Bevolking, familie emancipatiezaken en welzijnsaspecten

Demografische gegevens: inwonertal en etniciteit

Per 1-1-2009 telde Griekenland volgens Eurostat 11,26 miljoen inwoners, qua aantal het 10e land van de EU27 en 0,4% meer dan een jaar eerder. Daarvan woonden ruim 1,5 miljoen op de eilanden. Niet meegeteld werden statenloze Roma zigeuners (zo’n 300.000 bij de volkstelling van 2001). Dichtheid 2006: 85/km² (EU15 130/ km²). Per 1-1-2006 werd qua etnische samenstelling het aantal immigranten door het Griekse CBS begroot op bijna 1 miljoen (9%), waaronder naar schatting 225.000 illegalen. Het Labour Force Survey van dit instituut kwam voor 2007 niet verder dan 581.000 legale immigranten. Daarvan kwam ruim 60% uit Albanië, 10% uit andere Balkanlanden, 10% uit Oost-Europa (Oekraïne, Rusland), 10% uit EU landen (EU15 6%, veel Duitsers en Engelsen; EU12 4% m.n uit Cyprus, Polen, Bulgarije en Roemenië), 2% uit Afrika (Egypte, Libië, Nigeria), 2% uit het Midden Oosten (Turkije, Irak) en ruim 3% uit de rest van Azië (Pakistan, India, China, Filippijnen; bron http://www.imepo.gr/ english, research, estimate of the illegal immigrant population). Eurostat meldde 888.000 buitenlandse paspoorthouders in 2007 en 906.000 in 2008 (+3%, EU27: +6,6%).

In 1998 en 2001 samen kregen 220.000 illegalen een werk en verblijfsvergunning en in 2005 nog eens 76.000. Veel anderen kregen een tijdelijke vergunning die ze om de 2 of 3 jaar moesten verlengen. In 2006 verklaarde de Griekse regering aan de CIA dat er in het land geen etnisch onderscheid wordt gemaakt. Veruit de meeste illegalen willen met eerlijk werk geld verdienen om naar hun familie te sturen. Ze werkten veel in bouw, huishouden of kleinhandel. Door de armoede in de landen van herkomst werden velen van hen in Griekenland uitgebuit en xenofobe reacties van Grieken droegen bij aan relatief hoge criminaliteitscijfers onder groepen illegalen. Het aantal illegalen dat werd opgepakt liep tussen 2002 en 2007 uiteen van 45.000 (2004) naar ruim 110.000 in 2007 en 146.000 in 2008. Rond 45% van hen werd uitgezet of teruggestuurd. Het aantal bootvluchtelingen groeide van 4.300 naar 15.700 en het aantal asielverzoeken van 5600 naar ruim 25.000 (2 na hoogste EU27). Daarvan werd in 2007 bijna 80% afgewezen. In 2009 werd Griekenland door de Europese commissie aangesproken op de slechte opvang.

Het gedeelte Grieken dat qua opinie over minderheden integratie erg belangrijk vond lag begin 2005 iets onder het Eu25 gemiddelde (34 om 37%) en het deel dat immigratie tot de 3 grootste punten van zorg rekende voor zichzelf (6 om 14%) of de komende generatie (7 om 10%) was eind 2006 klein naar EU 27 maatstaven. Ook integratie van vreemdelingen werd toen onder een 17tal punten van zorg door relatief weinigen tot deze top3 gerekend (5 om 8%; komende generatie echter 8 om 7%). Het contingent dat onderschreef dat immigranten veel bijdragen aan het eigen land lag toen iets boven de EU25 normaal (43 om 40%; NL 53%, Zweden hoogste EU met 79%), maar de doorsnee waardering van immigranten lag daar ver onder (1,68 om 2,02 bij een schaal van 2,33 naar 1,52; laagste Eu 27 na Malta). In 2007 was het volksdeel dat sterke etnisch raciale spanningen ervoer relatief klein (35%, NL 57%, België 43%, EU15 41%). In november lag het deel dat voor eigen identiteit koos en geen heil zag in interculturele dialoog iets boven de EU27 normaal (16 om 13%) en het deel dat koos voor opofferen van de eigen wortels ten bate van diversiteit (kosmopolieten) lag daar onder (13 om 25%). Het gedeelte dat de kool en de geit wilde sparen was relatief groot (69 om 55%).

