Economie, infrastructuur, arbeid en sociale zekerheid

Bestaansmiddelen, buitenlandse handel en infrastructuur

In 2006 was van de economisch actieve Duitsers 68,1% bezig in de dienstensector (Eu 67,9%), 29,6% in de industrie (EU 27.4%) en 2,3% in de landbouw (bij 3 laagste EU25, EU 4,7%). Tussen juni 2007 en juni 2008 daalde het aandeel geregistreerde werklozen binnen deze categorieën van 8,4 naar 7,4% (EU 7,3%; voormalige DDR ruim 2 keer zo hoog). Belangrijkste industrie: ijzer en staal, steenkool, transportmiddelen, cement, chemicaliën, machines, gereedschap, elektro­nica, voeding en genotsmiddelen, scheepsbouw en textiel. Belangrijkste landbouw­producten: aardappelen, tarwe, gerst, suikerbieten, fruit, kool, runderen, varkens en pluimvee. Voornaamste invoer 2007 (totale waarde volgens Eurostat: €772 miljard; +5,2% t.o.v 2006): machines en transportmiddelen 37% (+7,5%; auto’s en auto-onderdelen 18,7%; machines 14,3%), chemische producten 13% (+7%), olie en aardgas 11% (-5%), voeding en genotsmiddelen 7% (+9%). Grootste invoerpartners 2007: Frankrijk 8,5%, Nederland 8,3%, China 7%, VS 6%; Italië 5,7%; VK 5,6%, België 5%; Oostenrijk, Zwitserland,  Rusland (ieder rond 4%). Uitvoer 2007 (totale waarde €968 miljard; +8,5%): machines en transportmiddelen 50% (auto’s en auto-onderdelen 18,6%; machines 14%), chemicaliën 13%, elektrische machines en apparaten (incl. ra­dio, tv etc) 11%; metalen en metaalproducten 10%. Uitvoerpartners 2007: Frankrijk 10%, VS 7,5%; VK 7,3%, Italië 6,5%, Nederland 6,3%, Oostenrijk 5,3%; België 5,2%; Spanje 5%.

Infrastructuur 2007: 331 vliegvelden met verharde landingsbanen, 48.215 km spoorweg (20.300 geëlektrificeerd); 231.500 km landweg buiten de bebouwde kom (incl. 12.500 km snelweg) en 7500 km waterweg. Tot de belangrijkste vaarwegen behoren de Elbe, de Rijn, de Donau, het Main-Donau kanaal (verbinding Noordzee Zwarte Zee) en het Kielerkanaal (verbinding Noordzee Oostzee). In 2007 telde de handelsvloot (meer dan 1000 ton BRT) 382 eigen schepen onder eigen vlag en 7 buitenlandse schepen onder Duitse vlag. Ruim 2700 Duitse schepen voeren onder buitenlandse vlag. Vrachtvervoer 2006: via binnenwateren 243 miljoen ton (voor ruim 50% door Nederlandse schippers) en via het spoor 308 miljoen ton. In 2006 werden 160 miljoen passagiers door de lucht vervoerd (voor 85% naar het buitenland). Frankfurt is de grootste internationale luchthaven (53 miljoen passagiers in 2006)  Mobiele tele­foondichtheid 2006: 104% (EU27 106%), internetdichtheid 2007: huishoudens 71% ((5e EU27; EU 54%), bedrijven met 9+ personeelsleden 95% (EU 27: 93%).

Economische ontwikkeling en achtergronden

Tussen 1948 en 1975 vertoonde de sterk op export gerichte Duitse economie een con­stante groei (het Wirtschaftswunder). Daarna volgde een inzinking tot het begin van de jaren 80, waarna de eco­nomie tot 1991 opnieuw groeide. Na de Duitse hereniging volgde in 1993 een 2e naoor­logse dip die de overheid te lijf ging via subsidies, privatisering van staatsbedrijven en het bevorderen van een Europese markt. Tussen 1994 en 2000 bedroeg de economische groei gemiddeld 1,5% per jaar. Daarna nam ze, mede vanwege internationale recessie, langzaam af en in 2003 was er sprake van krimp (algemeen 0.1%; indu­strie ruim 2%) en afname van de werkgelegenheid. Vanaf 2004 groeide het BBP weer; maar de groei bleef t/m 2007 iets achter bij het EU gemiddelde (in 2007: +2,5%: EU27 +2,9%). In 2007 daalden de arbeidskosten met 1,5% (EU 0,8%). De arbeidsproductiviteit per werknemer lag op106% van het EU gemiddelde (-1%). De werkgelegenheid groeide met 1,7% (2006: 0,6%; EU 1,6%). De inflatie lag op het Eu gemiddelde (2,3%; 2006 1,8%, EU 2,2%; juli 2008 3,4%) en de overheidsschuld op 65% van het BBP (EU 69%). De begroting draaide quitte (2006 1,6% tekort; EU -1,4%).

