Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Volgens http://www.euro.who.int/en/where-we-work Romania (health care systems in transition uit 2008) kende Roemenië tijdens het interbellum (1918-1940) een zorgstelsel volgens het model van Bismarck (ziekenfondsen met werkgever werknemer bijdragen en private artsen/ ziekenhuizen). Toch was maar 5% van de bevolking verzekerd. Tussen 1950 en 1990 viel het land onder het Oostblok en daarom vigeerde het centraal geleide, bureaucratische en uit belastinggeld betaalde Semashko stelsel. Dit betekende aandacht voor preventie en volksgezondheid en in principe gratis zorg voor allen, maar in 1983 werden in Roemenië toch eigen bijdragen ingevoerd. Minpunten waren dat de zorg verder slecht van kwaliteit, autoritair en inefficiënt was zonder oog voor regionale behoeften en individuele patiënten (weinig eerste lijn en doorverwijzing, veel ziekenhuisopnames). Hoewel iedereen formeel gelijk was, werden partijbonzen meer als gelijken gezien dan anderen met een betere zorg als gevolg. Beroepskrachten werden goed geschoold, maar m.n. hoog opgeleiden werden slecht betaald en raakten vaak overwerkt. Als ze kans zagen gingen ze naar het westen om meer te verdienden. Net als in veel andere Oostbloklanden werd de rol van zwarte bijbetaling of diensten aan artsen groot.

Na de val van regime en communisme (eind 1989) volgden provisorische hervormingen op het vlak van opleiding, diensten, betaling en de aanpak van tbc en aids. De echte veranderingen kwamen vanaf 1995. Ze gingen in de richting van decentralisatie, sociale zorgverzekering en contracten tussen verzekeringsfondsen en voorzieners. In 1998 kwam er een verplichte zorgverzekering. Vanaf 2002 werd het sociale zorgstelsel hervormd. Daaronder valt een anti armoede plan, met o.m. als uitkomst het opleiden van Roma bemiddelaars om voor de Roma bevolking de gang naar zorg en onderwijs te vergemakkelijken (7% van de bevolking, voornamelijk Roma, stond in 2005 niet ingeschreven en viel zo buiten alle sociale en zorgvoorzieningen). O.m. omdat de afstemming van competenties/ vaardigheden van zorgverleners vaker achter liep bij de plannen trad in 2006 een nieuwe zorgwet in werking met 17 componenten waarmee gepoogd werd veranderingen in samenhang door te voeren. Men heeft de landelijke organisatie structuur (ministerie, verzekeraars, artsencollege) gekopieerd naar districten. Beleid, algemene doelstellingen en afstemming vallen onder de landsregering en voorzieningen onder de regio’s. Sinds 2005 staan zorgverzekeringsfondsen los van het ministerie. Het bestuur van het nationale fonds telt 17 leden met 5 vertegenwoordigers van respectievelijk overheid (4 ministeries en de president), vakbonden en werkgevers en 2 door de overheid benoemde leden. Naast artsencolleges zijn er bonden van farmaceuten en verpleegkundigen. Ook zorgvorm voorzieners zijn niet langer in overheidsdienst maar ziekenhuizen vallen wel onder de overheid. De patiënten moeten hun recht halen bij de district zorgverzekeringsfondsen. Ze mogen zelf hun huisarts of zorgvorm voorziener kiezen. Rond 2011 was men bezig met invoering van noodnummer en zorgpas. Ook waren er plannen om fastfood extra te belasten en winstbelasting te heffen bij de farmaceutische industrie. Winter 2012 resulteerde het terugtreden van de populaire staatsecretaris van zorg Dr. Raed Arafat uit onvrede over bezuinigingsplannen van de regering in heftige protesten.

Onder de beleidsdoelen van het ministerie van gezondheid van 2008-2013 vallen het terugdringen van sterftecijfers en ziekenhuis opnames, meer zorgvorm voorzieners/ voorzieningen (m.n. op het platteland), verbetering van (transport) infrastructuur, preventie programma’s en digitalisering en meer transparantie (corruptiebestrijding). Men wil het vertrek van artsen omdat ze in het buitenland meer kunnen verdienen terugdringen (bijv. via gratis huisvesting en speciale steun voor plattelandsartsen).

Beoordeling van de zorg

Op http://www.healthpowerhouse.com/ zijn onder international indexes de uitslagen te vinden van onderzoek naar prestaties van het zorgstelsel van 33 Europese landen op 38 indicatoren vanuit het perspectief van de gebruiker (Health Consumer Index). In 2009 behaalde Roemenië met een score van 49% daarop een 26e plaats binnen de 27 EU landen. Men was onder de 33 landen met 11 landen gedeeld 20e op wachttijden, met 4 landen gedeeld 26e op resultaten en 26e op medicijnen, 29/30e op patiëntenrechten & informatie en op resultaten, 30/31e op voorzieningen bereik en met 2 landen gedeeld laagste op online zorg. Nazomer 2009 gaven de Roemenen hun zorgstelsel een 4,3 als cijfer (3 EU landen lager; EU27 5,8). Toen vond 18% het goed (EU 42%) en 52% vond het slecht (EU 25%; Eurobarometer 321. wave 72.1, QA 57). Zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 4,4 (gedeeld 2 na laagste, EU: 5,6; EQLS 2007). Eind 06 viel het aandeel Roemenen dat het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes rekende voor zichzelf (59%, EU 26%) of de komende generatie (38 om 17%) onder de EU top3. Toen rangschikte 8% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 3% zorg voor gehandicapten eronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Voor de komende generatie rekende 6% (EU 10%) ouderenzorg en 3% (om 2%) gehandicapten zorg bij deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 rekende een doorsnee segment de gezondheidszorg voor het land (17%, -2% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special EB 308, wave 71.1, QA5) en een groot segment voor zichzelf (24%, +4%, EU 12%,-4%) tot de top2 van zorgenkindjes. Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de buurt lag toen flink onder de EU normaal (51 om 72%; QA 20.5,). Juni 2011 vond maar 13% de zorgvoorzieningen goed (laagste Eu, Eu 62%) en 85% vond ze slecht (hoogste, Eu 34%; Special EB 370, wave 75.4). Ook dacht toen 50% dat ze er in het komende jaar op achteruit zouden gaan (bij top3 EU, EU 30%) en 81% vond dar er de afgelopen 5 jaar op achteruit waren gegaan (ook hoogste Eu, Eu 44%).