De 6 dimensies tellende Migrant Integration Policy Index (MIPI: zie op culturescope.ca onder citizenship & identity) meet de immigrantvriendelijkheid in 28 landen; waaronder de EU25 landen. De Grieken bezetten in 2007 op deze lijst met een gemiddelde van 40 met de Slowaken een gedeelde 22e en op 3 na laagste plek binnen de EU25 (EU gemiddelde 53). De tabel hieronder geeft nadere info over positie en scores bij de 6 dimensies onder de 28 landen. Bij * betreft het een met meer landen gedeelde plek.

Dimensie

Griekenland

Nederland

Eu25

Score

Plek

Score

Plek

Score

Toegang arbeidsmarkt

40

22*

70

9*

56

Gezinshereniging

41

24

59

16

57

Langdurig verblijf

60

16*

66

10

59

Politieke deelname

14

24*

80

5

56

Naturalisatie

26

25*

51

8

43

Antidiscriminatie

58

13*

81

5*

58

Bij langdurig verblijf gaat het om de invloed van de lengte van het verblijf op de status van de vreemdeling. Onder naturalisatie valt naast voorwaarden voor ook de zekerheid over de status en het wel of niet toegestaan zijn van een dubbele nationaliteit.

Overige demografische gegevens

Levensverwachting 2006: 79,5 jaar (m 77,2j; v 81,9j in 2006; EU27 78,5j ; m 75,8; v 82). Leeftijdsklassen: jonger dan 15 jaar 14,3% in 2008 (EU27 15,8% in 2007), ouder dan 64j: 18,7% (EU 17%). Het aantal huishoudens in Griekenland steeg tussen 2000 en 2007 van 3,73 naar 4,22 miljoen (gemiddelde grootte 2,7 personen: EU 2,4). Opbouw huishoudens 2005: alleenstaand 20,9% (EU15 28,9%), alleenstaande ouder 1,8% (EU 4,3%), paar zonder kind 27,4% (Eu 29,3%), paar met kinderen 25,8% (Eu 24,2%), 3 of meer volwassenen zonder kinderen 9,8% (Eu 5,9%), 3 of meer volwassenen met kinderen 7,8% (Eu 4,4%). Een Griekse vrouw kreeg in 2007 tij­dens haar leven gemiddeld 1,41 kind (EU27: 1,53 kind in 2006). Geboortecijfer 2008: 9,8 per 1000 inwoners (EU27 10,8/1000); aandeel buitenechtelijk geboorten 2006: 5,8% (laagste EU27: EU 34%); huwelijkscijfer 2007: 5,16/1000 (EU15 4,45/1000 in 2006); scheidingscijfer 2007: 1,2/1000 (EU15 1,9/1000 in 2005 volgens Eurostat); sterftecijfer 2009: 10,5/1000 (EU27 10,3/1000; bron CIA worldfactbook). Volgens het Griekse CBS (Greece in numbers 2008) lag het sterftecijfer in 2006 echter op 9,5/1000 inwoners.

