Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Volgens de WHO (http://www.euro.who.int/en/where-we-work ireland, health care system) werd in de gezondheidswet van 1970 de basis gelegd voor het zorgstelsel van nu. Huisartsen konden een contract afsluiten met een regionale gezondheidsraad. Deze kenden een programma voor algemene ziekenhuizen, gespecialiseerde ziekenhuizen en persoonlijke sociale dienstverlening. In het verlengde van gratis medische voorzieningen voor armen die al sinds 1851 bestaan, kwam er een stelsel van vergoeding op basis van inkomen en leeftijd. Sinds 1991 kent men een groep die de zorg volledig (category 1) of gedeeltelijk vergoed krijgt (category 2). Sinds 1972 bestaat een lijst van huisartsen en apotheken voor categorie 1 patiënten. De private markt is voor 75% in handen van de Vrijwillige Zorgverzekering (VHI) raad. Deze bestaat sinds 1957 en opereert als stichting. De zorgverzekering autoriteit HIA ziet sinds 2001 toe op het private verzekeren. Het huidige ministerie van gezondheid en kinderen (DoHC) werd ingesteld in 1997. Andere betrokken ministeries zijn sociale zaken en justitie. Met ingang van 2005 zijn de regionale raden vervangen door één enkele Health Service Executive (HSE) waarmee ook een aantal tot dan toe onafhankelijke diensten fuseerde. Het HSE gaat over het merendeel van de bestedingen en in 2008 was het met een budget van €13 miljard en 95.000 werknemers de grootste Ierse werkgever. De bloedtransfusiedienst en de instantie voor bevolkingsonderzoek naar kanker ICSB bleven onafhankelijk opereren. In 2007 werd de HIQA ingesteld om informatie, kosten, standaarden, kwaliteit en efficiëntie te bewaken. Voor de GGZ bleef de Mental Health Commission (MHC) als aparte instantie bestaan en beroepsgroepen kennen een eigen raad die op dit soort zaken let.

Ierland had lang de kleinste dichtheid aan huisartsen binnen de OESO club van rijke landen en er zijn personeelstekorten in ziekenhuizen en de GGZ. Daarom plande men in 2001 voor 1e lijnszorg en GGZ de instelling van rond 500 multidisciplinaire zorgteams in 10 jaar tijd en wilde men in 2006 het aantal plaatsen voor een medicijnenstudie in 4 jaar tijd verdubbelen. Verder streeft men meer beschikbare ziekenhuisbedden na. Het NTPF zorgde voor een aanzienlijke reductie in de wachtlijsten. Dit is een speciaal fonds voor een behandeling binnen de private sector bij een ziekenhuis in Ierland of het VK voor wie minstens 3 maanden op een wachtlijst staat,. Ook experimenteert men met minder strakke grenzen tussen categorie 1 en 2 artsen/ apotheken.

Beoordeling van de zorg

In 2003 gaven de Ieren hun zorgstelsel een 5,3 als cijfer (EU15: 6,4) en slechts de helft van hen was er tevreden mee. In 2007 kreeg het stelsel een 4,9 (laagste EU25 met Portugal en Griekenland, EU27 6,1) en in de nazomer van 2009 ook, maar toen scoorden 7 landen lager (EU27 5,8; Eurobarometer 3231. wave 72.1, QA57). Zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 5,6 (EU15: 5,7; EQLS 2007). Eind 2006 rekenden relatief veel Ieren het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes (59%, hoogste EU na Litouwen, Eu 26%). Toen rangschikte 18% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 7% zorg voor gehandicapten daaronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Destijds rekende voor de komende generatie 31% (2 na hoogste EU, EU 17%) gezondheidszorg, 17% (ook 2 na hoogste, EU 10%) ouderenzorg en 4% (EU 2%) gehandicapten zorg tot deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 viel het volksdeel dat gezondheidszorg voor zichzelf (27%, -4% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special EB 308, wave 71.1) of voor het land (25%) tot de top2 van zorgenkindjes rekende onder de EU top4. Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de eigen omgeving lag toen iets boven de EU normaal (77 om 72%, EB 308, QA 20.5), maar het was kleiner dan najaar 08 (-2 om -5%). In de tabel hierna staan de uitslagen voor Ierland (IE), de EU27 en NL van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special EB 283 wave 67.3). Alleen de tandarts en huisarts scoorden bij kwaliteit en bereikbaarheid iets boven de EU normaal en qua prijs slechts de tandarts.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