In de tabel hierna staan uitslagen voor Roemenië (RO), de EU en NL van onderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (special EB 283 wave 67.3). Alles scoort in RO relatief slecht. Veel Roemenen vinden het een afgang als bejaarden niet door familie worden verzorgd. Thuiszorg en verpleeghuis staan in de kinderschoenen en velen in RO hebben geen idee over kwaliteit, beschikbaarheid en vergoeding/ betaalbaarheid. Ziekenhuizen kenden veel wachtlijsten (slecht beschikbaar) en de huisarts in een eigen/ groepspraktijk kwam er na 1995 pas in.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

RO

EU

NL

RO

EU

NL

RO

EU

NL

Huisarts

71

84

89

77

88

92

24

11

6

Tandarts

62

74

92

65

74

89

64

51

28

Specialist

59

74

83

52

62

66

60

35

21

Thuiszorg

22

42

49

 24

34

39

43

32

16

Ziekenhuis

42

71

87

63

76

80

48

25

19

Verpleeghuis

19

41

46

19

39

31

38

42

14

Het segment bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek bij de laagste 20% van de inkomens niet werd vervuld vanwege de prijs is na 2007 geslonken, maar groeide in 2010 bij de arts weer en valt daarbij onder de EUtop3 (14,6 om 5,2%; tandarts 15,9 om 7,8%; Eurostat, population, health, indicators from SILC survey).

Het financiële plaatje

In 2010 lagen de Roemeense zorguitgaven van de overheid op 3,6%, in 2009 op 3,8% en in 2008 op 3,2% van het BBP. Daarmee waren ze het laagst binnen de Eu na die van Grieks Cyprus (in €’s bleven ze rond €4,5 miljard p/j hangen, Eurostat, economy & finance, government statistics). Tussen 2005 en 2008 verdubbelden de uitgaven in Euro’s ruim (EU27: +14%), vooral door ziekenhuizen en medicijnen. In 2010 kwam volgens Eurostat €2,6m (58%) op conto van de centrale overheid (3,7m in 2003) en €1milhard op die van lokale overheden (22%, in 2008 nog maar 71,5 miljoen). Voor 2009 lagen met alle financiers meegerekend de bestedingen op 5,6% BBP (overheid 0,76%; sociale verzekeringsfondsen 3,62%; private sector 1,19% waarvan 1,17% eigen bijdragen). Uitgedrukt in € per inwoner p/j naar koopkracht kwam het totaal op €608 (laagste van 22 EU landen, -4% t.o.v. 08) met als verdeling overheid 14%, eigen bijdragen 21% en verzekeringsfondsen 64,5% (gemiddeld voor de 22 landen). Naar voorzieningen ging veel naar mantelzorg thuis (12,2%, veruit hoogste 22 EU landen), volksgezondheid en preventie (2%, 4 van 22 meer), medicijnen/ hulpmiddelen 25,6% (6 van 22 meer, apotheken 24,7%, 4 meer) en ziekenhuizen (41,5%, 8 van 22 meer; algemeen 31,5%, relatief weinig; psychiatrie/ verslaving 2,5%, 5 van 19 meer; anders gespecialiseerd 7,4%, 1 van 18 meer) en weinig naar verpleeg en verzorgingshuizen (2,1%, alleen 5 voormalige Oostbloklanden minder), administratie en verzekering 1,5% (4 van 22 minder) en ambulante zorg (13,9%, laagste van 22, huisarts 6%, tandarts 1,7%, andere 0,2%; lab 1,7%; poli 0,5%; thuiszorg 0,07%, 2 van 20 minder). Naar functie ging weinig naar genezende zorg (44,5%, 1 van 20 minder; opnames echter 36,5%, 1 van 20 meer; ambulante zorg 8%, laagste; dagopvang en thuiszorg 0%, laagste), revalidatie (2,4%, 5 van 19 minder, opname 1,15%, 3 minder; ambulant 1,2%, 15 minder), aanvullende diensten (4%, 6 van 22 minder, lab 1,7%, 7 van 21 minder, diagnostiek 0%, laagste; vervoer/ spoed 2,2%, 15 van 21 minder) en administratie/ verzekering (1.8%, 6 van 22 minder) en veel naar preventie/ volksgezondheid (8,3%, veruit hoogste van 22, school 1,2%, 1 meer; besmettelijke ziekte 1,4%, 1 meer; andere ziekte 2,6%, hoogste) en chronische verpleegzorg (13,5%, 5 van 22 meer, thuiszorg 12,3%, 1 meer, opname 1,15%, 18 meer; dagopnames 0%, laagste).

