Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis

Tussen 1861 en 1920 was de gezondheidszorg in handen van kloosterziekenhuizen, (staats)liefdadigheidsinstellingen, provinciale preventievoorzieningen, gemeentelijke ar­menzorg en vrijwillige autonome verzekeringsfondsen van kunstenaars en arbeiders. In 1878 hadden deze voorlopers van ziekenfondsen ruim 300.000 leden. Maria Montessori werd rond 1900 de eerste vrouwelijke arts in Italië. In 1904 kwamen de eerste verplichte verzekeringen en sinds 1920 spelen werkgevers en werk­nemers een rol in de organisatie van de zorg. In 1958 werd het eerste mi­nisterie van gezond­heidszorg ingesteld. In 1970 waren er bijna 100 verzekeringsfondsen, maar rond 1975 liep nog 7% van de bevolking (waaronder veel werklozen) onverzekerd rond. Overheidsingrij­pen leidde in 1978 tot de oprichting van een nationale gezondheids­dienst die borg moest staan voor een alles dekkende zorg voor iedereen. De zorg werd betaald uit belastingen en verplichte bijdragen en men wilde toewerken naar een volledig uit belastinggeld gefi­nancierd stelsel. De uitvoering was in handen van regio’s en ge­meenten. Vanwege de versnipperde organisatie en omdat de verantwoordelijkheden niet goed waren afgeba­kend werden budgetoverschrijdingen schering en inslag en de kwali­teit van de zorg ging achteruit. Dit openbaarde zich bijv. in lange wachttijden en wacht­lijsten. Men probeerde de tekorten in te dammen via het instellen van eigen bijdragen voor specialistenconsul­ten, tests en medicijnen, maar in het begin van de 90er jaren leidde dit ertoe dat het volk dusdanig begon te morren dat maatregelen niet uit konden blijven. In 1996 waren de Ita­lianen echter nog steeds het minst tevreden met hun zorg­stelsel van alle EU Europea­nen. Zo’n 80% procent (tegen 20% van de Nederlanders) vond toen grondige verbeterin­gen of een totale herziening van het stelsel nodig en 65% (tegen 60% in Nederland) was van mening dat de overheid meer moest uitgeven voor zorg. In 1999 werd het stelsel radicaal gereorganiseerd. Het na­tionale gezondheidsfonds werd vervangen door een nationaal solidariteitsfonds. De zorg werd gedecentraliseerd, de concurrentie werd versterkt en er kwamen strenge budget­controles met straffen voor overschrijdingen en beloningen voor efficiëntieverbetering.

Beoordeling van de zorg

In 2002 vond nog 65,5% van de Italianen (EU15 52%) grondige verbeteringen (46%,EU 38%) of een totale herziening (20 om 13,5%) noodzakelijk; volgens 24,5% (EU 31%) zouden kleine aanpassingen volstaan en 6,5% (EU 13%) vond dat het stelsel goed liep. In dat jaar was volgens Eurlife indicator 21% van de bevolking tevreden met het stelsel (laagste EU15 na Griekenland en Portugal; EU15 44%). In 2003 was het volksdeel dat klach­ten had over de toegan­kelijk­heid van de zorg nog het grootst bin­nen de EU15 (afstand: 9 om 2%; wacht­lijsten: 24 om 7%; wachttijden 23 om 7%, kosten: 26 om 4%) en de beoordeling van de kwaliteit van de zorg (5,8; EU 15: 6,4) was de op 2 na laagste binnen de EU15. On­danks dit alles kwam het zorgstelsel van Italië er in 2000 bij de WHO erg goed vanaf. Bij deze ver­gelijking over 191 landen werd naast klanttevredenheid de alge­hele volksgezondheid, de bereikbaarheid voor iedereen en de betaalbaarheid meegenomen. Italië scoorde hier 2e na Frankrijk. Eind 2006 rekende 18% van de bevolking de gezondheidszorg tot de top3 van zorgenkindjes (EU25: 26%; NL 30%; Eurobarometer 273, wave 66.3). Het deel dat de ouderenzorg daartoe rekende was ook relatief klein (6%, EU 13%; NBL 25%) evenals het deel dat de gehandicaptenzorg eronder rangschikte (2%, EU 4%, NL 6%). Voor de komende generatie was de bezorgdheid evenmin wijdverbreid. Hier rekende 11% (EU 17%) gezondheidszorg, 5% (om 10%) ouderenzorg en 2% (EU normaal) gehandicaptenzorg tot deze top3.