IE

EU

NL

IE

EU

NL

IE

EU

NL

Huisarts

90

84

89

92

88

92

33

11

6

Tandarts

77

74

92

80

74

89

46

51

28

Specialist

66

74

83

49

62

66

53

35

21

Thuiszorg

33

42

49

35

41

39

31

32

16

Ziekenhuis

64

71

87

65

76

80

33

21

19

Verpleeghuis

35

41

46

30

39

31

43

42

14

Het volksdeel bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs was in 2008 bij alle inkomensgroepen echter relatief klein en onder de laagste inkomensgroep (onder 20% modaal) was het flink kleiner dan een jaar eerder (arts 1%, EU27 4,5% in 08; 3,6 om 5,4% in 07; tandarts 2,5 om 7,4%; 3,2 om 8,2% in 07; Eurostat, health, indicators from SILC survey).

Het financiële plaatje

In 2008 lagen de Ierse zorguitgaven volgens Eurostat op 7,8% van het BBP (EU27 6,9%, +0,2%). T.o.v. 2007 waren ze het sterkst gestegen binnen de EU27 (toen 6,9%, d.w.z. +0,9%, EU +0,2%). Volgens Eurostat betrof het in geld €14,23 miljard en in 2007 €13,1 miljard. Volgens OECD Health data 2010 waren de uitgaven binnen de OESO rijke landenclub per hoofd p/j naar koopkracht het op 2 na hoogst onder de 22 EU landen in de OESO. Uitgesplitst kwam volgens deze bron het overheidsaandeel op 76,7% (9e van 21 EU landen in de OESO), lagen de eigen bijdragen op 14,4% (16e) en ging 17,3% van de uitgaven naar medicijnen (11e). Dit aandeel is na 1983 continue gestegen. Eurostat kwam voor 2008 op 14,1% voor medicijnen en hulpmiddelen (1,1% van het BBP, in 2000 nog 0,6%; grootste stijging in 22 EU landen), 41% voor ambulante zorg (3,2% BBP, hoogste aandeel en grootste stijging sinds 2000 in de 22 landen) en 42,3% voor ziekenhuiszorg (3,3% BBP, 9e , ook grootste stijging). Ierland viel in 2008 onder de 8 EU landen die geen apart budget hadden voor volksgezondheid (in 2000 nog 0,3% van de uitgaven). In Ierland verdeelt de HSE veruit het meeste geld voor de zorg. In 2007 lagen volgens de wereld gezondheid organisatie WHO de HSE uitgaven op €13,4 miljard, 12,5% meer dan in 2006 en ging in 2006 nog maar 38% van het HSE geld naar ziekenhuiszorg (49% in 1998). Verder steeg volgens deze bron tussen 2004 en 2007 het aandeel voor 1e lijn, chronische en gemeenschapszorg van 59 naar 61% (€8,2 miljard, +15,5% t.o.v. 06), met als grootste post gratis zorg (zorgpasjes en medicijnen: €1,72 miljard, 13% van het totaal, +20%), gevolgd door ouderenzorg (€1,57 miljard, +50%), gehandicaptenzorg (€1,5 miljard, +25%), 1e lijn en gemeenschapszorg (€1,4 miljard, +8%), GGZ (€1 miljard, +2%) en kinderen en gezinnen (€0,64 miljard, +5%). Het ministerie zelf had in 2007 nog €442 miljoen te besteden (+21%).