In 2010 betaalden 10 miljoen Roemenen geen verzekering omdat ze arm waren. Artsen verdienen ook slecht en in 2009 was het betalen van “enveloppengeld” in de zorg nog steeds heel normaal (dit zit niet bij de officiële eigen bijdragen in omdat het zwart is). In 2002 gaf 35% van de Roemenen aan voor zorg onderhands te betalen en in 2005 18%, maar het is na 2008 weer opgelopen. Het aandeel werd kleiner naarmate men jonger was. Het meest afgevinkte motief was in 2005 “gebruikelijk” (55%), maar motieven in de sfeer van betere/ snellere zorg of gunstig stemmen (vrijgevigheid) scoorden ook hoog. In 3% van de gevallen vroeg de zorgverlener er om. Verder betaalde 10% meer dan €80 en 34% minder dan €8 (bij een koopkracht rond de helft van die in NL). Volgens de WHO zakte het aandeel van eigen bijdragen tussen 2006 en 2009 van 20 naar 17% (oude EU van 15 naar 14%, NLS van 24 naar 22%; http://data.euro.who.int/hfadb/). Het deel van het huishoudbudget voor zorg liep tussen 2006 en 2008 op van 3,1 naar 3,9% en lag in 2009 weer op 3,7% (EU27 van 3,4% in 05 naar 3,7% in 09). Daarbij ging 1,7% naar medicijnen en hulpmiddelen (EU 1,5%), 1,6% naar ambulante diensten zoals de dokter (EU ook 1,6%) en 0,5% naar ziekenhuisdiensten (om 0,6%). Medio 2007 was het segment dat had betaald (5%) voor zorg aan hulpbehoevende ouders van doorsnee grootte (EU27 7%, NL 4%, BE 10%), een iets boven gemiddeld segment betaalde (3%, EU 2%, NL 3, BE 7%) en het segment dat verwachtte te moeten betalen was aan de kleine kant (10%, Eu 12%, NL/ BE 19%; Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben schatte een doorsnee deel in dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden (49%, EU 48%, NL 35%, BE 70%, QA 21). Velen dachten dat partner, familie of naasten ervoor op zouden draaien (85%, EU 39%, NL 9%, BE 44%) en weinigen vermoedde dat overheid of sociale zekerheid zou (mee)betalen (2%, laagste EU, NL 51%, BE 34%, EU 32%) of dat een privé verzekering zou bijdragen (6%, EU 15%, NL 44%, BE 28%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

De 1e lijnszorg vond in de communistische tijd plaats vanuit staatsfaciliteiten; m.n. veel poliklinieken. Zorgpersoneel verdiende slecht en was vaak gespecialiseerd, hetgeen de 1e lijnszorg niet ten goede kwam. Onderhands betalen om dingen voor elkaar te krijgen was gebruikelijk. Tussen 1992 en 1994 werd in een 4tal districten als experiment een 1e lijnszorg opgezet door teams uit Zweden, Denemarken en het VK om hier een landelijk beleid uit te destilleren. Nadien werd de betaling hervormd (bij artsen aan vast deel, een leeftijd deel en een prestatie of situatiebonus) en moesten patiënten een huisarts kiezen. In 1995 had 86% van de bevolking er één. Ook werden specialisten bijgeschoold. Tot 1999 was de 1e lijnszorg veelal in handen van 6000 ziekenhuis dependances (in buurten of van scholen, bedrijven of instanties) met artsen, verpleegkundigen en een apotheekje. Patiënten kregen een dependance toegewezen. Nadien is de 1e lijn geprivatiseerd. In 2008 waren er nog maar 19 dependances over en het aantal artsenpraktijken lag in 2009 op 11.400. Gespecialiseerde poliklinische zorg ging veelal over van aparte poliklinieken naar poliklinische afdelingen van ziekenhuizen. Patiënten kozen hun eigen huisarts en diens poortwachter rol werd versterkt doordat de gang naar de specialist of ziekenhuis zonder doorverwijzing patiënten extra geld ging kosten (met enkele uitzonderingen waaronder alternatieve specialisten en spoedopnames). Veel specialisten werken overdag in ziekenhuizen in loondienst en verdienen bij met een eigen praktijk. Volgens Eurostat ging het aantal huisartsen per 100.000 inwoners tussen 2004 en 2008 van 56 naar 128, maar lag het in 2009 weer op 83 (oude EU15 97; NLS 50 in 2009). De WHO kwam voor 2006 op 54 1e lijnpraktijken/100.000 (EU 49, http://data.euro.who.int/hfadb/).

