Landschap, grondgebruik en natuurlijke hulpbronnen

Geografie

In het uiterste noorden van Duitsland ligt (onderbroken door het aan Denemarken gren­zende Sleeswijk-Holstein) de wadden en Oostzeekust met een aantal eilanden. Zo’n 60 km ten noorden van de meest oostelijke Duitse waddeneilanden rijst de rotskust van het eilandje Helgoland op. Omdat de waddenzee bij eb vrijwel droog valt kan men dan over de bodem van de zee de soms tot meer dan 20 km lange oversteek maken tussen de eilanden en de wal (wadlopen). Ten zuiden van de waddenkust volgt de 150 tot 200 km brede Noordduitse laagvlakte. Aan de waddenzeekant is deze vrijwel vlak, maar vanaf Sleeswijk-Holstein wordt ze naar het oosten toe glooiend. Deze laagvlakte wordt van zuid naar noord doorsneden door rivie­ren die onderling zijn verbonden door kanalen. De Eems, de Wezer en de Elbe monden uit in de Noordzee en de Oder, de grensrivier met Polen, in de Oostzee. De aanleg rond 1890 van het bijna 100 km lange Noordoostzeeka­naal (het Kielerkanaal in de volksmond) dwars door Holstein was m.n. de Denen een doorn in het oog. Thans is het een drukbevaren route waar een flink cruiseschip inpast. 

Verder naar het zuiden wordt het landschap heuvelachtiger tot bergachtig. Hier zijn een aantal bergke­tens waarvan de hoogte varieert tussen 200 en 1500 meter. De meest noordelijke verho­ging is het Teutoburgerwoud waarvan de heuvels in de buurt van het Twentse Oldenzaal de uitlopers vormen. In het zuidwesten van Duitsland worden de heuvels en bergruggen doorsneden door de dalen van de Rijn en haar zijrivieren. Naar het zuiden toe komt het land langzaam verder boven de zeespiegel te liggen. Het laagst gelegen deel van zuid Duitsland (zo’n 300 hoog) wordt gevormd door de stroomdalen van de Do­nau en haar zijrivieren. Zuidelijk van de Donau gaat het middengebergte geleidelijk over in de alpen en in het uiterste zuiden zijn langs de Oostenrijkse grens de Beierse alpen dominant (hoogste top: de Zugspitze op bijna 3000 meter). Omdat de Alpen jonger zijn dan het Duitse middengebergte zijn ze hoger en spitser.

Landschap

Vanaf de Nederlandse grens zet de waddenkust zich voort met aan de Noordzeekant een zevental waddeneilanden. Daarop volgen de brede trechtervormige mondingen van Weser en Elbe, waarna de waddenkust zich aan de westkant van Sleeswijk herstelt en doorgaat tot in Denemarken. Aan de Oostzeekust aan de oostkant van Sleeswijk-Hol­stein is de getijdenwerking minder sterk. Hier zijn, net als in Denemarken, fjorden en stranden. Tot aan de Poolse grens wordt de kust weer vlak met strandmeren. Hier ligt onder meer het eiland Rügen  dat een vaste trein en wegverbinding met de wal heeft. Vlak bij de kust en langs de rivierstelsels die de laagvlakte doorkruisen overheerst klei­grond met weilanden en bouwland. Voor het overige bestaat de noord-Duitse laagvlakte vooral uit veen en zandgronden met veel bossen, heidevelden (bijv. de Lüneburger heide), moerassen en her en der meren. In het hoger gelegen Midden-Duitsland worden beboste toeristische bergstreken afgewisseld met stedelijke agglomeraties en in­dustrie en mijnbouwgebieden. Op de berghellingen en in de rivierdalen liggen hier wijngaarden. Ter hoogte van Limburg bevindt zich een gebied met vruchtbare lössgrond. In het zuiden is benoorden de Alpen sprake van een glooiend landschap met boeren­land, bos, moeras, meren en rivierdalen. De 75 km lange en 15 km brede Bodensee, het grootste meer van Duitsland vormt deels de grens met Zwitserland.