Het deel van het huishoudbudget dat men in Ierland uitgeeft aan gezondheid lag in 2008 met 3,8% iets boven de Eu normaal (3,5%, Eurostat). Eind 2007 had 30% van de Ieren een zorgpasje dat gratis zorg verschafte. Om tegen te gaan dat men onverzekerd rondloopt kwamen in 2001 alle 69plussers onder categorie 1 en werd in 2005/06 binnen categorie 2 de inkomensgrens voor een GP visit card (gratis bezoek huisarts) verruimd naar 50% boven de inkomensnorm voor categorie 1. In 2008 konden via sociale zaken oogarts en tandartskosten worden vergoed en ruim de helft van de bevolking was toen privaat aanvullend verzekerd voor eigen bijdragen in de 2e en 3e lijnszorg. Toen viel ook ruim de helft van de Ieren onder categorie 2. Voor hen kennen de eigen bijdragen voor medicijnen een maximum (€90 p/m in 2008). Begin 2007 telde men 2,91 miljoen rechthebbenden op gratis of goedkopere medische zorg (Drugs Payment Scheme:1,5 miljoen of 36% van de bevolking, GP visit card 1,2 miljoen of 28,9%; Long Term Illness Scheme 106,000 of 2,5%). Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders vrijwel gemiddeld naar Eu maatstaf (20%, NL 26%, BE 36%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben was het deel dat inschatte dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden relatief klein (38%, EU 48%, NL 35%, BE 70%) evenals het deel dat dacht dat partner, familie of naasten ervoor op zou draaien (27%, EU 39%, NL 9%, BE 44%). Het segment dat dacht dat de privé verzekering het zou betalen was iets boven gemiddeld (19%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) en het deel dat dacht dat overheid of sociale zekerheid de kosten zouden dekken gemiddeld (31%, NL 51%, BE 34%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

Naast huisartsen vallen onder de 1e lijnszorg gemeentelijke diensten op het vlak van verpleging en thuiszorg, sociaal werk, zwangerschap, fysio, bezigheid of voettherapie, logopedie, kinder en jeugdzorg en tand en oogheelkunde. In 2001 had 51% van de huisartsen een individuele praktijk (2 artsen 26%, 3 artsen 15%, 4 of meer 6%). De meeste artsen hebben 1 of meer verpleegkundigen in dienst en hebben patiënten van zowel categorie 1 als 2. Men wil toewerken naar 1e lijnteams met rond 20 leden voor gemiddeld 5000 mensen. De huisarts is in Ierland poortwachter. Een direct bezoek zonder urgentie aan de poli voor spoedeisende hulp kost bijv. €60. Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j lag in 2005 vrijwel op de EU27 normaal (7 om 6,8). Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging lag eind 2006 verder onder het EU gemiddelde dan najaar 2009 (52 om 62%; EB 272e/ wave 66.2; 09: 54 om 57%, EB 330, wave 72,3). Op de DMFT index scoorde men in 2003 met 1,1 kinderkies/ tand waar wat mee is 8e onder 19 EU landen. Najaar 2009 was het volksdeel dat het hele natuurlijke gebit nog had relatief groot (51%, EU27 41%) en het segment met kunstelementen in het gebit lag ook boven de Eu normaal (36 om 31%).

Eind 2006 ondergingen relatief weinig 15plussers in het jaar vooraf poliklinisch onderzoek. M.n. bij vrouwenkwalen was de deelname naar EU maatstaf laag (borstonderzoek doorlichten 21 om 31%, handmatig 37 om 43%; eierstokken 11 om 20%, uitstrijkje 27 om 41%, overig gynaecologisch 13 om 32%, botontkalking 9 om 14%). Als aangever scoorde eigen initiatief relatief goed en de huisarts en bevolkingsonderzoek scoorden naar verhouding slecht. De PSA test voor mannen (prostaatkanker) kwam als enige boven het EU gemiddelde (15 om 13%). Hartonderzoek (26 om 27%) en onderzoek overige kanker (11 om 12%) en dikke darm (7 om 8%) kwamen er dicht bij (verder: cholesterolmeting 30 om 38%, ogentest 29 om 38%, bloeddruk 46 om 59%, doorlichten/ ultrageluid 24 om 38%, gehoortest 8 om 16%.