Volgens de WHO lag het aantal artsenconsulten per hoofd p/j onder de EU27 normaal (4,7 om 6,3 in 2010) net het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging (najaar 2006: 46 om 62%, op doktersadvies 4 om 5%, EB 272e, wave 66.3, QB 46.1; najaar 2009: 34%, laagste EU, Eu 57%, EB 330 wave 72.3). Op de DMFT index scoorde men bij 12 jarigen in 2005 met 2,8 kinderkies/ tand waar wat mee is redelijk naar Europese maatstaf. Najaar 2009 hadden weinigen het hele natuurlijke gebit nog (30%, EU27 41%) en het segment met geheel of deels een kunstgebit was ook klein (14 om 31%). Eind 2006 hadden erg weinig 15plussers in het jaar vooraf poliklinisch onderzoek ondergaan (bron EB 272e, wave 66.2). Bij 12 van de 15 kwalen viel men qua deelname onder de laagste 3 landen van de EU en alleen hartonderzoek scoorde aan de hoge kant (29 om 27%). Bij 2 van de 15 nagevraagde kwalen nam men naar verhouding vaak zelf het initiatief (bloeddrukmeting 25%, EU 22%; bontontkalking 6 om 4%), de arts scoorde bij geen ervan hoog als initiatiefnemer en alleen bij gehoortest was bevolkingsonderzoek relatief vaak de aanleiding (7 om 4%). Bij vrouwenkwalen vielen 4 van 6 vormen (uitstrijkje 8 om 41%, eierstokken 12 om 30%, borst: handmatig 23 om 43%, doorlichten 6 om 31%) onder de laagste 3 in de EU qua deelname (verder: overig gynaecologisch 21 om 32%; botontkalking 8 om 14%). Kanker onderzoek scoorde ook erg laag (PSA/ prostaat 3 om 13%, overig kanker 2 om 12%, dikke darm 2 om 8%). Bij de andere onderzoeken waren de deelname scores: cholesterol 21 om 38%, doorlichten 22 om 38%, gehoor 9 om 16%, bloeddruk 48 om 59% en ogen 22 om 38%.

Op http://data.euro.who.int/hfadb/ en via Eurostat zijn recente cijfers te vinden over zorgpersoneel en voorzieningen. Roemenië had in 2009 per 100.000 inwoners naar de maatstaf van de oude EU (EU15) erg weinig en naar die van de nieuwe lidstaten (NLS) weinig zorgpersoneel. Het aantal artsen kwam op 225/100.000 (EU15 346, NLS 271). Daaronder vielen volgens Eurostat 83 huisartsen (NLS 50, NL 72, EU15 97, BE 113), 12 kinderartsen (NL 9, BE 12), 10 gynaecologen (NL 8, BE 12), 9 psychiaters (BE 18, NL 20), 66 medische specialisten (EU 90, NL 60, BE 78), 37 chirurgische specialisten (NL 35, BE 54) en 18 andere specialisten (bijv. bedrijfsartsen, NL 83, BE 4). Van alle artsen werkte 47% in een ziekenhuis (BE 23%, NL 44%). Onder de verpleegkundigen (566/100.000, EU15 910, NLS 600) was dat 52%. Verder telde men (per 100.000) 58 tandartsen (EU15 67; NLS 50), 55 farmaceuten (EU15 84, NLS 55) en 19 vroedvrouwen (EU15 30, NLS 40). Eurostat kwam op 3,5 fysiotherapeuten/100.000 (NL 160, BE 171). De 2e lijnszorg vindt veelal plaats in lokale en districtsziekenhuizen en als het daar te moeilijk voor wordt in regio ziekenhuizen. Verder kent men ziekenhuizen voor langdurige opname, medisch sociale zorg voorzieningen en sanatoria & bronnenbaden e.d. Bijna alle ziekenhuizen zijn van de overheid (thans meestal de gemeente), maar ze mogen nu een private afdeling hebben hetgeen nog weinig gebeurt (private bedden 1,2%, EU 36%). De managers tekenen voor 3 jaar waarin ze een aantal doelen moeten halen. Ze benoemen een aantal directeuren voor de uitvoering. Het aantal opnames ligt te hoog en er zijn te veel patiënten om niet medische redenen opgenomen. Ook staat van onderhoud en voorzieningen laten te wensen over. Grote ziekenhuizen hebben vaak schulden opgebouwd. Voor veel operaties bestaan lange wachttijden en wachtlijsten.

In 2009 telde Eurostat qua ziekenhuis voorzieningen aan technologische uitrusting naar EU maatstaf de minste MRI eenheden (0,2), mammografen (0,3), gamma camera’s (0,1) en CT scanners (0,5) en weinig stralingstherapie eenheden (0,5; 5 van 19 landen minder) en (nier/galsteen) vergruizers (0,1; bij 3 laagste). Ook qua computer voorzieningen loopt men nog achter. Het aantal ziekenhuis bedden (662/100.000 in 2009) lag boven het EU gemiddelde (528), maar zakte t.o.v. 2000 sterk (-19 om -14%). Daarbij telde men veel curatieve (70 om 60%), psychiatrie (12 om 9%) en andere chronische zorgbedden (14 om 8%). Het aandeel bedden in privéziekenhuizen was klein (1,3%, EU27 36%). Over de bezettingsgraad van curatieve bedden zijn geen Roemeense cijfers bekend (EU15 77%, NLS 71% in 09). Het aantal ziekenhuis opnames per 100 inwoners (incl. sterfgevallen, excl. geboorten) is groot (25%, 2e EU27, EU 18% in 2009; kanker 1,8 om 1,6%; in 2010: mentale/ gedragsstoornis 1,4%, 2e EU met Finland, bloedsomloop kwalen zoals infarcten 3%, Eu 2,4%, ademhalingsstelsel 2,8 om 1,4%, spijsvertering 2,1 om 1,8%, skelet/spieren 1,3 om 1,4%, letsel/ vergiftiging 1,2 om 1,5%). De verblijfsduur in een ziekenhuis zakte vanaf 2000 met 16% (EU15 -11%, NLS -22%) en was in 2009 gemiddeld voor een nieuw EU land (7,4 dagen, EU15 8,9d, NLS 7,4d; staaroperatie 3,9, EU 2,3 dagen; bevalling 4.9 om 3,7d, hartfalen 7,2 om 7,9d, CVA 9 om 12d. Qua frequente behandelingen werden voor staaroperaties 21/10.000 inwoners opgenomen (15 van 24 landen minder, m.n. door poliklinische behandeling; in Roemenië begon men hier pas in 2009 mee). In het land wordt relatief weinig gescreend op baarmoederhals, borst en prostaatkanker en deze kankers scoren qua frequentie laag (borst 45 om 71/100.000 v, prostaat 20 om 85/100.000m in 08, beide laagste EU na Griekenland). De sterfte aan baarmoederhalskanker is hoog (13 om 3), die aan borst kanker gemiddeld (22 om 23) en die aan prostaatkanker laag (15 om 25).