In de tabel die nu komt staan de uitslagen voor Italianen, de EU27 en Nederlanders van medio 2007 gedaan Europees opinieonderzoek naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special eurobarometer 283 wave 67.3).

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

IT

EU

NL

IT

EU

NL

IT

EU

NL

Huisarts

77

84

89

83

88

92

18

11

6

Tandarts

61

74

92

57

74

89

56

51

28

Specialist

79

74

83

61

62

66

49

35

21

Thuiszorg

38

42

49

34

41

39

43

32

16

Ziekenhuis

63

71

87

69

76

80

33

21

19

Verpleeghuis

39

41

46

39

39

36

49

42

38

Het financiële plaatje

Tussen 1980 en 2002 stegen de over­heidsuitgaven voor de ­zorg van 7 naar 8,5% van het BBP (Eu 8,7%) en ze bleven daar­mee rond het EU gemid­delde. In 2006 gaf men in Italië 9% van het BBP uit voor gezondheidszorg (in de 27 rijke OESO landen waaronder 19EU landen gemiddeld 8,9%; bron OECD Health at a glance 2007). Per hoofd waren deze uitgaven (met vereffening van prijsverschillen) iets onder het OESO gemiddelde beland, want de gemiddelde toename per jaar lag tussen 2000 en 2006 onder deze standaard (2,5 om 5%). Hetzelfde geldt voor de bestedingen aan farmaceutica (+2,9 om +4,6% p/j tussen 1995 en 2005). Desondanks waren de uitgaven voor medicijnen in 2005 relatief hoog (1,8% BBP; per hoofd 25% boven de OESO normaal, OESO 1,3%); evenals het private aandeel daarin (rond 55%; NL rond 45%: OESO rond 40%). Het aandeel van de publieke zorgkosten per hoofd voor huisartsen ligt relatief laag (0,6% BBP in 2005, OESO 0,8% BBP). Het publieke aandeel in de zorgkosten lag in 2006 iets boven het OESO gemiddelde (77 om 73%). Qua persoonlijke medische diensten lag het op 85% (7e van 18 EU landen) en slechts 0,9% van de publieke zorguitgaven ging naar volksgezondheid en preventie (OESO 3,1%). Ook in 2007 werd 77% van de zorg uit publieke bron betaald (+2% t.o.v 2002; gemid­deld naar EU maatstaven, NL 63%). In 2006 ging 26,8% van de sociale uitgaven naar ziektekosten (Eu 29,2%).

Vooral door de stijging in 1999 van het aantal parti­culier verze­kerden ging tussen 1980 en 1999 het aan­deel van privé-bronnen in de zorg­betalingen omhoog van 20 naar 33%. In 2005 werd van de zorg 20% bekostigd uit eigen bijdragen (OESO gemiddelde) en 1% uit vrijwillige verzekering (OESO 5%). In 2007 lag het private aandeel op 23%. Het deel van het huishoudbudget dat men in Italië uitgeeft voor gezondheid lag in 2005 nog iets boven de EU27 standaard (3,8%; EU 3,5%; bron Eurostat), maar tussen 2000 en 2006 bleef de stijging onder de Eu normaal (8 om 18%). In 2006 betaalden huishoudens gemiddeld €1503 aan medische kosten (ziekenhuis €453, tandarts €379, oogoptieken €160; aanvullende diensten €157, medicijnen €79, overige zaken €156). Particulier verze­kerden worden meestal beter en sneller ge­holpen. Eerste lijns­consulten waren in 2000 gratis en voor de eigen bijdragen voor tests en specialistencon­sulten gold een maximum. De eigen bijdrage voor medicij­nen (ticket) varieert met het type medicijn. Wel zijn medicijnkosten aftrekbaar voor de belasting en er bestaan reducties en vrijstellingen voor de laagste inkomensgroepen en chronisch zieken. Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders groot naar Eu maatstaven (33 om 25%, NL 27%). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben verwachtten relatief weinigen dat de private verzekering (6%, EU 15%) of overheid of sociale zekerheid de kosten zouden betalen (19%, EU27 32%, NL 51%). Het deel dat inschatte dat ze uit eigen zak (48%) of door partner of familie (39%) opgehoest zouden moeten worden lag rond de EU normaal.