Aan zorgpersoneel telde men in 2007 per 10.000 inwoners een gemiddeld aantal praktiserende artsen (30, OESO landen 31) en veel verpleegkundigen (155, hoogste 19EU landen in de OESO, OESO 96). Tussen 1990 en 2007 groeide p/j het aantal artsen met een praktijk met 2,8% (OESO +2%) en hat aantal verpleegkundigen met 1,5% (OESO +1,4%, bron OECD Health at a glance 2009). Rond 2008 telde men in de 2e lijnszorg ruim 100 ziekenhuizen, 53 algemene acute zorg ziekenhuizen van de HSE (12.500 bedden in 06), 29 ziekenhuizen die door de overheid worden betaald van kerken etc. (voluntary hospitals) en 20 veelal kleine privé ziekenhuizen. In de algemene ziekenhuizen  houdt men maximaal 20% van de bedden vrij voor privé patiënten. In de 2e lijn ligt nadruk op ambulante zorg en er zijn te weinig bedden voor meer langdurige opname. Qua technologische uitrusting telde men in 2007 per miljoen inwoners 14,3 CT scans (11e van 19 EU landen), 8,5 MRI scans (9e van 19); 1 PET scan; 9 eenheden stralingstherapie uitrusting (2e van 14) en 14 mammografen (10e van 11 landen, bronnen: Eurostat en WHO). Het aantal ziekenhuis bedden per 100.000 inwoners is klein naar EU27 maatstaf en zakte sneller dan gemiddeld in de EU (519 in 2007; -17,5% t.o.v. 2000: EU27 590 in 05; -9%). Verder was het aandeel curatieve bedden klein (51%, EU 68,5%) en het aandeel psychiatrische (16,5 om 10%) en andere chronische zorgbedden (31 om 8%) groot. De dichtheid aan bedden voor spoedopnames is erg laag (267, EU 406 in 07) en de bezetting van bedden erg hoog (tussen 85 en 90% rond 2007 (EU15 tussen 75 en 80%). De verblijfsduur lag in algemene ziekenhuizen op 5,9 dagen, 0,7 dag korter dan in 1995, (OESO 6,6d, -2,3 dag). Naast de 12.500 bedden in de algemene ziekenhuizen telde men 2100 bedden in regio en gemeenteziekenhuizen waar vaker langdurige zorg werd verleend (verblijfsduur 48 dagen). Het aandeel ziekenhuisopnames is naar verhouding klein (13,5% van de bevolking; EU27 17,5% in 2008). Voor veel operaties gelden m.n. voor categorie 1 patiënten lange wachttijden. In 2008 zakte het aantal opnames voor het eerst sinds 1999 (595.000, -0,7%) en het aantal  dagbehandelingen ging met 7% omhoog naar 770.000.

Tussen 2005 en 2007 zijn qua sociale en langdurige zorg de uitgaven voor thuiszorg voor ouderen met 58% gestegen naar €174 miljoen. De GGZ uitgaven gingen 45% omhoog. In Ierland is het beleid er op gericht om hulpbehoevende bejaarden zolang mogelijk thuis te laten wonen. Houders van een medische kaart hebben recht op gratis 1e lijnzorg. In 2002 maakten 18.700 mensen gebruik van de voordelen die de sociale dienst biedt voor het geven van mantelzorg. In 2006 telde men 24.250 chronische zorg plaatsen die voor 92,5% werden ingenomen door 65plussers, Daarvan bevond ruim de helft zich in tehuizen van kerken etc. en private tehuizen. De kosten zijn inkomen afhankelijk en men wil het mogelijk maken ze te betalen vanuit de nalatenschap. Ook in de GGZ wil men opname zoveel mogelijk voorkomen. Het aantel opnames liep terug van 50.000 in 1986 naar ruim 20.000 in 2006 (gemiddelde verblijfsduur 27,5 dagen), maar het aandeel onvrijwillige opnames is naar EU maatstaf groot. Eind 2007 waren 3314 psychiatrische patiënten opgenomen, waarvan ruim 1000 gedurende 5 jaar of langer en 10% onvrijwillig. Voor alternatieve gemeenschap voorzieningen wil men multidisciplinaire teams instellen, maar het valt niet altijd mee om er mensen voor vinden. Ook is het bijv. in sommige gemeenten moeilijk om plek te vinden voor begeleide woonvormen. Ook (gebrek aan) communicatie met de huisarts en het gebrek aan voorzieningen en de voorzieningen schuwheid binnen de traveller (autochtone zigeuner) gemeenschap vormen aandachtspunten. In 2002 werkten 7900 lichamelijk gehandicapten in 215 beschermde werkplaatsen en in revalidatie settings was plaats voor 2500 mensen. .

