederen met een afbeelding op een roldoek ter illustratie. Door de opkomst van grammofoon & radio raakten liedblaadjes in onbruik, maar liedjes leefden via de amusementsindustrie min of meer voort als schlager (oorspronkelijk Duitstalig) en levenslied (term in 1908 bedacht als Nederlands woord voor chanson). In de 60er jaren van de 20e eeuw raakte voor het levenslied de term smartlap in zwang (deze herinnert aan de vroegere roldoek, maar is er niet op gebaseerd). In de loop van de 19e eeuw zag de Maatschappij tot nut van ’t algemeen het bedenken van volksliedjes als middel tot volksverheffing. Dit kreeg m.n. gestalte door toedoen van de arts Jan Pieter Heije (1809-1876). Hij schreef meer of minder stichtelijke kampvuurliedjes die zeker tot in de 80er jaren van de 20e eeuw populair bleven (bijv. bij de NJN die ze gebruikte ter begeleiding van alcoholvrij hupsen). De muziek erbij is vaak van zijn collega J.J. Viotta of van componist Johannes Verhulst die ook oecumenische kerkmuziek nastreefde. In 1954 werd een begin gemaakt met de inventarisatie van Nederlandstalige volksliedjes in een volksliedarchief. In de 70er jaren vormde de opkomst van hippiebeweging & bandrecorder een stimulans voor volksmuziek en folk. Al eerder ging Ate Doornbosch (1926-2010) de boer op om volksliedjes te verzamelen (vaak mondeling overgeleverd). Tussen 1957 en 1993 presenteerde hij 1300 uitzendingen van het populaire radio programma “Onder de groene linde” (via de link zijn bijv. 9 Cd’s en een dvd te bestellen met neerslag van zijn verrichtingen) en zijn werk vormde een inspiratiebron voor folkbands als Fungus (1972-1979) en Wolverlei (1977-1981). Alle verzamelingen werden onderdeel van het in 1979 opgerichte Meertens instituut. Eén en ander groeide uit tot een archief van maar liefst 150.000 liedjes dat in 2007 was gedigitaliseerd als Nederlandse Liederenbank.

Onder de folkbands of troubadours in het Nederlands of in een streektaal met betekenis over de eigen (regio)grens of levensspanne vallen Jo Erens (1928-1955, Limburgs), CCC Inc. (1967, ook veel Engels), Folkcom (sinds 1973), Gé Reinders (geb. 1953, actief sinds 1973, Limburgs), Ut Muziek (1973, Brabants), Törf (1975, Gronings), RK Veulpoepers BV (1976; sociaal bewogen, anarchistisch), Gerard van Maasakkers (1949, sinds 1978, Brabants), Piter Wilkens (1959, sinds 1979, Fries), Janse Bagge band (1979, Limburgs), Ede Staal (1941-1986, Gronings), Ernst Langhout (geb. 1956, o.m. Fries), Pater Moeskroen (sinds 1985, Limburgs), Rowwen Hèze (1985, Limburgs), Robert Long (1943; 1974-2006), Daniël Lohues (1971, actief sinds 1986, Drents), Jan van Brusselband (1996), Drijfhout (1996, folkduo van Vlieland) en folkrock bands Kennèh (1999, Gelders) & Bagger United (2001 Limburgs), Tangarine (2008, duo) en Zazí (2011). Naast folkbands zingen pop, rock en punkbands soms in streektaal (zie bij popmuziek). Folk ligt dicht tegen wereldmuziek aan. In NL is het label Music & words gespecialiseerd in traditionele wereldmuziek. NL kent qua folk (in een buitenlandse taal) en wereldmuziek aan muzikanten bijv. het Kuomboka Network, Carel Kraayenhof (geb. 1958, bandoneon, tango), Ilse de Lange (1977, country, o.m. 2e plaats Eurovisie songfestival 2014), Nynke Laverman (geb. 1980, m.n. fado, maar ook Fries & Limburgs) en percussionist Martin Verdonk (geb. 1959) en aan acts o.m. het Keltisch geïnspireerde Yggdrasil (sinds 1991), Omnia (1996, neofolk, reënactment) & Rapalje (1996) en verder Jammah Tammah (1992), Marokkanenband Tiq Maya, AlascA, Kajto (Esperanto), H.E.R.R. (2002), Trinity (2003), Mister & Mississipi (sinds 2013) en Klezmer bands (Jiddisch) als Di Gojim en Amsterdam Klezmer band.

Onder de instrumenten die vanouds veel werden gebruikt in de volksmuziek van NL vallen de viool, fluit, Nederlands/ Vlaamse doedelzak (pijpzak) & draailier, de op zichzelf weinig welluidende foekepot (Eng) en wat slagwerk (w.o. het hakkebord). In de 19e eeuw sloeg ook in NL de trekharmonica aan en van daaruit de accordeon. Bij volksmuziek wordt uiteraard ook gedanst, maar uniek Nederlandse volksdansen zijn er weinig. De klompendans (dikwijls op polkamuziek) wordt het vaakst genoemd, al beperkt dit schoeisel de expressiemogelijkheden nogal. Verder zijn daar de Driekusman, de oogstdans Riepe garste uit oost NL en Nederlandse varianten uit vissersplaatsen op Schotse of Engelse dansen als de Skotse Trije & Skotse Fjouer in Friesland, Horlepiep (dans & muziekinstrument) en Hakke Toone of Gort met Stroop. In 2014 waren bij de FFGN rond 65 dansgroepen aangesloten die zulke dansen presenteren in streekdracht. Onder de folklorefestivals in NL vallen internationale dansfestijnen Op Roakeldais (Warffum, juni), SIVO (Odoorn, augustus) & Doe dans (sept., Biddinghuizen); Brabantse dag (Heeze, eind aug.), Folkwoods (sinds 2014 Parkfest; Eindhoven, aug.) en de Parade in Brunssum (om de 4 jaar). Wereldmuziekfestivals zijn Rotterdam Unlimited in juli en het Festival mundial in Tilburg in juni. Op het vlak van schlager & levenslied (c.q. smartlap) zijn Koos Speenhoff, Willy Derbie en Louis Davids belangrijke vooroorlogse pioniers. Na de oorlog werd o.m. Willy Alberti (1926-1985, pseudoniem voor Carel Verbrugge) beroemd, ook als duo samen met Max van Praag. Hij zong veel in het Italiaans en zijn “Marina” haalde de USA hitparade. Dochter Willeke (1945) scoorde m.n. in de 60er, maar ook nog in de 90er jaren, Nederlandstalige tophits. Johnny Hoes & Pierre Kartner vervulden een hoofdrol als vertolker & producer. Onder hun artiesten viel o.m. de Zangeres zonder naam. Eind 60er jaren begonnen Heintje Simons (geb. 1955; schlagers in 4 talen, 46 miljoen platen verkocht) en Corry Konings. In de jaren 80 kwamen André Hazes & Koos Alberts op, in de jaren 90 Frans Bauer en na 2000 Jan Smit. Qua bands wordt Volendamse palingpop (veelal NL of Engelstalig) ook vaak tot het genre gerekend. Daarvan vallen The Cats (1966-1985) en BZN (1966-2007) onder de bekendste. Het genre is veel te beluisteren op piratenzenders en op de z.g. MPF‘s.

In de overige Nederlandstalige muziek was voor en kort na de oorlog m.n. via de radio kleinkunst toonaangevend met naast eerder vermelde levensliedpioniers bijv. radiodansorkesten/ big bands als The Ramblers met zangeres Annie de Reuver & de Skymasters, accordeontrio “The three Jacksons” en Eddy Christiani (geb. 1918, haalde ook de USA hitparade). Na de oorlog kregen jeugdsubculturen met ieder hun eigen muziekstijl invloed en nam de verkoop van grammofoonplaten een vlucht. Corrie Brokken won in 1957 als eerste uit NL het Eurovisie songfestival en na haar zegevierden ook Teddy Scholten (1959) en Lenny Kuhr (1969) met Nederlandstalige tekst (in 1975 werd Teach-in met een tekst in het Engels vooralsnog laatste winnaar uit NL). Vanaf 1955 kwam rock-’n-roll op met als pionier Peter Koelewijn. Anneke Grönloh viel met Rob de Nijs, Ria Valk en Willeke Alberti onder de tienersterren uit de periode rond 1962. Na 1965 kwamen antiautoritaire en romantische ideeën tot uiting in protestsongs en poëtische liedjes, bijv. via Boudewijn de Groot, Armand & Ramses Shaffy (1933-2009). Bijdragen uit de wereld van cabaret in de vorm van luisterliedjes kwamen van Wim Sonneveld (1917-1974), Toon Hermans (1916-2000), Annie M.G. Schmidt (1911-1995) en Herman van Veen (vanaf 1969) en later de duo’s Acda & De Munnik (harmonisch klinkende luisterliedjes) & Twarres (Friestalig). Rond 1970 werd Nederlandstalig in de popmuziek gezien als oubollig, maar dat veranderde m.n. in de 80er en 90er jaren door toedoen van groepen & muzikanten als boerenrockband Normaal (Achterhoeks dialect), Doe maar, Tröckener Kecks, De Dijk (soul, blues, rock, chanson), Gerard Joling (ook Engelse tekst), The Scene (poëtische rock), Het Goede Doel, Frank Boeijen, Marco Borsato, Van Dik Hout, Guus Meeuwis, De Kast (ook Friese tekst), Bløf (uit Zeeland) en Ruth Jacott (Paramaribo, 1960: Nederlandstalig, soul). Onder Rap & Hiphop (Nederhop) die vanaf de 90er jaren opkwam vallen Osdorp Posse, Ali B, het duo Lange Frans & baas B en rappers Brainpower (Gerrit Jan Mulder) en Typhoon (Gien de Randamie).