Naast de achterstand van de oude DDR (ve­len daar vandaan gingen in het voormalige West-Duitsland werken) en de hoge kosten van uitkeringen en sociale voorzieningen was de rigiditeit van de arbeidsmarkt vanwege strenge arbeidsvoorwaarden en dito bureaucratische regelgeving een beperkende factor. Ten gevolge daarvan investeerden Duitse ondernemers liever in het buitenland of in me­chanisatie dan in werkgelegenheid. Tussen 2000 en 2005 daalde door loonmatiging de binnenlandse vraag. In 2004 werden de regels in het uitzendwezen versoepeld. De eind 2005 aangetreden regering Merkel maakte de belastingregelingen voor aftrek en afschrijven gunstiger voor particulieren en bedrijven, verhoogde het BTW tarief, verlaagde de bijdrage aan sociale verzekeringen en stak geld in om en bijscholing, opstartsubsidies en loonkostensubsidies. Ook werd investeren aantrekkelijker gemaakt (tevens vanuit het buitenland, zolang het maar niet om overnames van Duitse bedrijven gaat). Geholpen door een gunstige wereldeconomie trok de economie vervolgens aan. Export, investeringen, consumentenvertrouwen en particuliere consumptie gingen omhoog. De werkloosheid daalde, maar er ontstond een tekort aan arbeidskrachten in een aantal sectoren. In de voormalige DDR bleef de werkloosheid echter hoog. Duitsland is na de VS en Japan de 3e economische grootmacht ter wereld en het land neemt een kwart van het BNP van heel Europa voor rekening. De nadruk op specialisatie, kwaliteit, degelijkheid, betrouwbaarheid, klantgerichtheid en research draagt er toe bij dat de economie internationaal con­currerend blijft.

Vertrouwen in de economie in 2007/2008

De doorsnee Duitser laat zich doorgaans niet sterk meeslepen door de waan van de dag. Mee daardoor reageert de Duitse economie traag op internationale ontwikkelingen. In Duitsland zakte tussen medio 2007 en 2008 het vertrouwen in de economie minder snel dan in de Eu27 als geheel. Op de door Eurostat gehanteerde ESI (Economic sentiment indicator, een uit de 5 indicatoren vertrouwen in de industrie, diensten, bouw en detailhandel en consumentenvertrouwen samengestelde index) daalde Duitsland tussen juli 2008 en juni 2007 van 10,5% boven het gemiddelde niveau van 1990 t/m 2006 naar 1,5 % daarboven (EU van 12% boven dit niveau naar 5,5% eronder). In juni 2008 was onder Duitse industriëlen het deel met negatieve verwachtingen voor het eerst in een jaar 2% groter dan het positief gestemde deel, maar in de EU als geheel zette deze trend al zo’n 3 maanden eerder in. In de bouwsector waren in Duitsland het hele jaar door al zo’n 25% meer pessimisten dan optimisten. Binnen de EU27 begon pas na november 2007 het aandeel pessimisten het optimistische deel te overtreffen en in juni 2008 waren er Europees gezien in de bouw 14% meer pessimisten dan optimisten. De Duitse/ EU27 situatie binnen de detailhandel was vergelijkbaar. Qua consumenten vertrouwen groeide in Duitsland vanaf januari 2008 het overschot aan pessimisten licht (van 1 naar 4%), maar binnen de EU27 nam het tussen juli 2007 en juni 2008 toe van 2 naar 17%. In de Duitse dienstensector zakte het overschot aan optimisten tussen juli en september 2007 van 20 naar 14%, maar daar bleef het t/m juni 2008 hangen terwijl het binnen de Eu27 tussen juli 2007 en april 2008 kromp van 20 naar 6% (juni 08: 7%).

Economische sectoren

In 2007 was de landbouwsector verantwoordelijk voor 0,9% van het BBP en in 2006 voor 2,3% van de werkgelegenheid (3 na laagste EU; EU 4.9%). De omzet van de sector lag in 2006 op €26,8 miljard (+4,1%). Het aantal bedrijven in de sector daalt en in 2006 verdiende de helft van de 353.000 landbouwbedrijven bij met andere activiteiten. Van de 1,24 miljoen landbouwbanen (-2,4%) werd bijna de helft ingevuld door uitzendkrachten en een kwart door seizoensarbeiders (vaak van elders). Duitsland is qua agrarische behoeften voor 70% zelfvoorzienend. Door gunstige prijsontwikkelingen op de wereldmarkt boerden de landbouwbedrijven in 2007 goed. Voor het eerst sinds 2004 maakte de sector weer winst (+2.9%). Het aandeel van de biologische landbouw behoort tot de grootste binnen de Eu en de sector groeit. Ruim eenderde van de biologische producten wordt verkocht in de goedkope supermarktketens Aldi, Lidl en Plus.

In 2007 lag de bijdrage van industrie, bouw en energiesector aan het BBP op 30,1% (EU 26,4%) en in 2006 herbergde ze 29,6% van de werkgelegenheid (6,8 miljoen FTE banen; EU 27,5%). Tussen 2002 en 2007 is tegen de Eu trend in de bijdrage van de industrie aan het BBP gegroeid en die van de bouw gezakt (met een stagnatie na 2005). In 2005 bedroeg de totale omzet van de sector €1551 miljard en de winst lag met €347 miljard op ruim 22% (bron jaarboek 2007 Destatis). De grootste bijdrage werd geleverd door de auto-industrie (omzet €316 miljard; 20% sectoromzet; 14,2% industriebanen), gevolgd door de elektrotechniek (€179 miljard; 11,5% omzet; 15,7% banen), voeding en genotsmiddelen industrie (€157 miljard; 10%; 10,3%); chemische industrie (€152 miljard; 10%; 7,3%) en olieraffinage (€118 miljard; 7%; 0,3% banen). In 2007 waren de instrumentenindustrie (38%), toeleveranciers bouwsector (34,5%, dakdekking; stukadoorsmateriaal en elektrische installatieproducenten boven 40%), drukkerijen (34%), metaalproducenten (33%) en de machinebouw (32%) het meest winstgevend.

