Taal

Achtergronden van het Sloveens

Samen met Servisch en Kroatisch valt het Sloveens onder de westelijke groep van de Zuid Slavische tak van de Slavische talen binnen de Indo Europese taalfamilie. Toch verstaat men el­kaar niet in deze landen. Ook gebruiken de Slovenen het Latijnse alfabet, terwijl m.n Serviërs veel in het cyrillisch schrijven. Het kerkslavisch dat de 9e eeuwse Byzantijns Griekse missionarissen Cyrillus en Methodius gebruikten in hun bijbelvertaling vormt een ondergrond voor alle Slavische talen. De oudste geschriften in een Sloveens dialect, de religieuze Freising manuscripten (Brižinski spomeniki) zijn vernoemd naar de Beierse vindplaats en dateren al uit de 10e eeuw. De protestanten Primož Trubar, Adam Bohorič en Jurij Dalmatin legden rond 1550 de basis voor de Sloveense taal en literatuur via religieuze geschriften (o.m een bijbelvertaling) en grammaticaboeken. In het Sloveens zijn vanwege de duizend jaar lange Habsburgse over­heersing invloeden te bespeuren uit het Duits. M.n onder invloed van de pan Slavische beweging, die in de 19e eeuw opkwam, drongen ook Servo-Kroatische en Tsjechische woorden door tot de taal. Bohorič creëerde de op het Duits gebaseerde schrijfwijze van Sloveens die tussen de 16e en de 19e eeuw gangbaar was en sterk lijkt op de huidige manier van schrijven (het bohoriča). Hij gebruikte echter niet de háček (het dakje op de c, s of z), maar een aan het Duits ontleende lettercombinatie om de betreffende klanken tot uitdrukking te brengen. Als tegenreactie werden onder invloed van de pan Slavische beweging in de 19e eeuw enkele andere schrijfwijzen voorgesteld, maar deze sloegen niet aan. Dit gebeurde wel met het schrift van Ljudevit Gaj (het Gajica) die de háček introduceerde vanuit het Tsjechisch en de verwantschap van Slovenen en Kroaten benadrukte. 

Kenmerken van het Sloveens

Als Slavische taal is het Sloveens flecterend, d.w.z dat de vorm van woorden aangepast wordt aan hun grammaticale functie in de zin. Opvallende verschillen met het Nederlands zijn de afwezigheid van lidwoorden (het geslacht wordt zichtbaar door een toevoeging aan het eind van een woord zoals bijv in Sablikova, de vrouw van Sablikov), een grote vrijheid in de zinsbouw, de verbuiging van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden via 6 naamvallen, 4 vormen van werkwoorden die een tijdsaspect van handelen uitdrukken en een tweevoud naast enkel en meervoud. De taal kent een formele u (vi) en een informele je vorm (ti). Het Sloveense alfabet kent niet de Q, de W, de X (men schrijft KS) en de Y, maar wel weer de Č (uitspraak zh), de Š en de Ž ( uitspraak van beide ongeveer als sh). Om toon en plaats van de klemtoon aan te geven bestaan diverse andere leestekens, maar die worden vrijwel alleen gebruikt in woorden waarbij de betekenis verandert (bijv het verschil tussen gòl naakt en gól goal). Aan letters komt men daarmee op 21 medeklinkers en 8 klinkers (4 met en 4 zonder klemtoon). De taal wordt bewaakt door het orthografisch instituut en het Fran Ramovš instituut; beide onderdeel van de Sloveense academie van wetenschap en kunst (SAZU).

Het publiceren en via media uitzenden van onvertaald materiaal en bedrijfsnamen of gebruiksaanwijzingen zonder vertaling in het Sloveens zijn bij wet verboden en strafbaar.