Zorgvoorzieningen en gebruik

Lokale gezondheidseenheden, waar gemiddeld zo’n 250.000 bur­gers onder vallen, zijn verantwoordelijk voor de publieke 1e lijnszorg. Ze voeren de natio­nale en regionale planning uit en organiseren preventie en voorlichting. De private 1e lijnszorg is in Italië in handen van tandartsen, huisartsen en kinderartsen die meestal een indi­viduele praktijk hebben. In 2005 telde men per 10.000 inwoners 8 huisartsen, per 10.000 kinderen onder 15 jaar 9 kinderartsen en per 20.000 inwoners één 1e hulppost. Tussen 1980 en 2003 zakte het doorsnee aantal rotte, gevulde of ontbrekende kiezen van 12 jarigen sneller dan in de OESO (-78% om -67%), waardoor het onder de OESO normaal kwam (1,2 om 1,6 pp). In 2005 ging men gemiddeld 7 keer p/j naar de dokter (OESO landen 6,8 x p/j). Daarbij kreeg men 7,9 recepten mee (noorden 7, zuiden 9). Vooral de Zuid Italiaanse man is door de bank genomen erg kleinzerig en wil van de arts een recept mee (een injectie is ook goed). Tussen 1990 en 2005 groeide het aantal consulten per hoofd jaarlijks minder snel dan in de OESO (0,2% om 0,7% p/j). Het aantal consulten p/j dat een arts verwerkte lag in 2005 nog flink onder het OESO gemiddelde (1833 om 2511). Wel is het tussen 1990 en 2005 met 0,2% p/j gegroeid terwijl het in de OESO landen met 0,9% p/j zakte. In 2005 lag het aandeel diabetici dat een oogonderzoek kreeg vrijwel op de OECD normaal (56 om 57%). In 2005 liet volgens Italy in figures 2008 65% van de Italianen de bloeddruk, 54% het bloedsuikergehalte en 54% het cholesterolniveau onderzoeken. Volgens Eurobarometer 272e/ wave 66.2 lag eind 2006 het aandeel 15plussers dat de bloeddruk in het jaar vooraf liet meten onder (52 om 59%) en het deel dat het cholesterolgehalte liet bepalen iets boven de EU25 normaal (41 om 38%).

Het aandeel 65plussers dat een griepprik kreeg steeg tussen 1999 en 2005 van 41 naar 68% en kwam zo boven de OESO standaard uit (OESO van 51 om 59%). Ondanks de populariteit van pillen en injecties schreven huisart­sen in het land rond 1997 qua medicijnconsumptie minder vaak medicijnen voor dan Nederlandse huisartsen (64 om 68%). Daarbij moet worden aangetekend dat huisartsen veel doorverwijzen (ze zijn poortwachter voor specialisten) en dat men meestal aan medicijnen moet meebetalen. De consumptie van antibiotica is relatief hoog en steeg tussen 2000 en 2003 van 24 naar 26 dagelijkse doses per 1000 inwoners (OESO rond 21 DD/1000). In 2006 kregen 22,8 miljoen Italianen medicijnen (+14% t.o.v 2003).

Tussen 2000 en 2004 daalde het aantal ziekenhuizen in Italië van 1425 naar 1296 en het aantal bedden van 268.500 naar 232.000. In 2004 telden de 627 algemene ziekenhuizen 77% van de bedden en de rest bevond zich in 624 privé-hospitalen. De tabel hieronder heeft een indruk van technologische voorzieningen per miljoen inwoners in Italië, de OESO landen en Nederland in 2005.

