Onderwijs

Onderwijsniveau en talen

Op Eurypediais info te vinden over onderwijsstelsels in EU landen (incl. Kroatië en met een link naar het ministerie van onderwijs & sport). Ook via Eurostat en het Kroatische CBS (bijv.Statistical2012 pag. 467-486) is aan cijfers en info te komen. Het land kent een 8 jarige leerplicht (voor 6 t/m 14 jarigen). De schoolverwachting liep tussen 2004 en 2010 op van 14,6 naar 15,6 jaar (EU27 blijvend rond 17,3 j; Statistics). Het niveau van opleiding is in Kroatië heel behoorlijk naar EU maatstaf. Het gedeelte 25-65 jarigen met minstens een beroepskwalificatie (een diploma van een secundaire vervolgopleiding) steeg tussen 2002 en 2012 van 70,4 naar 78,8% (+12%; EU van 65,8 naar 74%; +12%). Het segment voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder zo’n diploma) zakte tussen 2002 en 2010 van 8 naar 3,7% (-54% en minder dan in enig EU land, EU 14%; -18%), maar steeg daarna licht (4,3% in 2012, +14%; Eu 12,9%, -7%). Het segment 25-65 jarigen met hooguit lager vervolgonderwijs was in 2012 met 21,2% onder gemiddeld (EU27 26%) bij een vrij sterke daling (-28 om -24% na 2002). Van de leeftijdgroep had een flink boven gemiddeld deel een secundair vervolgonderwijs diploma als hoogste (60,6 om 46,6%) bij een forse stijging (+12 om +0,5% na 2003). Een onder gemiddeld segment had een hoger onderwijsdiploma (18,2 om 27,5% in 2012) en hier bleef de stijging achter (+20 om +33% na 2003). Voorjaar 2006 zag qua talen 98% Kroatisch, 1% Hongaars en 1% een andere taal (veelal Servisch) als moedertaal (EuropeansD48A, in de Eurobarometer 386 enquête van voorjaar 2012 over dit onderwerp was Kroatië niet opgenomen). De grootste Kroatische minderheid zijn de Serviërs (4,4% bij de volkstelling van 2011; Bosniërs 0,7%, Roma 0,4%, Albanezen 0,4%, Hongaren 0,3%). In Kroatië is onderwijs in minderheden talen wettelijk mogelijk (Education) en het gebeurt ook (Elementary). Voorjaar 2006 bestond de top3 van vreemde talen die voldoende werden gesproken om een gesprek aan te durven uit Engels (49%, EU 38%), Duits (34%, Eu 14%) en Italiaans (14%, EU 3%; D48T).

Achtergrond, organisatie en beleid

Wanneer de eerste scholen in Kroatië werden opgericht was in maart 2013 niet via het internet te achterhalen. Wel is duidelijk dat het onderwijs lang een aangelegenheid was van roomse kloosters. In 1396 stichtten Dominicanen een universiteit in Zadar en de Jezuïeten volgden in 1669 met de universiteit van Zagreb (University). In de 2e helft van de 19e eeuw kreeg Kroatië van de Habsburgse heersers autonomie op het vlak van onderwijs. De universiteit van Zagreb had toen 3 faculteiten. Er was een hogere landbouw opleiding bijgekomen en men telde 25 middelbare scholen met 8 jarig en ruim 1000 openbare basisscholen met 5 jarig onderwijs en godsdienstonderwijs onder staatssupervisie (Catholic). Het koninkrijk Joegoslavië (1918-1943) waar Kroatië onder viel kende leerplicht, maar scholen waren in de praktijk voor de meeste boeren (destijds de grootste beroepsgroep) niet haalbaar. In Kroatië stond ruim de helft van de bevolking te boek als geletterd (Yugoslavia) en na de basisschool leerde misschien 10% verder. De oorlog betekende een zware aanslag op het onderwijs, mede doordat m.n. in Kroatië veel onderwijzers op de hand waren van de Nazi-gezinde Ustaše beweging.

Met de komst van socialistisch Joegoslavië (met de in Kroatië geboren Josip Broz Titoals bekendste leider) werd het recht op onderwijs serieuzer genomen. Docenten werden beter opgeleid en tussen 1945 en 1981 ging het aantal leerlingen per docent van 59 naar 20. In 1958 is de 8 jarige leerplicht aan één basis & vervolgschool ingevoerd. De deelname hieraan ging tussen 1945 en 1981 in heel Joegoslavië van 45% naar 98,4% en in 1984 leerde na deze basisschool 90% van de leerlingen verder. De deelrepublieken waren op het vlak van onderwijs behoorlijk autonoom en minderheden hadden recht op het gebruik van hun eigen taal en schrift. Tussen 1945 en 1985 groeide het aantal leerlingen met les in een minderhedentaal in het vervolgonderwijs van 4200 naar 86.000. In dat onderwijs waren de eerste 2 jaar algemeen vormend. Daarna volgde specialisatie volgens een star ambachtgericht programma dat de aansluiting bij de praktijk nogal eens verloor. Rond 1987 gingen er stemmen op om een splitsing aan te brengen tussen 4 jarig algemeen vormend en 4 jarig beroepsonderwijs. In het hoger onderwijs ging tussen 1939 en 1987 het aantal instellingen van 26 naar 327 en het aantal studenten van 20.000 naar 347.000. Naast enkele nieuwe universiteiten (in 1973 in Rijeka, in 1974 in Split en in 1975 in Osijek) kwamen er gespecialiseerde vakinstituten op hbo niveau van de grond die nauw verbonden waren aan de sector waar ze voor opleidden (viša škole). Tussen 1977 en 1987 zakte het onderwijsbudget van 5,9 naar 3,5% van het bbp en in 1987 werden in het HO 7% minder studenten geaccepteerd. In 1990 had men allerlei plannen voor onderwijshervorming, maar de oorlogen waarmee het uiteenvallen van Joegoslavië gepaard maakten deze achterhaald en futiel voor Kroatië.

In de grondwet van 1990 werden onderwijsvrijheid (incl. gratis leerplichtonderwijs en vrijheid om private instellingen te openen) en autonoom hoger onderwijs opgenomen. Tussen 1990 en 1992 kende Kroatië een ministerie van onderwijs, cultuur & sport en een ministerie van wetenschap & technologie dat tot 2003 zou blijven bestaan. In 1993 kwam er een ministerie van onderwijs & cultuur en in 1994 een apart ministerie van onderwijs & sport. Na 2003 kwam ook het hoger onderwijs onder dit ministerie. Tot in 1995 had ook onderwijs zwaar te lijden onder de onafhankelijkheidsoorlog met de Serviërs. Veel Kroaten raakten ontheemd, men kreeg vluchtelingen uit Bosnië binnen en rond de helft van de Servokroaten vluchtte Kroatië uit. Nieuwe wetgeving en uitvoering kwamen hortend en stotend op gang. Zo werden vanaf 1993 bevoegdheden overgedragen naar gemeenten en provincies (decentralisatie) en er kwamen tussen 1997 en 1999 wetten op kleuteronderwijs en centra voor volwassenen onderwijs. Ook kwam er steun los van o.m. de wereldbank en de EU. In 2001 tekende men het Bologna verdrag (organisatie hoger onderwijs) en sinds 2005 wordt het toegepast. De meeste wetgeving van nu is na 2000 ingevoerd, het merendeel zelfs tussen 2007 en 2012 (2.1). Wetgeving rond opleiding en begeleiding van docenten kende markeringspunten in 2002 en 2006. In 2005 kwam er een evaluatierapport met een beleidsplan uit voor 2005 t/m 2010 (Education). In het kader van de uitvoering is men begonnen met invoering van landelijke programma’s aan een aantal basisscholen. Eén en ander ging gepaard met bijscholing van docenten, toetsen van leerlingen en enquêtes bij de ouders (Elementary). In 2007 verschenen een strategie voor volwassenen educatie (Adult) en een landelijk leerplan (National Curriculum) en in 2010 kwam er een actieplan uit voor het verwijderen van obstakels voor deelname aan internationale HO programma’s.

In 2010/11 waren scholen naar Eu maatstaf redelijk autonoom in hun beleid qua personeel en methodes en er was nog geen externe evaluatie van scholen (Key data on education in Europe 2012, pag. 45 e.v. en pag. 53, Key Data Series). Naar organisatie (2) zijn docentenopleidingen, centra voor vakonderwijs, hoger onderwijs, internationale en EU kanten van het onderwijs en onderwijs evaluatie landelijk of provinciaal georganiseerd en bij kleuteropvang/onderwijs en de basis/middenschool hebben gemeenten veel in de melk te brokkelen. Het volwassenen onderwijs is regionaal en gemeentelijk georganiseerd en het hoger onderwijs is autonoom. Verder kent Kroatië gespecialiseerde instanties voor onderwijs & training voor docenten, beroepsonderwijs & training, wetenschappelijk en hoger onderwijs, mobiliteit & EU programma’s en externe evaluatie van het onderwijs. Deze instanties keuren ook de lesprogramma’s die de onderwijsinstellingen inleveren. Het gros van de pecunia komt uit belastinggeld en wordt door het ministerie betaald (bij kleuterleidsters betaalt de gemeente). De benoeming van de staf is in het kleuter en leerplichtonderwijs in handen van instellingen en gemeenten en in het secundair vervolgonderwijs gaan regio en instellingen er samen over. Ook hierin is het hoger onderwijs autonoom. Private instellingen zijn toegestaan en worden door het ministerie langs dezelfde meetlat gelegd als publieke instellingen, maar ze worden niet gesubsidieerd en zijn dus duur. Buiten het hoger onderwijs steeg de deelname aan private instellingen tussen 2003 en 2010 van 0,8 naar 1,4% (allemaal ongesubsidieerd; EU daling van 18,9 naar 15% waarvan ruim 20% ongesubsidieerd). Het betreft voornamelijk leerlingen buiten de basis/middenschool (2.4). In het hoger onderwijs ging deze deelname in Kroatië van 2,5 naar 6,5% (ongesubsidieerd en veelal op hbo niveau; EU iets onder 30%, ongesubsidieerd van 26 naar 38%, Statistics).