In 2006 lag de omzet van de ruim 46.000 bedrijven in de industrie op €1589 miljard (+8,5%), waarvan €666 miljard in het buitenland. De sector behoort kwalitatief tot de wereldtop. Onder de grote bedrijven (veelal multinationals) vallen Daimler-Chrysler, BMW en Volkswagen (auto’s), Braun en Siemens (apparaten), Siemens en Thyssen-Krupp (machines), BASF en Bayer (chemicaliën, medicijnen) en Hoechst (aardgas). De auto en auto-onderdelen industrie is veruit de belangrijkste van het land en de 3e ter wereld. De omzet lag in 2007 op €290 miljard en Duitsland produceerde toen 12,1 miljoen auto’s (voor 90% personenauto’s). De industrie leverde direct 745.000 banen op en indirect zo’n 5 miljoen. In 2006 kwam bij de agro-industrie het grootste deel van de omzet (38%) op het conto van vlees en zuivel. De bouwsector groeit flink (orders 2007 +8,4%, waarde €50 miljard; investeringen 2006 €216 miljard +7%; 9,4% BBP; rond 11% industriebanen). Verdere omzet en groeicijfers voor 2006: chemie €162 miljard +4%, kunststoffen 49,4 miljard +10%; metaal en metaalbewerking €120 miljard +14% (2007). De haven van Hamburg behoort tot de wereld top10. Daarnaast herbergt die stad veel grote drukkerijen en koffiebranderijen. Zaken en fabrieken staan vaak in grote steden en forensenverkeer speelt in het land een belangrijke rol. Daarnaast is er een goed en efficiënt openbaar vervoerssysteem. Een nieuwere trend is de gang van bedrijven naar het platteland om kosten te besparen.

Gottlieb Daimler en Karl Benz, die beiden leefden in de 19e eeuw, worden beschouwd als de uitvinders van de moderne autotechnologie. Van de eigen automerken identificeert de Duitser zich het liefst met BMW (Bayerische Motoren Werke). Bij duurdere auto’s blijven de Duitsers toonaangevend in de wereld.

Net als elders in de westerse wereld is de dienstensector na de 2e wereldoor­log sterk gegroeid. In 2007 was ze goed voor 69% van het BBP (EU27 71,7%) en in 2006 voor 68% van de werkgelegenheid (EU25 gemiddelde, 15,5 miljoen FTE banen). De voornaamste takken zijn bankwezen, financiële dienstverlening, detailhandel en toerisme (toerisme valt op deze website onder cultuur en leven van alledag). Duitsland  heeft internationaal qua dienstverlening een toppositie bij bouw, automatisering, ICT en zeescheepvaart. De commerciële banken (met Deutsche bank, Commerzbank en Dresdner bank als toppers) en coöperatieve banken richten zich voornamelijk op het MKB. De detailhandelbranche (toppers Edeka/Ava; Reve; Metro, Aldi) had in 2006 een omzet van €329 miljard. Door de strenge wetgeving kregen weinig buitenlandse detaillisten in Duitsland vaste grond onder de voeten. Daarbij gaat het vooral om de non-food sector, bijv C&A uit Nederland en H&M en IKEA uit Zweden (Walmart uit de VS is de enige voedingsgigant die aansloeg). Duitse bedrijven doen het vaker goed in het buitenland  De regionale spaarbanken vallen onder de staatsbanken. Bij de financiële dienstverlening doet het Allfinanzconzept steeds meer opgeld; hetgeen inhoudt dat men minder gespecialiseerd en dus veelzijdiger wordt. Ook vinden Duitsers steeds meer vormen van persoonlijke dienstverlening uit. Rond 2005 zijn banken en cateringsector sterk gegroeid. Jaarbeurzen vormen vanouds een kenmerkend onderdeel van de Duitse dienstensector. Eén van de oudste vakbeurzen is de Leipziger Messe en één van de bekendste de Frankfurter Messe. Beide zijn m.n  boekenbeurzen, maar Duitsland telt uiteraard ook veel andere grote vakbeurzen.