Voorziening

IT

OESO

NL

MRI

15

9,8

5,6

CT scan

27,7

20,6

5,8

Radiotherapie

5

6,2

Tussen 1990 en 2005 zakte in Italië het aantal acute ziekenhuisbedden per 10.000 inwoners sneller dan in de OESO landen (van 62 naar 33/10.000; OESO van 51 naar 39) en de bezettingsgraad van deze bedden steeg sneller (van 69 maar 76%, OESO van 73 naar 75%). Volgens Eurostat lag het aantal bedden per 10.000 in 2006 op 39,5 (EU27 59 in 2005). In 2005 kwam 15.8% van de bevolking in het ziekenhuis terecht (OESO 16,3%), 3% meer dan in 1995 (OESO +6,2%). Het volksdeel waarbij een staaroperatie (de meest voorkomende ziekenhuisbehandeling) reden was, was in 2004 gemiddeld (75/10.000). Het deel daarvan dat zonder opname verliep steeg tussen 1997 en 2004 van 9 naar 76% (sterkste stijging). De doorsnee verblijfsduur in ziekenhuizen liep tus­sen 1990 en 2005 naar OESO maatstaven vrij sterk terug (van 9,5 naar 6,8 dag; OESO van 8,7 naar 6,3 dagen). De duur lag in 2005 bij een hartinfarct boven het OESO gemiddelde (8,4 om 7,8 dagen) evenals bij een bevalling (3,6 om 3,3 dagen).

Qua opnameredenen lag het aandeel vanwege hartvaat aandoeningen in 2005 iets boven de OESO standaard (2,5 om 2,1%), maar het aantal hartvaat operaties (bijv een bypass) lag daar flink onder (15,7 per 10.000 Italianen; OESO 24,9/10.000). Het deel van de patiënten dat bij ziekenhuisopname binnen 30 dagen overleed na een hart (9,2 om 10,2%) of herseninfarct (8,5%, OESO 10,1% in 2005) of een hersenbloeding (24,6 om 25,1%) was ook aam de kleine kant. In 2005 was 59,5% van de vrouwen tussen 50 en 69 gescreend op borstkanker (OECD 55%; NL 82%). Het aandeel vrouwen met borstkanker dat na 5 jaar nog leefde lag tussen 1995 en 1999 iets boven de OESO normaal (85 om 83,6%). In 2005 werden relatief weinig vrouwen tussen 20 en 69 gescreend op baarmoederhalskanker (37%: OESO 59%) en bij deze te voorkomen kanker lag het 5 jaar overlevingspercentage onder de OESO normaal (66 om 72%).

Italië voert qua chronische zorg m.n in de psychiatrie een antiopnamebeleid. Reeds in 1996 was het aantal bedden hier per 10.000 inwoners veruit het kleinst binnen de Eu en de daling ging tussen 1997 en 2006 veel sneller dan gemiddeld in de EU27 (Italië van 5,5 naar 1,3; EU27 van 7,8 naar 6; bron: Eurostat). In verpleeghuizen beschikte men in 2003 over slechts 16 bedden per 1000 65plussers (laagste OESO; OESO 41/1000 in 2005). Op Culturescope staat bij Italië onder bevolking etc/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Italianen en Nederlanders en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007 gedaan veldwerk).

Vorm van steun of hulp

IT %

EU27 %

NL %

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie e.d

38

44

45

45

29

33

Professionele hulpdienst

15

19

23

24

37

42

Zelf ingehuurde thuishulp

16

16

10

12

9

12

Bij familie e.d thuis

5

4

4

5

1

2

Bij chronische zorginstelling

9

8

9

8

16

8

Weet niet

17

9

9

6

8

3

In 2006 telde men aan werkend zorgpersoneel per 10.000 inwoners 37 artsen (2 na hoogste OESO; 28 specialisten, 9 huisartsen; OESO 31 artsen), 71 verpleegkundigen (OESO 89) en 8 apothekers (bron http://www.who.int/countries/ita/en/). Het aantal verpleegkundigen groeide tussen 1990 en 2005 met 0,6% p/j (OESO 1,1%). Italië telt relatief weinig verpleegkundigen per arts, maar de verhouding is na 1990 wel bijgetrokken (van 1,3 naar 1,8; OESO van 3,1 naar 2,9). In 2000 waren er 6 tandartsen per 10.000 inwoners (meer dan in NL). De zorguitgaven per arts met een praktijk liggen onder het OESO gemiddelde, maar tussen 2003 en 2005 stegen ze relatief snel.

