Bevolking, familie en emancipatiezaken en welzijnsaspecten

Demografische gegevens: inwonertal en etniciteit

Per 1-1-2009 telde Spanje volgens Eurostat 45,85 miljoen inwoners, qua aantal het 5e land van de EU en 1,5% meer dan een jaar eerder. Dichtheid 2006: 87/km² (EU15 130/ km²). In 2004 waren er ±1 miljoen illegalen in het land. Eind 2004 werd legalisatie mogelijk gemaakt voor degenen onder hen die een baantje hadden. In 2005 maakten rond 1 miljoen immigranten hier gebruik van. Intussen kwamen als maar nieuwe illegalen het land in, spectaculaire pogingen om dit te voorkomen ten spijt. Tussen 1997 en 2007 steeg het immigratie saldo ieder jaar en in 2007 bereikte het een piek van 700.000. In 2008 werd men restrictief vanwege de slechtere economie en het saldo kwam op 464.000 (-33,7% t.o.v 2007). In februari 2009 beloofde de Spaanse regering aan 87.000 recent binnengekomen arbeidsmigranten een vertrekpremie van 40.000 dollar wanneer ze hun werkvergunning inleverden en beloofden 3 jaar lang weg te blijven. Slechts 1400 maakten gebruik van het aanbod. In 2007 hadden 4,6 miljoen inwoners (10%) een buitenlands paspoort (grootste aantal EU27 en grootste aandeel na Luxemburg). Etnische samenstelling 1-1-2008 naar land van herkomst (bron INEbase: statistical yearbook of Spain: demografia): buiten Spanje geboren 11,6% (5,25 miljoen). Daarvan kwam 4,6% (2,07 miljoen) uit Amerika; voor 85% uit Zuid-Amerika (Ecuador 0,9%: Colombia 0,6%: Argentinië 0,6%; Bolivia 0,4%, Peru 0,3%, Venezuela 0,3%) en voor 10% uit Midden Amerika (m.n Cuba of de Dominicaanse Republiek). Amerika werd op de voet gevolgd door Europa (4,5%; 2.05 miljoen; Roemenië 1,1%; VK 0,7%; Duitsland 0,5%; Frankrijk 0,5%; Bulgarije 0,3%; Portugal 0,3%). Uit Afrika kwam 1,9% (860.000; Marokkanen 1,4% en daarmee de grootste allochtone groep) en uit Azië 0,5% (China 0,2%: Pakistan 0,1%). Het aantal asielverzoeken was relatief klein (7200 in 2007; 4 keer zo klein als in Frankrijk of het VK; landen met flink wat meer inwoners). Immigranten deden veel slecht betaald werk dat de Spanjaarden zelf niet willen doen (bijv  in de land en tuinbouw) en sturen meestal een flink deel van de opbrengst daarvan naar hun familie in hun land van herkomst. In Rioja, Madrid, Aragon en langs de Mediterrane Costas (incl. de Balearen) zitten de grootste concentraties immigranten.

Het volksdeel dat in Spanje qua opinie over minderheden integratie erg belangrijk vond was begin 2005 het grootste binnen de Eu25 (55 om 37%) en het deel dat immigratie tot de 3 grootste punten van zorg rekende voor zichzelf (33 om 14%) of de komende generatie (22 om 10%) was eind 2006 het grootste binnen de EU 27. Integratie van vreemdelingen werd toen onder een 17tal punten van zorg echter door relatief weinigen tot deze top3 gerekend (respectievelijk 5 om 8% en 6 om 7%). Het contingent dat de stelling onderschreef dat immigranten veel bijdragen aan het eigen land lag op de EU25 normaal (40%; NL 53%, Zweden hoogste EU met 79%) en de doorsnee waardering van immigranten lag daar boven (2,10 om 2,02 bij een schaal van 2,33 naar 1,52). In 2007 was het volksdeel dat sterke etnisch raciale spanningen ervoer relatief klein in Spanje (33%, NL 57%, België 43%, EU15 41%). In november van dat jaar was het deel dat voor de eigen identiteit koos en weinig heil zag in interculturele dialoog iets kleiner dan gemiddeld in de EU27 (12 om 13%). Het deel dat koos voor opofferen van de eigen wortels ten bate van diversiteit (kosmopolieten) was het op 3 na grootst (39 om 25%) en het gedeelte dat de kool en de geit wilde sparen was navenant klein (44 om 55%).

De 6 dimensies tellende Migrant Integration Policy Index (MIPI: zie op culturescope.ca onder citizenship & identity) meet de immigrantvriendelijkheid in 28 landen; waaronder de EU25 landen. Spanje scoorde in 2007 op deze lijst met een gemiddelde van 61 boven de EU25 normaal (53) en bezette een 10e plek in de totaalrangschikking. De tabel hieronder geeft nadere info over positie en scores bij de 6 dimensies onder de 28 landen. Bij * betreft het een met meer landen gedeelde plek.