Duitsland en Nederland

In 2005 investeerde Nederland voor €84 miljard in Duitsland (16% van de buitenlandse investeringen in het land). In 2006 was Nederland de 2e handelspartner na Frankrijk; de 5e uitvoerpartner en de 2e invoerpartner. In 2007 bedroeg de waarde van de invoer uit Duitsland €61.8 miljard (+10%; voor 89% industrieproducten, vooral machines, auto’s en auto-onderdelen en chemicaliën) en die van de uitvoer naar het land €81,7 miljard (+3,5%; 83% industrieproducten; veel apparaten, chemicaliën en brandstoffen). Qua landbouwproducten is Nederland al een flinke tijd de grootste handelspartner van Duitsland (invoer 2007: 11% in waarde, m.n zuivel; uitvoer 17% in waarde, m.n groente en fruit). De EVD zag in 2008 een flink aantal sectoren als kansrijk voor het Nederlandse bedrijfsleven. Daaronder vallen elektronica voor de auto, lucht en ruimtevaartindustrie; de dienstensector, duurzame energie (windenergie op zee, bio-energie, zonnecellen), duurzaam bouwen, design,  ICT voor de Duitse MKB, machines en metaalbewerking (m.n motoren en systemen, gieterijmachines en industriële robots) en de voedingsindustrie (biologische landbouw, supplementen, gemaksvoeding).

Arbeidsmoraal, arbeid en inkomensverhoudingen

Het lidmaatschap van vakbonden in Duitsland daalde tussen 1997 en 2007 van 30 naar 27% van de werknemers. Er wordt relatief weinig gestaakt en elkaar voor het gerecht slepen is evenmin populair. Alle belanghebbenden zijn in Duitsland georganiseerd in z.g.n. Ver­bände die als lobbygroep en coördinator fungeren. Men wil vooraf op de hoogte blijven van standpunten van betrokken partijen (incl. overheden) om ze op elkaar af te kunnen stemmen. Ook wil men graag de indruk wekken dat tussen leidinggevenden en mede­werkers een sfeer van samenwerking overheerst. De vuile was wordt niet graag buiten gehangen en de meeste geschillen worden beslecht in onderling privé-overleg. De Duitsers kennen een hoge arbeidsmoraal. Ze staan vanouds bekend als grondig, serieus en hardwerkend. Na 1950 is via arbeidswetten de neiging om overuren te maken ingedamd. De meerderheid van de Duitsers (62%, NL 31%) vond in 1997 werk echter belangrijker dan het privé-leven en 71% van hen (NL 51%) meldde toen door te blijven werken wanneer het voor het geld niet hoefde. In 2002 gaven de Duitsers belangrijkheid van werk een lager cijfer dan gemiddeld in de EU15 (7,3 om 7,6), maar eind 2006 was het aandeel Duitsers dat de stelling onderschreef dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werk het kleinste binnen de EU (27 om 48%).

Duitse werknemers zijn vaak betrouwbaar en gericht op vast werk. In 2001 veranderden relatief weinigen van hen in de 5 jaar voor de vraagstelling van baan (23%, EU15 29%; voormalige DDR meer). Onder degenen die wel waren veranderd, waren relatief weinigen die sociale erkenning (6%, EU 9%) of persoonlijke bevrediging (32 om 35%, DDR 19%) opgaven als reden. Voor snellere bereikbaarheid van de werkplek gold het omgekeerde (18%, EU 12%). De baanvaste Duitsers hadden relatief vaak als motief dat ze tevreden waren met het werk dat ze deden en relatief weinig dat ze vereiste vaardigheden misten om te veranderen. Opvallend veel voormalige OostDuitsers (12%, EU 5%) en erg weinig West Duitsers (2%) hadden destijds zonder succes geprobeerd om ander werk te krijgen. Ook het aandeel Duitsers dat plannen had om ander werk te zoeken was het kleinste binnen de Eu (12%, EU 22%; voormalige DDR 18%), maar het deel dat het niet kon zeggen was het grootste binnen de landengemeenschap (26%, EU 17%). Een opvallend groot deel van degenen die verandering planden dacht daarbij aan gelijksoortig werk. Eind 2006 scoorden Duitsers qua tevredenheid met hun werk 4 na hoogste binnen de EU27 en 75% (EU 71%) gaf als reden daarvoor op dat hun baan het leren van nieuwe vaardigheden vereiste. Het deel dat hun werk te stressvol en veeleisend vond lag iets onder het Eu gemiddelde (39 om 41%). De kans op het vinden van een nieuwe baan die vergelijkbare vaardigheden en ervaring vereist werd toen het laagste ingeschat binnen de EU (4,8 op een schaal van 1 tot 10; Eu 5,9; NL 6,5; DK hoogste met 7,7).

In 2007 lag het BBP per hoofd, gelijkgetrokken voor koopkracht, 13% boven het E27 gemiddelde (NL 31% er boven). In 2006 behoorde het bruto jaarinkomen in de industrie en dienstensector (€42.400 volgens Eurostat; NL€38.700 in 2005) tot de 4 hoogste binnen de EU25 bij een prijsniveau dat net als in Nederland 3% boven het EU gemiddelde lag. De arbeidskosten per uur (€27,70; EU15 €25,10) vielen onder de top7 van de EU. Wel liggen de lonen in de voormalige DDR zo’n 25% (12-40%) lager dan in de voormalige BRD en het gemiddelde verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen (22%, EU25 15%) was het op 2 na grootste binnen de EU. Duitsland kent geen wettelijk minimumloon. Een poging tot invoering daarvan bij de posterijen in maart 2008 werd afgeketst. Wie in Duitsland als alleenstaande zonder kinderen van bijstand overging op een betaalde voltijdbaan hield gemiddeld 25% van de extra verdiensten over (EU gemiddelde). Wel ging bij de lage inkomens 47% (hoogste EU25 na België, EU 40%) op aan belasting en premies. In 2006 verdiende de best betaalde 20% van de inkomens in Duitsland 4,1 keer zoveel als de slechts betaalde 20% (EU25 4,8 keer zoveel) en 13% moest toen rondkomen van minder dan 60% van modaal (EU25 16%).