Indorock artiesten uit voormalig Nederlands-Indië als de Tielman Brothers, Electric Johnny & his Skyrockets en de Blue Diamonds (softrock) vallen onder de pioniers van veelal Engelstalige rock & popmuziek. Ze waren rond 1960 actief en lieten zich, net als The jumping Jewels uit Den Haag, inspireren door de elektrische gitaarmuziek van de Britse Shadows. Met bekende (alternatieve) bands & protestzangers uit m.n. het VK en de USA vormden ze later in de 60er jaren een inspiratiebron voor Nederbeat groepen als Golden Earring (begonnen in 1961 en daarmee de oudste nog bestaande rockband van NL), The Outsiders (met Mokum Engels van zanger Wally Tax), The Motions en Sandy Coast. Bijv. bij de Buffoons (close harmony) was te merken dat beatmuziek verzachting onderging door de invloed van soul & flowerpower. Qua bluesrock waren Tee Set (eind 60er jaren After Tea) en Cuby & the Blizzards (1962-2011) toonaangevend. Over de grens werden ook The Cats (palingpop), Brainbox, Shocking Blue (scoorde met zangers Mariska Veres als boegbeeld als eerste uit NL een nummer 1hit in de USA), de Molukse band Massada (sinds 1973, Latin-rock), rockjunk Herman Brood (1964-2001; succes in o.m. Duitsland & USA), zangeres Anouk (1975, sinds 1996) en rockband Kane (1998-2014) bekend. Hetzelfde geldt voor representanten van de symfonische rock (met o.m. klassieke en/of jazzinvloed) uit m.n. de 70er en 80er jaren als Focus (met fluitist/ toetsenist Thijs van Leer en beste gitarist ter wereld in 1973 Jan Akkerman), Ekseption, Solution, (The) Nits (in 1989 eerste band uit NL die in de Sovjet Unie optrad), Earth & Fire (met zangeres Jerney Kaagman) & Kayak en later (met hardrock & metal invloed), After Forever (1995-2009), Within Temptation (sinds 1996), The Gathering (1998) & Stream of Passion (2005). Punk liet in NL vanaf 1975 sporen na via The Ex, Boegies, Vopo’s en Heideroosjes (1989-2012). Gruppo Sportivo begon ook met punk, maar ging over op popmuziek. Urban Dance Squad (1986-2005, rock, reggae, hiphop, rap) vormde als vroege cross-over band een voorbeeld en inspiratiebron. Onder de bekende Indierock acts uit NL vallen Bettie Serveert (1990) en Spinvis (2001),

De disco uit de 70er jaren (met o.m. Spargo, Time Bandits en meidengroepen Luv & Dolly Dots) resulteerde vanaf de 80er jaren in elektronische dancegenres waarvan er uiteindelijk wel meer dan 50 kwamen met als bijkomende kenmerken de opkomst van massale houseparty’s en het beroemd worden van DJ’s. M.n. in Rotterdam ontwikkelde zich in de 90er jaren gabber als Nederlandse hardcore stijl met een skinhead uitstraling en met o.m. RTC en Neophyte en later wat meer speelse nazaten als Mental Theo en Party Animals. Onder de in wijdere kring populaire Eurodance houseacts uit NL vallen 2 Unlimited, dance groep Alice DeeJay, Vengaboys, 2 Brothers on the 4th Flour & Twenty 4 Seven en onder de DJ’s trance DJ’s Armin van Buuren (t/m 2014 5x beste ter wereld), Tiësto (Thijs Verwest, o.m. 3x beste ter wereld), Ferry Corsten (ook wereldtop), de 3 D&b DJ’s van Noisia en Roomhouse & Electro house DJ Hardwell (Robbert van de Corput; in 2013 en 2014 beste ter wereld). Op het vlak van techno vallen DJ’s en producenten als Junkie XL, Speedy J, Orlando Voorn en 1-F onder de bekende namen.

Begin 2015 waren de 3 populairste YouTube kanalen in NL van DJ’s; m.n. van Hardwell, Armin van Buuren en Tiësto met op plek 4 TrapCity met de sterk in opkomst zijnde trap rapstijl.

Onder de muziek festivals in NL is het eendaagse gratis Parkpop op de laatste zondag van juni in Den-Haag met tussen 150.000 en 500.000 bezoekers het grootst. Het 3daagse Pink(ster)pop komt tot 70.000 bezoekers p/d. Onder de zomerfestivals haalt Dance Valley (1 dag) rond 60.000, net als het 3daagse Lowlands rond 21 augustus met diverse popmuziekstijlen en veel cultuur en het Dynamo open Air festival met de wat ruigere metal stijlen. Dat is niet elk jaar en de duur varieert ook. In 2015 is er weer een editie. Eurosonic Noorderslag in Groningen (4 dagen rond 15 januari) vormt een jaarlijks hoogtepunt voor de popscene in NL & Europa vanwege de uitreiking van prijzen als de popprijs van auteursrechten organisatie Buma & EBBA Awards voor beloften van de Europese commissie. Onder de Nederlandse prijzen voor (o.m.) popmusici vallen naast meer Buma prijzen als de Gouden (oeuvre) & zilveren (beloftes) harp, de exportprijs voor inspanningen qua auteursrecht en de Annie M.G. Schmidt prijs voor theaterliedjes (sinds 1991) Edisons (sinds 1960, daarmee de oudste, sinds 1998 ook een oeuvreprijs), de grote prijs van NL (een nationale muziekcompetitie), de Gouden Notenkraker (sinds 1974) en de State Awards voor hiphop & urban artiesten (sinds 2008).

Literatuur en dichtkunst

Via literatuur en het bijbehorende basisartikel is veel over dit onderwerp te achterhalen. Het Fries is een erkende regiotaal en kent eigen Friestalige literatuur. Vanaf de 6e eeuw werd Nederlands een onderscheidbare taal binnen de West Germaanse talen, maar deze ontwikkeling naar Oudnederlands voltrok zich geleidelijk en daarom zal gekrakeel onder Neerlandici over wat de oudste Nederlandstalige tekst is wel niet van de lucht blijven. Oudnederlands ontwikkelde zich uit oud Frankisch en vigeerde ten zuiden van de grote rivieren. Ten noorden daarvan waren Oudfries of Oudsaksisch de omgangstalen. Uit dit oer-Nederlands zijn slechts enkele tekstfragmenten bewaard gebleven waaronder de tekst voor het vrij verklaren van een laat (lijfeigene boer) uit de Salische wet van rond 510 (regeerperiode van de Frankische koning Clovis). Deze luidt “Maltho, thi afrio litho” (vrij vertaald: “ik meld je, je bent vrij, halfvrije”). Het gedichtje “Hebban olla vogala” van eind 11e eeuw wordt nog beschouwd als de oudste literaire tekst, maar is eigenlijk West-Vlaams. De Limburger Hendrik van Veldeke (±1175) wordt gezien als eerste literator die bij naam bekend is, maar hij schreef meer in het Middelhoogduits dan in het Limburgs. Dat viel met Brabants, Vlaams en Diets (oud Hollands) onder het Middelnederlands. Literaire tekst in het Diets moet men met een kaarsje zoeken. In de 13e eeuw kwam Melis Stoke met een kroniek op rijm over graafschap Holland en de moord op Floris V. De meeste teksten in het Middelnederlands uit deze eeuw zijn in het Vlaams of Brabants van het België van nu. Het betreft dichter Jacob van Maerlant (230.000 verzen) & de non Beatrijs van Nazareth; het epische dierdicht Van den vos Reynaerde en ridderromans als het Roelantslied & Karel ende Elegast (beide geïnspireerd op Karel de Grote) en de Arthurromans Walewein & Lancelot. Over de auteurs van deze epistels is weinig bekend. Uit de 14e eeuw resteren gedichten (o.m. rond de hoofse liefde) en geschriften (bijv. over Hoekse en Kabeljauwse twisten) van “Rotterdammer” Willem van Hildegaersberch (tevens verhalenverteller & gelegenheidsdichter).

Wederom is de Belgische erfenis veel groter met bijv. het handschrift van Hulthem met o.m. 4 abele spelen (toneelstukken rond een thema uit de hoofse liefde), Marialegende Beatrijs en tekst van Jan van Boendale en mystici Hadewijch & Jan van Ruusbroec. In Vlaanderen verschenen veel religieuze geschriften (o.m. hagiografieën; biografieën van heiligen). Onder de namen uit het NL van nu uit de 15e eeuw vallen hofschrijver Dirc Potter (rond 1400) en diens zoon Gerrit Potter van der Loo (vertaalde Franstalige kronieken over de Vlaamse geschiedenis in het Nederlands wat temeer aangeeft hoe toonaangevend het huidige België cultureel was). Bij de Vlaamse erfenis uit de periode horen bijv. het Comburgse handschrift met proza en gedichten van Maerlant en het Gruuthuse handschrift met vooral poëzie. In de 15e eeuw kwamen in Vlaams België ook  rederijkerskamers op die literaire wedstrijden organiseerden met kenmerkende poëzie en allegorisch toneel (maar bijv. ook kluchten) als uitkomst.In Amsterdam werd rond 1517 de Eglantier opgericht en in 1578 na een tijdelijk verbod heropgericht. Deze kamers vonden na de val van Antwerpen (1585) pas echt navolging in Holland, m.n. door de vestiging van Vlaamse en Brabantse literatoren (incl. uitgever Christoffel Plantijn) die zich als religieus vluchteling (contrareformatie) het Hollands eigen maakten. Via hen beïnvloedde het destijds als chique bekend staande Brabantse dialect het Hollands weer. Dit alles droeg er toe bij dat Holland op den duur Vlaams België verving als cultureel hart van de lage landen. De rederijkers vonden vorm erg belangrijk. Dat kwam bijv. tot uiting in het gebruik van stijlfiguren als het acrostichon. Ze werden mede geïnspireerd door het humanisme dat vanuit het huidige Italië doordrong en religie, ethiek & dogma’s als maat voor alle dingen verving door menselijke nieuwsgierigheid (in de hand gewerkt door de ontdekking van nieuwe werelden), esthetiek & waarden uit de klassieke oudheid.

Daarmee droegen ze bij aan de renaissance & barokke literatuur & poëzie die tijdens de Gouden Eeuw (globaal de 17e eeuw) toonaangevend werd. Naast trucs ter verfraaiing waren genres uit de klassieke oudheid (klassieke tragedie, helden, lof & puntdicht) in de mode. In NL vormde de Moderne devotie (een spirituele vernieuwingsbeweging met o.m. de humanist Erasmus die in het Latijn schreef) een opmaat en ook ethici als Coornhert (de Coornhert Liga is naar hem vernoemd) en Spiegel leverden een bijdrage. Rederijker invloeden zijn bijv. merkbaar in het mirakelspel Mariken van Nieumeghen en inGeuzenliederen van de 80jarige oorlog, zoals het Wilhelmus (het volkslied van NL, een acrostichon) en liederen van Adriaen Valerius (rond 1600). Onder de grote dichters van de Gouden Eeuw valt Constantijn Huygens (1596-1687, tevens diplomaat, geleerde, componist & architect; m.n. veel puntdichten, naar hem is een literaire oeuvreprijs vernoemd). Zijn zoon Christiaan (o.m. astronoom en uitvinder) wordt genoemd als de eerste schrijver van sciencefiction uit NL. Andere representanten zijn toneelschrijvers & dichters P.C. Hooft (1581-1647, tevens historicus en naam achter de in 1947 ingestelde P.C. Hooft oeuvreprijs), Gerbrand Adriaansz. Bredero (1585-1618, sonnetten, komedies), Joost van den Vondel(1587-1697, bekendste werk de klassieke tragedie Gysbreght van Aemstel), Willem Godschalck (1640-1670) en de bij leven erg populaire Jan Vos (1610-1667) & Thomas Asselijn (1620-1701) en ook Jacob Cats (moralistisch dichter), Karel van Mander (1548-1606, beschreef o.m. de grote schilders) en Jacob Revius (1586-1658; calvinistisch religieus, met Joh. Bogerman medevertaler van de Bijbel). In 1669 stichtten o.m. Andries Pels en de door de Verlichting beïnvloede Lodewijk Meijer (wederom toneelschrijvers & dichters) een classicistisch dichtgenootschap in Amsterdam. Daarmee raakte het Franse classicisme in zwang met Lucas Rotgans (drama), Pieter Langendijk (1683-1756, komedie) en dichter Hubert Cornelisz. Poot (1689-1733, maakte zich m.n. onsterfelijk met wel erg puntige grafschrift “Hier ligt Poot, hij is dood”).