Dimensie

Spanje

Nederland

Eu25

Score

Plek

Score

Plek

Score

Toegang arbeidsmarkt

90

2

70

9*

56

Gezinshereniging

66

8*

59

16

57

Langdurig verblijf

70

4

66

10

59

Politieke deelname

50

14

80

5

56

Naturalisatie

41

14*

51

8

43

Antidiscriminatie

50

17*

81

5*

58

Bij langdurig verblijf gaat het om de invloed van de lengte van het verblijf op de status van de vreemdeling. Onder naturalisatie valt naast voorwaarden voor ook de zekerheid over de status en het wel of niet toegestaan zijn van een dubbele nationaliteit.

Overige demografische gegevens

Levensverwachting 2006: 81 jaar (m 77,7j; v 84,4j in 2006; EU25 78,5j in 2004; m 75,7; v 81,9). Leeftijdsklassen: jonger dan 15 jaar 14,6% in 2008 (EU27 15,8% in 2007), ouder dan 64j: 16,8% (EU 16,9%). Het aantal huishoudens in Spanje steeg tussen 2000 en 2007 van 13,3 naar 16,3 miljoen (gemiddelde grootte 2,7 personen: EU 2,4). Tussen 2004 en 2007 steeg het aandeel huishoudens van 1 persoon van 15,6 naar 17,3% en het deel met 5 of meer personen daalde van 8.9 naar 5,9%. Het aandeel met een andere grootte wisselde wat. In 2007 lag het deel van 2 personen op 28,9%; van 3 op 23,3% en van 4 op 24,5%. In 2007 telde men 81,3% gezinshuishoudens en de rest (18,7%) was geen gezin. Opbouw gezinshuishoudens 2007 (13,3 miljoen in getal): 26% kinderloos paar, 57% ouders met kinderen (onder 18j 36%; boven 18j 22%); 2,3% éénoudergezin, 14% andere gezinshuishoudingen (bron INEbase: women and man in Spain 2009; echter wel Spaanstalig). Een Spaanse vrouw kreeg in 2005 tij­dens haar leven gemiddeld 1,38 kind (EU27: rond 1,5 kind). Geboortecijfer 2008: 11 per 1000 inwoners (EU27 10,8/1000); aandeel buitenechtelijk geboorten 2006: 28,4% (EU 34%); huwelijkscijfer 2006: 4,61/1000 (EU15 4,45/1000); scheidingscijfer 2005: 1,7/1000 (EU15 1,9/1000); sterftecijfer 2007: 8,5/1000 (EU27 9,6/1000).

Situatie in de 90er jaren en daarvoor

Traditioneel waren er in Spanje altijd veel samengestelde gezinnen vanwege armoe en sterke familiebanden. Ongehuwden (ook ongehuwde moeders) bleven vaak bij familie wonen tot ze trouwden en een gezin stichtten en bejaarden trokken veelal bij kinderen in. Bijna overal stond respect voor ouderen hoog in de waardehiërarchie. Rond 1995 nog kende men met 5% het laagste aandeel alleenwonende 65 plussers binnen de EU en in 1996 werd maar weinig ongehuwd samengewoond, ook niet door jongeren onder de 30 (8% om 55% in Nederland). Het aandeel “huwelijksaversieven” (mensen die het grootste deel van hun leven formeel alleenstaand waren) was toen eveneens laag (5 om 8%).

In hun opvattingen over emancipatiezaken waren Spanjaarden in 1996 naar EU15 maatsta­ven vrij behoudend t.a.v. seksegebonden rolverdelingen. Zo geloofde 49% (EU 51%, NL 33%) dat we beter af zouden zijn wanneer we weer traditioneel gingen le­ven; 33% (EU 31%, NL 14%) was de mening toegedaan dat gehuwden gelukkiger zijn dan ongehuwden en 58% (EU 60%, NL 74%) vond echtscheiding acceptabel. Van de Spanjaarden vond 75% dat werk voor vrouwen het beste middel is voor hun zelfstan­digheid (EU 69%, NL 51%). Tegelijkertijd waren de bevindingen dat vrouwen eigenlijk liever een gezin willen dan werk (50%, EU 38%, NL 31%) en dat het gezinsleven lijdt onder het werken van de vrouw (58%, EU 50%, NL 42%) ook relatief wijdverbreid. Ruim de helft vond in Spanje een rolwisseling van man en vrouw bedenkelijk (52%, NL 24%) en 2 keer zoveel Spanjaarden als Nederlanders waren hier nog explicieter in. Ze vonden dat de vrouw gewoon achter het aanrecht thuishoort (38% om 19%: Spanjaarden en Portu­gezen scoorden hierop het hoogst van de EU). Dergelijke bevindingen kregen ook meer in detail gestalte. Huishoudelijk taken; zoals boodschappen (68 om 57%), ziekenverzorging (61 om 49%), menukeus (82 om 67%) en was­sen en strijken (91 om 88%) werden naar Nederlandse maatstaven vaak door vrouwen gedaan. Zowel mannen als vrouwen hechtten in Spanje dikwijls aan een ge­slachtsgebonden rolverdeling waarbij de vrouw de baas was bij huishoudelijke en opvoe­dingszaken. Paren die samen koken in unieseks zou men zeker toen in het land dan ook weinig aan­treffen.