Arbeidsmarkt

Volgens Eurostat (labour market 3rd quarter 2007/ EU LFS survey 2006) was medio 2007 van de 56 miljoen Duitsers tussen 15 en 65 (de beroepsbevolking) rond 76% (41,5 miljoen) als werkende of werkzoekende actief op de arbeidsmarkt (EU27 rond 70,5%). De rest (24%; EU 29,5%) was inactief in die zin (scholier of student, huisvrouw, met pensioen, afgekeurd, rentenier). Zo’n 69,5% van de beroepsbevolking (38 miljoen) had betaald werk (los van het aantal uren per week; EU rond 65,5%). Daarbij werkten 33 miljoen mensen (60%) in loondienst en 5 miljoen (9,5%) zelfstandig. Volgens Eurostat lag het aandeel zelfstandigen (de financiële sector niet meegerekend) in 2005 op 11.6% van de werkenden (EU15: 16%). Van het werkende volksdeel had 26% (rond 10 miljoen; EU 18%) een deeltijdbaan; mannen 9,5%, vrouwen 45,5% (EU m 7,7%, v 31%). Het gemiddelde aantal gewerkte uren per persoon p/w kwam daarmee op 36,3 uur (m 41u v 30,5u; EU 38u; m 41u, v 34u). In 2006 werkten in Duitsland voltijdwerkers gemiddeld 40,3 uur en deeltijdwerkers 18,1u (EU 40,5 en 20 uur). Met 5 miljoen werknemers met een tijdelijk contract (stagiaires, uitzendbureaus) kwam in Duitsland het aandeel rond het EU gemiddelde uit (14,4% van wie in loondienst werkte). Hetzelfde geldt voor het gedeelte met bijbaantjes. Tussen 2001 en 2006 steeg dit van 2,4 naar 3,5% (EU27 3,7%). Tussen juni 2007 en april 2008 daalde het aantal geregistreerde werkzoekenden in Duitsland van 3,62 miljoen naar 3,21 miljoen. In mei lag het echter weer een fractie hoger 3,22 miljoen. Het aandeel in de actieve beroepsbevolking ging van 8,4 naar 7,4% (EU van 7,2 naar 6,7%). In 2007 lag het gedeelte langdurig werklozen (langer dan een jaar geregistreerd) op 4,7% van de actieve beroepsbevolking (EU25 3%) en van de 15-25 jarigen stond 11,1% (-1,4%) ingeschreven als werkloos (EU 15,4%; -1,7%).

In 2007 werkte van de 55plussers onder de beroepsbevolking 51,5% nog (+3,1%; EU27 44,7%; +1,2%, EU streefdoel 50%). De gemiddelde leeftijd waarop men stopt met werken lag in 2006 op 61,9 jaar (EU 61,2 jaar). Aan het eind van dat jaar was een relatief klein deel van de Duitsers voorstander van langer werken om het pensioenstelsel  betaalbaar te houden (16%, EU25 22%) en naar verhouding velen kozen de optie van dezelfde pensioenleeftijd handhaven en minder krijgen. Naar Eu27 maatstaven zijn in Duitsland veel hooggeschoolde en laaggeschoolde  hoofdwerkers (respectievelijk 44,6 om 38% en 25,2 om 24,9% in 2006). Dit ging ten koste van het contingent goed geschoolde vakmensen (24,3%; EU 27,7%) en mensen met eenvoudig laaggeschoold werk (8,4 om 9,9%). Een deel daarvan werd uit het buitenland gehaald. Het aandeel commerciële beroepen in de dienstensector lag iets onder het Eu27 gemiddelde (54 om 55,5%).

Arbeidsomstandigheden

Naar EU maatstaven was in 2001 het werk in Duitsland tamelijk strak georganiseerd. Onder mannen was bij 42% van de banen (EU15: 34%, Nederland 14%) en onder vrouwen bij 43% daarvan (Eu 40%, NL 25%) sprake van weinig eigen inbreng en autonomie, veel controle en een opgelegd werktempo. Dit beeld werd bevestigd door het onderzoek naar arbeidsomstandigheden van Eurofound in 2005. Relatief weinigen hoefden naar EU maatstaven te kunnen improviseren en omschakelen op hun werk omdat er plotseling wat tussen kwam (24%, EU 33%). Ook het deel dat bij hun baan te maken kreeg met onvoorziene problemen (77 om 81%), dat zelf de kwaliteit van het eigen werk kon beoordelen (65 om 72%) of in het werk eigen ideeën kon toepassen (50 om 58%) lag onder het Eu gemiddelde. Duitsers konden minder vaak dan gemiddeld zelf bepalen in welke volgorde (52%, EU 64%) of in welk tempo (62 om 69%) ze taken uitvoerden of wanneer ze een pauze namen (27 om 44%). In de methode van uitvoering bestond wel een tamelijk grote vrijheid (71 om 67%) en ook taken roteren was relatief vaak mogelijk (51 om 43%). Op met succes hulp kunnen vragen van collega’s (65%) of superieuren (58%) of van buiten (30%) scoorde men gemiddeld, maar banen waarbij men zelf werkpartners kon kiezen (18 om 24%) waren naar verhouding dun gezaaid. Ook lag het aandeel werknemers dat naar eigen idee voldoende betrokken werd bij veranderingen in de organisatie van het werk onder het Eu25 gemiddelde (42 om 47%). Men had relatief weinig te maken met een vrouw als direct leidinggevende (18 om 25%).