In de 2e helft van de 18e eeuw was de Verlichting toonaangevend geworden en werden achtenswaardige literaire genootschappen opgericht, zoals in 1766 de MLN. Kenmerkend voor de periode zijn ook literaire periodieken (spectators, o.m. van columnist Justus van Effen) en briefromans als Sara Burgerhart van Betje Wolff & Aagje Deken uit 1782 (de eerste roman uit NL). Met Hieronymus van Alphen (1746-1803, het bekendst van het stichtelijk poëem “Jantje zag eens pruimen hangen”) nam de jeugdliteratuur een aanvang. Schrijver dichter Rhijnvis Feith (1753-1824) wordt ondergebracht bij het sentimentalisme binnen de preromantiek. Tijdens de Napoleontische bezetting (1795-1813) vormde ook opkomend nationalisme bij de dichters Hendrik J Tollens (schepper van “Wien Neerlands bloed”, naar hem is de 5 jarige Tollens oeuvreprijs vernoemd), Cornelis Loots & Jan F Heimers (1.6) een voorbode van de romantiek (1.7; 6.2). Onder de exponenten daarvan vallen dichter A.C.W Staring (1767-1840), representanten van internationale christelijke opwekkingbeweging Réveil (vanaf 1826) als de dichters Isaäc da Costa en Willem Bilderdijk en navolgers van de Britse schrijver van historische romans Sir Walter Scott als Jacob van Lennep (1802-1868), Jan Frederik Oltmans, Anna L.G. Bosboom-Toussaint en E.J. Potgieter (1808-1875, richtte in 1837 literair tijdschrift De Gids op en bedacht Jan Salie als icoon van lamlendigheid). Ook zijn daar 3 ironische humoristische literatoren die o.m. typetjes poneerden; de predikanten Nicolaas Beets (1814-1903, schreef onder pseudoniem Hildebrand de Camera Obscura) & François Haverschmidt (1835-1894, pseudoniem Piet Paaltjes) en Joh. Kneppelhout (1814-1885, Klikspaan). De topauteur uit de periode is Eduard Douwes Dekker (1820-1887) die publiceerde onder het pseudoniem Multatuli. Zijn kaderroman Max Havelaar, een aanklacht tegen het koloniale systeem in toenmalig Nederlands-Indië (Indonesië), is in 2002 door de MLN uitgeroepen tot belangrijkste literair werk van NL aller tijden (Canon).

Tijdgenoten en dichters A. Winkler Prins (bekender als encyclopedist) & (predikant) J.J.L. ten Kate verzetten zich tegen het dweperige in de romantiek en droegen met Hildebrand, Paaltjes, van Lennep & Multatuli bij aan een overgang naar realisme (1.8). Daarin was bewogenheid sociaal en werden de (rauwe) werkelijkheid & de boodschap belangrijker geacht dan de emotie. Dit maakte de schrijfstijl soberder. Zo schreef Jan Jacob Kremer in 1863 bijv. een aanklacht tegen kinderarbeid in fabrieken. Ook werden taboes van de tijd ter hand genomen. Jacob van Lennep schreef bijv. over prostitutie en “beul van Haarlem” Conrad Busken Huet (o.m. journalist & literatuurcriticus) over echtscheiding. Rond 1880 drongen Naturalisme (Marcellus Emants) & impressionisme (5.3) ook in de literatuur van NL door als inspiratiebron. Dit kwam tot uiting bij Louis Couperus (1863-1923, variatie aan genres met nadruk op psychologische romans) en de aan hem verwante Tachtigers die zich als aanstormende generatie verzetten tegen kleinburgerlijke zelfgenoegzaamheid onder gevestigde literatoren. Dat resulteerde in de oprichting van literair genootschap Flanor in 1881 en van tijdschrift “De Nieuwe Gids” in 1885. Neerlandici zien de 80ers als startpunt van de moderne literatuur. De leden voerden kunst om de kunst & schoonheid hoog in het vaandel, maar sociaal bewogen idealisme kwam onder hen ook voor en bleek naderhand een splijtzwam. De groep bracht dichters voort die veel sonnetten schreven als Willem Kloos (1859-1938; leider van de beweging; bekend van de frase “in ben een god in het diepst van mijn gedachten”), Jacques Perk (1859-1881, voor veel 80ers een voorbeeld), Herman Gorter (m.n. het episch gedicht Mei), Henriëtte Roland Holst & Hélène Swarth. De bekendste schrijvers zijn romanschrijver & psychiater Frederik van Eeden, Albert Verwey (ook dichter) & Lodewijk van Deyssel (1864-1952). Rond de 90er jaren won bij de 90ers (1.9.2) de belangstelling voor sociale bewogenheid, symbolisme, mystiek en occultisme verder terrein. Ze werden prominent in Vlaanderen. In NL zijn dichters & classici J.H. Leopold, P.C. Boutens & Ida Gerhardt (1905-1997) exponenten.

Na de 20e eeuwwisseling domineerden aanvankelijk de neostijlen in de literatuur van NL. Daarbij vertegenwoordigen de dichters J.C. Bloem, A Roland Holst & Geerten Gosseart (tevens essayist) het neoclassicisme en schrijvers Arthur van Schendel (1874-1946) en Aart van de Leeuw (1876-1931, tevens dichter) de neoromantiek. De non-conformistische sociaal bewogen schrijver Nescio (1882-1961) was vaak zijn tijd vooruit en kreeg m.n. erkenning na zijn dood. Tijdens het interbellum drongen modernistische stromingen ook door tot de literatuur zoals bij dichter, toneelschrijver, vertaler & essayist Martinus Nijhoff, schrijfster Carry van Bruggen en bij 4 literatoren die het begin van de oorlog niet of nauwelijks overleefden; Jo Otten (slachtoffer van een Duitse bom), Menno ter Braak (zelfmoord), Eddy du Perron (hartfalen) en vitalistisch expressionist Hendrik Marsman (verdronk in juni 1940 onderweg naar Engeland). Vitalisme kwam veel tot uiting bij Vlaamse auteurs. In NL is veelzijdige auteur F. Bordewijk (1884-1965) ook een voorbeeld. Naar hem is de jaarlijkse prijs voor het beste prozaboek van NL vernoemd en samen met de productieve Simon Vestdijk (1898-1971) & Arthur van Schendel (1874-1946, neoromantiek, realisme) vormt hij de top3 van het interbellum. Gerrit Achterberg (1905-1962) is wellicht de belangrijkste poëet uit de periode. Marsman met zijn naar avant-gardisme neigende tijdschrift “De vrije Bladen” (1924-1949) en Nijhoff waren voorstander van sierpoëzie & taalkunst. Ter Braak & du Perron redigeerden het tijdschrift Forum (1932-1935) dat onder invloed van de na 1930 opkomende Nieuwe zakelijkheid juist eenvoudig & begrijpelijk taalgebruik voorstond. Dit resulteerde bijv. in parlando poëzie en qua literatuur in gebruik van spreektaal. Veel exponenten van deze stroming waren tevens journalist. Voorbeelden zijn dichter Jan Greshoff, vitalistisch neoromanticus & scheepsarts J.J Slauerhoff en schrijvers Bordewijk, Ben Stroman, M Revis & de sociaal bewogen Jef Last. Tijdens de oorlog verscheen in ondergrondse kranten verzetspoëzie met “het lied der 18 doden” van Jan Campert (1902-1943) als bekendste voorbeeld. De naar hem vernoemde Stichting reikt een aantal literatuurprijzen van NL uit. Van het oorlogsdagboek van Anne Frank (1929-1945) “het Achterhuis” (haar onderduikadres, nu als museum een top toeristenattractie) zijn er wereldwijd zo’n 30 miljoen verkocht (List).

Haar dagboek valt, net als werk van Abel Herzberg (1893-1983), Marga Minco (1920) en Jona Oberski (1938) onder het ontluisterend realisme dat in het teken stond van oorlogsleed en verwerking daarvan. Ook bij Anna Blaman (1905-1960), Gerard Reve (1923-2006, bekendste titel: de Avonden) en W.F. Hermans (1921-1995; tevens geograaf; De donkere kamer van Damocles, Nooit meer slapen) werkt het rauwe, fysieke en weinig verheffend seksuele van deze fase nog door. Beide eerste auteurs kwamen daarbij openlijk uit voor hun zelfde sekse gerichtheid. Reve & Hermans worden met Harry Mulisch (1927-2010, veel magisch realisme met De ontdekking van de hemel als Magnus opus) beschouwd als de grote 3 van de naoorlogse literatuur waarin realisme domineert, zij het met tussenpozen en uitzonderingen. Zo voelde Lucebert (1924-1994) zich verwant aan de Cobra groep en hij nam al snel surrealisme op in zijn poëzie. Daarmee valt hij onder de Vijftigers die zich afzetten tegen het rationele van Forum en experimenteerden met vorm & inhoud om ruimte vrij te maken voor gevoel & intuïtie. Ze publiceerden in het tijdschrift Podium (1944-1969). Andere vijftigers zijn Bert Schierbeek (1918-1996), Gerrit Kouwenaar (1923-2014; dichter, journalist bij de linkse pers en vertaler van veel toneelstukken), Remco Campert (1929, zoon van Jan Campert, komisch columnist & schrijver), Simon Vinkenoog (1928-2009) en schrijver journalist Rudy Kousbroek (1929-2010, stond ook open voor wetenschappelijk & empirisch denken). In de 60er jaren volgde een realistische tegenreactie, o.m. bij de literatoren van het tijdschrift Barbarber (1958-1972) als C Buddingh (1918-1985), J. Bernlef (meest gebruikte pseudoniem van Henk Marsman: 1937-2012), C.B. Vaandrager (1935-1992), Hans Sleutelaar (1935), K Schippers (1936) en dichter kunstenaars Armando (1929) & Hans Verhagen (1939). Wel maakten velen van hen ook gebruik van de surrealistische vorm gevonden poëzie. Na 1965 werd kunstenaar schrijver Jan Wolkers (1925-2007) bekend met autobiografisch werk, maar op christelijke lycea mocht dat soms nog niet op de literatuurlijst vanwege onverholen taal en gebrek aan respect voor traditioneel geloof & gezag.