In 2003 nog was het volksdeel dat bij een emotionele dip steun van familie verwachtte relatief groot (62%, EU25 52%) en het deel dat dacht op steun van de familie te kunnen rekenen bij een financiële dip was toen het grootst binnen de EU (80 om 69%).

Recente demografische ontwikkelingen

Net als in andere Mediterrane EU landen werden in Spanje de huishoudens later kleiner dan in de meeste West en Noord-Europese landen. De gemiddelde grootte ervan daalde in Spanje tussen 1995 en 2006 van 3,3 naar 2,8; terwijl ze in de EU15 nauwelijks meer veranderde (2,4 in 2003). Tussen 1991 en 2001 nam het aandeel eenpersoonshuishou­dens toe met 41% en het aandeel 2 en 3 persoonshuishou­dens steeg met zo’n 30%. Het deel van de huishoudens met meer dan 5 leden daalde daar­entegen met bijna 40%. Tot 1975 lag het aantal jaarlijkse huwelijken rond 250.000, maar sinds 1981 is het zo’n 20% lager. Tussen 2000 en 2006 zakte het huwelijkscijfer in Spanje iets langzamer dan in de 15 eurolanden (van 5,1 naar 4,45/1000; Spanje van 5,1 naar 4,6/1000) en het bleef iets boven het gemiddelde van de landengroep. De buitenlandse inbreng in huwelijken stijgt; in 2006 met 2% t.o.v 2005 naar 16%. In 2006 trouwde in de meeste van deze gevallen (44%) een Spaanse man een buitenlandse vrouw (Spaanse vrouw/ buitenlandse man 28%: beide partners buitenlands 24%). Vooral door­dat steeds meer vrouwen verder leerden en een baan gin­gen zoeken steeg de gemid­delde leeftijd bij een 1e huwelijk tussen 1981 en 2001 van rond 27 naar rond 30 jaar. In 2006 daalde de gemiddelde leeftijd bij een 1e huwelijk voor het eerst sinds 1980 wat. Ze kwam bij vrouwen op  29,6 j en bij mannen op 31,8j. In juli 1981 werd echtscheiding in Spanje gelegaliseerd en hetzelfde gebeurde 4 jaar later met abortus. Sinds juli 2005 is directe huwelijksontbinding toegestaan, d.w.z zonder periode vooraf van scheiding van tafel en bed. Al met al is het scheidingscijfer enorm gegroeid en naar EU maatstaven hoog geworden. Tussen 1996 en 2005 steeg het van 0,8 naar 1,7/1000 inwoners; in de EU25 van 1,8 naar 2,1/1000. Wanneer men scheidingen van tafel en bed meerekent komt het echter aanzienlijk hoger uit (2,8/1000; het 3 na hoogste van 21 EU27 landen).

Ook het krij­gen van een 1e kind werd steeds vaker uitge­steld. Tussen 1981 en 1991 daalde het aantal geboor­ten met ruim 20%. Het aantal kinderen per 100 vrouwen van de vruchtbare leeftijd zakte tussen 1975 en 1998 van 280 naar 115 en tussen 1995 en 1999 hoorde het geboortecijfer bij de laagste binnen de EU. De regering kwam nadien vanwege groeiende zorgen over het uitstreven der natie met beleid om het cijfer op te krikken. Zo werd in 2003 een belasting­verlaging voor werkende moe­ders en in 2007 een geboortepremie van €2500 geïntroduceerd (later afgezwakt tot een belastingaftrek voor lage inkomens). Hoewel het cijfer vanaf 2000 uit zichzelf al steeg; ging het crescendo door naar 1,38 in 2006 (EU25 rond 1,6; een waarde van 2.1 wordt gezien als voldoende om de bevolking op pijl te houden). Het aandeel geboorten uit buitenlandse vrouwen steeg tussen 2002 en 2007 van 10,6 naar 18,9%. De gemiddelde leeftijd bij een zwangerschap was in 2005 in Spanje met 30,8 jaar met die in Italië de hoogste binnen de EU25. Volgens Spain in figures van INEbase lag ze in 2006 echter op 29,3 j. Het aandeel buitenechte­lijke geboorten steeg tussen 1996 en 2006 sneller dan in de EU (EU van 23 naar 33%; Spanje van 12 naar 28%, onder buitenlandse moeders 41%). Het deel eenoudergezinnen in de huishoudens verviervoudigde tussen 1996 en 2003, maar het aantal bleef relatief klein. In Spanje vormen veel alleenstaande ou­ders een huishou­ding met leeftijdgenoten of met familieleden van meerdere generaties zodat ze niet als zodanig in de statistieken terug te vinden zijn. Het aantal vrijwillige onderbrekingen van de zangerschap ver­dubbelde tussen 1991 en 2005 van 9 naar 19% van het aantal geboorten (NL 13% in 2000) en tussen 2000 en 2007 van 7,1 naar 11,5 per 1000 vrouwen. Deze interrupties vonden voor bijna de helft plaats bij immigrantenvrouwen. Maart 2009 had de regering plannen om de abortuswetgeving te versoepelen. Men wilde de invloed op de beslissing van de betrokken vrouw vergroten t.o.v arts of ouders. Het gebruik van de anticonceptiepil lag rond 1995 met 67% hoog naar EU maatstaven en in 2001 gebruikte 81% van de vrouwen in de vruchtbare leeftijd een voorbehoedsmiddel.