M.b.t. de werkplek valt op dat men relatief vaak buitenshuis werkt (79 om 73%). Verhoudingsgewijs velen zaten in een werksituatie waarbij het tempo afhangt van numerieke streefdoelen (46 om 42%). Ook hadden velen te maken met strikte deadlines (71 om 62%) of een nu en dan moordend werktempo (72 om 60%). Complexe taken (72 om 60%) speelden in veel banen en eentonige taken in weinig banen een rol (29 om 43%). Precieze kwaliteitseisen waren verrassenderwijs ook niet zo vaak toonaangevend (71 om 75%). Hetzelfde geldt voor banen waarbij men nieuwe dingen moet leren (66 om 70%). Het aandeel werknemers dat meer bedrijfstraining nodig vond was echter vrij groot (22 om 13%). Banen waar bij men werkt met behulp van computer (53 om 47%) of internet kwamen weinig vaker voor dan gemiddeld in de EU25 (39 om 36%).

De 5 daagse werkweek is in Duitsland wijdverbreid (73% werknemers in 2005, EU 66%). Minder flexibele werkroosters kwamen tamelijk veel voor (70 om 65%) en het deel van de werknemers dat vaste begin en eindtijden kende (66 om 61%) was relatief groot. Banen met regelmatig werkdagen van 10 of meer uur waren vrij zeldzaam (13 om 16%). Mensen in loondienst kenden in 2005 gemiddeld een werkweek van 37.5 uur (EU 38,5 uur); voltijd 40 uur (EU gemiddelde), deeltijd 18 uur ( Eu 20 uur). Duitsers in loondienst hadden 12 verplichte snipperdagen en 4 of 5 weken vakantie.

Op 10 van de 16 moeilijke fysieke werkomstandigheden die in 2005 in het Eurofound onderzoek de revue passeerden scoorden de Duitse werknemers boven het Eu gemiddelde, maar zowel de afwijkingen naar boven als naar beneden waren gering. Klachten over trillingen (29 om 25%), herrie (30 om 33%), straling (4,6 om 6,8%), kwalijke dampen (17 om 15%) en sigarettenrook van anderen (26 om 20%) kwamen naar verhouding nog het vaakst voor en klachten over kou (18 om 21%), tillen of slepen met mensen (6,9 om 8,1%) of zware lasten (32 om 35%)  en herhaalde hand of armbewegingen (57 om 62%) het minst. Ook over bedreiging (4,5 om 6,1%), fysiek geweld van collega’s (0,5 om 1,9%) of anderen (3,5 om 4,3%), pesten (4 om 5%) en ongewenste intimiteiten (1,1 om 1,8%) wordt in Duitsland relatief weinig geklaagd.

Het aandeel Duitsers dat de bevinding deelde dat ze via hun werk hun gezondheid of veiligheid in de waagschaal stelden (18 om 28%) of dat hun werk hun gezondheid beïnvloedde (24 om 34%) lag flink onder het EU25 gemiddelde en op alle 16 door Eurofound onderzochte werkgerelateerde gezondheidsklachten scoorde men daar ook onder. Relatief veel Duitsers (89 om 82%) schatten dan ook in dat ze hun baan wel tot hun 60e konden volhouden. De meest in het oog springende onderscores zaten bij problemen met het zien (3,4 om 7,4%), rugpijn (20 om 24%), spierpijn (15 om 22%), ademhalingsmoeilijkheden (1,9 om 4,2%), hartklachten (1,4 om 2,1%), stress (16 om 22%), algehele vermoeidheid (11 om 21%), slaapproblemen (4,4 om 8,3%), allergieën (2,3 om 3,8%), angsten (1,5 om 7,8%) en geïrriteerdheid (5,4 om 10,4%).

Het gedeelte werknemers dat tevreden tot erg tevreden was met hun arbeidsinkomsten (58 om 44%) en werkomstandigheden (89 om 84%) lag boven het EU gemiddelde, maar de tevredenheid over de carrièreperspectieven lag daar iets onder (30 om 32%). Het deel dat zich in het jaar voor de vraagstelling ziek gemeld was ook boven gemiddeld (28 om 23%), maar het doorsnee aantal ziektedagen (12 om 20) was gering. In 2005 vonden tamelijk veel werknemers dat de werkuren goed in te passen waren in het privé-leven (86 om 80%), maar tegelijkertijd was het gedeelte van hen dat aangaf iedere dag minstens een uur aan de kinderen te kunnen besteden (18%; laagste EU25, Eu 28%) of tijd genoeg te hebben voor koken en huishouden (41 om 46%) klein. Eind 2006 waardeerden de Duitsers de werktevredenheid het op 5 na hoogst binnen de EU25. Driekwart van hen (EU 71%) onderschreef toen de stelling dat hun baan hen scherp hield omdat ze steeds nieuwe dingen moesten leren en het deel dat hun werk veeleisend en stressvol vond lag iets onder het Eu gemiddelde (39 om 41%).