Onderwijsstelsel: kenmerken

Het onderstaande geldt voor het gewone onderwijs (voor speciaal onderwijs voor begaafde of achterstand kinderen volgt een apart kopje, de Kroatische namen van opleidingen zijn te vinden op en in het schema onderaan). De opbouw van het stelsel (Ministry/ education) begint met opvang/ onderwijs voor 0,5 tot 6 jarigen. Deze valt buiten de leerplicht en men onderscheidt 3 leeftijdfasen (0,5-1j, 1-3j en 3-6,5j met een speciale rol voor het laatste jaar). Het merendeel van de peuters/kleuters die er heen gaan (74% in 2009/10) blijft de hele dag omdat veel Kroatische moeders een voltijdbaan hebben. De leerplicht voor 6 t/m 14 jarigen wordt ingevuld in 3 fasen (jaar 1 t/m 4, j 5 & 6 en j 7 & 8) aan een 8 jarige basis/ middenschool. Daarna zijn er opties voor vervolg aan gymnasia (algemene vorming, minstens 4 jaar) of vakopleidingen (1 tot 5 jarige vak of handelsscholen, kunstopleidingen van minstens 4 jaar). Men kent ook vakopleidingen voor volwassenen en vormen van speciaal vervolgonderwijs. Hoger onderwijs wordt gegeven aan hbo instellingen (2 á 4j met daarna een optie voor 1 of 2 jaar specialisatie; kunstopleidingen, polytechnische scholen, vakscholen) en universiteiten (5 tot 9j).

In 2009 was in Kroatië naar EU maatstaf de onderwijsdeelname (alle vormen) nog laag (18,2%, EU 21,5%; Key data on education 2012 pag. 67, Key Data Series), al is ze wel bijgetrokken. Rond toelating was voorjaar 2013 weinig info voorhanden omdat Kroatië nog bezig was met het uitwerken van de Europese infostandaard (Eurypedia). Met geld van wereldbank en EU is het niveau aan voorschoolse opvang en onderwijsvoorzieningen na 2000 verbeterd. Publieke voorzieningen zijn gemeentelijk en het aandeel van private voorzieningen is relatief groot. De ouderbijdrage was bij ook bij publieke kleuteropvang/ scholen hoog. Bij basisscholen wordt een school toegewezen door de gemeente, maar ouders mogen een alternatief voorstellen (Key data 2012 pag. 35). Basisscholen met een speciaal programma (muziek of balletscholen) en private basisscholen mogen eigen toelatingscriteria hanteren (vaak een aanlegtest). De gemeente is verplicht te zorgen voor voldoende openbare leerlicht scholen (al lukt dat niet altijd). Op de basis/ middenschool is zittenblijven mogelijk (Key data pag. 161 e.v.). De eindbeoordeling was op 2010/11 op basis van beoordelingen over het laatste jaar door de betreffende docenten (zonder externe criteria). In het vervolgonderwijs hanteren gymnasia vaak toelatingsexamens. Ook de cijferlijst van de basisschool speelt een rol. De vervolgopleiding kan op gymnasia en middelbare vakscholen worden afgesloten met een schriftelijk staatsexamen dat voorwaarde is voor toelating tot hoger onderwijs. Buiten dat kan men in het vakonderwijs op diverse niveaus vakdiploma’s vergaren. HO instellingen mogen zelf toelatingscriteria bepalen (meestal toelatingsexamens of tests). In 2011 werd in het 5e en 10e jaar een toets afgenomen om het onderwijsstelsel te beoordelen.

Volgens Key data on education in Europe 2012 (pag. 109 e.v.) lopen docenten buiten het hoger onderwijs in Kroatië tijdens of na de theorieopleiding stage. Kleuterleidsters krijgen minmaal een 4jarige opleiding op BA/hbo niveau en alle andere docenten krijgen een 6 jarige universitaire opleiding (incl. een jaar stage). Gebrek aan bevoegde docenten kwam in 2009 in Kroatië voor bij 17-21% van de leerlingen bij exacte vakken (EU rond 15%) en bij 2% bij moedertaalles (EU 8%). Het land kende in 2010/11 voorgeschreven steun voor beginnende docenten in de vorm van regelmatige gesprekken, hulp bij planning en beoordeling en lesgeven samen met een ervaren docent. Ook is bijscholing voor alle leerkrachten wettelijk verplicht. Leerkrachten zijn werknemer op contractbasis in de publieke sector. In het hoger onderwijs zijn assistenten en staf dat ook. Om schoolhoofd/ directeur te worden is minimaal 5j leservaring vereist. Bij voltijddocenten is de werkdruk beschreven in totale werktijd (40u op alle niveaus) en lestijd (basis 12-14, vervolg 14-17, na de leerplicht 15 -21u; naar EU maatstaf aan de lage kant). Over de leeftijd van het docentenkorps waren voor Kroatië geen cijfers voorhanden. De pensioenleeftijd lag voor mannen op 65j en voor vrouwen op 60j en de vut leeftijd op respectievelijk 60 en 55j. De leeftijden zullen in 2030 gelijk getrokken zijn. In Kroatië was in 2009 het aandeel vrouwelijke docenten aan de grote kant (buiten het HO 73,4%, 11 EU landen meer; hoger onderwijs 41,6%; 12 landen meer). De docenten salarissen (Facts and Figures) zijn naar EU maatstaf laag. In 2011/12 lag het wettelijk minimum op alle niveaus rond 80% van het bbp per hoofd (ongeveer gemiddeld naar EU maatstaf), maar de maxima kwamen daar niet ver boven en het duurde erg lang om ze te bereiken (35 dienstjaren, in slechts 3 landen evenveel of meer). In het basisonderwijs lag het maximum rond 105% van het bbp p/j (8 van 26 EU landen lager), in het vervolg binnen de leerplicht rond 120% (9 landen lager) evenals in het vervolg na de leerplicht (7 landen lager). Naar koopkracht lagen ze gemiddeld rond €2000 p/j ft (tijdens de leerplicht 7 landen minder, na de leerplicht 9 minder). In 2010/11 werden ze bevroren, hetgeen vanwege de inflatie neerkomt op een verlaging. Docenten kunnen meer verdienen door een dr. graad (+15%) of geografische locatie (+10%) of in het speciale onderwijs (+7-10%) en voor overuren werd 150% gerekend (Teachers pag. 88).

In Kroatië kent men in kleuteropvang/ onderwijs en de onderbouw van de basisschool (eerste 4 jaar) vaste docenten en daarna vakdocenten. In 2010/11 was de aanbevolen groepsgrootte bij kleuteropvang/ onderwijs erg klein (7-10 per docent, kleinste EU na Finland). Tijdens de leerplicht gold een ondergrens van 14 en een bovengrens van 28. In de onderbouw lag de bovengrens bij 13 van 20 EU landen lager en in de bovenbouw bij 6 landen. Na de leerplicht lagen deze grenzen op 20 en 28 (4 van 17 landen lager). Het ministerie maakte echter melding van een maximum van 34 leerlingen (met achterstand leerlingen er bij minder: Ordinance). De docentleerling verhouding in de onderbouw zakte van 2006 op 2009 van 18 naar 15 (gemiddeld naar EU maatstaf in 2009). In kleuteropvang/ onderwijs zijn groepen van gemengde leeftijd en in het leerplicht onderwijs leeftijdgroepen de norm (behalve bij keuzevakken en basisscholen met een speciaal programma). Het schooljaar loopt van begin september tot half juni. Scholen kennen geen herfst en voorjaarsvakantie, bijna 3 weken kerstvakantie, rond 5 dagen paasvakantie en een lange zomervakantie (rond 10 weken). Daarnaast zijn er 5 (publieke/ godsdienstige) feestdagen. Het academisch jaar loopt van 1 okt.-30 sept. met als onderbrekingen een kerstvakantie van 10 dagen en een zomervakantie van 7 tot 11 weken (de laatste 4 weken als herexamen periode). Verder zijn er nog 2 tentamenperiodes van een week of 3 (in januari/februari en juni/begin juli).

Qua tijden zijn scholen lang open, kleuterscholen door ouders die lange opvang gebruiken en basisscholen door een 2 of (in het verleden) zelfs 3 ploegendienst (vanaf 2017 wil men geen ploegendiensten meer; 2011 pag. 13). Verder is er een 5 daagse week. Het totaal aantal aanbevolen lesuren p/j (Facts and Figures; in hele uren bij lesuren van 45 min) was in 2012/13 kleiner dan in alle EU landen. Tijdens de leerplicht in de 4jarige onderbouw lag het op 473 en in de 4 jarige bovenbouw in jaar 5 op 578, in jaar 6 op 604 en in jaar 7 en 8 op 683. Na de leerplicht was er geen advies. De tabel hierna toont hoe in 2009 bij 15 jarigen de werkdruk aan huiswerk was in Kroatië (HR van Hvratska) vergeleken met NL, Vlaanderen en de EU (key data pag. 148).