Tussen 2000 en 2007 ging het geboortecijfer van 9,9 naar 10,9/1000 inwoners en het sterftecijfer zakte iets van 8,9 naar 8,5/1000. E.e.a resulteerde in een geboorteoverschot van 106.000. Het grootste deel van de bevolkingsaanwas van 2007 kwam echter op het conto van het enorme immigratiesaldo (731.000).

Leefsituatie van de jongere generatie

Kinderen gaan in Spanje naar EU maatstaven laat de deur van hun ouderlijk huis uit, vrouwen wanneer ze gemiddeld 26,5 zijn en mannen rond hun 29e (EU v 24j, m 27 j). In 2005 woonde van de 18 tot 25 jarigen 90% van de mannen en 80% van de vrouwen nog bij hun ouders (EU25 m 78% v 66%) en bij de 25 tot 30 jarigen ging het om 49% van de vrouwen en 62% van de mannen (EU 28 en 42%). Bij de laatste leeftijdsgroep woonde onder degenen die de deur uit waren relatief weinig vrouwen en mannen alleen (v 5%, EU25 10%: m 10%, EU 22%). Ook stonden weinig vrouwen te boek als alleenwonende moeder (1%; EU 5%). Een naar EU maatstaven groot deel van de groep woonde (veelal getrouwd) samen zonder kinderen (v 40 om 33%, m 42 om 37%). Het gedeelte dat een paar met kinderen vormde was relatief klein (v 40 om 43%, m 28 om 32%) en het deel dat een andere woonsituatie kende weer relatief groot (v 14 om 9%; m 20 om 9%). Onder de laatste groep vielen alleenstaanden op één adres en ongehuwde moeders die bij familie inwoonden (The life of man and women in Europe 2008 edition van Eurostat).

Werk en kinderopvang nu

In 2002 volgde van beide geslachten onder 15plussers 8% nog onderwijs en 20% van de mannen om 17% van de vrouwen waren gepensioneerd. Veel vrouwen (29%) ga­ven toen het huishouden op als hun belangrijkste taak. Het aandeel werkende vrouwen neemt echter sterk toe. Tussen 1994 en 2007 groeide in de EU15 het aandeel werkende vrouwen van 49 naar bijna 60% (+11%), maar in Spanje van 31 naar tegen de 66% (+35%; veruit sterkste stijging binnen de EU15). In 2007 ging het daarbij in bijna 23% van de gevallen om deeltijdbaantjes (EU 31%, NL 75%). Onder 25-50 jarige werkenden was het deel zonder flexibele werkuren naar EU25 maatstaven echter groot (v 92 om 72%, m 93 om 87% in 2004). In 2008 kende men bij voldoende premieopbouw 16 weken volledig betaald zwangerschapsverlof (met extra weken bij meerlingen). Ze kon eventueel voor 10 weken via het inkomen van de vader worden opgenomen. Ook kan het verlof worden verdeeld. Verder kan de moeder bij noodzaak tijdens de zwangerschap tegen 75% en in de 1e 9 maanden na de bevalling volledig betaald vrij nemen. Ouders met lage inkomens komen bij een geboorte in aanmerking voor een eenmalige belastingaftrek en voor kinderbijslag (zie onder economie etc, sociale stelsel).

In 1998 waren, net als in Neder­land, qua kinderopvang crèches voor de kleintjes tot 3 jaar zeldzaam (5%, NL 6%). Dat was in 2003 eveneens het geval (10% in de opvang) en er was destijds geen subsidie voor. Dikwijls fungeerden grootouders als oppas en ook in 2005 nog vormden naar EU maatstaven opvallend veel 65-75 jarigen één huishouding met hun kinderen (onder 75plussers werd het minder). Thans wordt daarnaast echter steeds meer gebruik gemaakt van vroegschoolse opvang. In 2005/06 ging het om 16,6% van de 0-2 jarigen, maar in 2008/09 voorzag deze voorziening in de opvang van 371.000 dreumesen; 30% meer dan in 2007/08. Hoewel het van overheidswege niet verplicht is, ging in 2006 het gros van de peuters en kleuters naar de kleuterschool (ruim 96% van de 3 en 4 jarigen; veel meer dan in NL). Crèches en kleuterscholen bieden op werkdagen vaak 7 tot 9 uur p/d opvang en crèches zijn tot eind juli open. Eind 2006 lag het Spaanse volksdeel dat tevreden was over kinderopvang faciliteiten op 58% (EU 55%) en over scholen in de buurt op 71% (EU gemiddelde). Zoals de onderstaande tabel laat zien scoorde men begin 2005 op de opvoedingswaarden gehoorzaamheid, volharding, zorgzaamheid, fantasie en hard werken boven het EU gemiddelde.