De tevredenheid over kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van thuiszorg en verpleeghuizen liet in 2007 naar EU maatstaf te wensen over. Tussen 2000 en 07 zakte het aantal bedden per 10.000 inwoners in chronische zorginstellingen buiten de psychiatrie van 18,4 naar 16,1. Daarmee bleef het ver boven de EU normaal (EU15: van 3,8 naar 3,4 tussen 2000 en 2005). De psychiatrie ging van 14,2 naar 8,6 bedden. Dit aantal bleef groot, maar nam relatief sterk af (-37%; EU27 6/10.000 in 07, -13%; Eurostat). In 2007 was het aandeel Ieren dat zelf of in de nabije omgeving in aanraking was gekomen met chronische zorgbehoefte aan de kleine kant (39%, EU 42%), evenals het deel daarvan dat de geboden zorg en hulp volledig adequaat vond (48%, laagste EU, EU 58%). Op deze website staat bij Ierland onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Ieren, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007gedaan veldwerk). Daarbij scoorden thuishulp, bij familie thuis en chronische zorginstelling relatief hoog. De eerste 2 vormen waren wellicht meer in trek dan realiseerbaar en voor de laatste vorm gold het omgekeerde. Het segment dat “weet niet” aanvinkte was eveneens relatief groot in Ierland.

Vorm van steun of hulp

Ier %

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

36

34

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

19

21

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

14

18

13

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

7

10

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

12

6

16

8

16

11

9

8

Weet niet

12

11

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting was in 2008 in Ierland met 79,9j nog aan de lage kant naar Eu15 maatstaf (EU15 80,6j). Het verschil tussen mannen en vrouwen was klein (4,8 jaar; EU27 6,2j). Bij mannen lag de verwachting op 77,5j (EU15 77,7j in 07) en de stijging was relatief groot na 1997 (+4,1j; Eurolanden +3j). Bij vrouwen bedroeg de verwachting 82,3j (EU15 83,5j in 07) en ook bij hen ging de verwachting relatief sterk omhoog (4,8j, Eurolanden 2,2j). In 2007 lag de gezonde levensverwachting voor 65 jarigen boven de EU27 normaal (m 9,6j. EU 8,7j; v 10,4j; EU 8,9j). De sterfte per 10.000 inwoners lag in 2008 rond of iets boven de EU15 standaard (56,8; EU 56 in 07; Eurostat). De daling na 2000 was groot (-19/10.000; EU15 -9). Naar doodsoorzaken is de sterfte aan infarcten aan de hoge kant (20,8; EU15 18,6 in 07), maar de daling na 2000 was groot naar EU15 maatstaf (34 om 25%). Dit kwam m.n. door hoge sterfte aan een hartinfarct (10,2 om 7; daling 38% om 27%, herseninfarct 4,2 om 4,3; daling 37 om 28%). De sterfte aan kankertumoren was ook aan de hoge kant, evenals de daling (18,4, -11%; EU 17, -9%: longen/ luchtwegen 3,7; -15%, EU 3,7, -5%; borst 1,4; -22%, EU 1,3, -13%; dikke darm 1,2, -33%, EU 1,3, -11%, endeldarm 0,9, +50%: EU 0,5, -10%; keel/ mond 0,3, -20%, EU 0,4; -15%; prostaat 1,1, -19%, Eu 0,8; -10%). De sterfte aan ziektes van het ademhalingstelsel is hoog (6,7 om 4,4), maar flink gedaald (44 om 20%). Relatief veel Ieren vinden een voortijdig einde door externe oorzaken (3,9 om 3,3; zelfmoord 1 om 0,9; -15 om -14%, verkeersongelukken 0,68 om 0,74, -34 om -30%).