Aandeel leerlingen van 15 in % dat in 2009 p/w 2   uur of meer besteedde aan huiswerk voor de vakken

HR

NL

Vla BE

EU27

Moedertaal

7

5

5

10

Wiskunde

18

8

10

16

Natuurkunde

9

5

5

11

In 2012/13 was men qua lessenpakket, materiaal en methode bezig met de invoering van een landelijk leerplan (Ministry education). Docenten kiezen lesmateriaal uit een door het ministerie goedgekeurde lijst. Nieuwe voorstellen moeten worden goedgekeurd (Textbooks), mede omdat men wat huiverig is voor extreem rechts nationalisme en separatisme. Docenten mogen zelf lesmethodes kiezen (thans worden ze buiten de kleuterschool allemaal universitair opgeleid). Volgens het landelijke leerplan (National Curriculum) streeft men een kerncurriculum dat voor alle scholen verplicht is en een schoolcurriculum na. Men onderscheidt de vakgebieden taal & communicatie, sociaal & menswetenschappen, β vakken, techniek & technologie, kunst en praktijk & ontwerp. Uit Education in Croatia blijkt dat landelijke variatie en keuzevakken al bestaan, bijv. bij les in vreemde talen en in de bovenbouw. Men wil de leerplicht uitbreiden naar het vervolgonderwijs bij een lestijd verhouding algemene vorming/ specialisatie van 60:40 in jaar 1 en daarna 40:60. Na de leerplicht (Secondary education) hangen lessenpakket, materiaal en methode mede af van het gekozen profiel. Landelijke normstelling is in ontwikkeling. Het ministerie bood voorjaar 2013 onder curricula al veel goedgekeurde profielen aan (o.m. voor beroepsopleidingen). Men bereid zich voor op invoering van competentiegericht leren op basis van 8 door de EU aanbevolen kerncompetenties.

De tabel hierna geeft een indruk van de nagestreefde verdeling van lestijdbinnen de leerplicht in Kroatië (HR) in 2010/11 vergeleken met de standaard binnen 19 EU landen in de OESO in 2008. Het betrof in Kroatië basis en vervolgschool en in de EU19 9 t/m 11 jarigen en 12 t/m 14 jarigen. Grote afwijkingen naar boven zijn vet en die naar beneden cursief gedrukt. In het programma ligt veel nadruk op kernvakken, want keuzevakken worden niet nagestreefd binnen de leerplicht (al zijn ze er wel).

Vak

Basisschool %

Vervolg %

HR

EU19

HR

EU19

Lezen, schrijven   moedertaal

28

24

19

16

Rekenen/ wiskunde

22

16

17

13

Natuurkunde/ biologie

7

8

16

14

Geschiedenis, aardrijkskunde,   maatschappijleer

6

7

16

12

Vreemde talen

12

10

12

14

Technologie

1

1

2

4

Creatief

11

12

9

9

Gym

13

9

9

8

Godsdienst/ moraal

4

4

Praktisch/ vak/ ICT

1

1

Overig

5

Verplicht vast

100

97

100

95

Keuze (school   afhankelijk)

3

5

ICT les is verweven in vakken en leerlingen kunnen zich er in specialiseren. In 2011 in het kwartaal voor vraagstelling internette een doorsnee segment op een onderwijs instelling (12%, NL 15%; EU27 12%, BE 13%). Het segment ervaren internet gebruikers (5 of 6 taken uitvoeren) was in 2011 groot (16%, EU 11%, BE 10%, NL 19%).

Mede omdat Kroatië voorjaar 2013 nog bezig was met uitwerken van de Europese infostandaard (Eurypedia) was beperkt informatie beschikbaar over beoordeling/ progressie. Men kent een beoordelingsschaal met 5 als hoogste en 1 als laagste cijfer en enige onvoldoende (Education; pagina in het Kroatisch). Er is gedurende de hele school loopbaan interne beoordeling door docenten. Externe beoordeling begint op gang te komen, bijv. via het nationale leerplan, goedkeuring van schoolprogramma’s door het ministerie aan de hand daarvan, deelname aan het internationale Pisa schoolonderzoek voor 14 en 15 jarigen (sinds 2006) en de invoering van staatsexamens ter afsluiting van het niet universitaire vervolgonderwijs na de leerplicht. Van de beoordeling op de kleuterschool was moeilijk hoogte te krijgen. Wel zijn er sinds 2008 landelijke standaarden (Preschool). Voor toelating tot de leerplichtschool wordt getoetst op schoolrijpheid (Regulations). Vanaf het eerste jaar worden cijfers gegeven. Op deze school is zittenblijven mogelijk, maar de overgang van onderbouw naar bovenbouw verloopt in principe automatisch (Key data 2012 pag. 161 e.v.,Key Data Series). Docenten hebben een hoofdrol in de beoordeling. Men probeert willekeur te voorkomen door het nationale leerplan als leidraad te nemen, criteria uniform en publiek te maken, ouders en leerlingenraden inspraak mogelijkheden te beiden en een verplichte herhaling in te voeren van examens waar meer dan de helft van de leerlingen voor zakt (Ministry). De eindbeoordeling was op 2010/11 op basis van beoordelingen over het laatste jaar door de betreffende docenten (zonder externe criteria). In het vervolgonderwijs wordt de opleiding afgesloten met een schriftelijk staatsexamen. In 2011 werd in het 5e en 10e jaar een toets afgenomen om het onderwijsstelsel te beoordelen. Het staatsexamen na het 12e jaar gaat over toelating tot HO. Het ministerie kende voorjaar 2013 een groeiende waslijst van goedgekeurde programma’s voor (vak)opleidingen (uiteraard incl. hun vakdiploma’s). HO instellingen mogen zelf toelatingscriteria bepalen (meestal toelatingsexamens of tests).

Op Programmestaan de resultaten van hetPisa schoolon­derzoek van 2009 onder 15 jarigen. In vergelijking met 26 deelnemende EU landen moesten Kroatische kinderen (of docenten) bij de leesschalen 20 landen, bij natuurkunde 21 landen en bij wiskunde 24 landen voor zich dulden. Info over cultuur en sfeer in het Kroatische onderwijs is moeilijk te achterhalen. Vanuit de cultuurdimensies van Geert Hofstede (COUNTRIES) zou men mogen verwachten dat de sfeer wat meer op die in België lijkt dan die in NL. In Kroatië en België accepteert men bijv. makkelijker dan in NL gezagsverhoudingen en de plek in de hiërarchie (hoge machtsafstand, NL juist laag) en men heeft iets sterker dan in NL een voorkeur voor duidelijke instructies, zekerheid & voorspelbaarheid. Ook is men door de bank genomen wat principiëler en minder opportunistisch of gericht op wat handig is dan Nederlanders (hoge onzekerheidsvermijding; NL lager). Net als in NL werkt men om te leven, heeft men oog voor wat menswaardig is en neigt men tot bescherming van het zwakkere (feminien). Ander dan NL en BE is Kroatië een collectivistisch land en kent het meer een schaamte dan een schuld cultuur (ontkenning i.p.v. excuus). Daarom kan men in Kroatië bijv. beter een groep als geheel op iets aanspreken dan een individu. Tussen 2002 en 2012 is het aandeel voortijdige schoolverlaters (leerlingen die na de leerplicht geen vervolgopleiding afmaakten) in elk geval flink gedaald (van 8 naar 4,3%) en het was in 2012 kleiner dan in enig EU land (EU van 17 naar 12,9%; Statistics). In 2003 meldde 20% van de schoolkinderen dat ze regelmatig werden gepest (Education, Eu 25% in 2006, Key data on education 2009, Key Data Series) en in Zagreb meldde (wellicht in 2012) 19% van de schoolkinderen geweld en 41% ongewenste intimiteiten via internet/ mobiel (Announcement 18/3-2013, medio 2013 niet meer traceerbaar).

Speciaal en achterstandsonderwijs

Het Kroatische speciale onderwijs begon eind 19e eeuw met aparte private scholen voor kinderen met achterstanden (zie Croatia met zeer uitvoerige info van rond 2003). Later werden dat staatsscholen. In 1974 werd speciaal onderwijs opgenomen in het schoolsysteem en vanaf 1980 werd vanaf de kleuterschool ook achterstandsonderwijs gegeven aan alle types gewone scholen in gewone klassen en/of in aparte groepjes. Waar dit in gewone klassen gebeurt wordt thans de maximaal toegestane groepsgrootte (34) flink kleiner (bij het maximum van 3 van deze leerlingen bijv. 24, Ordinance) en bij aparte groepjes loopt het aantal uiteen van 6 tot 15. Er is op vergelijkbare wijze ook speciaal vervolgonderwijs aan scholen, huis, instellingen of speciale werkplaatsen. Tussen 2002 en 2006 is een leerplan ontwikkeld voor speciaal onderwijs. Een belangrijke barrière vormt het gebrek aan middelen (diagnostisch, materieel) en opleiding voor (onderwijs) personeel, maar daar is na 2000 verbetering ingekomen door steun van wereldbank en EU. Ook is men steeds meer nadruk gaan leggen op aansluiting (vs. uitsluiting). Een speciale groep vormen de kinderen die slachtoffer werden van gevolgen van de onafhankelijkheidsoorlog van 1990-1995 (rond 185.000 kinderen raakten ontheemd en zo’n 50.000 waren direct betrokken bij calamiteiten). Voor 2009 -2012 kende men een landelijke strategie ter preventie van gedragsstoornissen. Naast scholen voor achterstandsonderwijs zijn er leerplichtscholen met muziek of dans als specialisatie.