Vanaf de 70er jaren werden autobiografische elementen in romans steeds gewoner en bleef realisme toonaangevend; niet alleen bij de grote 3, maar bijv. ook bij Thomas Rosenboom (1956, neorealist) en bij een groep die voor iedereen begrijpelijke taal voorstond met Heere Heeresma (1932-2011) & Mensje van Keulen (1946). Ze schreven in magazine Maatstaf (1953-1999) met vele anderen onder wie schrijver, dichter, polemist en taalvirtuoos Gerrit Komrij (1944-2012) & schrijver bioloog Maarten ’t Hart (1944). Tegenover dit mimetisch proza stond de Revisor groep die bijv. overdrijving een geschikt middel vond om een punt te maken met o.m. Jeroen Brouwers (1940; weigerde in 2007 de prijs der Nederlandse letteren), Frans Kellendonk, Doeschka Meijsing (1947-2012), A.F.Th. van der Heijden (1951) en Oek de jong (1952). De 2e feministische golf kwam toen tot uitdrukking via Anja Meulenbelt (1945), Renate Dorrenstein (1954) en Margriet de Moor (1941, won in 1992 de AKO literatuurprijs, dochter Marente won deze in 2011). Vanaf de 80er jaren kwam ook in NL postmoderne literatuur op die ultieme waarheden relativeert. Onder de exponenten vallen Willem Brakman (1922-2008), Gerrit Krol (1934-2013), Louis Ferron (1942-2005), Charlotte Mutsaers (1942), Geerten Meijsing (1950), Leon de Winter (1954), P.F. Thomése (1958), de islamkritische Hafid Bouazza (1970, tevens migranten literatuur) & Désanne van Brederode (1970). Ook het oeuvre van Cees Nooteboom (1933; reisverhalen & poëzie, ook over de grens veel gelauwerd), Marja Brouwers (1948) en Conny Palmen (1955) bevat veel postmoderns.

In de 90er jaren kwam de migranten literatuur sterk op met uiteraard het leven in 2 culturen als thema. Onder de exponenten uit Marokko vallen naast Hafid B (debuut in 1996) en zijn wat jongere zus Hassnae (1973) dichter Mustafa Stitou (1974, debuut in 1994) en schrijvers Khalid Boudou (1974, debuutprijs 2002, veel verfilmd) & Abdelkader Benali (1975, debuut in 1996, liep ook redelijke marathontijden). Van elders komen Kader Abdola (1954, Iran, in 1994 na 6 jaar in NL de prijs voor het best verkochte debuut), Lulu Wang (Beijing 1960, debuutprijs 1998), Moses Isegawa (1963) uit Oeganda en Ramsey Nasr (1974, Palestijn). In dezelfde tijd deed de generatie Nix van zich spreken met enigszins nihilistische en oppervlakkige thema’s in grof realistische stijl. Hier vallen Ronald Giphart, Rob van Erkelens en toneelschrijver Don Duyns en in wat mindere mate Joost Zwagerman (1963) & Arnon Grunberg (1971) onder de exponenten.

Onder de nog niet vermelde literatoren van faam vallen winnaars van de P.C. Hooft oeuvreprijs Victor E van Vriesland (1892-1974, dichter, criticus), Theun de Vries (1907-2005, historische & sociale romans, poëzie, biografie), Leo Vroman (1915-2014, bioloog & dichter), dichter psychiaters M(argaretha) Vasalis (1909-1998) & Rutger Kopland (1934-2012), “waarneemster” Hella S Haasse (1918-2011), filosoof Cornelis Verhoeven (1928-2001), Karel van het Reve (1921-1999, broer van, o.m. ook Slavist & columnist), Hugo Brandt Corstius (1935-2014; o.m. columnist net als zoon Jelle die het programma Zomergasten van de VPRO presenteerde), journalist & columnist Henk Hofland (1927), sociaal bewogen dichteres Judith Herzberg (1934, dochter van), Maarten Biesheuvel (1939, ironisch, surrealistisch), dichteres Anneke Brassinga (1948) en Willem Jan Otten (1951, o.m. beschouwend proza) en buiten dat (maar wel jurylid van de P.C. Hooft prijs) Anna Enquist. In 2014 is de belangrijkste poëzieprijs toegekend aan Antoine de Kom en in 2015 aan Hester Knibbe. De Libris prijs voor het beste fictieboek ging in 2014 naar Ilja Leonard Pfeijffer (tevens dichter) en in 2015 kreeg feitenschrijver Geert Mak de Gouden Ganzenveer. Exponenten van komische literatuur in NL zijn bijv. Godfried Bomans (1913-1971), columnist Simon Carmiggelt (1913-1987) en Annie M.G. Schmidt (1911-1995; boeken & versjes voor kinderen). Ze is ook erg bekend van de TV, net als Kees van Kooten (1941). Schrijvers van jeugdliteratuur (zie ook bij illustratoren onder beeldende kunst) zijn naast Bomans en Annie M.G. Schmidt de eveneens komische C. Johan Kievit (1858-1931) & Chris van Abkoude (1880-1960) en o.m. ook W.G. van der Hulst Sr (1879-1963) Anne de Vries (1904-1964), Tonke Dragt (1930), Jan Terlouw (1931), Toon Tellegen (1941), Guus Kuijer (1942) en Simon van der Geest (1978). NL kent wel 150 literatuurprijzen (zie ook lijst, de belangrijkste staan al in de tekst). T/m 2014 was de Nobelprijs voor literatuur nog nimmer aan iemand uit NL toegekend.

Theater

Wanneer in NL de eerste rondtrekkende vermaakartiesten opdoken die op straten & pleinen en bij de adel optraden is niet te achterhalen (tot p25). Zeker is wel dat bijv. Willem van Hildegaersberch (±1375, één van de oudst bekende dichters op Nederlands grondgebied) zich ook profileerde als sprookspreker (verhalenverteller) en als zodanig was in te huren bij bruiloften & partijen en dat er poppenkast voor volwassenen bestond (“doeckenspiel”). De vroegste geschreven bewijzen van theater binnen het NL van nu dateren van rond 1130 en betreffen geestelijk toneel (Monum). Daaronder vielen opvoering van Bijbelverhalen en mysteriespelen; mirakelspelen rond het leven van heiligen en passiespelen rond het lijden & sterven van Jezus met soms vele honderden deelnemers (thans kent NL nog de 5 jaarlijkse variant in Tegelen). Na 1350 groeiden deze uit tot processies van wagens (vaak van clubs, incl. de latere gilden) die gepaard gingen met straattoneel. Er werden steeds vaker wereldse elementen in opgenomen zodat ze op carnavalsoptochten gingen lijken. Ook kwamen er stichtelijke wereldse voorstellingen die werden gevolgd door een sotternie (klucht) rond hetzelfde thema om de boodschap breder toegankelijk te maken (abele spelen) en bij geestelijk toneel werd bijv. de duivel wel weergegeven als een komische griezel. De rederijkers, door gilden & renaissance geïnspireerde literaire clubs die vanaf ±1500 ook boven de grote rivieren opkwamen (Eglantier), hadden een flink aandeel in deze ontwikkelingen.

Daarmee droegen ze bij aan de renaissance & barokke literatuur & poëzie die tijdens de Gouden Eeuw (globaal de 17e eeuw) toonaangevend werd. Naast trucs ter verfraaiing raakten (toneel)genres uit de klassieke oudheid in de mode. De ethicus Coornhert (van de Coornhert Liga) schreef bijv. klassieke komedies en na hem bracht de Gouden eeuw dichter toneelschrijvers voort van klassieke tragedies & komedies als P.C. Hooft (1581-1647), G.A. Bredero (1585-1618) en Joost van den Vondel (1587-1697, m.n. klassieke tragedies als de Gijsbrecht van Aemstel die genoemd wordt als het beroemdste stuk uit de theatergeschiedenis van NL). Willem Godschalck (1640-1670), Jan Vos (1610-1667) & Thomas Asselijn (1620-1701) schreven m.n. kluchten. In de poppenkast doken, mede vanuit het Italiaanse commedia dell’arte, de figuren Jan Klaassen & Katrijn op (tussen 1893 & 1967 dagelijks te zien op de Dam in Amsterdam: Canon). In Amsterdam is in 1638 de eerste stadsschouwburg van NL geopend met een opvoering van de Gijsbrecht (Canon). Het drama werd daar tot 1968 elk jaar met oud & nieuw opgevoerd, sinds 1707 gevolgd door de klucht “de bruiloft van Kloris & Roosje”. Daarin waren o.m. volksdans, een terugblik op het voorbije jaar & een nieuwjaarswens verwerkt. Dit idee van een terugblik vormde in 1954 een opmaat voor de eerste oudejaarsconference van Wim Kan op radio. Het opvoeren van een klucht na een tragedie bleef lang gebruik om de toeschouwer niet al te treurig gestemd te doen vertrekken. Tussen 1670 en 1770 stond met de opkomst van Frans classicisme klassiek toneel weer volop in de belangstelling. Andries Pels & de door de Verlichting beïnvloede Lodewijk Meijer herschreven o.m. werk van Hooft, Vondel en Franse & Griekse klassieken, Lucas Rotgans schreef klassiek drama en Pieter Langendijk (1683-1756) komedie. In de 17e en 18e eeuw kwamen in NL zo’n 5000  toneelstukken uit (waaronder ruim 500 kluchten). Het oudste nog gebruikte theater van NL, de Leidse schouwburg, beleefde in 1705 de eerste voorstelling.