Verbreiding van het Sloveens

Het Sloveens (Slovenščina) is wereldwijd de moedertaal van zo’n 2,5 miljoen mensen, waarvan er 1,9 miljoen in Slovenië wonen. In de aan­grenzende gebieden van de buurlanden is het een erkende minderheidstaal voor zo’n 200.000 afstam­melingen van Slovenen; waarvan rond 110.000 in het aangrenzende deel van Italië (Friuli Julisch Venetië; Furlania Julijska Krajina op zijn Sloveens), gevolgd door Oostenrijk (45.000), Kroatië (25.000) en Hongarije (5000). Thans telt de wereld daarbuiten zo’n 350.000 mensen met een Sloveense identiteit. De grootste Sloveense gemeenschappen zitten in de VS (175.000), Duitsland en Canada (beide 30.000), Australië en Argentinië (beide 25.000). Het aantal sprekers in deze landen wordt geschat op 200.000 à 300.000.

Dialecten en minderheden en immigrantentalen

Het Sloveens telt 9 hoofddialecten met grote onderlinge verschillen en 48 dialecten. Deze worden wel verdeeld in 7 regiogroepen. Deze grote variatie is terug te voeren op de bergachtigheid (geïsoleerde populaties) en geringe grootte van het taalgebied (flinke grenspopulaties). De standaardtaal is gebaseerd op het dialect Dolensjki. De oostelijke taalvariant van Prekmurje, niet ver van Hongarije, was tot in de 19e eeuw de gangbare literaire taal. Aan de Italiaanse kant van het Sloveense taalgebied ontwikkelde het Resisch eigen kenmerken en een eigen literaire taal. In het Duits wordt voor Sloveense dialecten (bijv in het Oostenrijkse Karinthië) de term Windisch gebruikt, maar veruit de meeste Sloveenstaligen in Oostenrijk vinden deze term historisch en politiek besmet en gebruiken hem zelf nooit. Het Sloveens is in de Oostenrijkse deelstaten Karinthië en Stiermarken wel een erkende minderhedentaal, evenals in het Italiaanse Friuli Venezia Giulia en in de Hongaarse regio Vas. Algemeen beschaafd Kroatisch is anders dan Sloveens, maar de dialecten aan weerskanten van de Kroatische grens gaan naadloos in elkaar over (vergelijkbaar met Duits en Nederlands). Het Italiaans (langs de kust en de Italiaanse grens) en Hongaars (in Prekmurje langs de Hongaarse grens) zijn erkende minderhedentalen binnen Slovenië. Dit betekent dat in deze regio de opties van onderwijs, radio en TV uitzendingen en communicatie met autoriteiten in de taal wettelijk zijn gegarandeerd. Ze worden in de praktijk ook benut.

De grootste immigrantentaal is het Servo-Kroatisch, op afstand gevolgd door Bosnisch, Albanees en Macedonisch. Ook de taal van de Roma zigeuners (Romani) wordt gezien als een immigrantentaal en geen van deze talen heeft een status. In de Joegoslavische tijd was het Servo-Kroatisch echter de 1e officiële omgangstaal en velen spreken haar nog vloeiend. Voor de onafhankelijkheid van 1991 was Duits de 1e vreemde taal op school (mede nawee van de Habsburgse tijd), maar nadien nam Engels deze rol al snel over. Langs de betreffende grenzen is de belangstelling voor Duits of Italiaans relatief groot. 