Sinds 2005 kent de HSE een directoraat voor de volksgezondheid. Dit gaat bijv. over inentingscampagnes. Men heeft zich ten doel gesteld dat 95% van de bevolking is ingeënt tegen een aantal kwalen. De aandelen stijgen wel, maar in 2007 kwam men landelijk bij mazelen tot 87%, bij BMR (bof, mazelen en rode hond), difterie, kinkhoest, polio en menengokok tot 86% (5 na laagste EU) en bij Hib ziekten tot 68%. In 2000 is voor vrouwen tussen 50 en 65 een check om de 2 jaar ingesteld tegen borstkanker. Deze geldt sinds 2007 landelijk. Toch was in 2008 de sterfte aan borstkanker hoger dan in 2007 (1,7; +16%). De diverse campagnes tegen ongezond leven en eten, om de gezondheid op de werkvloer te bevorderen of om het her en der hoge zelfmoordcijfer omlaag te halen zijn vaak regionaal toegespitst en op basis van een 5 jarenplan. Ook de zorgachterstand bij groepen als travellers (Ierse zigeuners), daklozen, asielzoekers, etnische minderheden en arme bejaarden is niet onopgemerkt gebleven. De functie van Community Welfare officer is daartoe in het leven geroepen, m.n. om een oogje in het zeil te houden bij kinderen uit deze groepen. In 2004 voerde Ierland als eerste EU land een rookverbod in voor de publieke ruimte (incl. de horeca).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Ierland, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (Eurobarometer 272e wave 66.2). De Ieren waren hierover toen binnen de EU het meest positief gestemd.

Gezondheid

Ierland

NL

BE

EU25

Goed

89

82

81

73

Redelijk

8

14

14

20

Slecht

3

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

19

26

23

29

Nee

79

74

77

70

Weet niet

2

0

0

1

Ook voorjaar 09 was het deel dat tevreden was over de eigen gezondheid het grootst binnen de EU (92 om 81%; Special EB 308). Het volksdeel met een chronische kwaal was eind 2006 het kleinst binnen de EU (19 om 29%). Onder 13 klachten groepen lag  slechts bij astma (7%) en kanker (2%) het aandeel op het EU gemiddelde. Bij de rest lag het daar onder en bij 6 groepen was het segment het kleinst binnen de landengroep (staar 1 om 4%, bronchitis 2 om 5%, spier/ gewrichtsklachten 10 om 22%, diabetes 3 om 6%, hoge bloeddruk 11 om 19%, allergie 12 om 17%). Het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was ook het kleinst binnen de EU (18 om 30%). Het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag onder de Eu normaal (21 om 25%). Bij 14 specifieke klachten scoorden de Ieren bij 3 relatief hoog (astma 15 om 9%, botontkalking 13 om 8%, bronchitis 5 om 4%), bij 4 rond de EU normaal (hoge bloeddruk 37%, reuma/ artritis 23%, maagzweer 3%, botontkalking 7%) en bij 2 (hoofdpijn/ migraine 1 om 5%, hersenbloeding 0 om 4%) het laagst binnen de Eu (verder: diabetes 12 om 15%, allergie 3 om 6%, kanker 3 om 4%, staar 1 om 2%, angst/ depressie 6 om 10%). Een gemiddeld aandeel vrouwen van 50+ (41%) had weet van hormoontherapie bij overgangsklachten en het gebruik ervan lag laag (2 om 6%: Eurobarometer 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Ierland (IE) in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn (behalve bij afgepeigerd) redelijk tot goed scoorde in vergelijking met de EU25 (Bron EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06).

Item in %

IE

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

82

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

67

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

65

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

61

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

83

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

78

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

61

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

30

36

43

34

Nooit/ zelden moe

30

36

43

34

De invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) leek begin 06 in Ierland niet al te groot naar Eu maatstaf (minder presteren dan men wilde 16%, EU 18%, slordiger dingen doen 9 om 14%, minder tijd in dingen steken 10 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4) en het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist lag iets onder de EU standaard (5 om 6%). De groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten was ook onder gemiddeld (17 om 21%). Wanneer men emotioneel klem zou komen te zitten, zou in Ierland een relatief groot volksdeel professionele hulp zoeken (64%, EU 50%, BE 51%, NL 38%), een gemiddeld deel zou steun zoeken bij vrienden (21%, BE 33%, NL hoogste EU met 37%), een geestelijke (2%; EU, BE en NL 2%) of een hulplijn ((2%, BE en NL 1%) en relatief weinigen bij familie (42%, EU 53%, BE 54%, BL 49%). Begin 2006 was het volksdeel dat hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem naar EU maatstaf gemiddeld qua grootte (14%, NL 17%, BE 12%; huisarts 13%, EU 9%; apotheek 2 om 2%, psycholoog 1 om 2%; verpleegkundige 1 om 0%, sociaal maatschappelijk werk 1 om 0%, andere hulpverlener 1 om 2%). De huisarts trok 77% van de hulpzoekers (EU 70%, NL 45%, BE 66%). De groep die om dit soort redenen in het jaar vooraf medicijnen nam (6 om 7%, NL en BE 8%) of psychotherapie kreeg (3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%) of opgenomen was geweest (1%, NL ook 1%, BE hoogste EU met 5%) was (vrijwel) gemiddeld. Onder degenen die hulp hadden gezocht was de groep die het moeilijk vond om aan info te komen vrijwel gemiddeld (35 om 37%) en bij wie geen hulp zocht was die klein (13 om 27%). Chronische angst en depressie werd begin 2006 door slechts 4% aangevinkt (EU 9%). De tabel hierna toont hoe in Ierland (IE) de kijk op (mensen met) psychische problemen tamelijk open was.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