Door lage geboortecijfers en hoge sterftecijfers wordt sociale en langdurige zorg in Roemenië belangrijker. In 2009 ging erg weinig naar professionele thuiszorg (0,07% van het budget, 2 van 20 landen minder) en weinig naar chronische verpleegzorg (1,15%, 18 landen meer). Dagopvang komt in Roemenië vrijwel niet voor. Wel gaf men erg veel uit aan mantelzorg thuis (12,3% 1 na hoogste EU). Het volksdeel dat langer dan een jaar in een psychiatrische inrichting verbleef is voor RO onbekend (EU 8/100.000 in 2009). In alle ziekenhuizen lag de opnameduur bij mentale en gedragsproblemen op 18,6 dagen, gemiddeld naar EU maatstaf. Het aantal bedden per 100.000 inwoners in de psychiatrie is erg groot (78 om 44 in 2009) en groeide na 2005 nog iets (+4%, EU -8%, Eurostat). Er zijn ook erg veel chronische zorgbedden buiten de psychiatrie in ziekenhuizen, maar dit aantal zakte wel flink (van 107 naar 79, EU van 25 naar 24). Het aantal bedden in verpleeg/ verzorgingstehuizen (94/100.000 in 09) is klein naar EU maatstaf.

De tevredenheid over beschikbaarheid, kwaliteit en prijs van thuiszorg en verpleeghuis viel in 2007 onder de laagste binnen de EU, maar de “weet niet” groep was groot omdat er weinig gebruik van wordt gemaakt. Het segment Roemenen dat toen in de 10 jaar vooraf zelf of bij een naaste in aanraking gekomen met een chronische zorgvraag was het kleinst binnen de EU (28 om 42%) en het deel ervan dat de geboden zorg en hulp volledig adequaat vond was aan de grote kant (62%). Op deze website staan onder Roemenië/ bevolking/ leefsituatie van 65plussers meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Roemenen (RO), Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special EB 283 wave 67.3, QA20 veldwerk medio 2007). Daarbij was de verwachte rol van verwanten relatief groot en die van hulpdiensten klein. Verder waren de V G verschillen opvallend groot ten voordele van professionele zorg.

Vorm van steun of hulp

RO %

NL %

BE %

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

64

48

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

9

16

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

7

10

21

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

6

10

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

11

6

16

8

16

11

9

8

Weet niet

10

10

8

3

2

1

9

6

Traditionele en alternatieve geneeswijzen

Al vanouds nemen in Roemenië onder de traditionele en alternatieve geneesmethodes kuuroorden met bronnenbaden een belangrijke plaats in. Thans richten ze zich via een steeds gevarieerder aanbod ook op buitenlandse vakantiegangers. M.n. Roma zigeuners kennen (naast waarzegsters) kruidenspecialisten en paardenfluisteraars. Vooral onder de plattelandsbevolking tiert vanwege het bijgeloof de verkoop van amuletten welig.