Opvoedingswaarde

Volksdeel dat deze in 2005 erg belangrijk vond in %.

Spanje

NL

EU25

Tolerantie en respect voor de ander

82

90

82

Verantwoordelijkheidsgevoel

81

88

80

Volharding/ beslistheid

66

61

61

Gehoorzaamheid

65

50

56

Zorgzaamheid/ geen troep maken

61

36

54

Onafhankelijkheid

52

66

53

Fantasie

56

31

52

Hard werken

76

38

47

Vrouwenemancipatie

Het volksdeel dat tevreden was over de taakverdeling met de partner m.b.t werk en huishouden was in 2003 in Spanje kleiner dan gemiddeld in de EU15 (v 62%, EU 70%, m 80 om 85%). Van de vrouwen was 59% (EU15 67%) en van de mannen 75% (EU 79%) tevreden over de taakverdeling m.b.t. huishoudelijk werk en m.b.t betaald werk lag de verhouding op 66% van de vrouwen (EU 76%) en 65% van de mannen (EU74%). Eind 2006 was in Spanje qua huishoudelijke taken het deel dat voor een taakverdeling is gegroeid. Wel vonden relatief weinig Spanjaarden dat deze traditioneel vrouwelijke taken de man toebehoren. Schoonmaken vond 77% een taak van de vrouw des huizes (EU 81%, NL 76%); 3% (laagste EU met Griekenland; EU 9%; NL 6%) vond het een taak van de man en 20% van beide (EU10%, NL 18%. Bij koken lagen deze cijfers op 81% (EU 82%, NL 72%), 5% (EU 13%; NL 14%) en 14% (EU 5%, NL ook 14%) en bij strijken op 87% (Eu 85%, NL 79%), 7% (EU 8%, NL 10%) en 6% (EU 7%, NL 11%). In 2007 staken mannen relatief weinig en vrouwen relatief veel tijd in kinderopvang, zorg, huishouden en vrijwilligerswerk (m 37u, EU 43u, NL 40u p/w; v 68 om 63 om 72u p/w). Het deel dat zich door het werk vaak te moe voelde om het huishouden te doen (57%, NL 37%, EU 45%) of om gezinsplichten te vervullen (38 om 29 om 26%) of dat zich vanwege familiesores niet op het werk kon concentreren (16 om 6 om 11%) lag toen in Spanje flink boven de EU15 normaal. De tabel hierna laat zien in hoeverre werk privé-activiteiten in 2007 in de weg zat in Spanje, NL, België en de EU15. In Spanje was het manvrouw verschil in dit opzicht relatief groot. Verder leden sociale contacten er naar verhouding weinig onder het werk en eigen hobby’s en vrijwilligerswerk relatief sterk.

Activiteit

Percentage dat er door het werk te weinig tijd voor had

SPA

NL

BEL

EU15

m

v

m

v

m

v

m

V

Contact met familieleden

22

25

37

36

28

32

30

27

Andere sociale contacten

25

38

46

42

36

39

33

37

Eigen hobby’s/ interesses

44

56

44

51

43

59

47

55

Vrijwilligerswerk/ politiek

52

63

35

43

38

46

48

52

Qua studie en werk bleef tussen 1998 en 2006 het aandeel vrouwelijke hoger onderwijsstudenten net iets onder de EU25 normaal (EU van 53 naar 55%, Spanje van 53 naar 54%). Het volksdeel dat een universitaire studie voor mannen belangrijker vond dan voor vrouwen was begin 2005 vrij klein naar EU25 maatstaven (15 om 17%: bron Eurobarometer 225, wave 63.1) en het deel dat het met deze stelling oneens vrijwel gemiddeld (82 om 81%). In Spanje hadden toen relatief veel vrouwen een hoger onderwijsdiploma en de verschillen tussen generaties waren daarbij groot (50 t/m 55j: 17%, EU 18%; 30 t/m 35j: 42%; Eu 30%). Doordat onder alle vrouwen het gedeelte met een middelbare opleiding naar verhouding erg klein is (50-55j: 17%, EU 43%; 30-35j: 23%, EU 48%) zijn er in Spanje zowel onder de 30-35 jarigen als en onder 50-55 jarigen relatief veel laag opgeleide vrouwen (50-55j 66 om 39%, 30-35j 35 om 22%). Wel is men bij de jonge groep de achterstand aan het inlopen. De stelling dat bij baanschaarste vrouwen evenveel recht hebben op werk dan mannen werd vrijwel even vaak onderschreven dan gemiddeld in de EU25 (85 om 86%; 11%, EU 12% was het er niet mee eens). Eind 2006 lag het aandeel vrouwen met banen in 6 beroepssectoren waarin veel vrouwen werken op het EU25 gemiddelde (zorg en sociaal werk, onderwijs, winkelpersoneel, overheid, administratie en horeca: 61%), maar het aandeel vrouwen in de top6 van vrouwenberoepen lag daar boven (bediening, administratie, huishouden, persoonlijke verzorging ed. 47 om 36%). Ook het gedeelte mannen in de top6 van mannenvakken was boven gemiddeld (montage, bouwvak, kleine zelfstandige, techniek ed. 31 om 26%). Al met al was de manvrouw polariteit hier naar EU maatstaven dus tamelijk sterk aanwezig. Het verschil in beloning naar geslacht voor gelijksoortig werk lag in 2007 met 17,6% vrijwel op de Eu25 normaal (17,4%).