Eind 18e eeuw maakte ballet & dans zich los van toneel & opera en in 1802 kreeg de hoofdstad een eerste dansopleiding. In1827 verscheen een eerste lesboek over acteren, maar de oprichting van de eerste toneelschool liet nog 47 jaar op zich wachten (nu de Amsterdamse theaterschool). In 1877 volgde daar de oprichting van theater Carré als circustheater. Onder de schrijvers van de 19e eeuwse romantiek die ook toneelwerk maakten vallen Multatuli en Jacob van Lennep. Later in de eeuw ging de romantiek over in sociaal bewogen realisme zoals bij toneelschrijver Herman Heijermans. Hij is m.n. bekend van vissersdrama “op hoop van zegen” dat in 1900 op kerstavond de première beleefde, nadien bijna de hele wereld overging en al in 1934 voor het eerst is verfilmd. Beroemde acteurs uit de periode zijn Louis Bouwmeester Sr (1842-1925, de Louis d’Or toneelprijs is naar hem vernoemd en de vrouwelijke pendant Theo’d Or naar zijn zus) & Esther de Boer-van Rijk (1853-1937, m.n. door haar rol in “op hoop van zegen”). Tijdens het interbellum verschoof via Eduard Verkade (1878-1961) & Willem Royaards (met de Brit E.G Graig als inspiratiebron) de nadruk van auteur & tekst naar vormgeving. Dit betekende een overgang van realisme naar een vorm van modernisme. Albert van Dalsum (1889-1971) stuurde deze ontwikkeling richting expressionisme. In deze periode kreeg ook het liedje “Mensch durf te leven” van tekstschrijver Dirk Witte via cabaretier Jean-Louis Pisuisse (1880-1927) icoonstatus. Hij werd zo de belangrijkste grondlegger van kleinkunst. Cabaretier & tekstschrijver Louis Davids (1883-1939) werd net als zijn zus Heintje (1888-1975) zelf een theatericoon en leverde een bijdrage aan de eerste musical uit NL; “De Jantjes” (in première in 1920, in 1992 en 1934 verfilmd) van Herman Bouber (1885-1963, tevens acteur). In deze periode was Menno ter Braak (1902-1940) een groot toneelcriticus. Vanaf 1936 werd de dans verder geprofessionaliseerd door toedoen van Yvonne Georgi i.s.m. de Wagnervereeniging. Ze combineerde daartoe moderne dans vanuit de USA met klassiek ballet dat vanuit de Sovjet-Unie was aangeslagen via o.m. Anna Pavlovna.

Omdat de Duitse bezetter theater subsidieerde werd overheidssubsidie opgenomen in het grijze boekje dat het verzet uitbracht voor een naoorlogse opzet (Canon). In 1945 raakte Yvonne Georgi in ongenade vanwege collaboratie. Sonja Gaskell uit Litouwen (toen een Sovjet republiek) nam het stokje over. Er ontstond een ballet oorlog met als wapenfeiten o.m. de oprichting van het Scapino (jeugd)ballet in 1945, het Nederlands ballet in 1954, het Nederlands danstheater in 1959 en in 1961 het Nationale Ballet en het internationale danstheater. Het besef dat de internationale cultuurfestivals van Salzburg en Bayreuth nog wel even op hun gat zouden liggen resulteerde in juni 1947 in de eerste editie van het Holland Festival als stimulans voor internationaal prestige & buitenlandse deviezen. Tussen 1955 en 1986 was de samenwerking van de Vlaamse toneelschrijver Hugo Claus met toneelregisseur & acteur Ton Lutz (1919-2009) & decorontwerper Nic. Wijnberg (1918-2006) succesvol. Topgezelschappen waren de Nederlandse Comedie (1950-1971) met o.m. ook Han Bentz van den Berg, Ko van Dijk (1916-1978), Mary Dresselhuis (1907-2004) & Ellen Vogel (1922) en de Haagse Comedie (1947-1988). In de 50er jaren kwamen ook de grote 3 uit het cabaret Wim Sonneveld (1917-1974), Wim Kan (1911-1983) en Toon Hermans (1916-2000) op. De laatste stond bij de top100 van grootste Nederlanders uit 2004 het hoogst qua podiumkunsten (plek 22; lijst) en was m.n. geïnspireerd door de Nederlandse clown Johan Buziau (1877-1958). In de 60er jaren raakten knusse zaaltjes die de afstand tot het publiek verkleinen en theater minder elitair maakten in de mode. Het werden broedplaatsen voor alternatieve vrijere uitingsvormen als (post)moderne dans & bewegingstheater (voorloper van locatietheater) en antiautoritair protest tegen de establishment. Eén en ander kwam bijv. tot uiting bij kleinkunstenaars als Ramses Shaffy (1933-2009), de musical “heerlijk duurt het langst” van Annie M.G. Schmidt, satirische cabaretgroep Lurelei (1959-1968) en duo Neerlands Hoop (1968-1979; Bram Vermeulen & Freek de Jonge; zie ook cabaretprijs).

In 1969 culmineerde de trend in Actie Tomaat die de toneel & theaterwereld definitief veranderde. Dit leidde bijv. tot veel, vaak maatschappelijk geëngageerde, kleine gezelschappen (vs. een paar grote) als Werktheater, Appel, Onafhankelijk toneel, muziektheatergroepen Orkater, Baal (1973-1986), Dogtroep (1975-2008) & De Mexicaanse hond van Alex van Warmerdam (1980) en in 1985 Hollandia en Art & Pro (in 2001 met Trust gefuseerd tot Theatercompagnie). Ook kwamen er alternatieven op voor het Holland festival met Festival of fools (1975-1984) & Oerol op Terschelling (sinds 1981) als pioniers. Van de weeromstuit werd het Holland festival ook minder elitair, bijv. via bijdragen van Jozef van den Berg (poppenspel voor volwassenen, sinds 1991 is hij Grieks orthodox kluizenaar in NL) en Bram Vermeulen. Choreografen uit NL Rudi van Dantzig & Hans van Maanen leidden gouden jaren in bij het ballet met o.m. een NL versie van het Zwanenmeer van Tsjaikovski. In 1979 deden nieuwe media hun intrede in ballet & dans met een definitieve doorbraak van moderne dans als gevolg. Bij het cabaret werd de variatie groter en in 1980 werd Freek de Jonge trendsetter met een voorstelling met één verhaallijn & maatschappelijk engagement. Maatschappijkritisch zijn ook Theo Maassen en Javier Guzman. Andere accenten liggen bij Herman Finkers (satire), Youp van ’t Hek & Brigitte Kaandorp (verhalend), Bert Visser, Andre van Duin, Hans Teeuwen, Najib Amhali & Tineke Scouten (lollig tot absurd) en Jörgen Raymann & Raoul Heertje (stand-up stijl, d.w.z. kort anekdotisch). In 1986 werd een Amsterdam de Stopera geopend, een stadhuis met een muziektheater als thuisbasis voor Nationale opera & Nationaal ballet. Het jaar daarop kwam Toneelgroep Amsterdam tot stand uit een fusie. Deze zou uitgroeien tot wellicht het meest toonaangevende toneelgezelschap van NL. Regisseur & artistiek leider Gerard jan Rijnders introduceerde toen via het stuk “bakeliet” montagetheater, een vorm met actieve deelname van de toeschouwers. In 1988 werd de Haagse Comedie omgedoopt tot Het NT dat ‘s lands grootste gezelschap werd. M.n. door toedoen van TV, theater & revueproducent Joop van den Ende (1942) braken vanaf 1987 vertaalde en eigen musicals door in theaters in NL. In 2000 werd via Dansgezelschap ISH straatkunst voor het eerst onderdeel van de Nederlandse theaterscene.

Onder de hedendaagse toneelschrijvers (zie ook prijs) vallen Ton Vorstenbos (1947; o.m. satirisch historisch werk, bijv. over het koninklijk huis), Ad de Bont (1949; m.n. ook jeugdtheater zoals het in 14 talen vertaalde “Mirad, een jongen uit Bosnië”), Rob de Graaf (1952), Maria Goos (1956) en Don Duyns (1967). Meervoudige winnaars van de Louis d’Or Theaterprijs voor mannelijke acteurs zijn Han Bentz van den Berg (1917-1976), Paul Steenbergen (1907-1989), Ton Lutz (1919-2009), Siem Vroom (1931-1985), Guido de Moor (1937-1989, naar hem is een prijs voor beloften vernoemd), Andre van den Heuvel (1927), Peter Faber (1943), Pierre Bokma (1955) & Jacob Derwig (1969). De Theo d’Or ging meer dan eens naar Ank van der Moer (1912-1983), Andrea Domburg (1923-1997), Elisabeth Andersen (1920), Annet Nieuwenhuyzen (1930), Petra Laseur (1939), Anne Wil Blankers (1940), Marlies Heuer (1952), Elsie de Brauw (1960) & Ariane Schluter (1966). Uiteraard zijn deze acteurs & actrices ook veel te zien op film & TV.

Cinema

In 1896 (een jaar na de eerste filmopnames ter wereld in Frankrijk) gaf Christiaan Slieker een eerste filmvoorstelling op een kermis in Leeuwarden. Mogelijk werd “Gestoorde hengelaar” van fotograaf M.H. Laddé daar vertoond, want dit eerste filmpje uit NL is in datzelfde jaar gemaakt en vormt daarmee het begin van de Nederlandse cinema. Van Laddé’s cinematografisch werk is echter niets bewaard gebleven. Het oudste filmpje dat nog bestaat dateert uit 1905. Het is eveneens kluchtig van aard en duurt een minuut of 5. De opnames namen een dagje Zandvoort in beslag & zijn van Willy Mullens. Hij zette in NL productiebedrijfjes op, waaronder Haghefilm dat o.m. documentaires en bioscoopjournaals uitbracht (het Polygoon journaal was niet van hem en bestaat sinds 1924). Producent filmfabriek Hollandia (rond 60 stomme speelfilms tussen 1912 & 1923) met regisseurs Maurits Binger, Louis Chrispijn & Theo Frenkel kwam met materiaal ter lering & vermaak, waaronder de eerste langere speelfilm “De levende ladder” (1913) met een hoofdrol van Annie Bos (1986-1975; bijgenaamd koningin van de stomme film) die voor NL geldt als eerste filmdiva. Andere belangrijke vooroorlogse filmsterren uit NL  waren Lily Bouwmeester & Jan van Dommelen. De in 1921 opgerichte Bioscoopbond kreeg na 1932 veel macht doordat ook producenten zich er bij aan konden sluiten. De eerste geluidsfilm “Willem van  Oranje” beleefde haar première op 4 jan. 1934, net voor de verfilming van “De Jantjes” onder directie van Henk Alsum (1902-1953) die wel aanzienlijk meer publiek trok. Alsem maakte in hetzelfde jaar ook verfilmingen van “Op hoop van zegen” (Herman Heijermans) en “Bleke Bet”. De linkse filmmaker Joris Ivens (1889-1989) verwierf toen reeds faam met avant-gardistische documentaires, ook internationaal (bijv. over de Spaanse burgeroorlog). De eerste tekenfilm (net als alle films van toen zwart-wit) is van Frans ter Gast, verscheen in 1936 en kent het notoire moordlied “de rovers van Raamsdonk” als inspiratiebron. Johan Kaart (1897-1976) en Guus Oster (1915-1984) zijn bekendste acteurs uit de periode tussen 1930 en 1960.