Traditionele achtergrond: familiecultuur

De Grieken zijn erg trots op hun cultureel erfgoed uit de klassieke periode en dit werkt tot op de dag van vandaag door in hun mentale programmering, normen en waarden. Tradi­tioneel speelt de uitgebreide familie (grootouders, ouders, kinderen, kleinkinderen, ooms, tantes, neven of nichten van de eigen en aangetrouwde familie) een belangrijke rol in het land. Kinderen bleven vroeger bij hun ouders inwonen tot ze getrouwd waren en nadien brachten ze feesten ed. vaak in het ouderlijk huis door. Vooral op het platteland was het regel dat grootouders bij kinderen inwonen en hun bijdrage leveren aan werk en opvoe­ding. Huwe­lijken werden daar dikwijls gearrangeerd (proksenio) en er was vaak een bruidschat (prika) nodig, al kregen vrouwen geleidelijk aan meer inspraak in de keus van een partner. Families van beide kanten hielpen met het opzetten van een huishou­ding. Vooral de geboorte van een eerste kind was een belangrijke gebeurtenis. Kinderen werden ver­noemd naar de grootouders en gekoesterd door de familie. De Griekse fami­liecultuur is nog terug te vinden in Griekse woord philotimo. Dit woord wordt soms vertaald als Griekse trots, maar het drukt de waarde uit van edel­moedigheid, gastvrijheid en respect voor anderen, m.n. ouderen. De traditionele samen­leving is in Griekenland sterk masculien en mannen en vrouwen hebben daarin sterk gescheiden rollen en leefwe­relden. Toen de industrialisatie intrad werden vrouwen huisvrouw. Ze waren erg afhanke­lijk van mannen die als kostwinner fungeerden, hadden geen stemrecht en mochten geen contracten ondertekenen of bezit hebben. In 1952 werd het vrouwenkiesrecht ingevoerd en pas in 1983 de wettelijke gelijkheid van de sek­sen.

In hun opvattingen over maatschappelijke veranderingen en emancipatiezaken waren de Grieken in 1997 naar EU maatstaven nog erg behoudend. Zo vond 71% (het hoogste aandeel binnen de EU15; EU 51%, NL 33%) dat we beter af zijn wanneer we weer traditioneel gaan leven en ruim 44% (EU 25%, NL 19%) was simpelweg van mening dat de vrouw achter het aanrecht thuishoort. Hiermee scoorde men met de Portugezen wederom het hoogst binnen de EU. Veel alternatieve leefvormen en verschijnselen bleven in Griekenland, mede door de sterke sociale controle, zeldzaam. Zo werd in 1997 erg weinig ongehuwd samenge­woond (1%, Nederland 14%), ook niet door jongeren onder de 30 (8 om 55%). Peuters werden toen tot hun 4e (op het platteland ook daarna) opgevangen bij verwanten als de moeder er niet was. Slechts zo’n 13% van hen (NL 77%) ging naar een peuterspeelzaal.

Ook in 2003 nog speelde de familie een belangrijke rol. Zo zou toen bij Grieken die zich wat gedeprimeerd voelen 67% (hoogste EU15 na Portugal) steun zoeken bij familie en slechts 20% (laagste EU15) bij vrienden (de rest verwacht geen steun te kunnen krijgen). Opmerkelijk is in dit verband dat bij acute financiële nood de verhoudingen nauwelijks van het EU gemiddelde afwijken (70% zou hulp vragen bij familie en 20% bij anderen).

Recente demografische ontwikkelingen

Qua demografische ontwikkelingen is in Griekenland een inhaalrace op gang gekomen in de richting van rijke westerse industrielanden (verstedelijking, individualisering). Net als in andere Mediterrane EU landen werden de huishoudens er later kleiner dan in West en Noord-Europa buiten Ierland. De gemiddelde grootte ervan daalde tussen 1995 en 2007 van 3 naar 2,7; terwijl ze in de EU15 nauwelijks nog veranderde (2,4 in 2007). Tussen 1994 en 2005 steeg het aandeel huishou­dens van 1 persoon veel sterker dan in de EU15 (+50%; EU +15%). Ook het aandeel paren met kinderen daalde sterker (-38% om -25%). Tegelijkertijd ging het gedeelte huishoudens met 3 of meer volwassenen relatief sterk naar beneden (zonder kinderen Gr 9,8%, -40%; EU15 5,9%; -33%: met kinderen  Gr 7,8%, -10%: EU 4,4%, +12%). Dit komt mede doordat nu ook in Griekenland het traditionele wonen van meerdere generaties onder één dak achteruit gaat.