In 2005 was het aandeel leerlingen in het speciale onderwijs met emotionele & gedragsproblemen groot (13%, met Bosnië het hoogst van 7 Balkanlanden, Malta en de 3 Baltische staten; 3,1% van de basisschoolleerlingen). Ook het segment met spraak en taal achterstanden (2%) en chronisch zieken (0,8%) viel onder deze 11 landen top. Van de leerplicht leerlingen had 1,14% milde tot ernstige leerachterstand (4 van de 11 landen minder) en van hen ging 40% naar een speciale school. Van alle basisschool leerlingen kreeg 3,5% speciaal onderwijs (3 landen meer), waarvan 75% in gewone klassen (6 van 9 landen minder) en 1% op een speciaal school (5 landen meer). Op de kleuterschool betrof het 3,6% (1 na hoogste van 9) en in het vervolgonderwijs 3,7% (hoogste; waarvan 10% op speciale scholen, 1 na laagste). Voor aanvullend onderwijs waren de aandelen basisschool 3,2% (3 na hoogste van 10), kleuterschool 3,4% (2e van 6) en vervolg onderwijs 1% (hoogste van 6, 12% aan speciale scholen, meer in Students). In 2010/11 telden kleutervoorzieningen 3500 achterstandsleerlingen in speciale groepjes (2% van de deelname) en de reguliere basisschool kwam tot 15.000 op gewone scholen (ruim 4%). De 61 speciale leerplichtscholen haalden 2000, verdeeld over 333 groepjes (First 2012, education, 1470). Het vervolg onderwijs kwam binnen reguliere scholen op 1200 (0,7%; vrijwel allemaal in vakopleiding) en binnen 38 speciale scholen op 1500, verdeeld over 300 groepjes (1471). In de categorie begaafd gingen in 2010 bijna 1700 kinderen (1,5%) naar een speciale kleuterschool en leerplicht scholen gespecialiseerd in muziek of dans telden in 2011/12 bijna 15.000 leerlingen (4%, 97% muziek).

In 2011 viel officieel 9,6% van de bevolking onder een etnische minderheid met als grootste groepen Serviërs (187.000; 4,4%), Bosniërs (31.000, 0,7%), niet ingevuld (27.000, 0,6%, wellicht merendeels Roma), Roma (17.000, 0,4%; volgens Unicef moeten het er 30.000 à 40.000 zijn), Italianen (17.800, 0,4%), Albanezen (17.500, 0,4%), Tsjechen & Slowaken (14.400, 0,3%) en Hongaren (14.000, 0,3%). Scholen met les in erkende minderhedentalen zijn grondwettelijk toegestaan. In 2010/11 telde men 65 leerplichtscholen waar les werd gegeven in zo’n taal met 4100 leerlingen (Servisch 50%, Italiaans 35% en verder Tsjechisch, Hongaars en Duits) en in het vervolgonderwijs betrof het 13 scholen met 1550 leerlingen (Servisch 58%, Italiaans 35%). Veel Kroaten houden Servokroaten verantwoordelijk voor de gevolgen van de onafhankelijkheidsoorlog en er zijn veel meldingen van achterstelling van scholen met kinderen uit deze groep (Croatia pag. 3). De Roma taal is niet erkend in Kroatië en er wordt in het publieke onderwijs geen les in gegeven. Volgens Unicef gaat in Kroatië 70% van de Roma kinderen van de leerplicht leeftijd naar school (bij andere kinderen ligt dat dicht tegen de 100%, pag. 3 e.v.). Wel is de situatie verbeterd. In 2010 werden de Roma een erkende minderheid en het aantal Roma kinderen dat naar school gaat is sterk gegroeid (van 1437 in 2005/06 naar 5250 in 2009/10), mede dankzij geld van wereldbank, EU en open society institute van Soros (Protection). Anti-Roma opstootjes zijn er echter nog steeds en in 2012 werd daarbij bijv. vanuit de rechts nationalistische hoek wel geklaagd dat die zigeuners van tegenwoordig meer rechten hebben dan “fatsoenlijke” Kroaten.

Betaling van het onderwijs

In 2010 besteedde de Kroatische overheid 4,3% van het BBP aan onderwijs (minder dan vrijwel alle EU landen; EU 5,5%, Statistics). Uit publieke bron kwam 4,24% bbp (EU 4,9% in 09) en uit private bron 0,26% (EU 0,8% in 09), wat het totaal voor 2010 brengt op 4,5% bbp (4,66% in 2009, EU toen 5,67%). Het private aandeel was daarmee klein (6 om 14%). In geld uitgedrukt bedroegen de overheidsuitgaven (gelijk getrokken voor koopkracht) €2,74 miljard in 2010 en €2,90m in 2009. In 2009 kwam van de overheidsbijdrage 71% van de centrale overheid (EU 48%) en 29% (EU 28%) van gemeenten. In 2010 kregen van het publieke deel (4,3% bbp) het middelbaar (22,5 om 44%) en hoger onderwijs (18 om 23%) relatief weinig en het basis (44% om 23%) en kleuteronderwijs (15 om 10%) veel. In 2008 lagen de uitgaven per leerling/student naar koopkracht op €4220 (Eu €6457) en in 2009 op €4103 (EU €6504). Daarmee daalden ze tegen de Eu trend in (€3797 in 2010). Tussen 2002 en 2010 liepen de kapitaalsuitgaven uiteen van 3,4 naar 9% (5,4% in 2010, EU rond 8,5%). Van de lopende uitgaven (de rest) lag het deel voor staf/ personeel tussen 63 en 75% (75,4% in 2010; EU tussen 77 en 80%, 77% in 2009). Het deel voor andere lopende uitgaven werd daarmee aan de grote kant. Het Kroatische BBP aandeel voor onderzoek en ontwikkeling (R&D) is kleiner dan dat van de meeste EU landen en lag in 2010 en 11 op 0,75% bbp (EU, NL en BE 2%). Van het totale bedrag (€496 miljoen naar koopkracht in 2011) kwam een ruim gemiddeld deel op conto van het hoger onderwijs (27%, Eu 24%, NL 37%, BE 23%).

Via IPA in Croatia is te achterhalen dat Kroatië tussen 2007 en   2013 €910 miljoen aan Europees geld zou krijgen. Daarvan was ruim 10% bestemd voor   human resource ontwikkeling (waaronder training en volwasseneneducatie). Hoeveel   Kroatië tussen 2014 2020 krijgt was in maart 2013 nog niet bekend. Wel was er   een EU beleidsnota (Position).

Het deel van de publieke onderwijsuitgaven aan beurzen en leningen voor leerlingen/ studenten lag tussen 2005 en 2010 op 0,7%; minder dan in alle Eu landen (Malta uitgezonderd; EU van 5,9 naar 6,7% tussen 2005 en 2009). Voor leerlingen lag het in 2008 en 2009 op 0% van het budget voor het niet universitaire onderwijs (Eu 3,7 en 4,9%) en bij HO studenten varieerde het tussen 3 en 4% van het HO budget (3,6% in 2009, EU toen 17,4%, 3,9% in 2010). In 2009 begon Kroatië met geleidelijke invoering van collegegeld in het publieke hoger onderwijs. Dat was toen één van de oorzaken van een landelijke protestgolf van studenten (2009). De hoogte ervan (tussen €700 en €1400 p/j, voor post doctortaal studenten tussen €1400 en €3000, Croatia) werd aan de instellingen overgelaten. Ze hing tevens af van examenresultaten voorafgaand aan de toelating en studieprestaties. Een deel van de studenten (vaak in de BA fase, maar ook indien uit een achterstandmilieu of gehandicapt) is tevens geheel of deels vrijgesteld. Deeltijd en postdoctoraal studenten komen er echter niet onderuit en komen ook niet in aanmerking voor compensatie. Aan private instellingen is het collegegeld aanzienlijk hoger (tussen €1500 en €15.000). Studenten kunnen gebruik maken van gratis ziekteverzekering, goedkoop eten en wonen (soms rond €30 p/m) en belasting vrijstelling bij baantjes en hun ouders van belastingaftrek (2011. pag. 7).

Het aandeel deeltijd studenten is na 2008 flink gedaald (van 34% in 2008, via 30% in 2010/11 naar 27% in 2011/12, pag. 23), maar het bleef boven het Eu gemiddelde (19 à 20% tussen 2008 en 2010; Statistics). In 2011/12 kregen van de 153.000 studenten 74.500 subsidie (bijna de helft, p 39) en volgens 2011 studeerde 40% gratis en kreeg 25% een beurs o.i.d. Het segment studenten aan een private instelling bleef klein, maar groeide tussen 2003 en 2010 van 2,5 naar 6,5% (van 3000 naar 9750 in getal; EU steeds rond 29%). Volwassenen onderwijs wordt betaald uit veel bronnen (internationale fondsen, bijv. €54 miljoen uit EU fondsen tussen 2008 en 2010; nationale overheden, bedrijfsleven, stichtingen, deelnemers zelf). De hoogte van eigen bijdragen hangt mede af van de aard van de opleiding (persoonlijke ontwikkeling vaak hoger, basale kennis als alfabetisering en beroepsontwikkeling lager tot geheel gratis; Croatia p 44-57). Tussen 2011 en 2013 ging het jaarbudget voor volwassenenonderwijs van het ministerie omhoog van €6 miljoen naar €10m (2011, p 13/14). Voor kinderen die ver van school wonen (onderbouw 3+ km, bovenbouw 5+ km) kan reisvergoeding worden geclaimd. Vanwege de kredietcrisis is de verlenging van de leerplicht uitgesteld en daarmee de vergoeding van schoolboeken voor de eerste 2 jaar van het vervolgonderwijs. Ook reisvergoeding voor vervolgonderwijs en fondsen voor lesmateriaal & nieuwe schoolgebouwen kwamen op de tocht te staan. De leerplichtschool is gratis (incl. lesmateriaal). De eigen bijdrage voor voorschoolse opvang/ kleuterscholen kan flink oplopen (30 à 40%, Development), maar men houdt rekening met gezinsinkomen, aantal kinderen en alleenstaand ouderschap (Key data 2012, p 98; Key Data Series). Extra kosten voor gehandicapten en achterstandgroepen worden ook vergoed. In basis en vervolgonderwijs zijn er gezinsuitkeringen & belastingaftrek (Key data p 103).