In de 50er en 60er jaren maakte men in NL, de oprichting door de overheid van een productiefonds voor Nederlandse film in 1956 ten spijt, om budgettaire redenen nog veelal zwart-wit films. Willy van Hemert’s debuut Jenny uit 1958 (‘s lands eerste kleurenfilm) was een uitzondering. In dat jaar is ook de Nederlandse filmacademie opgericht. In NL had Bert Haanstra (1916-1997, in 1996 is een oeuvreprijs naar hem vernoemd) veel succes met geestige documentairefilms over het leven van alledag. Op de lijst van bestbezochte films aller tijden staat zijn Fanfare uit 1958 op plek 2 met 2,6 miljoen bezoekers en Alleman (1963; 1,7m) komt op plek 9. Andere hoogvliegers uit de periode zijn Ciske de Rat (1955, met 2,4m op 3) van een Duitse regisseur (in 1984 kwam de verfilming in kleur van Guido Pieters met 1,6m op 10), oorlogsfilm “de overval” uit 1962 van een Britse regisseur (met 1,5m op 13), “een koninkrijk voor een huis” (1949; 1,3m; 15) van Jaap Speyer met naoorlogse woningnood en “Sterren stralen overal” (1953, 1,1m; 17) van Gerard Rutten met de naoorlogse emigratiegolf als thema. De naar de maatstaven van NL Bourgondisch ingestelde acteur & regisseur Fons Rademakers (1920-2007) kreeg ook over de grens reeds waardering voor zijn eerste (fictie)films. “Het gangstermeisje” van Frans Weisz (1938) uit 1966 (verfilming van de roman van Remco Campert in zwart-wit) geldt als eerste nouvelle vague film uit NL. In 1965 richtten de regisseurs Wim Verstappen (1937-2004) & Pim de la Parra (1940) Scorpio films (1965-1978) op dat in 1971 doorbrak met de erotische kleurenfilm Blue Movie (2,3 m; plek 5).

In de 70er jaren werden erotische films in kleur een handelsmerk van de cinema van NL. Turks Fruit (1973, 3,3 miljoen bezoekers) van regisseur Paul Verhoeven (1938) voert zo de lijst van best bezochte films van NL aan. Van hem stonden 5 films in de top25, waaronder de erotische films “Wat zien ik” (1971, 2,4m, 4e) & Keetje Tippel (1975, 1,8m, 8e) en verder Spetters (1980, 1,1m, 18e) en oorlogsfilms Soldaat van Oranje (1977, 1,5m, 11e) & Zwartboek (2006, 1,1m, 21e). Bijv. zijn boekverfilming “de vierde man” uit 1983 werd elders beter ontvangen dan in NL en tussen 1986 en 2002 leefde hij met wisselend succes in de USA om daarna terug te keren. Nouschka van Brakel (1940) brak in deze tijd door met feministische films & boekverfilmingen, vaak samen met producent Matthijs van Heijningen (1944). Rob Houwer (1937) werkte als zodanig veel samen met Verhoeven en ook hij deed veel boekverfilming. In 1972 was in Rotterdam de eerste editie van het IFFR (nu het grootste filmfestival van NL). Rademakers kreeg ook over de grens erkenning voor zijn verfilming van Max Havelaar (1976). In de 80er jaren braken Ruud van Hemert (1938-2012; o.m. Schatjes uit 1984, 1m, 23e) en Dick Maas (1951) door, vaak met banaal satirische kassuccessen. Van Dick Maas vallen Flodder (1986, 2,3m, 6e), Flodder in Amerika (1992, 1,5m, 12e) en Amsterdamned (1988, 1m, 25e) onder de filmtop25. Andere opkomende regisseurs werden Ate de Jong (1953) en Alex van Warmerdam (1952, absurdistische films). “Spoorloos” van George Sluizer en “De vierde man” van Paul Verhoeven werden internationale cultfilms. In 1981 werd het Nederlands Filmfestival opgericht door Jos Stelling en sindsdien worden daar in navolging van gouden prijzen buiten NL Gouden Kalveren uitgereikt voor bijdragen aan de film & TV wereld (thans rond 30 in getal). In 1984 kwam daar de Tuschinski Film Award bij voor net afgestudeerde regisseurs aan de Film en TV academie. De VPRO stelde in 1988 voor documentaires de Joris Ivens Award in (sinds 2009 de VPRO IDFA Award). In 1987 won Mulisch verfilming “De aanslag” van Fons Rademakers als eerste film uit NL een Oscar.

In de 90er jaren werden bij het IFFR prijzen ingesteld, waaronder de Tiger Award voor korte films. Aanvankelijk bereikte de film uit NL een dieptepunt met in 1994 een omzetaandeel van 1% en een bezoekersaantal van 30.000 bij de best bezochte film van eigen bodem. Daarna trad herstel op via regisseurs als Robert Jan Westdijk (1964, Zusje), Eddy Terstall (1964, Hufters & Hofdames), Martin Koolhoven (1969; Suzy Q, één van de eerste televisiefilms) en Lodewijk Crijns (1970). In 1996 won “Antonia” van Marleen Gorris (1948) een Oscar en een jaar later overkwam dit boekverfilming “Karakter” door Mike van Diem. Eind 90er jaren trokken verfilmde kinderboeken als Kruimeltje (1999, 1,1m, 16e) van Maria Peters (1958, in 1987 medeoprichtster van filmbedrijf Shooting Star) & Annie M.G. Schmidt’s Abeltje (1998, 0,9m) van Ben Sombogaard (1947) volle zalen. Na 2000 won hij met Annie M.G. verfilming “Puk van de petteflat” (2001) en met “De Storm” (2009) over de watersnoodramp van 1953 een Platina prijs, één van de kort na 2000 ingestelde prijzen voor Nederlandse films op basis van bioscoopbezoek. Alras voldeden dusdanig veel films aan de criteria dat ze naar boven werden bijgesteld (thans: gouden film boven 100.000 bezoekers, platina > 400.000, diamant > 1 miljoen; kristallen film: documentaire met minmaal 10.000). Naast “Zwartboek” van Verhoeven (ook in het buitenland goed ontvangen) kwamen “Alles is liefde” van Joram Lürsen en “Komt een vrouw bij de dokter” van Reinout Oerlemans (1971; in 2001 richtte hij productiemaatschappij Eyeworks op) op diamant en Martin Koolhoven haalde met de verfilming van Jan ter Louw’s “Oorlogswinter” uit 2008 0,8m bezoekers. Andere boek verfilmingen sloegen minder aan. Ook telefilms met soapsterren als multiculti komedies Het Schnitzelparadijs (Koolhoven) en Shouf Shouf Habibbi en films in vakantiesferen van Johan Nijenhuis (1968) scoorden hoog. Het aandeel van films uit NL in het bioscoopbezoek steeg zo naar 13,6% in 2005. Andere filmmakers die doorbraken waren Nanouk Leopold, Pieter Kuijpers (1968) en San Fu Matha (1958) en Leonard Retel Helmrich onderscheidde zich en buiten NL als documentairemaker.

Na 2010 haalde telefilm “Gooische vrouwen” van Will Koopman met 1,9m bezoekers plek 7 op de film top25. “New Kids Turbo” van Stefan Haars & Flip van de Kuil en van Eyeworks kwam boven de miljoen. Eyeworks scoorde ook bioscoophits met o.m. New Kids Nitro, De gelukkige huisvrouw, Dik Trom en Nova Zembla (bezoek 0,6m; ondanks storende historische & vooral fysieke onjuistheden als een sterrenhemel in augustus in noordpoolgebied). In 2014 haalden 6 films Platina en in februari 2015 kwamen de films Homies & Michiel de Ruyter, die in januari in première gingen, al boven 100.000 bezoekers (Lijst). Jeugdfilm “Alles mag” van Steven Wouterlood won veel internationale prijzen, waaronder een Emmy Award. Onder de filmsterren is Monique van de Ven (1952, o.m. een hoofdrol in Turks Fruit) in 1999 gekozen tot Nederlands actrice van de eeuw. Net als Kitty Courbois (1937) Willeke van Ammelrooy (1944) en René Soutendijk (1957) beleefde ze haar hoogtijperiode in de 70er en 80er jaren. Ze wonnen meerdere keren een gouden kalf voor beste actrice, net als Monic Hendrickx (1966) die ook over de grens veel is gelauwerd en (m.n. na 2000) Carice van Houten (1976, 5x een gouden kalf, ook internationaal bekend), Halina Reijn (1975) en Georgian Verbaan (1979). Onder de acteurs die gouden kalveren wonnen vallen Rutger Hauer (1944; sinds de 80er jaren ook erkenning in de USA), Rijk de Gooyer (1925-2011; 2 van zijn 3 gouden kalveren werden door eigen toedoen uit een taxiraam gegooid), Kees Brusse (1925-2013), Tom Hoffman (1957) en m.n. na 2000 ook Barry Atsma (1972) en Tygo Gernandt (1974).

Wetenschappers, uitvinders en andere grote Nederlanders

Op Lists of via Nederlands zijn vele honderden beroemde Nederlanders te vinden. De queeste kan bijv. via wetenschapper worden beperkt tot o.m. Nobelprijswinnaars en via grootste tot ruim 200 genomineerden voor de verkiezing van grootste Nederlander aller tijden in 2004. T/m 2014 kwam NL tot 20 Nobelprijs winnaars; de eerste in het jaar van instelling 1901 en de laatste in 2010 (Lijst). De meesten van hen wonnen de prijs voor natuurkunde (10, waarvan 2x als koppel uit NL), gevolgd door geneeskunde/ fysiologie & scheikunde (beide 3x) en vrede & economie (beide 2x, strikt genomen is de prijs voor economie geen Nobelprijs). Geen enkele Nederlander won nog een Nobelprijs voor literatuur. De natuurkunde prijzen gingen naar Hendrik Lorenz & Pieter Zeeman (1902, invloed magnetisme op spectraallijnen, het z.g. Zeeman effect), Joh. van der Waals (1903, toestandsvergelijking gassen & vloeistoffen), Heike Kamerlingh Onnes (1913, effecten extreem lage temperatuur), Frits Zernike (1953, fasecontrastmicroscoop), Nico Bloembergen (1981 met een Zweed & een Amerikaan; ontwikkeling laserspectroscopie), Simon van der Meer (1984, met een Italiaan, velddeeltjes die zwakke kernkracht overbrengen) en Gerard Hooft & Martinus Veltman (1999, algoritme van renormalisatie binnen de kwantumveldentheorie). Scheikundigen die de prijs wonnen zijn Jacobus van ’t Hoff (1901, osmotische waarden in oplossingen), Peter Debeye (1936, röntgenstralen & elektronen in gassen) & Paul Crutzen (1995, met 2 Amerikanen; ozongat atmosfeer) en de prijzen voor geneeskunde gingen naar Willem Einthoven (1924, ECG), Christiaan Eykman (1929 met een Brit; ontdekking vitamines) & Niko Tinbergen (1973 met 2 Oostenrijkers, danstaal bijen & hechting bij vogels). In 1911 kreeg voorzitter van de Haagse vredesconferentie Tobias Asser de prijs voor de vrede en in 1954 ging deze naar  Gerrit Jan van Heuven Goedhart namens het hoge commissariaat vluchtelingen van de VN. Een economieprijs is in 1969 toegekend aan Jan Tinbergen en in 1975 aan Tjalling Koopman (beide keren gedeeld en voor bijdragen aan de ontwikkeling van econometrie).