Volksgezondheid

Na 1990 daalde in Roemenië de levensverwachting bij geboorte eerst licht; van 71,5j naar 70,4j in 1996 (toen laagste in de EU27). Daarna steeg ze geleidelijk naar 74,3j in 2009 (EU 80j). Het MV verschil in leeftijd van overlijden veranderde vrijwel niet en bleef aan de grote kant (7,6j in 1996, 7,5j in 2009, EU toen 5,9j). In 2009 werd een man gemiddeld 70,6j (EU 77j), 3,9j ouder dan in 1996 en een vrouw 78,1j (EU 82,9j); 3,8j ouder. Alleen in de Baltische staten worden mannen minder oud en de doorsnee leeftijd van overlijden van vrouwen was in 2009 het laagst binnen de EU na die in Bulgarije. Ook de gezonde levensverwachting voor 65plussers bleef laag en zakte van 2008 op 2009 bij vrouwen van 7,8 naar 7,1j (EU van 8,5 naar 8,4j) en bij mannen van 7,8 naar 7,2j (EU 8,3-8,4j). De sterfte per 100.000 inwoners was in 2009 het hoogst binnen de EU na die in Litouwen (96 om 60; Eurostat) en ze was na 2000 minder gedaald dan gemiddeld (-13%, EU -17%). Bij veel oorzaken ging de sterfte tegen de EU trend in omhoog. Zo was de sterfte door ziekten van het spijsvertering stelsel het hoogst binnen de EU (66 om 31/100.000) bij een stijging van 7% (EU -13%). Verder was die aan ziekten van de bloedsomloop het hoogst na die in Bulgarije (548, EU 217; -18 om -26%; hartaanval 189 om 80, -18 om -31%; CVA 170 om 52, -21 om -31%) en die aan tbc de hoogste na Litouwen (7, EU 1; -33 om -45%). Bij de sterfte door externe oorzaken (53 om 37, -19 om -18) scoorde verkeersongelukken het hoogst binnen de EU (15 om 8, -6 om -26) en  moord het hoogst na de 3 Baltische staten (2 om 1, -38 om -35%; verder ongeluk 38 om 23, -18 om -22%; zelfmoord 11 om 10, -11 om -12%). De sterfte aan alle vormen van kanker lag niet ver boven de EU normaal (183 om 173/100.000), maar is na 2000 tegen de EU trend in gestegen. Die aan prostaatkanker lag in 2008 als enige flink onder het EU gemiddelde (10 om 25; verder voor 2009 bij vormen met een sterfte vanaf 10/100.000: longen 42 om 39, +5 om -6%; borst 13 om 13, -1 om -17%; maag 13 om 8, -18 om -25%; dikke darm 12 om 12, +33 om -10%; lymfeklieren 12 om 12, -1 om -12%; lever 10 om 6, +12 0,m -5%). De sterfte aan diabetes bleef laag, maar steeg wel (8 om 12, +9 om -10%) en die aan mentale en gedragsstoornissen was erg laag en zakte als enige tegen de EU trend in (3 om 13, -2 om +12%; alcoholisme 2,3 om 2,6; -38 om -10%).

Roemenië geeft veel uit aan preventie/ volksgezondheid (8,3% zorgbudget overheid in 2009, veruit hoogste van 22 landen; school 1,2%, 1 meer; besmettelijke ziekte 1,4%, 1 meer; andere ziekte 2,6%, hoogste). De nationale programma’s van het ministerie worden veelal betaald uit belastinggeld en in gemeenten uitgevoerd door de 42 regionale gezondheidsautoriteiten. De diensten en inentingscampagnes via huisartsen vergoedt de verzekering. De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Roemenië (RO), Nederland, België en de EU25 de eigen gezondheid beoordeelde (EB 272e wave 66.2).

Gezondheid

RO

NL

BE

EU25

Goed

63

82

81

73

Redelijk/matig

26

14

14

20

Slecht

10

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

25

26

23

29

Nee

73

74

77

70

Weet niet

2

0

0

1

Nazomer 2010 viel het deel dat tevreden was over de eigen gezondheid onder de kleinste binnen de EU (55 om 69%; Special EB 355 QA 2.2). Medio 2009 had een iets boven gemiddeld segment psychische/ fysieke chronische kwalen (16%, EB 317, wave 71.2; QE18). Eind 2006 lag naar chronische kwalen (nu onder de leden of ooit gehad) onder 13 klachten groepen bij 5 het aandeel boven de EU normaal (maagzweer 8%, EU 4%; reuma/artritis 26 om 22%, migraine/ hoofdpijn 21 om 16%, bronchitis 6 om 5%, hoge bloeddruk 21 om 19%), bij 1 daar op (botontkalking 5%,) en bij 7 er onder (kanker 1 om 2%, hersenbloeding 1 in 2%, angst/depressie 5 om 9%, astma 3 om 7%, diabetes 4 om 6%, staar 3 om 4%, allergie 16 om 17%). Een doorsnee volksdeel was in de week voor de enquête in het dagelijks leven beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten (34%). Het deel dat voor een chronisch probleem in behandeling was, was aan de kleine kant (22 om 25%). Het was bij 5 categorieën relatief groot (maagzweer 9 om 3%, hoge bloeddruk 56 om 36%, reuma 30 om 24%, botontkalking 13 om 8%, migraine 8 om 5%); bij 4 rond gemiddeld (diabetes 16%, angst/ depressie 9%, bronchitis 5%, staar 2%) en bij 6 relatief klein (astma 6 om 9%, overige 14 om 24%, angst/ depressie 5 om 10%, kanker 2 om 4%, hersenbloeding 2 om 4%, allergie 2 om 6%). Een klein aandeel vrouwen van 50+ had weet van hormoontherapie bij overgangsklachten (28 om 39%) en het gebruik ervan lag naar verhouding laag (4 om 6%: EB 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Roemenië in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn naar EU maatstaf tamelijk gemiddeld scoorde (EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06).