Alternatieve geneeswijzen

Al vanouds zijn in Italië alternatieve geneeswijzen populair. Te denken valt aan kruiden­geneeskunde (bijv. theeën en medicinale likeuren), bronnen of modderbaden en massa­ges. Een aantal van deze geneeswijzen stamt nog uit de Romeinse tijd en uit de medi­sche liefdadigheid vanuit kloostergemeenschappen. Zo neemt men (op kosten van de verzekering) zwavelbaden tegen astma en modderbaden tegen gewrichtsontstekingen. Het gebruiken van citroen in een grog als antigriep middel of knoflook tegen hoge bloed­druk stamt uit Italië en citroen in een aftreksel van laurierbladeren (canarino: kanarie) wordt inge­nomen bij darmklachten. Velen geven de voorkeur aan bronwater boven kraanwater om­dat ze geloven dat dit beter is voor nieren en spijsvertering. Tussen 1991 en 2000 steeg het aandeel gebruikers van homeopathie (van 2,5 naar 8%), acupunctuur (van 2,1 naar 2.9%) en kruidengeneeskunde (van 3,6 naar 4,8%) flink.

Volksgezondheid en levensstijl

Qua levensverwachting scoort Italië goed ten opzichte van de 27 rijke OESO landen (80,4 om 78,6 jaar in 2005). Tussen 1960 en 2005 steeg deze verwachting in Italië iets meer dan in de OESO landen (Italië van 69,8 naar 80,4 jaar; OESO van 68,5 naar 78,6). Het verschil tussen de geslachten (5,6 jaar) lag net iets onder het OESO gemiddelde (m 77,6j v 83,2j; OESO 75,7 om 81,4 jaar). Ook de gezonde levensverwachting is relatief hoog (v 67j, EU15 66j in 2005; m 65,8j, EU 64,5j). De sterfte per 10.000 inwoners lag in 2006 onder het EU25 gemiddelde (52 om 63; bron: Eurostat). De voortijdige sterfte is tussen 1970 en 2002 gezakt van ruim 6% boven naar 14% onder het OESO gemiddelde. Ze liep dan ook sneller terug dan gemiddeld in de OESO landen (-63,7 om -55,5%). De sterfte van baby’s tijdens hun 1e levensjaar lag in 2005 onder het OESO gemiddelde (4,7 om 5,4 per 1000) en de teruggang erin ging tussen 1970 en 2005 sneller dan gemiddeld in de landengroep (5,1 om 4,6% p/j). Tussen 1995 en 2005 zakte de sterfte door ongevallen van 3 naar 2,2/10.000 (EU15 daling van 2,8 naar 2,2/10.000). De sterfte door verkeersongevallen bleef boven de Eu15 normaal (0,97 om 0,91/10.000 in 2006), maar het zelfmoordcijfer bleef tussen 1995 en 2006 flink onder de EU25 standaard (0,52 om 1/10.000; m 0,8 om 1,7; v 0,23 om 0,46 in 2005). Ook de sterfte door chronische ziekten was laag naar Eu maatstaven (10 om 11,5/10.000 in 2003). Bij kanker lag de sterfte in 2006 op 16,5/10.000 (OESO 17,5; m 22,3 om 23,2; v 12,3 om 13,4). Bij prostaatkanker was ze in 2004 laag (1,7 om 2,5/10.000), bij  borstkanker gemiddeld (2,3 om 2,2/10.000) en bij longkanker aan de hoge kant (6,6 om 5,8) doordat ze bij mannen hoog was (m 5,3 om 3,8; v 1,3 om 2). De sterfte door hartinfarcten is laag (6,4/10.000 in 2006: OESO 9,1; m 9 om 12,6; v 4,5 om 6,4) en ook de sterfte door herseninfarcten lag in 2004 iets onder het gemiddelde van de OESO landen (v 4,9 om 5,4; m 6,4 om 6,9; bron OECD health at a glance 2007).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Italië, de Eu27 en Nederland de eigen gezondheid beoordeelde (bron Eurobarometer 283e wave 67.3).