Een aantal Nobelprijswinnaars staan op de nominatielijst van de Grootste Nederlander verkiezing in 2004 met Lorenz als hoogste (49e). Aan overige wetenschappers & uitvinders geldt Laurens Jansz. Coster (rond 1400) voor Europa als mede-uitvinder van de boekdrukkunst. Tussen de 15e en 17e eeuw leefden microscooppioniers Cornelis Drebbel (autodidact; ook perpetuum mobile & duikboot), Antoni van Leeuwenhoek (plek 4 GN), Jan Swammerdam & Christiaan Huygens (β wetenschapper; o.m. ringen Saturnus & slingeruurwerk; 12e GN); jurist Hugo de Groot (31e), wiskundige & vestingbouwer Simon Stevin (9e) en arts & botanicus Herman Boerhave (“eenvoud als kenmerk van het ware”). Hetzelfde geldt voor de filosofen Desiderius Erasmus (5e) en Baruch de Spinoza (21e). Van latere datum zijn bijv. meteoroloog C.H.D. Buys Ballot (1817-1890); de astronomen Jacobus Kapteyn (1851-1922), Gerard Kuiper (1905-1973) & Jan Oort (1900-1992), internist Willem Kolff (1911-2009, uitvinder kunstnier; 47e) en primatoloog Frans de Waal (1948) wereldwijd bekend. Onder de grote waterbouwkundigen vallen Jan Adriaansz. Leeghwater (1557-1650) en Cornelis Lely (1854-1929). Op het vlak van lucht & ruimtevaart zijn Anthony Fokker & Albert Plesman luchtvaartpioniers en Wubbo Ockels (1985-2014) en André Kuipers (1958) astronaut met een NL paspoort.

In de context van dit portaal verdient socioloog Geert Hofstede (1928) een speciale vermelding vanwege zijn bijdrage aan onderzoek rond interculturele communicatie ((COUNTRIES).

Rond de 2e helft van de 17e eeuw bracht NL veel ontdekkingsreizigerster zee voort. Onder de poolreizigers vallen Willem Barentz (1550-1597) en de wat voorzichtiger Jan Cornelisz Rijp (1570-1630). De gebr. de Houtman leidden tussen 1595 en 1597 de eerste expeditie vanuit NL naar het Indonesië van nu. Kapitein Willem Janszoon van het goede schip Duyfken zette in 1606 als eerste Europeaan voet aan wal in het huidige Australië. Nadien exploreerden meer schippers uit NL die regio onder wie Abel Tasman die rond 1643 Tasmanië & Nieuw-Zeeland ontdekte. In april 1600 bereikte galjoen De Liefde met kapitein Jacob Kwakernaak als eerste schip uit NL Japan vanuit het huidige Chili. In 1609 mochten Hollanders op het eilandje Hirado een handelspost stichten en deze verhuisde in 1641 naar het kunstmatige eilandje Dejima in de golf van Nagasaki. In 1652 stichtte Jan van Riebeeck voor de VOC een verversingspost in het Zuid Afrikaanse Kaap de goede Hoop. Qua reizen naar de west staan Jacob Le Maire & Willem Schouten uit Hoorn te boek als de ontdekkers (in 1616) van het zuidelijkste puntje van Zuid Amerika; Kaap Hoorn. Kapitein Adriaen Block ontdekte in 1613 delen van het huidige New-York en kwam als eerste op de proppen met de naam Nieuw-Nederland (tussen 1624 en 1674 een provincie van NL en daarna met de Engelsen verruild voor Suriname). Kaperkapitein Abraham Blauvett bracht rond 1630 veel van de kust van midden Amerika in kaart.

In 2004 streden bij de verkiezing van grootste Nederlander in de emotie van het moment de in 2002 vermoorde politicus Pim Fortuyn en de Nederlandse vader des vaderlands Willem van Oranje (1533-1584) om de eer (de verkiezing viel kort na de moord op Theo van Gogh door een djihadist). Vast staat dat politicus Willem Drees, (1886-1988; o.m. grondlegger van het staatspensioen van NL) op 3 kwam. Onder de hier nog niet vermelde namen in de top15 vallen verder voetballegende bij leven Johan Cruyff (1947, 6), zeeheld Michiel de Ruyter (7), het joodse Holocaust slachtoffer icoon Anne Frank (8) en schilders Rembrandt van Rijn & Vincent van Gogh (voorouder van…) op 9 & 10. Op 11 kwam arts & feministe Aletta Jacobs (1854-1929), op 13 kinderschrijfster Annie M.G. Schmidt (1911-1995), op 14 koningin Juliana (1909-2004) en op 15 de grondlegger van de parlementaire democratie in NL Johan R Thorbecke (1798-1872).

Cultuurbeleid, bestedingen, betekenis en deelname

Op EN(compendium) is via country directory info te vinden over het cultuurbeleid van NL. Doordat de overheid zich buiten waardeoordelen rond kunst & wetenschap houdt bepalen m.n. activiteiten van burgers & stichtingen de ontwikkeling van kunst & cultuur. De rol van de overheid kan omschreven worden als bemiddelend en stimulerend t.a.v. de publieke aspecten van vruchten der beschaving (bijv. rijksmonumentenzorg, onderwijs). Vanaf eind 19e eeuw mondde de combi van verscheidenheid in geloof en “leven en laten leven” in NL uit in verzuiling, een opdeling van de samenleving in levensbeschouwelijke groepen met ieder hun eigen organen en voorzieningen. In NL was emancipatie van minderheden een belangrijk motief hiervoor en scheiding van kerk en staat werd dusdanig uitgewerkt dat ideologische groepen gelijke rechten kregen. Dit resulteerde in volledige gelijkstelling (ook qua subsidie) van confessionele & openbare voorzieningen; om het even of het nu een politieke partij, onderwijsinstelling, geitenfokvereniging of gemengd zangkoor betrof en het zorgde er voor dat elke zuil (protestant, rooms, socialistisch, liberaal) zich veilig in zijn eigen wereldje kon opsluiten. Tot in de 70er jaren van de 20e eeuw speelde de verzuiling een bepalende rol in elk beleid. Sinds 1918 is cultuur onderdeel van de portefeuille van een ministerie (vaak een ministerie van “Onderwijs, Kunsten & Wetenschappen”) met doorgaans een onderminister voor cultuur. In 1930 werden ook de (sterk verzuilde) media onderdeel van het beleid. Omdat de Duitse bezetter theater subsidieerde werd overheidssubsidie opgenomen in het grijze boekje dat het verzet uitbracht voor een naoorlogse opzet (Canon) en dit bleef niet zonder gevolgen voor theater, film & literatuur. In 1947/48 is een raad voor kunst ingesteld als extern adviesorgaan. Vanaf eind 60er jaren nam de verzuiling af door de invloed van flowerpower, democratisering & postmodernisme. In 1969 culmineerde de trend bijv. in de Actie Tomaat die de toneel & theaterwereld op zijn kop zette. Zodoende werden kwaliteit & kwantiteit van expressiemogelijkheden en kunst voor iedereen & voor een betere samenleving steeds belangrijker beleidsitems.

Door de economische recessie groeiden in de 80er jaren de geldbomen niet langer tot aan de hemel. In het beleid kregen opties voor de kunstwereld om de eigen broek op te houden meer nadruk (zelfverdienend vermogen, sponsoring door bedrijfsleven). Eind 80er jaren legde men ook meer accent op planmatig beleid en in 1993 werden met de wet specifiek cultuurbeleid 4jarenplannen ingevoerd. In 1996 fuseerde de raad van de kunst tot de Raad voor cultuur. Als doelgroepen kregen jongeren/ scholen (1994-1998) en etnische minderheden (1998-2002) extra aandacht. Na 2000 kregen cultuur instellingen meer eigen financiële verantwoordelijkheid. Tussen 2003 & 2006 verschoof de focus naar cultuur & economie en tussen 2007 & 2010 naar excellentie. Uitvoering van beleid & verdeling van gelden kwam deels in handen van publieke cultuurfondsen die projectsubsidies uitkeren. In 2006 verschoof de toekenning van subsidies aan kleinere entiteiten van het 4jarenplan naar deze fondsen. In 2014 waren het er 6, vaak via fusie tot stand gekomen. Deze zijn het filmfonds (sinds 1993); fonds podiumkunsten (2007), fonds cultuurparticipatie (2009); letterenfonds (2010); stimuleringsfonds voor creatieve industrieën (2011; m.n. architectuur & design) en het Mondriaanfonds voor beeldende kunst & erfgoed (2012; 8.1.2). Ook werd sociale waarde van kunst & cultuur als hoofd beleidsmotto vervangen door intrinsieke waarde (wat dat dan ook moge zijn).

Na 2008 werden podiumkunsten het hardst getroffen door de bezuinigingen. Ook werd mediabeleid losgekoppeld van kunst & cultuurbeleid (mediawet van nu: 4.2.6). In 2011 besloot men voor 2013 t/m 2016 kunst & cultuuruitgaven met een kwart in te krimpen. Het huidige kabinet (sinds 2012) streeft de geplande bezuiniging nog na, zij het met verzachtingen en meer nadruk op het maatschappelijk belang van cultuur (4.1; Cultuur; The). Musea, erfgoed & topinstellingen met internationale allure worden bij dit alles zoveel mogelijk ontzien. Beleidsprioriteiten werden verbetering van cultuuronderwijs & samenwerking onderwijs met cultuurorganisaties; stimuleren van innovatie, topprestatie, zelfstandig ondernemerschap & filantropie (particuliere fondsen, loterijen, giften, verkoop) en verbetering internationale positie van de sector. Gesubsidieerde instellingen moeten minstens 17,5% eigen inkomsten verwerven (podiumkunsten 21,5%). Kunstproducenten krijgen prioriteit boven ondersteunende instellingen & de overheid stimuleert de creatieve industrie. Een bijkomend gevolg van het beleid is dat de toekenning van subsidie in toenemende mate een ons kent ons kwestie wordt.