Kleuter en leerplichtonderwijs

Kroatië kent private en publieke voorschoolse voorzieningen voor kinderen vanaf ½ jaar tot rond 6½j (Preschool). Het merendeel van de peuters/ kleuters blijft er minstens 8u p/d omdat veel Kroatische moeders een voltijdbaan hebben. Voor kinderen tot 3j betreft het vooral opvang. Daarna verschuift het accent naar onderwijs (reguliere programma). Het laatste jaar heeft een speciale status als voorbereiding op de leerplicht (voorschool programma; kinderen gaan in de loop van hun 6e naar de leerplichtschool). In 2008 is een landelijke standaard afgekondigd voor het kleuteronderwijs. Hierin is bijv. ook grootte van scholen en groepen opgenomen. In 2009 begon men met invoering van vreemde taalles en dat gaat in een rap tempo. In 2011/12 betrof het slechts kleuters in het voorschool programma, maar in 2013 meldde het ministerie dat van alle 4, 5 en 6 jarigen al 65% zulke taalles kreeg (81% Engels, 16% Duits, 2% Italiaans) en dat dit erg intensief gaat (van 3 tot 10u p/d wordt de vreemde taal gebezigd). Kleuterscholen zijn verplicht elke dag aan beweging te doen en 56% van de kleuters zat in een sportprogramma. Veel kleuterscholen (m.n. uit Zagreb) hebben buiten dat 1 of 2 jaarlijkse activiteitenweken in de natuur. Ook wordt veel aan preventie en voorzorg gedaan zodat bijv. de prepper zich in Kroatië niet ontheemd hoeft te voelen. Naar geloof heeft m.n. de roomse kerk iets in de melk te brokkelen. Er waren rond 50 kleuterscholen van religieuze snit (veelal private scholen, waarvan 48 rooms) en 245 openbare kleuterscholen hadden religie in hun programma. Naar methode telt men 16 Montessori scholen (waarvan 11 publiek), 5 vrije scholen (Waldorf methode) en 1 Agazzi school.

De meeste voorzieningen zijn gemeentelijk (76% in 2011/12, First 2012, education, 1470 vanaf p 88). Verder was 12% privaat met 14,7% van de deelname (3,5% vanuit een religie met 2,7%). Onder de 1513 faciliteiten vielen veel dependances (bijna 55%) en zo’n 9% was onderdeel van een basisschool. Voorjaar 2013 kwam het ministerie tot 673 kleuterscholen bij bijna 1600 voorzieningen. In 2011/12 maakten 127.000 kleuters en peuters etc. gebruik van voorzieningen. Daarvan was 19% jonger dan 3j, 36,5% 3 of 4j en 44,5% 5 of 6j. Verder bleef p/d 71,7% minstens 8u; 15,3% tussen 5 en 8u en 13% minder dan 5u. Er werkten 17.300 mensen (97.5% van vrouw), waarvan 10.500 leerkrachten. In 2013 meldde het ministerie dat er jaarlijks een wachtlijst is van zo’n 5000 plaatsen. Vanuit EU perspectief was in 2010 het segment onder 3j dat naar formele opvang gaat erg klein (8%, veelal meer dan 30u p/w; EU 28%, BE 35%, NL 50% in 2010, NL vaak minder dan 30u p/w; Statistics, living conditions). Bij kinderen tussen 3 en 6 was het gebruik ook laag (42% in 2010, EU 83%, <30u 13 om 39%, >29u 29 om 45%; NL 91%, 15% 30+u; BE 99%, 63% 30+u). In 2010 gingen ook relatief weinig kinderen naar de kleuterschool. Het betrof bij 3jarigen 51% (EU 79%, NL 0%, BE 99%, EU doel: 33%), bij 4 jarigen 57% (EU 86%, BE 99%, NL 99,6%), bij 5 jarigen 61,5% (EU 79%, NL 99%, BE 98%) en bij 6 jarigen 71% (EU 25%, BE 5%, NL 0%; education indicators, participation). Na 2003 is de deelname wel flink omhoog gegaan. Tussen 2004 en 2010 steeg het aantal leerlingen op de kleuterschool van 86.000 naar 99.000.

De leerplicht wordt in Kroatië doorlopen aan een 8 jarige school met een onder en een bovenbouw van ieder 4 jaar. De basisscholen zijn bijna allemaal gemeentelijk. Speciale scholen zijn er voor gehandicapte en (muzikaal) begaafde kinderen (beide veelal 8 jarig). Verder zijn er scholen met les in een minderhedentaal. Voor 2005 was het basisonderwijs traditioneel met kennisoverdracht door de docent en een uniform programma met louter verplichte vakken. Nadien worden docenten universitair opgeleid en is men begonnen met invoering van externe evaluatie en een nationaal leerplan (National Curriculum). Met dit alles probeert men aansluiting te vinden bij Eu ontwikkelingen (meer ruimte voor praktische, technische en sociale vaardigheden, eigen verantwoordelijkheid en kritisch denken, meer samenhang tussen vakgebieden), o.m. via competentiegericht leren. Ook is er naast het kernleerplan via een schoolleerplan ruimte voor scholen om het lesprogramma deels zelf in te vullen, maar het aandeel daarvan lag nog niet vast. Via CROATIAis meer info te vinden over de stand van zaken m.b.t. het kernleerplan. In de onderbouw krijgen de leerlingen vanaf het begin vreemde taalles (meestal Engels) en verder moedertaal, rekenen, natuur & maatschappij, gym en creatieve vakken (w.o. muziek), veelal van een vaste docent. Godsdienstles is geen verplicht vak. Vanaf jaar 4 komt er een 2e vreemde taal naar keuze bij. Toegevoegde vakken in de bovenbouw (met vakdocenten) zijn natuur (i.p.v. natuur & maatschappij), aardrijkskunde, geschiedenis en techniek en in de laatste 2 jaar biologie (i.p.v. natuur) en natuur & scheikunde.

Tussen 2005 en 2010 zakten door geboortecijfers de leerlingen aantallen in de onderbouw van 196.000 naar 167.500. In de bovenbouw veranderden de aantallen weinig (van 215.000 in 2003 via 205.000 in 2007 naar 212.000 in 2010, Statistics). Volgens Unicef (PDF) maakte qua uitval tussen 2005 en 2010 van de leeftijd groep 1% de basisschool niet af. In 2010/11 moest 0,7% een jaar overdoen. Het Kroatische CBS (First 2012, education, 1470 v/a p 66) kwam voor 2011/12 op 2073 veelal gemeentelijke scholen en dependances met 340.000 leerlingen (46% in de onderbouw, 8% op een schooltje met alleen onderbouw), verdeeld over 18.100 groepen (19 per groep) en ruim 31.000 docenten (81% vrouw, 22% in deeltijd; alleen onderbouw 37%, onder & bovenbouw 12%, alleen bovenbouw 51%). Daaronder vielen 10 privéscholen (830 leerlingen, 12 p/g), 62 staatsscholen voor speciaal onderwijs aan gehandicapte kinderen (ruim 2000, 6 à 7 p/g), 88 kunstscholen/dependances (85 muziek, 4 ballet) met 15.000 leerlingen en 1800 docenten en 65 scholen (4100, 13 p/g) met 700 docenten waar les werd gegeven in een minderhedentaal (meer onder speciaal & achterstandsonderwijs). Van alle scholen had 60% een kantine en serveerde 20% een warme maaltijd. Het aantal geleerde talen lag in 2010 in de bovenbouw op het EU gemiddelde (1,5 per leerling, BE 1,2, NL 2,1). In de onderbouw kreeg 99,5% vreemde taalles (EU 80%, NL & Vlaanderen 33%; in 1 taal 81,5%, EU 73%, meer talen 18 om 6,5%; Engels 91%, EU 73%; Duits 21 om 4%). In de bovenbouw kreeg 51% les in 1 vreemde taal (EU 37,5%, NL 24%, VL 47%) en 49% in 2 of meer (Eu 61%, NL 76%, VL BE 46%; Engels 96%, EU 94%; Duits 41 om 6,5%; Frans 1 om 32,5%, Italiaans is in Kroatië populairder).