Bodemgebruik, milieu en natuurlijke rijkdommen en risico’s

Tussen 1996 en 2004 daalde het deel van het Duitse grondoppervlak dat in gebruik was als landbouwgrond van 54,1 naar 53% en voor overige doeleinden van 2,1 naar 1,7%. Het gedeelte met wegen en bebouwing groeide van 11,8 naar 12,8% (6,7% bebouwing; 4,9% wegen, 1,6% tuinen, parken en recreatiegebieden) en het met bos bedekte deel van 29,4 naar 29,8% (in Rijnland-Pals, Hessen en Saarland rond 40%). Het gedeelte wateroppervlak (2,3%) bleef vrijwel gelijk. Van het bos bestaat 58% uit naaldbomen. Onder het loofbos komt beuken (15%) en eikenbos (10%) het meest voor, maar op de Noordduitse laagvlakte staan ook veel berken, elzen en wilgen. Het bos is voor 44% privé-bezit en voor 30% staatsbos en 19,5% is in bezit van een bedrijf of instantie. De dierenwereld in het noorden en westen van Duitsland lijkt veel op die van Nederland, het midden van het land kent de flora en fauna van Limburg en in het uiterste zuiden overheersen de soorten die in de Alpen thuishoren. In Duitsland broeden zo’n 500 paren zeearenden (de adelaar in het Duitse wapen) en in de bergen komen steenarenden voor.  Elanden en wolven waren aanvankelijk uitgestorven, maar beginnen aarzelend terug te komen. Voorbeelden van verwilderde importsoorten die zich definitief gevestigd hebben zijn de wasbeer en de wasbeerhond. Tussen 1992 en 2002 telde men in Duitsland aan soortenrijkdom 2682 hogere planten (waarvan 12 bedreigd in 2002), 76 zoogdieren (11 bedreigd), 247 broedvogels (5 bedreigd), 16 reptielen, 20 amfibieën en 95 vissoorten (6 bedreigd). In 2003 was maar liefst 31,7% van het oppervlak op enigerlei wijze beschermd natuurgebied (Europa 8,4%). Duitsland telt 6300 natuurreservaten. Daaronder vallen 14 grotere nationale parken en 19 Unesco biosfeerreservaten. 

Op de EPI (Environmental Performance Index) 2008, die de milieubeleidprestaties van 149 landen rangschikt op 25 indicatoren op de 6 beleidsterreinen milieugezondheid, luchtvervuiling, watervervuiling, biodiversiteit en leefmilieu, natuurlijke hulpbronnen en klimaatverandering stond Duitsland 13e in de wereldrangschikking van 149 landen en 6e in de rangschikking van de 27 EU landen. Duitsland kent een strenge milieuwetgeving en op de meeste indicatoren scoort men dan ook boven het EU gemiddelde. De lage scores waren vooral terug te voeren op te intensief gebruik van hulpbronnen (m.n druk op de beschikbare hoeveelheid water, intensieve visserij). Begin 2005 stond zorg voor het milieu bijbrengen als opvoedingswaarde in aanzien. Van de Duitsers vond 87% (EU25 79%) het erg belangrijk en 12% (EU18%) gewoon belangrijk.

In het land worden meerdere delfstoffen gewonnen zoals ijzererts in centraal Duitsland (bijv de deelstaat Hessen ten westen van de Rijn ter hoogte van de Belgische Ardennen), steenkool in het Ruhrgebied en Saarland, bruinkool, zout en porseleinaarde in het oosten en aardgas en aardolie in Noord Duitsland. Vanwege het milieuvervuilende effect en omdat het nauwelijks uit kan neemt de winning van bruin en steenkool af. In 2005 kwam van de energieproductie 61,5% uit fossiele brandstof, 26,5% uit kernenergie en de rest (12%) uit schone bronnen (waterkracht 4,5%, wind 4,4%; biomassa en afval 3,2%). Natuurverschijnselen die regelmatig schade aanrichten zijn overstromingen langs de kusten en rivieren, stormen in het winterhalfjaar in de Noordduitse laagvlakte en Sleeswijk-Holstein en overvloedige sneeuwval en föhnwinden met lawines in Beieren.