Qua financiering was van 2001 t/m 2011 tussen 7 en 12% van alle giften voor goede doelen (uit huishoudens, erfenissen, fondsen, loterijen, bedrijfssponsoring etc.) bestemd voor cultuur in engere zin (12% in 2003, 7% in 2011). In 2003 werd een piek bereikt van €610 miljoen, in 2007 betrof het €386m, in 2009 €454m en in 2011 €277m (rond 8% van het bedrag dat de overheid aan cultuur uitgaf; Cultuurp80 e.v.). Van 2009 op 2011 ging het aandeel van bedrijven flink achteruit (van 65 naar 43%; in 2011: fondsen 25%, loterijen 22%, huishoudens 9%, erfenis 2%). De overheidsuitgaven voor kunsten & erfgoed van rijk, provincies & gemeenten bedroegen in 2009 €3,35 miljard en in 2011 €3,38mld (EN), per hoofd in 2011 €203. Buiten dat gaven overheden in 2009 en in 2011 bijna €1,1miljard uit aan de media (rijk 85%, regio 15%). Incl. media lagen de overheidsuitgaven op 0.83% bbp en 1,48% van de publieke uitgaven (per inwoner €267 in 2009, 2 van 18 EU landen meer). Tussen 2010 en 2013 zakte de rijksbijdrage voor kunst & erfgoed van €991 miljoen naar €746m (-24%). Deze ligt doorgaans rond 30% (29,2% in 2011). De bijdrage van gemeenten is het grootst (rond 59%) en die van provincies het kleinst (8 à 10% tussen 2005 en 2011). In 2011 (totaal €3,38mld) ging 51% naar kunsten (schouwburgen etc. 13%, podiumkunsten 11%, educatie 9%, overige kunst 8%, beeldende kunst 8%, amateurkunst 2%) en 49% naar erfgoed (bibliotheken 19%, musea 14,5%; monumenten 9%, archieven 6%). Door de enorme bezuiniging op m.n. podiumkunsten zal dit in 2013 wellicht anders liggen.

Volgens Eurostat lagen de uitgaven voor culturele diensten tussen 2005 en 2012 op 0,5% à 0,6% van het bbp (9 van 26 EU landen minder; Statisticsdatabase, economy, government statistics, historical, function). In geld gingen ze volgens deze bron van €2,96mld in 2007 naar €3,21mld in 2011 en 2012.Huishoudens gaven tussen 2010 en 2013 relatief veel uit aan recreatie & cultuur (±11,5% van hun budget; EU27 rond 9%, Statistics, economy, annual national accounts, detailed breakdown). In 2013 ging van de uitgaven (11,2%) het meeste naar recreatieve & culturele diensten (recreatie, sport, cultuur & gokken etc. 34%, EU 37% in 2011), gevolgd door uitrusting, tuin & huisdieren (21 om 20%); audiovisueel/ ICT (16 om 17%; in NL na 2010 gedaald); leesvoer (11,5 om 15%), pakketvakantie (14,5 om 7%) en overige duurzame gebruiksgoederen (4%). Het segment hoger onderwijsstudenten in cultuurstudies was in 2009 relatief klein (13%, EU 18%, Download p55), maar de bijdrage van de cultuursector aan werkgelegenheidwas boven gemiddeld (176.000 van 8,6 miljoen werkenden; NL 2%; EU 1,7%) en het aandeel zelfstandigen (32%) was het grootst na dat in Italië (alle betaalde werk: 13,5% zelfstandig, 14 landen meer). Het segment deeltijdbanen was ook in de cultuursector het grootst binnen de Eu (60%, Eu 25%). Rond 25% (EU 30%) in de sector werkte in NL aan huis en 15% (hoogste EU, EU 7%) had meerdere baantjes.

Qua betekenis van het begrip “cultuur” viel in 2007 in NL het volksdeel dat het concept associeerde met beschavingen (27%, EU 13%), waarden & geloof (18 om 9%), musea (21 om 11%) en “overige zaken” (14 om 7%) onder de EU top. Ook podium & visuele kunst (51 om 39%), tradities, talen & gewoonten (33%, EU 24%) en levensstijl & manieren (23 om 18%) scoren onder Nederlanders boven gemiddeld. Een relatief klein segment legt de koppeling met onderwijs & opvoeding (7 om 20%), kennis & wetenschap (5 om 18%) of literatuur & poëzie (13 om 24%) en het segment dat cultuur associeerde met vrije tijd, sport en recreatie (7%) of geschiedenis (11%) week in NL qua grootte weinig af van  het Eu gemiddelde. Verder kreeg “niks voor mij” weinig (1 om 2%) en “snobisme” een doorsnee aanhang (1%; Full report QA 2). Het volksdeel dat cultuur voor zichzelf belangrijk vond (78%) of er in geïnteresseerd was, was bij eigen cultuur van doorsnee grootte (69%) en bij buitenlandse cultuur aan de grote kant (Europese cultuur 62 om 57%; wereldcultuur 63 om 56%; QA11). Op 6 redenen om niet aan cultuur deel te nemen vinkte een gemiddeld deel gebrek aan interesse (27%) of achtergrond (12 om 13%) aan. Gebrek aan info (13 om 17%), te duur (26 om 29%) of beperkte keus/ slechte kwaliteit (11 om 16%) bleven aan de lage kant en tijdgebrek (47 om 42%) en “andere” (6 om 3%) of geen barrières (12 om 8%) kwamen hoog uit.

De tabel hierna geeft een indruk van cultureel internetgebruik in NL, BE en de EU (Statistics, industry, information society, computers, internet activities).

Internetgebruik (veelal 2014)

NL

BE

EU27

E mailen

99

77

68

Sociale netwerken

59

52

46

Professioneel netwerk (bv. Linkedin; 2013)

25

9

10

Info zoeken op wikipedia (2013)

62

37

44

Politieke mening lezen/ ventileren (2011)

25

5

14

Website/ blog creëren

17

6

9

Krant/ nieuws lezen

57

53

52

Bellen/ videobellen

32

36

29

Gamen met anderen

21

14

12

Muziek, film, spel luisteren, kijken, downloaden

61

55

38

TV/ radio (2012)

56

27

33

Betaalde audiovisuele content 2008

7

3

5

Info + boeken van reis/ onderdak

51

45

39

Onderwijs en training 2010

38

39

39

NL is qua internetgebruik een topland en in 2009 viel ook het gebruik van internet voor aanschaf van cultuurgoederen onder de EU top (leesmateriaal 29%, BE 10%, EU 18%; film & muziek 20 om 5 om 18%; toegangskaartjes 30 om 17 om 19%; Download p191). Deelname aan georganiseerd sociaal leven valt in NL ook onder de EU top. Zo was in 2011 het volksdeel dat 3x p/m of vaker meedeed aan een activiteit in clubverband het grootst binnen de EU (47%; EU 27%; Expl, social exclusion & community involvement) en ook de deelname aan vrijwilligerswerk (soms tot regelmatig: 45 om 32%) was flink boven gemiddeld, m.n. bij vrouwen (v 48 om 31%, m 42 om 33%). Een vakbond, politieke partij of actiegroep (6 om 8%), demonstratie of protest (5 om 6%) of godsdienstige bijeenkomst (eens p/m of vaker: 19 om 25%) bleven in dezen wel wat achter. Najaar 2011 viel vrijwilligerswerk via een club op confessionele grondslag echter onder de EU top (9 om 4%; 11 om 5% in 2009; Report QB25). Bij deze poll was in NL het volksdeel dat een vorm van vrijwilligerswerk deed met 50% het grootst binnen de EU na dat in Zweden (EU 26%; in 2009 54 om 30%), maar het aantal uren p/m dat men er in stak kwam maar net boven het EU gemiddelde (13,5 om 12u; QB26). Bij de EU top5 scoorden in NL naast confessionele clubs en charitatieve hulpinstellingen (7 om 4%) clubs op het vlak van sport & buitenactiviteit 20 om 10%, overig vrijwilligerswerk 17 om 5%, cultuur 10 om 5%, patiëntenrechten 4 om 1%, internationale hulp/ rechten 3 om 1%, milieu 3 om 2% en specifieke belangen (lokaal, emancipatie etc. 3 om 1%). Ook clubs op het vlak van ouderen (vrije tijd 3 om 2%, rechten 1 om 0%) en politiek (2 om 1%) scoorden in NL boven gemiddeld en vakbonden (2%), beroepsverenigingen en consumentenbonden (beide 1%) bleven op de Eu normaal. Als redenen om niet aan vrijwilligerswerk te doen werd in NL gebrek aan belangstelling weinig aangevinkt (10 om 25%) en voor tijdgebrek (65 om 50%) of overige redenen (buiten onbekendheid, geen geschikte club voorhanden of geldgebrek: 21 om 9%) geldt het omgekeerde (QB27).

De culturele betrokkenheid is in NL naar EU maatstaf hoog, m.n. qua cultuuruitingen van over de grens (Report QB3). In 2013 scoorde 34% (EU 18%) zeer hoog tot hoog op passieve deelname aan 9 cultuuruitingen bij een relatief kleine achteruitgang t.o.v. 2007 (Report QB1T) en ook de actieve cultuurdeelname lag toen veelal ruim boven het Eu gemiddelde (QB4). De deelname aan sport & fysieke activiteit ligt tevens hoog in NL (eind 2011: alle leeftijden eens p/w of vaker 62% EU 40%; Explore). De tabel hierna geeft info over cultuur deelname (minstens eens p/j) in NL, België en de EU27 (QB 1 en 4). Ze is bij alle passieve vormen hoog; bij bezoek aan theater, bioscoop, monument en museum/ galerie en lezen van boeken valt ze onder de EU top. Ook bij de actieve vormen scoort NL veelal boven gemiddeld (alleen dansen gemiddeld). Wel is de deelname hier (net als gemiddeld in de EU) bijna altijd lager dan in 2007.

Bezoek & passief in 2013 in %

NL

BE

EU

Ballet, dans, opera

23

22

18

Bioscoop

70

54

52

Theater

53

32

28

Sportevenement (2007)

49

43

41

Concert

51

36

35

Openbare bibliotheek

45

37

31

Historisch monument

71

51

52

Museum of galerie

60

40

37

Cultuur op radio/ tv meebeleven

84

72

72

Boek lezen

86

65

68

Actief in 2013 in %
Muziekinstrument bespelen

14

11

8

Zingen

17

11

11

Acteren

5

3

3

Dansen

15

16

13

Schrijven (tekst, poëem)

9

6

5

Creatief op de computer

20

10

8

Fotograferen, filmen

20

10

12

Tekenen, schilderen, ontwerpen

23

15

10