Item in %

RO

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

56

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

65

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

63

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

61

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

67

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

66

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

46

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

37

36

43

34

Nooit/ zelden moe

37

36

43

34

De invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) was winter 05/06 naar Eu maatstaf groot (hierdoor minder presteren dan men wilde 23 om 18%; slordiger dingen doen 21 om 14%, minder tijd in routines en werk steken 17 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4). Het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist was aan de kleine kant (4 om 6%) en de groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten was tamelijk groot (25 om 21%, QA6). Een relatief groot deel van de Roemenen zou als ze emotioneel klem komen te zitten professionele hulp zoeken (74%, EU 50%, BE 51%, NL 38%) of hulp van een geestelijke (3 om 2%). Een hulplijn scoorde gemiddeld (2%) en overige (1 om 2%), familielid (41 om 53%) of vriend (13 om 22%) onder gemiddeld. Het volksdeel dat in het jaar vooraf feitelijk hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem was het grootst binnen de EU (30 om 13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 22%, EU 9%; apotheek 8 om 2%, psychiater 1 om 2%, psycholoog 0 om 2%; andere hulpverlener 7 om 3%). Bij 71% van de hulpzoekers was de huisarts voorpost (EU 70%, NL 45%, BE 66%). In het jaar vooraf werd  om dit soort redenen een doorsnee segment opgenomen (1%, NL 1%, BE hoogste EU met 5%) en een onder gemiddeld segment nam medicijnen (5%, EU 7%, NL en BE 8%) of was in psychotherapie geweest (1%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%). Het segment dat het moeilijk vond aan info over hulp te komen was aan de kleine kant (32 om 38%, geen hulpzoeker 25 om 27%), maar velen wisten het niet. De tabel hierna toont hoe in Roemenië (RO) de kijk op (mensen met) psychische problemen zich verhield tot die in NL, BE en de EU (QA12).

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

RO

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

65

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

43

25

32

37

worden nooit weer beter

20

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

14

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in 9 opzichten medio 2007 in Roemenië (RO), België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA 24). Daarbij was het segment met overgewicht het kleinste in de EU.

Item in %

RO

NL

BE

EU25

Rokers

29

24

27

30

Overgewicht

11

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

33

28

29

24

Ongezond eten

25

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

6

7

8

7

Lawaaierige omgeving

8

5

10

8

Vervuilde omgeving

7

8

7

6

Werkstress

14

16

22

17

Relatiestress

8

7

11

10

Geen van deze problemen

32

31

24

32

Ook het volwassen volksdeel met ernstig overgewicht is het kleinst binnen de Eu (8%, EU 15,5% in 2008). Het werd na 1998 iets kleiner (toen 9%, bron OECD). Een manvrouw verschil in deze was afwezig (m 8 om 15%, v 8 om 16%). Bij kinderen was het segment met overgewicht ook klein (j 11 om 17%, m 4 om 9%). Een relatief groot segment (5 om 3%) had in 2005 ernstig ondergewicht (Eurlife indicator). Het volksdeel dat veel bewoog leek in 2009 relatief klein (Special EB 334, wave 72.3, QF 1 & 2) en bij kinderen was het segment dat dagelijks flink bewoog in 06 ook onder gemiddeld (11j: 22,5 om 25,5%, 15j 11 om 15,7%, OECD health at a glance 2010). In 2008 rookte 20,2% (EU 24%) van de Roemenen van 15plus dagelijks tabak met het grootste MV verschil binnen de Eu (m 32%, v 9%; EU m 30%, v 19%; wekelijks bij15 jarigen: jongens 20 om 19%, m 12 om 19%). Op http://www.epha.org/a/1941 worden de rookverboden bijgehouden. In RO geldt een wettelijk rookverbod in alle publieke gebouwen en voertuigen. De horeca is verplicht rook en niet-rook zones te markeren en te ventileren.

Het toegegeven gebruik van cannabis is laag. In 2010 werd het gebruik ooit voor alle leeftijden geschat rond 1,5% en voor 15-25j rond 3%. Het gebruik in de maand vooraf werd voor 15-65j geschat op 0,3% en voor 15-25 j rond 1% (bron: EMCDDA, jaarverslag 2010). Daarmee valt het onder de laagste binnen de EU. Ook het segment voorstanders van Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik viel onder de kleinste binnen de Eu (9% in oktober 2006, EU 25 26%, BE 26%; NL hoogste met 49%: Standard EB 66). In mei 2008 was onder 15-25 jarigen het segment voorstanders van gereglementeerd vrijgeven het kleinst binnen de EU (8%, EU 31%, BE 35%, NL 52%, Flash EB 233) en de aanhang voor handhaving van het verbod op cannabis het grootst (91 om 67%). Ook vrijgeven van drugs als effectief beleid kreeg erg weinig steun (6%, BE 8%, EU 13%, NL 21%). Het deel dat het risico van cannabisgebruik hoog achtte viel onder de EU top (62 om 40%; BE 32%, NL 26%). Relatief weinig jongeren dachten makkelijk aan cannabis te kunnen komen (28%, weet niet scoorde met 18% het hoogst binnen de Eu; EU 63%, BE 69%, NL 71%). Het segment Roemeense jongeren dat tabak (42%, EU 28%: NL 20%, BE 24%) of alcohol (36 om 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant vond was ook het grootst binnen de Eu en een verbod op tabak (31%, Eu en BE 18%, NL 9%) of alcohol (22%; NL 1%; BE 5%, EU 9%) kreeg de meeste steun. Bij het aandeel 15 jarigen dat toegaf in hun leven al een paar keer dronken te zijn geweest viel in 2005/06 opnieuw het grote verschil tussen de geslachten op (j 45%, m 19%; EU 38 en 30%, BE 32 en 22%, NL 30 en 21%).