IE

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

58

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

25

25

32

37

worden nooit weer beter

10

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

6

6

10

1

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Ierland, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA 24). De Ieren vielen binnen de Eu bij overgewicht, weinig bewegen, lawaaierige omgeving en werkstress onder de laagste 3 en bij teveel alcohol en geen van de problemen onder de top3.

Item in %

Ier

NL

BE

EU25

Rokers

30

24

27

30

Overgewicht

14

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

15

28

29

24

Ongezond eten

13

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

14

7

8

7

Lawaaierige omgeving

3

5

10

8

Vervuilde omgeving

3

8

7

6

Werkstress

11

16

22

17

Relatiestress

14

7

11

10

Geen van deze problemen

40

31

24

32

In 2005 lag het volksdeel met ernstig overgewicht (12%) iets boven en het deel met ernstig ondergewicht onder de EU15 normaal (2 om 3%, bron Eurlife indicator). In 2004 was het volksdeel dat nooit sportte klein naar EU maatstaf, maar eind 2005 waren ook relatief weinigen op allerlei andere wijzen dagelijks fysiek actief (zie onder sport op deze website). Rond 2000 was het gedeelte dagelijkse rokers van sigaretten onder 15plussers met 22% (m 24%, v 21%) relatief klein (EU 31%, Eurostat). Andere tabaksrokers meegerekend kwam men in 2008 op 25% (EU27 26%, NL en BE 24%; bron Flash EB 253). Men kent sinds 2004 een rookverbod in de publieke ruimte (incl. de horeca). Wel heeft men vaak een (verwarmde) rookplek met zitjes etc. buiten en in hotels kunnen soms kamers worden gehuurd waarin men mag roken. In 2002/03 viel het gebruik van cannabis in de maand voor de vraagstelling (15 j en ouder: 3%, 15-35j 4%, 15-25j 5%) rond het gemiddelde van 24 EU landen. In oktober 2006 lag het contingent voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik op 30% (5e EU25, EU en BE 26%; NL 49%, hoogste: Standard EB 66). In mei 2008 was bij 15-25 jarigen 39% voor gereglementeerd vrijgeven (EU 31%, BE 35%, NL 52%, Flash EB 233) en 77% dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen (EU 63%, NL 71%, BE 69%). Het deel dat het risico van cannabisgebruik erg groot achtte (30%, EU27 40%: NL 26%, BE 32%) en het gedeelte voorstanders van een verbod op cannabis (61 om 67%) was relatief klein. Het deel dat vrijgeven van drugs effectief beleid achtte was het grootst binnen de EU (23%, EU 13%, NL 21%, BE 8%). Het gedeelte Ierse jongeren dat tabak erg riskant vond was gemiddeld (28%, EU28%: NL 20%, BE 24%), maar bij alcohol was het klein (13%; EU 24%, NL 20%, BE 18%). Het segment voorstanders van een verbod op tabak was aan de grote kant (20%, Eu en BE 18%, NL 9%), maar een verbod op alcohol scoorde erg laag (3%; NL 0,5%; BE 5%, EU 9%).