Begin 2005 was qua hogere functies het volksdeel dat mannen geschikter vond als politiek leider dan vrouwen in Spanje kleiner dan gemiddeld in de Eu (20 om 27%). Dit vertaalde zich in een groot aandeel vrouwelijke ministers (50%, grootste EU27 na Oostenrijk; EU 28% in 2006) en ook het gedeelte vrouwelijke parlementsleden en hoge ambtenaren kwam boven de EU standaard (respectievelijk 32 om 23% en 38 om 15% in 2006). Het 2e kabinet Zapatero, dat in maart 2008 aantrad, telde een meerderheid aan vrouwelijke ministers (9 van de 17 posten, waaronder de minister van defensie en een speciale minister voor vrouwenemancipatie). In 2006 zat in bankbesturen 13% vrouwen (EU 18%), de directie van de 50 grootste ondernemingen bestond voor 4% uit vrouwen (EU 5%) en het bestuur voor 3% (EU 7%). Het aandeel vrouwelijk hoogleraren lag echter iets boven het Eu gemiddelde (18 om 15%). Bij dit alles gaat het uiteraard om selecte groepen. Spanje telt naar EU maatstaven tamelijk veel zelfstandigen. In de industrie en dienstensector was onder hen het aandeel vrouwen gemiddeld (m 20; v 15%: Eu 18% om 12%; met personeel 7 om 3%, EU idem). Het aandeel vrouwelijke leidinggevenden in het bedrijfsleven was bij kleine ondernemingen relatief groot (m 6; v 4,5%: EU 5,5 om 3,5%) en bij grote vrijwel gemiddeld (directeuren en CEO’s: Spanje m 0,6; v 0,1%: EU 0,6 om 0,2% van de werknemers). Minder Spaanse werknemers dan gemiddeld in de EU25 hadden echter een vrouw als directe superieur (21 om 24,5%).

Homo-emancipatie

In 1996 was in Spanje de acceptatie van homoseksualiteit naar EU15 maatstaven vrij hoog (48%, EU 45%, NL 77%). In 2004 betoonden 2 van de 3 Spanjaarden zich voorstander van het toelaten van zelfde sekse huwelijken en in juli 2005 werd Spanje het 3e EU land na NL en België waar het homohuwelijk wettelijk mogelijk werd. Ook in 2006 lag het aandeel Spanjaarden dat voor het Europees toestaan van het homohuwelijk (56 om 44%; NL hoogste met 82%) of van kinderadoptie door homoparen was (43 om 32%, NL hoogste met 69%) tamelijk ver boven het EU25 gemiddelde.

De leefsituatie van 65plussers

In Spanje is het aandeel 65plussers dat een huishouding deelt met hun kinderen de afgelopen decennia gezakt. M.n op het platteland is het echter nog groot en landelijk ligt het flink boven de Eu normaal. In 2005 betrof het onder 65-75 jarigen 37% van de vrouwen en 39% van de mannen (beide hoogste in de Eurolanden; EU25 v 18%, m 20%). Binnen deze leeftijdsgroep was het deel dat als paar samenwoonde (v 39%, EU25 48%, m 48%, EU 65%) of dat alleen woonde relatief klein (v 19%; Eu 30%: m 7% om 12%). Bij vrouwen kende 5% en bij mannen 6% een andere leefsituatie (EU v 4%; m 3%). Onder 75plussers was het deel dat met kinderen een huishouden deelde ook groter dan gemiddeld, maar minder opvallend (v 35 om 18%, m 30 om 15%). Binnen deze groep woonden ook relatief weinigen op zichzelf (v 30% om 53%, m 10 om 20%). Van de vrouwen woonde 22% (EU 25%) en van de mannen 52% (EU 62%) nog als paar samen. Relatief velen (vrouwen 13%, mannen 8%; EU v 4% m 3%) kenden een andere leefsituatie. Het aandeel 65 plussers dat rond moest komen van minder dan 60% van modaal lag boven de EU25 normaal (v 32 om 21%; m 27 om 16%; The life of man and women in Europe 2008 edition van Eurostat).

Net als in de meest EU landen treedt ook in Spanje vergrijzing op. Daardoor wordt bejaardenzorg belangrijker. In de tabel die nu komt staan de gedeelten voorstanders in Spanje, de EU27 en Nederland van manieren om hulp in te vullen aan een bejaarde ouder die zich thuis alleen niet meer kan redden (bron special eurobarometer 283 wave 67.3; het veldwerk van dit onderzoek werd medio 2007gedaan).