Talenkennis en opinie over talen in Slovenië

Eind 2005 beschouwde 95% van de Slovenen het Sloveens als hun moedertaal. Verder zag 1% een andere erkende EU taal en 5% een taal van buiten de EU (ook) als zodanig (Eurobarometer 243, wave 64.3). Het volksdeel dat geen vreemde talen sprak lag met 9% ver onder het EU25 gemiddelde (44%) en het deel dat er minstens 1 sprak lag daar ver boven (91 om 56%). Ook de groep die meer talen kende viel onder de EU top (minstens 2: 71 om 28%; 3 of meer 40 om 11%). Als reden om geen vreemde taal te leren kwam “geen geld” het vaakst uit de bus (33%, EU 22%; andere opties “geen zin” en “geen tijd”). De 3 talen die men het vaakst kende waren Kroatisch 58%, Engels 57% en Duits 50%. In 2007 kreeg volgens Eurostat 98% van de leerlingen in het secundair vervolgonderwijs Engels (EU27 83,5%), 76% Duits (EU 22,5%) en 11% Franse les (EU 22%). Leerlingen in het lager vervolgonderwijs kregen gemiddeld les in 1,4 vreemde taal (EU27 1,5 taal) en in het hoger vervolgonderwijs in 1,6 (EU 1,3). De kennis van vreemde talen (genoeg om een gesprek te voeren) was relatief verbreid en het deel dat een hoge pet op had van de talenkennis in eigen land was terecht groot (76%, EU 44%). Het deel dat liever ondertitels dan nasynchronisatie zag op TV of bij films was ook groot (77 om 37%; men is ondertitels gewend). Het segment dat vond dat er in de omgeving genoeg gelegenheid was om talen te leren lag iets boven de EU normaal (56 om 51%) en het deel dat gebruik zou willen maken van een talencentrum in de buurt (37%) lag daar op.

Het volksdeel dat het nuttig leek voor de eigen zelfontplooiing en carrière om vreemde talen te kennen lag met 84% vrijwel op het EU gemiddelde. De groep die talenkennis erg belangrijk vond voor de carrière vooruitzichten van kinderen was naar verhouding groot (82%, EU 73%) evenals het volksdeel dat het aanbod aan vreemde talen in hun onderwijs voldoende divers achtte (75 om 61%). Het deel dat op de basisschool voor het eerst vreemde taalles kreeg kwam ver boven de EU standaard (72 om 24%) en het deel dat er in het vervolgonderwijs voor het eerst mee in aanraking lag daar onder (52 om 59%). In Slovenië vond 27% (EU 39%) 0-5 jaar en 71% (EU 55%) 6-12 jaar een goede leeftijd om met vreemde taalles te beginnen. Voor het leren van een 2e vreemde taal scoorde 0-5 jaar 6% (EU 17%); 6-12 jaar 72% (EU 64%) en 13-19 jaar 19% (EU 11%). Thans begint men al vroeg op de basisschool met Engelse les. Het gedeelte dat vreemde talen van school kende lag boven de EU standaard (86 om 65%), maar het deel dat dit een effectieve manier om ze te leren (59%) lag daar vrijwel op. Voor zichzelf leek taallessen op school toch wel de grootste groep het meest effectief (27%, EU 18%: andere keuzes groepsles van een docent, privé-les en bezoek aan buitenlanden).

Eind 2005 had in Slovenië 24% in de 2 jaar vooraf gewerkt aan verbetering van hun talenkennis over de grens (EU 18%) en eveneens 24% (EU 21%) was van plan om dit in het komende jaar te doen. Op de vraag naar 2 voorkeurstalen voor zichzelf koos 78% Engels (EU 68%); gevolgd door Duits (61 om 22%), Italiaans (12 om 3%), Frans (4 om 25%), Spaans (2 om 16%) en Russisch (1 om 3%). Voor hun kinderen gaf 96% de voorkeur aan Engels (EU 77%), wederom gevolgd door Duits (69 om 28%), Italiaans (12 om 2%), Frans (6 om 33%) en Spaans (3 om 19%). Het volksdeel dat vond dat taalonderwijs politieke prioriteit verdient was relatief klein (44 om 67%) evenals het segment voorstanders van één taal die iedereen in de Eu spreekt (49 om 70%) of het deel dat onderschreef dat iedereen in de EU minstens één taal over de eigen grens (80 om 84%) of 2 van zulke talen moest kennen (47 om 50%). Het gedeelte voorstanders van één vaste voertaal bij alle EU instellingen (54%) lag vrijwel op de EU normaal. Gelijke behandeling van alle talen in de EU (87 om 72%) of meer steun aan regio en minderhedentalen (82 om 63%) kreeg wel relatief veel aanhang.