Volgens List of countries by beer consumption per capita stonden de Roemenen in 2010 met 77 liter per hoofd p/j 15e op de wereldranglijst van bierdrinkers (België 13e met 78 l, NL 17e met 74 l). Volgens List of countries by alcohol consumption werd rond 2005 de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers (officieel + officieus) geschat op 15,3 liter per hoofd. Daarmee stond men 4e binnen de EU. De OESO kwam voor 2008 echter op 9,7 l bij een Eu normaal van 10,8 l (BE 10,7 l, NL 9,6 l) en een daling na 1980 van 11% (EU -13%, OECD health at a glance). Het segment geheelonthouders was in 2006 groot (33%, wellicht voornamelijk vrouwen; EU 25%, BE 21%, NL 10%, EB 272b, wave 66.2 QB 10a). Velen vonden de gevolgen van drankgebruik eigen verantwoordelijkheid (68 om 52%; verantwoordelijkheid overheden 28 om 44%). Het segment dat denkt dat zware drinkers gaan minderen als drank duurder wordt was groot (53 om 30%) en velen dachten dat ze zelf minder zouden gaan kopen als drank een kwart duurder werd (50%, hoogste EU, EU 33%) of meer als het een kwart goedkoper werd (22 om 15%). Het gedeelte voorstanders van een verbod op alcoholverkoop onder 18j viel onder de EU top (95 om 87%, QB 16.3) en ook het volksdeel voorstanders van een verbod op alcohol reclame voor jongeren was groot (83 om 76%, QB 16.2). Voor automobilisten geldt een grens van 0,0 promille, maar in 2006 vinkte in Roemenië een meerderheid aan dat ze dat niet wisten (76 om 36%). De tabel hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Roemenië (RO), NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (merk het verschil op tussen “5 of meer glazen per sessie” en eens p/w of vaker 4+ glazen).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

RO

NL

BE

EU25

Dagelijks

9

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

6

12

13

10

Eens p/w 5 of meer glazen

18

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

14

8

9

13

Eetgedrag

Volgens http://data.euro.who.int/hfadb/ (lifestyles) lijkt het er op dat Roemenen weinig energie halen uit vetten (28%, EU en NL 37%, BE 40% in 2007) en een doorsnee deel uit eiwitten (12,6%, EU12,2%, NL 12,7%, BE 10,4%) en dat ze veel graan (180kg p/j, EU 125, BE 110, NL 83 kg) en wat weinig groente en fruit eten (209 kg, EU 225 kg, BE 201, NL 239kg). Eurostat kwam per hoofd naar EU maatstaf op veel aardappels, tomaten, melk en kaas, niet al te veel vlees en peulvruchten en weinig fruit. Daar moet bij worden vermeld dat Roemenen veel uit eigen tuin eten. Vast staat dat eind 2005 het volksdeel dat aanvinkte dat men gezond eet aan de kleine kant was (74%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%, EB 246, wave 64.3, QD9) en in 2007 was het deel dat aanvinkte dat men ongezond eet relatief groot (25 om 14%, EB 283, wave 67.3, QA 24). Het begrip gezond dieet (16 opties, EB246 QD8) werd relatief vaak gekoppeld aan gevarieerd (66 om 59%), zowel meer (7 om 3%) als minder vlees (23 om 16%) en verder aan minder zout (26 om 19%) koolhydraten (18 om 7%) of toevoegingen (18 om 13%) en (meer) biologisch (10 om 8%). De opties meer koolhydraten (2 om 8%), vis (22 om 25%) of groente & fruit (54 om 58%), calorierijk (14 om 22%) en weinig vet (40 om 45%) of suiker 23 in 28%) kregen een onder gemiddelde aanhang. Het segment dat moeite had zich aan een gezond dieet te houden was van doorsnee grootte (32%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werd als reden tegenstrijdige (12 om 15%) of gebrekkige info over wat gezond is (21 om 12%) of over wat je eet (19 om 16%) relatief vaak en gebrek aan controle (kantines, junkfood e.d. 18 om 27%), gezond is niet lekker (17 om 23%) en gezond koken is tijdrovend (24 om 31%) weinig aangevoerd.

Een doorsnee segment Roemenen was in het jaar vooraf op dieet geweest (22%) of had eetgewoonten veranderd (20%). Qua verandering kregen minder vet (59 om 53%), zout (33 om 27%) of vlees (24 om 20%) relatief veel en minder koolhydraten (31 om 38%) weinig aanhang. Een doorsnee deel nam meer groente & fruit (58%), water (40%) of vlees (4%) of minder suiker (43%) of alcohol (20%) in. Naar verhouding velen gingen op dieet vanwege een kwaal (35 om 18%), een doorsnee deel om af te vallen (34%) en weinigen om gezond te blijven (19 om 30%) of aan te komen (2 om 3%). Qua opinie over eten was het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen aan de grote kant (88%). Het deel dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt (61 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (55 om 83%) dan 5 jaar eerder was klein naar EU maatstaf. Feitelijk is het te zware volksdeel ook klein (bij zowel volwassenen als kinderen) en tussen 1998 en 2008 weinig gegroeid (zie onder levensstijl). M.b.t. de schuldvraag omtrent dikke kinderen zagen relatief velen wat kinderen op school leren (6 om 3%), een doorsnee deel ouders (72%) en een onder gemiddeld segment reclame (15 om 18%) of vriendjes (3 om 5%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua eerste tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kregen meer info voor ouders (53 om 34%) en betere info op verpakkingen (4 om 3%) relatief veel steun. Meer les over gezond eten (20%) scoorden gemiddeld en verplicht boodschappen over gezond in reclame voor junkfood (3 om 5%), kindgerichte promotie programma’s voor gezond eten (5 om 9%), beperking adverteren in kinderprogramma’s op TV (7 om 15%) en betere schoolmaaltijden (1 om 11%) scoorden laag (bron: EB 246, wave 64.3 health and food).