Meer vrouwen leren door, gaan buitenshuis werken en stellen het krijgen van kinderen uit zodat de gezinnen kleiner worden. De gemiddelde leeftijd bij geboorte van een 1e kind steeg tussen 1990 en 2006 relatief sterk (van 25,5 naar 29,9 jaar; EU25 van 26 naar 28 jaar van 1990 t/m 2003). In de 70er jaren lag het geboortecijfer rond 16 per 1000 inwoners. Daarna zakte het en vanaf 1992 kwam het onder 10 met 9,25 in 1999 als dieptepunt (124 kinderen per 100 vrouwen van de vruchtbare leeftijd). Om de stijging te stimuleren en de trotse Griekse natie voor uitsterven te behoeden voerde men nadien een overheidsbonus in voor wie een 3e kind kreeg, een kinderbijslag die per volgend kind oploopt en overheidssubsidies op gezinsauto’s. Tussen 2005 t/m 2007 lag het cijfer weer rond 10/1000 (141k/100v in 2007: EU27: 153/100 in 2006). Een kinderschare van 210 per 100 vrouwen wordt echter gezien als voldoende om de bevolking op pijl te houden en de ontwikkelingen hebben het proces van vergrijzing dus nog niet gekeerd. In 2008 was naar Eu27 maatstaven het aandeel 0-14 jarigen in Griekenland relatief klein (14,3 om 15,8%) en het gedeelte 65 plussers naar verhouding groot (18,7 om 17%). In 2008 lag het geboortecijfer op 9,8/1000 (EU25 10,8/1000) en het sterftecijfer zakte tussen 1997 en 2006 van 7,1 naar 6,2/1000. Tussen 1998 en 2003 kende het land een licht sterfte overschot, maar daarna ontstond weer een geboorte overschot. In 2008 lag dit op 6500. Het grootste deel van de bevolkingsaanwas komt tegenwoordig echter op het conto van het immigratiesaldo. In 1997 lag de aanwas op 64.000, daarna zakte ze naar 27.500 in 2000 maar sinds 2004 ligt ze boven 40.000 p/j (43.500 in 2008).

Het aandeel buitenechte­lijke geboorten is in Griekenland het laagste binnen de EU en het stijgt weinig (tussen 1996 en 2006 van 3,3 naar 5,8%: EU25 van 23 naar 33%). Het gedeelte eenoudergezinnen in de huishoudens bleef klein en zakte tussen 1994 en 2005 veel sterker dan in de EU15 (Gr van 4,7 naar 1,8%: Eu van 6 naar 4,3%). In Griekenland vormen veel alleenstaande ou­ders wellicht een huishou­ding met leeftijdgenoten of familie zodat ze niet in de statistieken terug te vinden zijn. Abortus is wettelijk onder alle omstandigheden toegestaan tot in de 12e week. Het aandeel zwangerschappen dat er in eindigt is volgens Johnstonsarchive klein naar EU maatstaven (11-15% rond 2006: vergelijkbaar met NL en België), maar volgens andere bronnen lag het cijfer m.n voor 2000 veel hoger. In het begin van de negentiger jaren lag het aandeel vrouwen van de vruchtbare leeftijd dat ooit een abortus had ondergaan tussen 43 en 64%. Onder de velen die niet zwaar tilden aan zwangerschapsonderbreking werd zwanger worden dikwijls gezien als een bewijs van vruchtbaarheid. In Griekenland werd weinig gedaan aan geboorteregeling. In 2004 zag de meerderheid van de Grieken (52%) dit als de verantwoordelijkheid van de man. Het condoom was dan ook relatief populair (33%) en de pil (5%) of het spiraaltje (4%) werden erg weinig gebruikt. De cijfers voor 2008 weken hier, voor zover aanwezig, weinig van af. Van gebruik van voorbehoedsmiddelen is moeilijk hoogte te krijgen. De hier beschreven onderwerpen behoren in Griekenland voor velen tot privaat domein en taboe en men hangt de vuile was niet buiten.