Hulpopties

SPA

EU27

NL

Bij kinderen intrekken

39

30

4

Thuiszorg

15

27

52

Hulp van kinderen thuis

19

24

20

Verpleeghuis

12

10

18

Hangt er van af

9

6

5

Anders/weet niet

6

3

1

Totaal in %

100

100

100

De volgende tabel laat zien dat in Spanje het volksdeel dat zich zorgen maakt over verwaarlozing of uitbuiting van ouderen in een hulpsituatie relatief klein was.

Vormen van misbruik

SPA

EU27

NL

Slechte leefomstandigheden

57

70

70

Fysieke verwaarlozing

55

67

72

Onvoldoende zorg

55

66

68

Psychisch misbruik

56

64

57

Misbruik van bezit

61

67

64

Fysiek misbruik

46

52

37

Seksueel misbruik

16

31

25

Ook bleek dat men in dezen eigen kinderen (18%, EU 23%, NL 24%), partner (5 om 8 om 10%), familie (2 om 5 om 5%), kennissen (4 om 11 om 15%) of ziekenhuispersoneel 3 om 11 om 8%) weinig wantrouwt als potentiële daders. Tehuispersoneel werd wat vaker (29 om 32 om 31%) en m.n thuishulp relatief vaak gewantrouwd als zodanig (42 om 32 om 31%). De tabel hieronder toont dat alleen meer afstemming tussen betrokken partijen en zwaarder straffen van misbruik konden rekenen op iets meer dan gemiddelde steun als tegenmaatregel m.b.t verwaarlozing of uitbuiting van oudere familieleden. Het deel dat de “weet niet” optie invulde was in Spanje, wellicht mede doordat dit soort zorgen weinig wijdverbreid zijn in het land, het grootst binnen de EU.

Maatregelen tegen misbruik

Spa

EU27

NL

Verhogen inkomen beroepskrachten

7

22

12

Verlagen werkdruk beroepskrachten

8

14

37

(Vervangend) inkomen voor verzorgende familieleden

11

19

14

Betere training helpenden (beroeps, familie, vrijwillig)

17

24

24

Strengere regels

12

15

14

Meer overheidscontrole

20

24

24

Meer coördinatie betrokken partijen

21

19

28

Misbruik zwaarder straffen

28

26

18

Anders/ weet niet

30

10

7

Welzijnsaspecten

Tussen 1994 en 2002 zakte het aandeel 15plussers dat de eigen gezondheid als slecht zag in Spanje van 14 naar 10%, waar het in 2004 nog op lag (Eu15 rond 6% in 2004; bron Eurlife indicator). Eind 2005 beoordeelde 77% de eigen gezondheid als goed tot erg goed (EU25 71%) en 6% vond haar slecht tot erg slecht (EU 5%, bron eurobarometer 246, wave 64.3). In 2007 haalde men op een 5tal indicatoren voor geestelijk welzijn een score van 66% (vrij hoog naar EU15 maatstaven; EQLS survey 2007). Het deel van de Spanjaarden dat op een 9tal gebieden redelijk tot erg tevreden was met hun leven lag in 2003 met 78% rond het EU gemiddelde (EU15: 80%, EU25 77%). De tevredenheid was het meest wijdverbreid t.a.v thuis (94%) en gezinssituatie (93%) en het minst ten aanzien van zorgstelsel (49%) en  inkomen (57%). Men vond in 2002 een baan de primaire voorwaarde voor een goed leven, gevolgd door onderwijs en “van nut zijn voor anderen”. Spanje scoort op vertrouwen in de mensheid tamelijk hoog en op de mate van corruptie aan de lage kant naar Eu27 maatstaven. Op het eerste nam men in 2007 een 8e plaats in binnen de EU27 (EQLS 2007) en op de CPI (de cor­ruptieperceptie­index die de mate van corruptie meet vol­gens westerse rijkelanden­maat­staven) een 11e (14e in 2008). Dit bevestigt het credo “zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten” redelijk. Het vertrouwen in politieke instellingen was in het EQLS overzicht in Spanje vrij groot naar EU25 maatstaven. Van de 27 EU landen scoorden er 21 lager. Eind 2006 vertrouwden volgens EB 273/wave 66.3 relatief veel Spanjaarden echter geen enkele politieke instelling (61%: EU27 49%); 9% (EU 11%) vertrouwde er één, 13% (EU 11,5%) 2 en 18% (EU 18%) 3. In 2008 was in Spanje onder opinieleiders het vertrouwen in bedrijfsinstelling en in kranten en zakenbladen relatief groot. Verder was, net als in 8 EU landen, onder opinieleiders het vertrouwen in ngo’s het grootst (51%), gevolgd door bedrijfsleven 49% (hoogste), media 46% (hoogste), overheid 37% (één na hoogste) en religieuze instellingen (36%; bron: Edelman trust barometer 2009). De tabel die nu komt laat zien hoe Spanje scoort ten opzichte van de EU landen van voor 2004 op een aantal aspecten van levenskwaliteit (bronnen: EQLS 2007 en 2003).