Uitgavenpatroon voor sociale zekerheid

In 2005 bedroegen de Duitse overheidsuitgaven voor sociale zekerheid 29,4% van het BBP (EU 27,2%). Gelijkgetrokken voor prijsverschillen lag dit per inwoner 23% boven het EU25 gemiddelde. Aan pensioenen en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gaf men 13,1% van het BBP uit (EU 12,2%). Van de sociale uitgaven ging 27,3% (Eu 28,6%) naar ziektekosten; 7,7% (EU 7,9%) naar arbeidsongeschiktheid, 42,2% (EU 41,4%) naar oudedagsvoorzieningen; 1,3% naar nabestaanden (laagste EU15 met Oostenrijk; EU 4,4%); 11,2% (EU 8%) naar gezinnen; 7,3% (EU 6,1%) naar werklozen; 2,2% (EU 2,2%) naar huisvesting en 0,7% (EU 1,3%) naar bestrijding van sociale uitsluiting. Het Duitse CBS (Destasis) schatte de uitgaven voor sociale zaken voor 2005 op 31,3% van het BBP en voor 2006 op 30,3% (€700 miljoen).

Sociale stelsel

De 1e Duitse wetten op de sociale zekerheid kwamen tot stand tussen 1883 en 1890 en in 1927 (werkloosheidverzekering), 1957 (ouderdom/ invaliditeit) en 1995 (verpleegzorg chronisch zieken en gehandicapten), Recente wetswijzigingen dateren van 2001, 2002 en 2005. De meeste voorzieningen worden opgebracht door werkgevers en werknemers, meestal op fiftyfifty basis. Bij lage maandlonen (onder €800 in 2006) betaalt de werkgever meer en werkgevers betalen dan de ziektepremie volledig. De overheidsbijdrage bestaat uit zorgvoorzieningen en gezinsvergoedingen. Duitse werknemers (ook in deeltijd) zijn verplicht verzekerd binnen een sociaal stelsel met de 5 zuilen ouderdom en invaliditeit (Rentenversicherung), ziekte, ongevallen, werkloosheid en verpleging. Gezinsleden zijn meeverzekerd en (al dan niet pro­fessionele) thuiszorg en hulp (incl. maaltijden) worden vergoed. Duitsland kent geen wettelijk minimumloon en minimum pensioen, maar wel een bestaansminimum. De uitkeringen liggen in de voormalige DDR lager dan in de voormalige BRD. De verplichte collectieve verzekering kent een hoogste inkomensgrens voor deelname (Versicherungspflichtgrenze: €4012 p/m in 2008). Hoge inkomens dragen minder premies af.

Beitragsbemessungsgrenze voor lagere premies in 2008

Type verzekering

Oude BRD

Oude DDR

Pensioenen/ Arbeidsongeschiktheid

€5300

€4500

Rente/ werkloosheid

€6550

€5550

Ziekte/ verpleging

€3600

Voor het recht op uitkeringen geldt meestal een minimumperiode waarin men premies heeft betaald en de hoogte van uitkeringen wordt jaarlijks aangepast aan de prijsontwik­kelingen. De formele pensioengerechtigde leeftijd ligt op 65 en zal tot 2025 geleidelijk worden opgetrokken naar 67 jaar. Het land kent echter een flexibele pensioenregeling en veel Duitsers hechten daar sterk aan. Op zijn vroegst kan men op 63 jarige leeftijd (afgekeurden en langdurig werklozen vanaf 60 jaar) met de VUT (Frührente) onder aftrek van 3,6% van het volle pensioenbedrag (Altersrente) per jaar. Het recht op VUT is mede afhankelijk van het arbeidsverleden. De drempel voor toekenning van uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid (Erwerbsminderungsrente) is in 2007 verhoogd. De mate van wordt uitgedrukt in het aantal uren dat men per dag kan werken. De hoogte van pensioenen hangt af van aantal premiejaren, gemiddelde verdienste (tussen 2003 en 2006 €26,13 per premiejaar als basis voor berekening) en eigen verdienste.

Bij overlijden krijgen nabestaanden een begrafenisvergoeding (€4200 in 2006; voormalige DDR €3540). De uitkering voor nabestaanden (Hinterbleibendenrente) ligt in de eerste 3 maanden na overlijden op tweederde van het laatstverdiende loon van de overledene. Daarna varieert ze, afhankelijk van hoe de overledene was verzekerd, van 30% voor gehandicapte weduwen van 44+ met één of meer kinderen (klein weduwe/ weduwnaar pensioen) tot 40% (groot pensioen) voor maximaal een jaar. Voor wezen tot 18, alleenstaande ouders en grootouders bestond een nabestaandenpensioen van 20 tot 30%. Voor niet verzekerde nabestaanden was er een eenmalige afkoopsom van 40%. Wie recht heeft op een pensioen mag beperkt (in 2002 tot €325 Euro p/m) bijverdienen met behoud van de uitkering. In 2006 waren er 24,5 miljoen pensioenge­rechtigden (70% ouderen, 25% nabestaanden en 6% arbeidsongeschikten).

