Woonsituatie

Beschikbaar woningbestand

Luxemburg kent met ruim 90% de grootste verstedelijkingsgraad binnen de Eu. In 1996 stonden er verhoudingsgewijs meer vrijstaande huizen (36% om 14%) en kleine appartementengebouwen (ie. met minder dan 10 wooneenheden) dan in Nederland (21 om 5%) en het aandeel rijtjeshuizen of 2 onder één kapwoningen (31% om 54%) en grotere appartementengebouwen (11 om 22%) lag een stuk lager. In 2005 woonde 40% van de Luxemburgers die genoegen moest nemen met minder dan 60% van modaal en 85% van degenen die boven 140% van modaal zaten in een vrijstaand, 2onder1kap of rijtjeshuis (EU15 respectievelijk 52% en 74% in 2000). In 2004 bewoonde van de totale bevolking 29% een meergezinswoning, 45% (EU 48%) een appar­tement en 16% (EU15 14%; EU10 34%) een appartement in een flat van 4 of meer verdiepingen. Naar EU maatstaven betrokken veel huishoudens (29%) hun woning na 1980 en in het groothertogdom wordt naar EU maat­staven veel verhuisd, zowel binnen de regio (54% binnen 10 jaar, EU 36% in 2001) als internationaal (20%, EU 4%). Het aandeel Luxemburgers dat een 2e woning had lag in 1996 met 10% rond het EU gemiddelde (NL 3%) en de leegstand behoorde in 2001 met 2,3% tot de laagste binnen de EU15 (8%). In 2004 telde het totale bestand 176.000 wooneenheden (110.000 eengezinswoningen/ 55.000 meergezinswoningen, 391 per 1000 inwoners) en er werden 49 woningen per 10.000 inwoners bijgebouwd (rond EU gemiddelde; 59% meergezinswoningen, 41% eengezinswoningen). Het aantal nieuwbouwvergunningen daalde in het 1e kwartaal van 2005 met 22%, maar in het 2e kwartaal steeg het weer met 5%. Met gemid­deld 2,6 inwoners per huis bij koopwoningen en 2,2 bij huurwoningen kwam het aantal kamers per inwoner ook op 2,2 (koopwoningen 2,4k; huur 1,8k; EU15 1,9k in 2005). Het werd naar beneden gehaald door degenen die onder de armoedegrens (inkomen onder 60% modaal) moesten leven. Bij deze groep kwam veel overbewoning voor (minder dan 1 kamer per bewoner 22%, EU 16%).

Kwaliteit van het bestand

Het aandeel woningen van voor 1946 (31%) is vrij groot naar EU maatstaven. Voor het overige ligt de leeftijd van het bestand rond de EU normaal. Per huishouden beschikte men gemiddeld over veruit de meeste woon­ruimte (123 m² in 2004, nieuwbouwhuizen 132 m²; huurhuizen 89 m²) en (na Ierland) het grootste aantal kamers per woning (5,5) binnen de EU15. De Luxemburgse huizen zijn doorgaans erg comfortabel. Het aandeel wooneenheden met douche of bad (94%) en met cv (92%) lag in 2001 weliswaar rond het EU15 gemiddelde, maar bijna 2 van de 3 huishoudens beschikte bijv over een garage (meestal bij huis). In 2003 was het aandeel huishou­dens dat ruimtegebrek ervoer (25%, Eu15 17%) desondanks vrij hoog naar EU15 maatstaven, maar klachten over huisrot (5 om 8%) en vocht en lekkage (7 om 12%) kwamen relatief weinig voor. Met uitzondering van klachten over de waterkwaliteit (17%, EU15 15%) lag de fre­quentie van klachten over de woonomgeving onder het EU15 gemiddelde (herrie en luchtvervuiling 16 om 18%; gebrek aan groene ruimte 10 om 16%, 2 of meer klachten 16 om 19%). Ook klachten over criminaliteit en verloedering waren naar EU maatstaven vrij dun gezaaid en kwamen bijv minder voor dan in Nederland. In 2003 beoordeelde men de eigen woonsituatie met een 8,2 gemiddeld (2 na hoogste EU15; EU15 7,7).

Betaalbaarheid van het bestand

Het aandeel huurwoningen (29% in 2004; koopwoningen 68%) was naar EU15 maatstaven gemiddeld, maar de huren zijn hoog (in 2003 in 63% van de gevallen tussen 250 en 750 Euro). De meeste woningen worden privé verhuurd en slechts 9% van de huurders krijgt subsidie. In 2003 bestond 0,9% van de nieuwe huurhuizen uit sociale woningbouw. Voor huurders gingen de woonlasten tussen 1995 en 2003 met 20,5% omhoog (EU25: 18,3%). De bouwkosten stegen tussen 2000 en 2004 met 12,2% (EU 19,3%). In 2004 lagen de gemiddelde woonlasten 27% boven het EU15 gemiddelde (3 na hoogste EU15). Expats mogen niet langer dan 3 maanden achtereen woonruimte huren. Daarom gaan velen uit het buitenland die langer in Luxemburg blijven werken in een buurland wonen. In 2005 betaalde men 21,1%  van het huis­houdbudget (EU25; 21,7%) aan directe woonlasten (gemiddeld €2600 per inwoner per jaar). Het aandeel Luxemburgers dat de woonkosten als een last ervoer nam tussen 1995 en 2005 flink toe (zware last van 5 naar 9%; gewone last van 9 naar 50%; EU15 respectievelijk 19 en 35% in 2000). In 2003 stond aan hypo­theken 33% van het BBP uit (3 na laagste EU15) bij een eigen woningbezit van 67%. Hypotheekleningen golden in 2005 voor 20-40 jaar en voor maximaal 80% van de woningwaarde.