 

Geografie

In het uiterste noorden van Duitsland ligt (onderbroken door het aan Denemarken gren­zende Sleeswijk-Holstein) de wadden en Oostzeekust met een aantal eilanden. Zo’n 60 km ten noorden van de meest oostelijke Duitse waddeneilanden rijst de rotskust van het eilandje Helgoland op. Omdat de waddenzee bij eb vrijwel droog valt kan men dan over de bodem van de zee de soms tot meer dan 20 km lange oversteek maken tussen de eilanden en de wal (wadlopen). Ten zuiden van de waddenkust volgt de 150 tot 200 km brede Noordduitse laagvlakte. Aan de waddenzeekant is deze vrijwel vlak, maar vanaf Sleeswijk-Holstein wordt ze naar het oosten toe glooiend. Deze laagvlakte wordt van zuid naar noord doorsneden door rivie­ren die onderling zijn verbonden door kanalen. De Eems, de Wezer en de Elbe monden uit in de Noordzee en de Oder, de grensrivier met Polen, in de Oostzee. De aanleg rond 1890 van het bijna 100 km lange Noordoostzeeka­naal (het Kielerkanaal in de volksmond) dwars door Holstein was m.n. de Denen een doorn in het oog. Thans is het een drukbevaren route waar een flink cruiseschip inpast. 

Verder naar het zuiden wordt het landschap heuvelachtiger tot bergachtig. Hier zijn een aantal bergke­tens waarvan de hoogte varieert tussen 200 en 1500 meter. De meest noordelijke verho­ging is het Teutoburgerwoud waarvan de heuvels in de buurt van het Twentse Oldenzaal de uitlopers vormen. In het zuidwesten van Duitsland worden de heuvels en bergruggen doorsneden door de dalen van de Rijn en haar zijrivieren. Naar het zuiden toe komt het land langzaam verder boven de zeespiegel te liggen. Het laagst gelegen deel van zuid Duitsland (zo’n 300 hoog) wordt gevormd door de stroomdalen van de Do­nau en haar zijrivieren. Zuidelijk van de Donau gaat het middengebergte geleidelijk over in de alpen en in het uiterste zuiden zijn langs de Oostenrijkse grens de Beierse alpen dominant (hoogste top: de Zugspitze op bijna 3000 meter). Omdat de Alpen jonger zijn dan het Duitse middengebergte zijn ze hoger en spitser.

Landschap

Vanaf de Nederlandse grens zet de waddenkust zich voort met aan de Noordzeekant een zevental waddeneilanden. Daarop volgen de brede trechtervormige mondingen van Weser en Elbe, waarna de waddenkust zich aan de westkant van Sleeswijk herstelt en doorgaat tot in Denemarken. Aan de Oostzeekust aan de oostkant van Sleeswijk-Hol­stein is de getijdenwerking minder sterk. Hier zijn, net als in Denemarken, fjorden en stranden. Tot aan de Poolse grens wordt de kust weer vlak met strandmeren. Hier ligt onder meer het eiland Rügen  dat een vaste trein en wegverbinding met de wal heeft. Vlak bij de kust en langs de rivierstelsels die de laagvlakte doorkruisen overheerst klei­grond met weilanden en bouwland. Voor het overige bestaat de noord-Duitse laagvlakte vooral uit veen en zandgronden met veel bossen, heidevelden (bijv. de Lüneburger heide), moerassen en her en der meren. In het hoger gelegen Midden-Duitsland worden beboste toeristische bergstreken afgewisseld met stedelijke agglomeraties en in­dustrie en mijnbouwgebieden. Op de berghellingen en in de rivierdalen liggen hier wijngaarden. Ter hoogte van Limburg bevindt zich een gebied met vruchtbare lössgrond. In het zuiden is benoorden de Alpen sprake van een glooiend landschap met boeren­land, bos, moeras, meren en rivierdalen. De 75 km lange en 15 km brede Bodensee, het grootste meer van Duitsland vormt deels de grens met Zwitserland.