Secundair vervolgonderwijs

Na de leerplichtfase (Secondary en en) is er algemeen vormend en beroepsonderwijs met verplichte, verplichte keuze en vrije keuze vakken (bij beroepsopleidingen ook een stage). Lessenpakket, materiaal en methode hangen mede af van het gekozen profiel. Landelijke normstelling is in ontwikkeling en bijv. info over minimum aantallen lesuren was voorjaar 2013 nog moeilijk te achterhalen. Het ministerie bood toen onder curricula wel veel info over profielen aan (o.m. voor beroepsopleidingen). Men is bezig met invoering van competentiegericht leren op basis van 8 door de EU aanbevolen kerncompetenties. Het algemeen vormende gymnasium (high), is een 4jarige vwo opleiding met 5 profielen (algemeen, vreemde talen, klassieke talen en 2 β varianten (exact/ ICT en exact/ research met o.m. scheikunde, biologie en milieu). Verder zijn er internationale gymnasia (9 tweetalig waarvan 3 gespecialiseerd en 2 Engelstalig) en er is in Zagreb een sportgymnasium. Ook zijn er gymnasia waar les gegeven wordt in een minderhedentaal (bijv. Servisch). Onder de verplichte vakken op alle varianten vallen moedertaal, minimaal 1 vreemde taal (Engels, Duits, Italiaans, Frans en/of Spaans), Latijn, muziek, beeldende kunst, gym en godsdienst of ethiek (gym, incl. de versie in het Kroatisch). Men wil toe naar een lestijd verhouding algemene vorming/ specialisatie van 60:40 in jaar 1 en daarna 40:60 (National Curriculum p. 21).

In de opzet van het beroepsonderwijs is afstemming op de arbeidsmarkt dikwijls als zwakte opgevoerd (development). Men begon in 2006 met invoering van een kwalificatie raamwerk dat aansluit bij EU normen. Dit onderwijs wordt vaak gegeven aan regionale opleidingscentra. In kortere opleidingen zitten veel leerwerk trajecten. Het doolhof aan specialisaties (438 profielen in 2000) is aanzienlijk verkleind. Rond 2008 telde men 23 programma’s met 1 of 2 jarige leergangen voor een lagere beroepskwalificatie (met slechts een fractie van de deelname), 93 programma’s voor 3 jarige technische en handelsopleidingen, 83 programma’s voor 4 jarige technische/ handelsopleidingen en verder 4 of 5 jarige kunstopleidingen (art). Daarnaast zijn er speciale programma’s voor een lager of middelbaar diploma voor gehandicapte leerlingen. Het algemeen vormende deel van beroepsopleidingen is vergelijkbaar met dat op gymnasia, maar met minder uren en vakken. Aan technische/ handelsscholen bestaat het praktijkgedeelte (40%) vooral uit praktijklessen op school (o.m. simulatie). Bij vakscholen/ opleidingen bestaat rond tweederde uit praktijk, incl. een stage op een echte werkvloer. Omdat de deelname aan technische & handelsscholen zakte zijn deze ook meer die kant op gegaan. Verder konden interne opleidingen van bedrijven/ instanties zich handhaven (Recent p 13/14).

Ter afsluiting van het gymnasium en 4 jarige (of langere) vak of kunstscholen kunnen leerlingen sinds 2009/10 op 2 niveaus het schriftelijke Matura staatsexamen doen voor deelname aan hoger onderwijs (het moet toelatingsexamens gaan vervangen). De verplichte vakken zijn Kroatisch, een vreemde taal en wiskunde. Verder mogen kandidaten examen doen in maximaal 6 keuzevakken. Leerlingen sluiten vakopleidingen vaak af met een eindverslag waarover ze kritisch worden bevraagd. Ook kunnen in het beroepsonderwijs vakcertificaten worden behaald op meerdere niveaus.

Tussen 2006/7 en 2010/11 zakte de deelname aan het reguliere vervolgonderwijs met bijna 4% naar 176.000 (4 j technisch 81.000, d.w.z. 46%, -3,5%; gymnasia 30%, +2%; 3j vakschool 21%, -11%; 4 jarig kunst 3%, +10%; First 2012, education, 1471). In 2011/12 ging van de 182.000 leerlingen 38.1% naar de technische school, 28,7% naar de vakschool, 26.1% naar het gymnasium en 7,1% naar een kunstopleiding. Private scholen (incl. op basis van geloof) kwamen tot 3% van de deelname. Groepen telden gemiddeld ruim 24 leerlingen (gymnasia 26, technisch 25, vak 22, kunst 45). Het segment doubleurs kwam op 2,3% (gymnasia 0,5%; technisch 2%, vak 5%, kunst 2,5%). Op het gymnasium was het algemene profiel het meest populair (60% van de leerlingen), gevolgd door de β profielen 15%, talen 14,9% en klassiek 6% (overige 4%). Bij 4 jarige technische opleidingen werd de top5 gevormd door economie (28,5%), elektrotechniek 17%, zorg & welzijn 12%, horeca & toerisme 9,5% en mechanische techniek 6% en bij vakscholen door mechanische techniek 24%, horeca 20%, handel 12,5%; persoonlijke dienstverlening 11% en elektrotechniek 9%. Bij kunstscholen was de volgorde muziek 50%, beeldende kunst 47% en ballet 3%. Naar EU maatstaf was na de leerplicht de deelname aan beroeps opleidingen hoog (m 78 om 55%, v 66 om 44% in 2010, Statistics) met na 2003 m.n. bij meiden (m) een relatief geringe daling (j -2 om -4%, m -3 om -17%). In Kroatië was de stijging van onderwijs deelname onder 18 jarigen tussen 2003 en 2010 fors (van 58,2 naar 66,7%, Eu van 75 naar 79%). Het aandeel voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder vervolgdiploma) zakte tussen 2002 en 2012 sterk (van 8 naar 4,3%) en werd het kleinst binnen de EU (EU van 17 naar 13%). Daarbij is het manvrouw verschil klein ten nadele van mannen (m 5%, v 3,4%; EU m 14,6%, v 11,1% in 2011). Het segment werkloze 15-17jarigen dat geen opleiding volgde (3,1%) lag in 2011 vrijwel op de EU normaal. Het aantal geleerde talen lag daar in 2010 een fractie boven (1,5 per leerling; 1,4, BE 1,7, NL 2,6 in 2003). In dat jaar kreeg 99% van de leerlingen in het secundair vervolgonderwijs Engels (EU 92,7%), 61% Duits (om 24%) en 4% Frans (EU 23%). T.o.v. 2005 steeg het deel dat Engels iets (0,6%, EU 2%) en het segment dat Duits kreeg zakte relatief weinig (-8 om -21%). Volgens Education lag in 2010/11 de uitval in het secundair vervolgonderwijs op 2%.

Hoger Onderwijs

Een Dominicaans seminarie in Zadar (1396) was de eerste hoger onderwijsinstelling in Kroatië. In 1807 hield het als onafhankelijk instituut op te bestaan, maar vanaf 2003 werd het een onafhankelijke universiteit. Ook de Jezuïeten waren erg actief in het land. In 1624 stichtten ze een seminarie in Dubrovnik en in 1669 volgde de universiteit van Zagreb (University). Dit werd het toonaangevende instituut in het land. Een pauselijk verbod op de Jezuïetenorde in 1773 betekende het eind van een eerste fase van de ontwikkeling van het hoger onderwijs. In 1776 werd de universiteit van Zagreb koninklijk en ze telde toen 3 faculteiten. In 1874 waren dat er 4 en daarna volgde geleidelijke uitbreiding, o.m. via opname van andere HO instellingen (zoals een in 1860 opgerichte hogere veeteelt en bosbouw opleiding). Kort voor 1850 kwam er wetgeving voor hbo onderwijs (reichard). Tussen 1880 en 1910 kreeg dit vorm vanuit een nationalistisch gedachtegoed (bijv. les in het Kroatisch) en aanvankelijk als verlengstuk van reeds bestaand vervolgonderwijs (men gebruikte bijv. de faciliteiten). Het betrof m.n. technische en commerciële opleidingen om eigen kader te creëren. Ook de universiteit van Zagreb ging mee in deze nationalistische trend die tijdens WO II bedenkelijke vormen aannam. Na de oorlog speelde dit instituut een hoofdrol in de totstandkoming van de Joegoslavische volksrepubliek met de in Kroatië geboren Josip Broz Tito als bekendste leider. Daarin werd het recht op onderwijs erg serieus genomen. Docenten werden universitair opgeleid en alle onderwijs werd vrij toegankelijk. In het hoger onderwijs ging tussen 1939 en 1987 het aantal instellingen in heel Joegoslavië van 26 naar 327 en het aantal studenten van 20.000 naar 347.000. De deelrepublieken waren op het vlak van onderwijs behoorlijk autonoom. In het HO stuurde men aan op niet elitair volksonderwijs en men probeerde een middenweg uit tussen centrale leiding en lokale raden. Er kwamen naast enkele nieuwe universiteiten (in 1973 in Rijeka, in 1974 in Split en in 1975 in Osijek) gespecialiseerde vakinstituten op hbo niveau van de grond die nauw verbonden waren aan de sector waar ze voor opleidden (viša škole). Anders dan in Servië zat daar in Kroatië geen organisatie achter die voor afstemming zorgde. Ze werden later vaak onderdeel van universiteiten of polytechnische scholen.