Gezondheid

IT

EU25

NL

Goed

72

73

82

Redelijk

25

20

14

Slecht

3

7

4

Chronische kwaal

Ja

22

29

26

Nee

76

70

74

Het volksdeel met chronisch gezondheidsklachten lag flink onder de Eu25 normaal (22%, kleinste na Ierland; +5% t.o.v 2005; EU25 ook +5%). Het deel dat voor zo’n probleem in behandeling was, was eveneens relatief klein (18%: -5% t.o.v 2003: EU 25%; -1%). Eind 2006 lag het aandeel vrouwen dat wist van het bestaan van hormoontherapie ter bestrijding van overgangsproblemen onder de Eu standaard (32 om 39%). Ook het relevante volksdeel dat zich liet onderzoeken op prostaat of darmkanker (36 om 38%) of dat in behandeling was voor hoge bloeddruk (32 om 36%) of bot, spier en gewrichtsklachten (artrose, artritis, reuma: 23 om 24%) lag daar iets onder. Volgens ISTAT (Italy in figures 2008) kwamen qua langdurige klachten in 2007 gewrichtsklachten het meest voor (19,4%; 19,3% in 2002: +0,1%), gevolgd door hoge bloeddruk (15,3%; +2,6%); allergie (9,9%: +1,5%); astma/ bronchitis (6,7%: +0,2%); diabetes (4,6%; +0,7%), nerveuze aandoeningen (4,4%; +0,4%) en hartkwalen (4%; +0,2%). Eind 2006 heeft of had 13% ooit allergie (EU 17%; bron Eurobarometer 272e wave 66.2).

Uit de volgende tabel valt af te leiden dat de Italianen in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn relatief laag scoorden. Op de betreffende items verkeerde Italië in de onderste en NL in de bovenste regionen van de EU (Bron EB 248 wave 64.4; het veldwerk is van mei 2006).

Item

IT %

EU25 %

NL %

Altijd/ veelal gelukkig

48

65

83

Altijd/ veelal kalm en vredig

46

63

76

Altijd/ veelal vitaal

50

64

76

Altijd/ veelal energiek

50

55

72

Nooit/zelden compleet in de put

65

78

83

Nooit/ zelden gedeprimeerd

55

71

78

Nooit/zelden erg gespannen

35

50

53

Nooit/ zelden afgepeigerd

30

34

36

Nooit/ zelden moe

30

34

36

Zulke vragenlijsten meten ook in hoeverre men binnen de eigen landscultuur geestelijk onwel zijn (aan zichzelf) mag toegeven en dat plaatst de resultaten in perspectief. Zuidelijke EU culturen kennen veelal een minder strak keurslijf qua emoties en expressie dan noordelijke. De neiging om bij psychische nood professionele hulp te zoeken is in Italië groter dan in NL (56 om 38%: EU 50%; Nederlanders gaan vaker naar vrienden), maar het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling voor een psychisch probleem hulp had gezocht (12%, EU25 13%, NL 3 na hoogste EU met 17%), medicijnen had gekregen (5%, EU 7, NL 8%) of in psychotherapie was geweest (2%, laagste Eu, Eu 3%, NL hoogste met 7%) was er relatief klein. De tabel hieronder laat zien dat men in Italië een naar verhouding negatieve kijk heeft op (mensen met) psychische of emotionele problemen. Hier verkeert Italië in de bovenste en NL in de onderste EU regionen.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

IT

EU25

NL

zijn onvoorspelbaar

75

63

59

zijn een gevaar voor anderen

49

37

25

worden nooit weer beter

31

21

13

moeten het zichzelf verwijten

28

14

6

Levensstijl

Uit de tabel hieronder valt op te maken dat medio 2007 relatief weinig Italianen naar eigen oordeel ongezond leefden of in een ongezonde omgeving verkeerden (Bron Eurobarometer 282, wave 76.3).