Beoordeling levenskwaliteit in de EU in 2007 en in Spanje in 2003 en 2007: schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)

EU15 2007

Spanje 2003

Spanje 2007

Gezondheidszorg

6,4

6,3

6,8

Kinderopvang

6,2

6,1

Ouderenvoorzieningen

5,7

5,6

Sociale dienstverlening (2003)

6,2

6,0

Staatspensioenstelsel

5,0

5,6

5,1

Onderwijsstelsel

6,3

6,1

6,5

Openbaar vervoer

6,4

6,5

Vertrouwen in de medemens

5,3

6,0

5,7

Tevredenheid met het leven

7,2

7,5

7,3

Geluksgevoel

7,6

7,8

7,6

Voor 2 van de 3 inwoners van Spanje voldeed het leven in 2007 aan de verwachtingen (11e EU27: NL 2e EU27 met 80%). Eind 2006 was het volksdeel dat zichzelf meer gelukkig dan ongelukkig vond groter en het deel dat zich herkende in de betiteling erg gelukkig kleiner dan gemiddeld in de EU25 (respectievelijk 90 om 87% en 23 om 26%). De tevredenheid met de levensstandaard (84%; EU15 88%; EU25 83%) en de kwaliteit van het leven (89%) lag iets onder het EU15 gemiddelde en wat boven de EU25 normaal. Eind 2006 waren de Spanjaarden naar EU25 maatstaven gematigd optimistisch over hun eigen toekomst. Dit bleek uit de verwachtingen voor het komende jaar over hun leven (beter: 39%; EU 35%, slechter 6 om 10%), financiële situatie (beter: 24%, EU 25%; achteruit 8 om 16%) of werksituatie (beter 23 om 22%; slechter 5 om 7%). Hetzelfde gold m.b.t de verwachtingen omtrent de landelijke economie (beter 16 om 20%, slechter 21 om 34%) en werkgelegenheid (groei 17 om 22%, neergang 20 om 33%; bron Eurobarometer 273, wave 66.3). Het deel dat onderschreef dat men in het algemeen of zijzelf in het bijzonder ooit in armoe zou kunnen vervallen lag wat onder de EU normaal (59 om 62% en 21 in 25%) en het deel dat zich maatschappelijk buitengesloten voelt was met 5% relatief klein (EU25 9%, NL 4%; Eurobarometer 273/ wave 66.3). Uit de volgende tabel valt op te maken dat het volksdeel dat sterke spanningen tussen maatschappelijke groepen ervaart in 2007 (met uitzondering van spanningen tussen leidinggevenden en werknemers) relatief klein was in Spanje.

Type spanning

Percentage dat haar sterk ervaart

SPA

NL

BELGIË

EU15

Armrijk

23

12

23

27

Leiding werknemer

32

19

22

31

Etnisch raciaal

33

57

43

41

Godsdienstige groepen

21

40

30

33

Belang van levensgebieden en punten van zorg

De tabel hieronder op basis van opinieonderzoek van eind 2006 laat zien welk volksdeel in Spanje een aantal levensgebieden belangrijk vindt in vergelijking met EU Europeanen en Nederlanders (bron Eurobarometer 273, wave 66.3). Daarbij scoorde in Spanje politiek laagste en religie 3 na laagste binnen de EU27.

Levensgebied

Deel dat het koos als belangrijk (%)

EU25

Spanje

NL

Werk

84

87

81

Gezin/familie

97

99

89

Vrienden

95

96

96

Vrije tijd

90

93

95

Politiek

43

26

68

Religie

52

34

40

Helpen/vrijwilligerswerk

79

74

85

Gezondheid

99

100

99

De navolgende tabel biedt vanuit dezelfde bron informatie over het volksdeel dat de onderstaande zaken rangschikte onder de 3 grootste en de 3 kleinste punten van zorg (de top3 zijn vetgedrukt en de laagst scorende 3 zijn gearceerd).

Punt van zorg

Deel dat het koos bij top3 (%)

EU25

Spanje

NL

Pensioenen

38

22

10

Immigratie

14

33

8

Gezondheidszorg

26

7

30

Terrorisme

25

42

24

Integratie buitenlanders

8

5

23

Hulp verlenen

7

2

28

Kosten levensonderhoud

35

42

19

Economische groei

7

7

3

Ouderenzorg

13

9

25

Gehandicaptenzorg

4

2

6

Werkloosheid

36

47

5

Misdaad

26

20

31

Armrijk kloof

17

32

25

Vervoer

2

0

4

Onderwijs

13

15

18

Milieu

13

13

24

Globalisering

4

2

3

Spanje scoorde naar EU maatstaven het hoogst op immigratie en de score op werkloosheid hoorde bij de 3 hoogste. Die op gehandicaptenzorg en op vervoer was (met 3 andere landen) het laagst.