In de grondwet van 1990 werden onderwijsvrijheid (incl. gratis leerplichtonderwijs en vrijheid om private instellingen te openen) en autonoom hoger onderwijs opgenomen. T/m 1995 gebeurde er weinig relevants vanwege de onafhankelijkheidsoorlog met de Serviërs. In 2003 kwam ook hoger onderwijs (HO) onder het ministerie van onderwijs & sport (voordien was er een apart ministerie). In 2001 tekende men het Bologna verdrag (organisatie HO) en sinds 2005 wordt het stelsel met haar punten en graden (BA, MA, DR.) toegepast. In 2011/12 viel meer dan 99% van de studenten er onder. De meeste wetgeving van nu is na 2000 ingevoerd, het merendeel zelfs tussen 2007 en 2012 (2.1, Act). In 2010 kwam er een actieplan uit voor het verwijderen van obstakels voor deelname aan internationale HO programma’s. Kroatië kent o.m. gespecialiseerde overheidsinstanties voor wetenschappelijk & hoger onderwijs en mobiliteit & EU programma’s. Voorjaar 2013 meldde het ministerie het bestaan van 130 HO instellingen (Higher, alle instituten staan o.m. in First 2012, education, 1473 van het Kroatische CBS). Algemeen HO wordt gegeven aan universiteiten (thans 7 publieke met veel autonome faculteiten & dependances, waaronder bijv. kunstacademies). Na 2000 kwamen er universiteiten bij in Zadar (2002) & Dubrovnik (2003) en in 2006 in Pula op Istrië & Zagreb (een private roomse universiteit). Voor beroeps HO zijn er polytechnische scholen (universitair niveau, waarvan 13 publiek & 3 privaat) en hbo instellingen (57 private). Private instellingen worden door het ministerie langs dezelfde meetlat gelegd als publieke instellingen, maar worden niet gesubsidieerd en zijn dus duur.

In 2011/12 telde de universiteit van Zagreb meer dan 65.000 studenten en men stond (onder)in de top500 van de Shanghai ranking (World).

De deelname aan private instellingen in het HO ging tussen 2003 en 2010 van 2,5 naar 6,5% (ongesubsidieerd en veelal hbo; EU iets onder 30%, ongesubsidieerd van 26 naar 38%, Statistics). Onder alle onderwijsdeelname steeg in Kroatië het segment (HO) studenten tussen 2003 en 2010 in aandeel van 15 naar 18,4% (Eu van 16,1 naar 18,4%) en in aantal van 122.000 naar 150.000 (+23%, EU +28%). Het Kroatische CBS kwam voor 2010/11 op 134 HO instellingen, waaronder 83 universitaire faculteiten met 76,6% van de studenten, 16 polytechnische scholen met 15,9%, 29 hbo scholen (6,2%) en 6 kunstacademies (1,3%). Naar type opleiding & studietijd deed in 2010 van de studenten maar liefst 31% vak hbo (EU ruim 13%, NL 0,2%). Kroatië telt ook veel deeltijd studenten. In aantal lag het in 2010 op 40.200 en in aandeel op 27% (aan private instellingen meer, EU 23%). De doorsnee leeftijd was laag naar Eu maatstaf (20,8 om 22,1j; 15% jonger dan 18,6j, EU 18,9j; 85% onder 25,2j, EU onder 30,2j). Het segment in een promotie onderzoek was binnen de totale onderwijsdeelname klein (0,35 om 0,5% in 2010, NL echter 0,2%). Naar studierichting was sociale wetenschap, business, recht & economie veruit de grootste qua deelname (42,2%, EU 34,7%) en de belangstelling groeide na 2003 sterk (+21 om +1% in aandeel). Ze werd gevolgd door techniek & bouw (15,3 om 14,7%; -4 om -10%), kunst & letteren (9,5 om 12,5%; -4 om -8%), dienstverlening (8,8 om 4,1%; -40 om +23%), zorg & welzijn (8,4 om 13,9%; +11 om +20%), β vak (6,8 om 10,2%; -5 om -4%), onderwijs (4,7 om 8,1%, -3 om -14%) en landbouw/ diergeneeskunde (4,2 om 1.8%, +17 om -18%).

In Kroatië steeg het aandeel vrouwelijke studenten tussen 2003 en 2010 van 53,2 naar 56,3% (EU van 53,5 naar 55,4%, Statistics). Bij de β richtingen steeg het van 46 naar 51%) en het kwam daarmee in de EU top (EU van 39 naar 38%, NL van 23,5 naar 20%, BE rond 30%). Bij de technische vakken scoorden vrouwen ook goed (van 25% in 2001 naar 29% in 2010, EU van 23 naar 25%, NL van 12 naar 17%, BE van 18,5 naar 23%). Vanaf 2003 was bij de sectoren onderwijs (rond 92%; 93,2% in 2010, EU 77%) en sociale wetenschap, business & recht (71 om 58%) het aandeel vrouwen groter dan in enig Eu land en bij de laatste richting steeg het flink (+9 om +2%). Verdere aandelen vrouwen: zorg & welzijn 75%, EU 74%, kunst & talen 70 om 65,5%, landbouw 45,5 om 49,5%; dienstensector 29 om 49%). De instroom van buitenlandse studenten vanuit Europese landen naar het Kroatische HO is erg klein (0,2% in 2010, EU27 3,3%) en het aandeel Kroatische studenten in andere Europese landen is relatief groot (3,5 om 2%). In 2009 telde het Nederlandse hoger onderwijs 32 en het Belgische 20 studenten uit Kroatië (Statistics, students from abroad by country of origin).

Volwassenenonderwijs

Volgens Country report kent Kroatië al eeuwenlang instellingen voor onderwijs aan volwassenen. Onder de Joegoslavische volksrepubliek waren de deelrepublieken behoorlijk autonoom in het organiseren van volwassenen educatie. In de 60er en 70er jaren stichtten gemeenten lokale instellingen voor formeel en informeel volwassenen onderwijs (i.e. onderwijs dat niet opleidt voor een gewoon schooldiploma, daaronder valt thans bijv. naast persoonlijke en sociale ontwikkeling training voor de arbeidsmarkt). Daarvan zijn er nu ruim 70. Daarnaast zijn er zo’n 30 private en veelal gespecialiseerde lokale instellingen (pučka otvorena učilišta). Die in Zagreb begon in 1992 met een senioren universiteit. Deze gaf in 2010 informeel onderricht aan zo’n 1300 deelnemers. Onder de stichtingen die de tijd overleefden valt de in 1954 opgerichte Kroatische bond voor volwassenen educatie. Deze functioneert als koepelorganisatie, adviseur en lobbyist. Verder is er sinds 1998 een Kroatische andragogen bond en ook de universiteit van Rijeka laat zich niet onbetuigd. Deze begon tussen 2007 en 2013 met het opzetten van levenlang leren programma’s, ICT onderwijs en een erkenningstructuur voor diploma’s. De hoofdrol is thans weggelegd voor het ministerie. Hieronder ressorteert bijv. het formele volwassenenonderwijs. Omdat de leerplichtleeftijd in 2013 nog steeds op 15j lag is volgens de Kroatische wet alle onderwijs aan 15 plussers volwasseneneducatie. Het ministerie kent een adviserende raad van nauw betrokkenen voor dit onderwijs en sinds 2010 vanuit een fusie een speciaal agentschap voor vakonderwijs en training. Aan structuur zijn er voor alle niveaus van onderwijs volwassenen varianten (in aparte instellingen of bijv. ’s avonds op gewone scholen), private en bedrijfscentra en voorzieningen van beroepsorganisaties, bonden en politieke partijen etc.

Tussen 2003 en 2010 viel onder 26-65 jarigen de deelname aan levenslang leren in de maand voor de vraagstelling onder de laagste binnen de EU (tussen 2 en 3%; 2,3% in 2011, EU toen 8,9%; Statistics). Bij 18-24 jarigen lag ze tussen 41 en 46% (44% in 2011, EU 52,7%; m 39 om 50%, v 50 om 55%), vrijwel geheel binnen het formele onderwijsstelsel voor een regulier schooldiploma (informeel 1 om 8% in 2011). Dit was ook bij 25-75 jarigen het geval (alles 1,9 om 8%; informeel 0,3 om 5,8%) bij een verwaarloosbare deelname bij laag opgeleiden (laag 0 om 3,3%; middelbaar 2,5 om 7%, hoog 2,6 om 15%). Onder werklozen was de deelname (formeel + informeel) ook laag (tussen 18 en 24j: 3,5%, laagste EU, EU 22%; 18-65j: 2,3 om 12%). Bij werkenden (18-65j) lag ze op 2,1% (Eu 11,7%) en bij inactieven op 19% (om 23,5%). Bij het Adult Education Survey 2007 meldde in Kroatië 28% (EU 35%) van de werkende 25-65 jarigen deelname aan formeel en informeel leren (formeel 4,5 om 6,6%; informeel, d.w.z. incl. interne bedrijfstrainingen etc. 18 om 31%). De informele training was voor 84% arbeid gerelateerd (EU 84,5%, de rest was niet arbeid gerelateerd). Onder de motieven (Statistics, education, lifelong learning, past series) scoorden werk & carrièreperspectief verbeteren 78%, verplicht 32%, minder kans op baanverlies 18%, meer kans op werk (17%) en eigen zaak beginnen (5%) relatief hoog onder de 24 deelnemende EU landen. Interessant (45%) en diploma (15%) scoorden gemiddeld en de andere motieven aan de lage kant of laag (nuttige vaardigheiden & kennis voor alledag 36%, nieuwe mensen/ leuk 8%, overige 1,4%). De voorziener was relatief vaak een informele (24%, EU 16,5%) of formele (16 om 10%) onderwijs instelling en naar verhouding weinig een werkgever (22 om 38%), commerciële instelling (3 om 9%), stichting (3 om 4%) vakbond (0 om 1,4%), individu (0 om 4,3%) of niet commerciële instelling die trainen er bij doet (0 om 4,5%). Een werkgeversorganisatie/ KvK scoorde gemiddeld (5%). In 2010 waren het aandeel bedrijven dat opleidingen aanbood (57%, EU25 66%), het segment werknemers dat meedeed (23 om 38%) en het deel van hun budget voor arbeid dat bedrijven in training staken (0,7 om 1,6%) relatief klein.