Item in %

IT

EU25

NL

Rokers

25

30

24

Overgewicht

17

20

26

Nooit/zelden intensief bewegen

24

24

28

Ongezond eten

8

14

7

(Wat) te veel alcohol drinken

3

7

7

Lawaaierige omgeving

5

8

5

Vervuilde omgeving

2

6

8

Werkstress

10

17

16

Relatiestress

7

10

7

Geen van deze problemen

40

32

31

In 2005 lag het deel met ernstig overgewicht onder de EU25 normaal (6 om 11%) en het deel met ernstig ondergewicht (3%) lag daar op (bron Eurlife indicator). In 2006 had volgens ISTAT 35% overgewicht (m 44%, v 27%) en 10% ernstig overgewicht (m en v gelijk). Eind 2005 deed men in Italië naar EU maatstaven tamelijk weinig aan intensieve lichaamsbeweging, maar men zat ook weinig stil (zie onder sport).

Tussen 1990 en 2005 daalde het gedeelte dagelijkse rokers bij vrouwen van 24 naar 16% (-8%: OESO 19%; -20%) en bij mannen van 53 naar 29% (-24%; OESO 30% -25%). Het aandeel dagelijkse rokers onder 15-25 jarigen was kleiner. In 2007 rookte volgens ISTAT (Italy in figures 2008) 22% dagelijks (m 28%, voormalige rokers 30%: v 16,5%, voormalige rokers 15,5%). Het roken in publieke gelegenheden is sinds 2005 ver­boden. Qua can­nabisgebruik liep het recente gebruik (maand voor de vraagstelling) in 2005 uiteen van 10% bij 15-25 jarigen via 9% bij 15-34 jarigen naar 6% bij 15-65 jarigen (hoogste EU25 rond 2005 na Spanje). Rond begin oktober 2006 lag in Italië het volksdeel dat voor het legaliseren van cannabis voor eigen gebruik is iets boven het EU gemiddelde (28 om 26%). Het bij zich hebben van een kleine gebruikershoeveelheid van het roesmiddel wordt thans gedoogd. Men kent ook methadonprogramma’s voor heroïne verslaafden. Medio 2007 was qua opinie onder 15-25 jarigen het deel dat het risico van cannabisgebruik groot vond het 3 na kleinste binnen de EU27 (28 om 49%: NL 26%) en het deel dat dacht dat er makkelijk aan te komen hoorde bij de 3 grootste (78%: EU 63%, NL 71%). In de leeftijdsgroep achtte 12% het vrijgeven van drugs effectief beleid (EU 13%, NL 21%) en 35% (bij 5 hoogste Eu) was voor gereglementeerd vrijgeven van cannabis (EU 31%, NL 52%, Tsjechië 53%). Verder vond 22% van de leeftijdsgroep tabak (EU28%: NL 20%) en 30% (bij 3 hoogste Eu) alcohol erg riskant (EU 24%, NL 20%); 17% was zelfs voor een tabaksverbod (Eu 18%, NL 9%) en 15% (2 na hoogste EU) voor een alcoholverbod (EU 9%, NL 0,5%; bron Flash EB 233).

In oktober 2006 werden bij het schminken voor een televisiedebat over de rijksbegroting in een satirische programma bij 50 Italiaanse parlementariërs stiekem stofjes op de huid achtergelaten die het gebruik van drugs konden verraden. Hieruit bleek dat 16 van hen (32%) in de voorafgaande 36 uur cannabis of cocaïne hadden gebruikt. Het programma wordt uitgezonden door één van de omroepen van Berlusconi.

Volgens OzECD health at a glance 2007 zakte tussen 1980 en 2005 in Italië de jaarlijkse consumptie van pure alcohol met 50% naar 8,1 liter (grootste daling OESO: NL 9,7 liter in 2005; -16%: OESO 9,5 liter in 2005; -15%). In 2006 dronk volgens ISTAT dagelijks onder mannen 40% wijn en 8% bier en onder vrouwen respectievelijk 16 en 1,5%.