Bodemgebruik, milieu en natuurlijke rijkdommen en risico’s

Tussen 1996 en 2004 daalde het deel van het Duitse grondoppervlak dat in gebruik was als landbouwgrond van 54,1 naar 53% en voor overige doeleinden van 2,1 naar 1,7%. Het gedeelte met wegen en bebouwing groeide van 11,8 naar 12,8% (6,7% bebouwing; 4,9% wegen, 1,6% tuinen, parken en recreatiegebieden) en het met bos bedekte deel van 29,4 naar 29,8% (in Rijnland-Pals, Hessen en Saarland rond 40%). Het gedeelte wateroppervlak (2,3%) bleef vrijwel gelijk. Van het bos bestaat 58% uit naaldbomen. Onder het loofbos komt beuken (15%) en eikenbos (10%) het meest voor, maar op de Noordduitse laagvlakte staan ook veel berken, elzen en wilgen. Het bos is voor 44% privé-bezit en voor 30% staatsbos en 19,5% is in bezit van een bedrijf of instantie. De dierenwereld in het noorden en westen van Duitsland lijkt veel op die van Nederland, het midden van het land kent de flora en fauna van Limburg en in het uiterste zuiden overheersen de soorten die in de Alpen thuishoren. In Duitsland broeden zo’n 500 paren zeearenden (de adelaar in het Duitse wapen) en in de bergen komen steenarenden voor.  Elanden en wolven waren aanvankelijk uitgestorven, maar beginnen aarzelend terug te komen. Voorbeelden van verwilderde importsoorten die zich definitief gevestigd hebben zijn de wasbeer en de wasbeerhond. Tussen 1992 en 2002 telde men in Duitsland aan soortenrijkdom 2682 hogere planten (waarvan 12 bedreigd in 2002), 76 zoogdieren (11 bedreigd), 247 broedvogels (5 bedreigd), 16 reptielen, 20 amfibieën en 95 vissoorten (6 bedreigd). In 2003 was maar liefst 31,7% van het oppervlak op enigerlei wijze beschermd natuurgebied (Europa 8,4%). Duitsland telt 6300 natuurreservaten. Daaronder vallen 14 grotere nationale parken en 19 Unesco biosfeerreservaten. 

Op de EPI (Environmental Performance Index) 2008, die de milieubeleidprestaties van 149 landen rangschikt op 25 indicatoren op de 6 beleidsterreinen milieugezondheid, luchtvervuiling, watervervuiling, biodiversiteit en leefmilieu, natuurlijke hulpbronnen en klimaatverandering stond Duitsland 13e in de wereldrangschikking van 149 landen en 6e in de rangschikking van de 27 EU landen. Duitsland kent een strenge milieuwetgeving en op de meeste indicatoren scoort men dan ook boven het EU gemiddelde. De lage scores waren vooral terug te voeren op te intensief gebruik van hulpbronnen (m.n druk op de beschikbare hoeveelheid water, intensieve visserij). Begin 2005 stond zorg voor het milieu bijbrengen als opvoedingswaarde in aanzien. Van de Duitsers vond 87% (EU25 79%) het erg belangrijk en 12% (EU18%) gewoon belangrijk.

In het land worden meerdere delfstoffen gewonnen zoals ijzererts in centraal Duitsland (bijv de deelstaat Hessen ten westen van de Rijn ter hoogte van de Belgische Ardennen), steenkool in het Ruhrgebied en Saarland, bruinkool, zout en porseleinaarde in het oosten en aardgas en aardolie in Noord Duitsland. Vanwege het milieuvervuilende effect en omdat het nauwelijks uit kan neemt de winning van bruin en steenkool af. In 2005 kwam van de energieproductie 61,5% uit fossiele brandstof, 26,5% uit kernenergie en de rest (12%) uit schone bronnen (waterkracht 4,5%, wind 4,4%; biomassa en afval 3,2%). Natuurverschijnselen die regelmatig schade aanrichten zijn overstromingen langs de kusten en rivieren, stormen in het winterhalfjaar in de Noordduitse laagvlakte en Sleeswijk-Holstein en overvloedige sneeuwval en föhnwinden met lawines in Beieren.