De uitkering bij zwanger­schapsverlof ligt op 100% van het laatstverdiende loon gedurende 14 weken rond de bevalling. Ze wordt opgebracht door ziekenfonds en werkgever. De ziekte-uitkering bedraagt in de 1e 6 weken 100% (te betalen door de werkgever)  Daarna betaalt het ziekenfonds voor hetzelfde euvel 70% van het bruto laatstverdiende loon gedurende maximaal 1½ jaar binnen 3 jaar. Bij arbeidsongevallen keert het verzekeringsfonds voor arbeidsongevallen na de 1e 6 weken 80% uit. In­dien één en ander uitmondt in blijvende volledige arbeidsongeschiktheid wordt de uitke­ring teruggebracht naar tweederde van het laatstverdiende loon. Wel bestaat voor zwaar gehandicapten een aanvulling van 10%. Gedeeltelijk arbeidsongeschikten krijgen een uitkering die geënt is op de mate van. Duitsland kent een constante zorgvergoeding voor professionele of zelf georganiseerde thuiszorg/ mantelzorg. De hoogte varieerde in 2006 van €384 tot €1918, afhankelijk van de mate van zorg die nodig was (na arbeidsongeval €295 tot €1180). Zorg binnen een instelling wordt vergoed tot een maximum en de verzekerde betaalt zelf kamerhuur en maaltijden. In 2005 werden 1,5 miljoen mensen thuis verpleegd en 676.000 in een tehuis. In 2006 kregen bijna 2 miljoen veelal bejaarde Duitsers (+2,5% t.o.v 2003) een verpleegvergoeding.

De werkloosheidsuitkering lag op tweederde van het laatstverdiende nettoloon voor uitkeringsgerechtigden met kinde­ren en voor anderen op 60%. In 2002 kregen 3,2 miljoen Duitsers een werkloosheidsuit­kering. Onder het nieuwe uitkeringstelsel (Hartz IV), dat op 1-1-2005 inging; gaat iedere werkloze na maximaal een jaar de bijstand (Sozialhilfe) in. Deze is niet meer aan het laatstverdiende loon gekoppeld, maar veranderd in een vast basisbedrag (in 2006 oude BRD: maximaal €345, voormalige DDR maximaal €331 voor een alleenstaande; voor ouders komt daar 80% bij voor elk kind tussen 15 en 18 en 60% voor elk kind onder 15 jaar), aangevuld met woonlasten en verzekeringen. In 2006 kregen 304.000 Duitsers bijstand (70% opgenomenen, 30% 65plussers). Naast de uitkeringen heeft men de laagste lonen verlaagd om de werk­loosheid te bestrijden. Verder moeten uitkeringsgerechtigden elke baan aannemen die hen wordt aangeboden. Duitsland kent uitkeringen voor tijdelijk verlies van werkuren (bijv vorstverlet) en een vergoeding voor levensonderhoud voor werklozen die zich laten opleiden of omscholen. In 2006 lag de kinderbijslag voor kinderen tot 18 (27 indien studerend) op €154 Euro p/m voor het 1e, 2e en 3e kind en 179 Euro voor ieder volgend kind. Wanneer het kind meer dan €7680 p/j verdiende verviel de bijslag. Men kende aanvullende kindervergoedingen voor ouders met lage inkomens (533.000 in 2006) en voor ouders van kinderen tot 2 in een reïntegratietraject of met een laagbetaald deeltijdbaantje. In 2006 werd voor 9,2 miljoen kinderen bijslag betaald.

Het in 2005 ingevoerde nieuwe uitkeringstelsel kent de termen mini jobs en midi jobs. Onder de mini jobs valt de 1-Eurojob. Bijstandsgerechtigden zijn verplicht om van overheidswege aangeboden werk tot nut van het algemeen te verrichten a raison van 1 tot 2 Euro per uur boven op de uitkering. Het gaat om deeltijdbaantjes van 25 tot 30 uur per week voor een half jaar die geen reguliere werkplekken mogen vervangen. Ze zijn formeel bedoeld om de kans op een reguliere baan te vergroten, maar kunnen in de praktijk concurrentievervalsing en het verdwijnen van laag betaalde baantjes in de hand werken.

Tevredenheid met het sociale stelsel

Het volksdeel dat in 2003 weinig tot geen ver­trouwen had in het staatspensioenstelsel (65 om 54%) of het sociale zekerheidsstelsel (54 om 45%) was veruit het grootste binnen de EU15. In dat jaar beoordeelden de Duitsers op een schaal van 1 naar 10 (uitmuntend) hun pensioenstelsel met een 5,1 (EU15 5,4) en hun sociale zeker­heidsstelsel met een 6,7 (EU15 6,2). Het volksdeel dat vond dat het sociale stelsel voldoende dekking biedt lag eind 2006 iets boven het EU gemiddelde (55 om 51%), maar het deel dat het stelsel te duur vond lag daar flink boven (65 om 53%).