Eetgedrag

Vanouds is het mediterrane dieet arm aan vet en cholesterol, maar fastfood neemt in populariteit toe ten koste van dit gezonde dieet. De Italianen waren eind 2005 relatief vaak bezorgd over de kwaliteit van hun voeding. Van hen vond toen 80% dat ze gezond tot erg gezond aten (Eu25 83%); 57% meldde geen moeite te hebben om zich aan een gezond dieet te houden (EU 66%) en 36% had daar wel moeite mee (EU 31%). Gebrek aan informatie over wat men eet (23%, hoogste EU, EU 16%) of over wat gezond is (14%, EU25 12%) werden vaker en strijdige informatie (12 om 15%), te weinig tijd om goed te koken (26 om 31%) of geen vat hebben op wat men eet (kantines e.d: 24 om 27%) werden minder vaak dan gemiddeld in de EU gezien als oorzaak van een slecht dieet. Het aandeel Italianen dat in het jaar vooraf op dieet was geweest (21 om 20%) lag vrijwel op en het deel dat eetgewoonten had veranderd onder de EU25 normaal (15 om 22%). Minder calorierijk was de enige verandering die vaker dan gemiddeld in de EU werd ingevoerd (44 om 38%). Bij de opties minder vet (41 om 53%), meer water (28 om 43%), minder suiker (35 om 39%) en minder alcohol (14 om 21%) scoorde men in de onderste EU regionen. Ook de meer fruit en groente (50 om 55%), minder vlees (18 om 20%) en minder zout (26 om 27%) opties werden iets minder vaak dan gemiddeld gepraktiseerd. De tabel hierna geeft info over de ontwikkeling in de consumptie van voedingsitems tussen 1997 en 2006 (bron Italy in figures 2008).

Item

Volksdeel van 2+ dat het dagelijks eet (vis eens p/w)

1997

2006

+/-

Brood, pasta of rijst

90

87

-3

Melk

63

59

-4

Groente

49

50

+1

Sla/ verse groente

39

41

+2

Fruit

80

78

-2

Vis (minstens eens p/w)

53

59

+6

In Italië denkt men gematigd over gezond eten stokpaardjes. Het volksdeel dat de uitspraak dat overgewicht slecht is voor de gezondheid volledig onderschreef was het kleinst binnen de EU (57 om 76%), maar de groep de het er enigszins mee eens was, was weer relatief groot. T.a.v het deel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen was de situatie vergelijkbaar (volledig mee eens 38 om 50%, wellicht mee eens 48 om 35%). Relatief weinig Italianen vonden dat ouders het meest bepalend zijn voor wat kinderen eten (58 om 71%), De verantwoordelijkheid werd door relatief grote groepen afgeschoven op advertenties e.d (25 om 18%), vriendjes en school. Het aandeel dat veel heil zag in meer gym op school (25 om 29%) of gezondere schoolmaaltijden (6 om 11%) om kinderen gezonder te krijgen was weer relatief klein en beperking in TV reclame (17 om 15%) en betere voorlichting aan kinderen op school (23 om 20%) kregen naar verhouding vaak de voorkeur (bron Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).

Uiterlijk

Het gezichtszintuig is in Italië erg belangrijk en men wil er graag picobello uitzien voor anderen. Uiterlijke verzorging wordt er beschouwd als een mensenrecht. In het buitenland wordt een toonbaar uiterlijk gezien als een nationale obsessie van Italië. In de zomer van 2004 veroordeelde de hoogste rechtelijke instantie een man tot een boete van €500 omdat hij zijn vrouw verbood om zich op te maken. Uiteraard is plastische en cosmetische chirurgie belangrijk in het land. Begin januari 2004 was premier Berlusconi enkele weken uit de roulatie vanwege een facelift (die hij overigens in Zwitserland had laten uitvoeren door een Californische chirurg). De schatrijke mediamagnaat onderging ondermeer een ooglidcorrectie en kreeg een permanente teint en een haarimplantaat.