In 2004 waren de Ieren met 132 liter per hoofd p/j na de Tsjechen grootste bierdrinker ter wereld. Hiermee overtroffen ze de Duitsers (de Belgen stonden 8e met 93 l en de Nederlanders 14e met 79 l). Officieel lag in 2005 de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers volgens de WHO op 10,6 liter per hoofd (EU 9 l, NL 7,8 liter in 2003). De OESO kwam voor 2006 echter op 13,4 liter (OESO 9,6 l). Desondanks lag eind 2006 het aandeel geheelonthouders niet ver onder de Eu25 normaal (22%, Eu 25%; BE 21%, NL 10%). Het volkdeel dat de gevolgen van alcoholgebruik eigen verantwoordelijkheid vindt was relatief klein (42%, Eu 52%; verantwoordelijkheid overheden 47 om 44%). De alcoholverkoop lijkt in Ierland naar EU maatstaf tamelijk prijsafhankelijk. Het volksdeel dat minder zou kopen als het 25% duurder werd lag op de EU normaal (33%), maar het deel dat meer zou kopen als het een kwart goedkoper werd lag daar boven (21 om 15%). Het aandeel voorstanders van een verbod op alcoholreclame gericht op jongeren (74%) ligt vrijwel op de Eu normaal. Voor automobilisten geldt een grens van 0,8 promille, maar het volksdeel dat dit niet wist was relatief groot (66 om 36%). De tabel  hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Ierland, NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

Ier

NL

BE

EU25

Dagelijks

2

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

34

12

13

7

Eens p/w 5 of meer glazen

37

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

17

8

9

13

De Ieren scoren op 5 of meer glazen per sessie en eens per week 5 of meer glazen het hoogst binnen de EU.

Eetgedrag

Over het algemeen eten net als elders hoog opgeleiden ge­zonder en roken en drinken ze minder dan laag opgeleiden. Rond 2008 aten Ieren per hoofd naar EU maatstaf weinig graan en peulvruchten, een gemiddelde hoeveelheid suiker en veel aardappelen en vlees. De consumptie van aardappels is na 1999 wel flink gezakt. Eind 2005 vond een ruim gemiddeld aandeel Ieren dat ze gezond tot erg gezond eten (88%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%) en in 2007 was het deel dat vond dat men ongezond eet iets onder gemiddeld (13 om 14%). Eind 2005 lag het volksdeel dat een gezond dieet associeerde met minder zout (31%, EU 19%), suiker (35 om 28%), koolhydraten (11 om 7%) en groente en fruit (4 om 2%), met gevarieerd eten (65 om 59%) of met meer vis (32 om 25%) boven de EU normaal. Het deel dat het in verband bracht met minder vet (47%), calorieën (23%) en toevoegingen (12%), met biologisch eten (8%) en met meer groente en fruit (59%) of vlees (3%) lag daar (vrijwel) op. Relatief weinig Ieren associeerden het met meer koolhydraten (5 om 8%) of minder vlees (14 om 16%).

Het segment dat moeite had zich aan een gezond dieet te houden was niet al te groot (25%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werden gezond is niet lekker (35 om 23%), gebrek aan controle over wat men eet (kantines, junkfood e.d. 38 om 27%) en kost teveel tijd (35 om 31%) veel en tegenstrijdige en verwarrende info over wat gezond is (10 om 15%) en gebrekkige info (8%) relatief weinig opgevoerd als excuus. Een tamelijk groot aandeel Ieren was in het jaar vooraf op dieet geweest (24%, EU 20%) of had eetgewoonten veranderd (27 om 22%). Qua verandering scoorde men bij minder zout (36 om 27%) of calorieën (41 om 38%) en meer water (48 om 43%) duidelijk boven de EU normaal en bij minder vlees (15 om 20%) of suiker (35 om 39%) bleef men daar duidelijk onder. Relatief velen gingen op dieet om gezond te blijven (40 om 30%) en naar verhouding weinigen vanwege een kwaal (12 om 18%).

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen (94 om 85%) en het deel dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt dan 5 jaar eerder (87 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (85 om 83%) boven de EU normaal. M.b.t. de schuldvraag omtrent het laatste zag 73% ouders (EU 71%), 12% reclame (EU 18%), 10% vriendjes (EU 5%) en 3% wat kinderen op school leren (EU 3%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kon als 1e maatregelen meer info voor ouders (40%, EU 34%) en meer les over gezond eten (26 om 20%) op relatief veel steun rekenen. Beperking van adverteren in kinderprogramma’s op TV (13 om 15%) en m.n. betere schoolmaaltijden (3 om 11%) kregen relatief weinig steun (bron: Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).