Evaluatie van het onderwijs

Naar toegankelijkheid en beoordeling is bij kleuteropvang/ scholen (publiek & privaat) de eigen bijdrage hoog. Privaat onderwijs wordt weinig tot niet gesubsidieerd en is zodoende slechts toegankelijk voor de gefortuneerde elite. Bij basisscholen wordt een school toegewezen door de gemeente, maar ouders mogen een alternatief voorstellen (Key data 2012 pag. 35). Basisscholen met een speciaal programma (muziek of balletscholen) en private basisscholen mogen eigen toelatingscriteria hanteren (vaak een aanlegtest). De gemeente is verplicht te zorgen voor voldoende openbare leerlicht scholen. Op de basis/ middenschool geeft men vanaf het begin al cijfers (gelukkig met maar één onvoldoende) en zittenblijven is mogelijk (Key data pag. 161 e.v.). Qua beoordeling (ook eindbeoordeling) hebben docenten veel in de melk te brokkelen. Er zijn maatregelen om willekeur tegen te gaan en een voordeel is dat de eindbeoordeling niet afhangt van één momentopname. In 2013 was men bezig met invoering van externe criteria. In het vervolg na de leerplicht hanteren gymnasia toelatingsexamens. Ook de cijferlijst van de basisschool speelt een rol. De vervolgopleiding kan op gymnasia en vakscholen sinds kort worden afgesloten met een schriftelijk staatsexamen dat voorwaarde is voor toelating tot hoger onderwijs en eigen toelatingsexamens van HO instellingen moet gaan vervangen. Of dat lukt is een tweede, want HO instellingen mogen zelf toelatingscriteria bepalen (meestal toelatingsexamens of tests).Buiten dat kan men in het vakonderwijs op diverse niveaus vakdiploma’s vergaren.

In 2009 viel de voorgeschreven grootte van groepen mee naar EU maatstaf, maar de variatie was in de praktijk groot. Scholen waren klein, maar werden groter. Doordat de overheid naar Eu maatstaf erg weinig geld steekt in educatie kwamen tot voor kort basisscholen met 2 en zelfs 3 ploegendiensten voor. M.n. het laatste is een uitstervend fenomeen en ook van 2 ploegendiensten wil men af. Qua les in vreemde talen kunnen aandacht en deelname (m.n. Engels) groen worden afgevinkt. Reeds op de kleuterschool krijgt vreemde taalles erg veel aandacht (leidsters die Engels praten tegen de kleuters komen bijv. veel voor). Ook voor scholen met minderhedentalen is ruimte, onder het voorbehoud dat de Roma taal geen erkende minderhedentaal is en dat Servisch talige scholen worden achtergesteld, ook qua voorzieningen (onafhankelijkheidsoorlog met Servië tussen 1990 en 1995). Cultuur en sfeer in het Kroatische onderwijs worden meer dan in NL gekenmerkt door hiërarchische verhoudingen en nadruk op structuur. In 2003 viel het segment schoolkinderen mee dat melding maakte dat ze regelmatig werden gepest (20%, Education, Eu 25% in 2006, Key data on education 2009, Key Data Series). Tussen 2002 en 2012 is het aandeel voortijdige schoolverlaters (18-24 jarigen die na de leerplicht geen vervolgopleiding afmaakten) gedaald (van 8 naar 4,3%) en het was in 2012 kleiner dan in enig EU land (EU van 17 naar 12,9%; Statistics).

In het hele onderwijs leek naar EU maatstaf de belasting voor leerlingen naar lesuren en huiswerk mee te vallen. Het totaal aantal aanbevolen lesuren p/j (Facts and Figures; in hele uren bij lesuren van 45 min) was in 2012/13 kleiner dan in alle EU landen. Die voor docenten leek ook aan de lage kant. Hun salarissen lagen naar koopkracht flink onder die van NL en BE en zijn naar EU maatstaf laag. De beginsalarissen vielen nog mee, maar er zit erg weinig progressie in met jaren of schooltypen. Docenten zijn veelal universitair opgeleid met veel praktijk. Het land kende in 2010/11 voorgeschreven steun voor beginnende docenten in de vorm van regelmatige gesprekken, hulp bij planning en beoordeling en lesgeven samen met een ervaren docent. Ook is bijscholing voor alle leerkrachten wettelijk verplicht. In secundair en hoger onderwijs is de interesse voor de beroepsrichting groot (het stelsel is daar vanouds sterk op gericht). Het niveau van opleiding is in Kroatië heel behoorlijk naar EU maatstaf. Het segment 25-65 jarigen met hooguit lager vervolgonderwijs was in 2012 met 21,2% onder gemiddeld (EU27 26%) bij een vrij sterke daling (-28 om -24%) en het deel met minstens een beroepskwalificatie (een diploma van een secundaire vervolgopleiding) lag in 2012 op 78,8% (EU 74%) bij een doorsnee stijging tussen 2002 en 2012 (+12%; secundair vervolg als hoogste 61 om 47%, HO 18 om 28%; +20 om +33%). De deelname aan het HO is na 2002 relatief sterk gestegen en kwam op de Eu normaal (15 om 16,1% van de onderwijsdeelname in 2001, 18,4% in 2010). De deelname aan volwassenen onderwijs valt onder de laagste binnen de EU. De schooluitval valt mee. Het segment voortijdige schoolverlaters zakte tussen 2002 en 2010 van 8 naar 3,7% (-54% EU 14%; -18%) en steeg daarna iets (4,3% in 2012, +14%; Eu 12,9%, -7%), maar het bleef kleiner dan in alle Eu landen. Wel is tussen 2008 en 2011 het segment 18-24 jarigen zonder werk dat geen opleiding of training doet in Kroatië (Hrvatska) relatief sterk gestegen tot flink boven de Eu normaal (HR van 13,3 naar 20,6%, Eu van 13,9 naar 16,7%; NL 5%, BE 15% in 2011).

Via http://hdr.undp.org/en/data/build/ is de positie te vinden van landen op deonderwijspoot van de Human development index van de VN. In 2010 stond Kroatië daarop op basis van schoolverwachting, opleidingsniveau en onderwijsuitgaven 26e in de EU28 rangorde. Dat komt vooral door de lage uitgaven. Op Programmestaan de resultaten van hetPisa schoolon­derzoek van 2009 onder 15 jarigen. In vergelijking met 26 deelnemende EU landen moesten Kroatische kinderen (c.q. docenten) bij de leesschalen 20 landen, bij natuurkunde 21 landen en bij wiskunde 24 landen voor zich dulden. Kroaten beoordeelden in 2007 het door hun gevolgde onderwijs met een 6,1 (EU25 7,2; Satisfaction) en hun onderwijsstelsel met een 5,9 (EU25 6,3; Quality). Najaar 2012 was het segment dat het onderwijsstelsel koos als punt van zorg (net als overal in de EU) klein (voor het land 1%, EU 7%, voor zichzelf 5 om 9%; Annex, QA 5/6; keuze van 2 uit 14 opties). Medio 2009 was het volksdeel dat diploma’s belangrijk leek om werk te vinden aan de kleine kant (45 om 52%: keuze van 2 opties uit 6; Report QD6).

Naar rendement qua betaald werk (25-65j) lijkt in HR onderwijs uit te kunnen, want de achterstand op het Eu gemiddelde neemt af met het opleidingsniveau. In 2011 had van de laag opgeleiden 40,7% zulk werk (EU 53,5%; 30% meer), van de middelbaar opgeleiden 61,7% (EU 73%, 18% meer) en van de hoger opgeleiden 77,5% (EU 84,7%, 9% meer). Na 2008 zakte in Kroatië de werkgelegenheid relatief sterk en de ellende werd gelijkmatiger dan in de EU over alle opleidingsniveaus verdeeld (laag opgeleid van 46,3 naar 40,7%, EU van 56,7 naar 53,5%; middelbaar van 67,6 naar 61,7%, EU van 75 naar 73%; hoog van 82,7 naar 77,5, EU van 85,1 om 84,7%). Eén en ander kwam terug in de stijging van de werkloosheid (laag van 9,5 naar 16%, EU van 10 naar 15%; middelbaar van 7,3 naar 11,6%, EU van 5,6 naar 7,6%; hoog van 4,1 naar 8%, EU van 3,5 naar 5,1%). Qua inkomen is naar koopkracht het verschil tussen hoog en laag opgeleide loondienstigen (werkplekken met 10 of meer werknemers buiten de landbouw en ambtenarij) in Kroatië groter dan in NL en BE. Een (theoretisch) universitair opgeleide verdiende in 2010 naar koopkracht in Kroatië gemiddeld bijna 3 x zoveel als iemand met alleen basisschool (NL 2 x zoveel, BE 2,5 x zoveel). In HR verdiende (aldus berekend) de laag opgeleide p/j €11.300 en de hoog opgeleide rond €30.800 (NL €26.000 en €51.600; BE €28.800 en €48.000 tot €61.000; Statistics). Zo bezien lijkt in HR hoogte van de opleiding gemiddeld dus meer extra inkomen op te leveren dan in NL.