Het huwelijkscijfer wisselt in Griekenland naar Eu maatstaven erg sterk. Zo behoorde het in 1996 tot de 5 laagste binnen de huidige 27 EU landen. In 1999 werd een piek bereikt. Toen viel het met 5,62 per 1000 inwoners onder de 8 hoogste van de EU. In 2000 was er een terugslag, maar sinds 2001 ligt het cijfer boven het EU gemiddelde (GR 5,16 in 2007; EU15 4,45 in 2006). Vooral door­dat steeds meer vrouwen verder leerden en een baan gin­gen zoeken steeg de gemid­delde leeftijd bij een 1e huwelijk. Tussen 1990 en 2000 ging ze van 27 naar 28 jaar. De huidige wet op echtscheiding dateert van 1983. Tussen 1996 en 2007 bleef het scheidingscijfer naar verhouding laag (van 0,9 naar 1,2/1000 inwoners; EU25 tussen 1996 en 2005 van 1,8 naar 2,1/1000).

Leefsituatie van de jongere generatie

Kinderen gingen in 2005 in Griekenland naar EU maatstaven laat de deur van hun ouderlijk huis uit, vrouwen wanneer ze 26,5 jaar waren en mannen op hun 30e (EU v 24j, m 27 j). Van de 18 tot 25 jarigen woonde 77% van de mannen en 68% van de vrouwen nog bij hun ouders (EU25 m 78% v 66%) en bij de 25 tot 30 jarigen ging het om 48% van de vrouwen en 69% van de mannen (EU 28 en 42%). Bij de laatste leeftijdsgroep woonden onder degenen die de deur uit waren relatief velen alleen (v 11%, EU25 10%: m 32% om 22%). Weinig vrouwen stonden te boek als alleenwonende moeder (1%; EU 5%). Een naar EU maatstaven  gemiddeld deel van de groep woonde (veelal getrouwd) samen zonder kinderen (v 33 om 33%, m 36 om 37%). Het gedeelte dat een paar met kinderen vormde was bij vrouwen naar verhouding groot (47 in 43%) en bij mannen relatief klein (26 om 32%). Relatief weinigen kenden een andere woonsituatie, bijv alleenstaanden op één adres en ongehuwde moeders die bij familie inwoonden (v 8 om 9%; m 6 om 9%). (The life of man and women in Europe 2008 edition van Eurostat).

Werk en kinderopvang nu

Het aandeel 15-25 jarigen dat aan onderwijs deelnam steeg in Griekenland tussen 1998 en 2006 onder vrouwen van iets onder naar flink boven het EU25 gemiddelde (van 53,6 naar 70,2%: Eu van 54,4 naar 62,1%). In 2007 lag ze echter op 62,5%. Onder mannen was de ontwikkeling vergelijkbaar, maar de deelnam was wat lager dan onder vrouwen (van 49,3 naar 63,6%, EU van 52,4 naar 57,9%: Gr echter 57,8% in 2007). Het aandeel werkende vrouwen tussen 15 en 65 steeg tussen 1997 en 2008 even sterk dan in de EU15 en bleef daarmee achter bij het EU15 gemiddelde (Gr 48,7%: +9,5%: EU 60,4%: +9,6%). In 2008 was dit aandeel het laagst binnen de EU25 na dat van Malta en Italië. Het aandeel deeltijdbaantjes lag daarbij flink onder het EU15 gemiddelde (10 om 37% in 2008) en onder 25-50 jarigen behoorde het deel zonder flexibele werkuren tot de grootste binnen de EU25 (v 92 om 72%, m 93 om 87% in 2004). In 2003 was, net als in  andere mediterrane EU landen, het aandeel vrouwen dat wel minder wilde werken, maar zich dit financieel niet kon veroorloven, relatief groot. In 2008 kende men 17 weken zwangerschapsverlof. De uitkering was relatief laag en er was geen ouderschapsverlof. Wel kende men een toeslag vanwege het kinderaantal en een flinke geboortevergoeding. De kinderbijslag is laag, maar loopt relatief sterk op met het kindertal.

Kinderopvang voor de kleintjes tot 3 bestond in 1997 in Griekenland nauwelijks (3%, NL 7%). Tussen 2001 en 2007 ging rond 57% van de 4jarigen (het vaakst in de steden) naar de kleuterschool (EU15 ruim 90%). Wel vallen sinds 2007 de 5 jarigen onder de leerplicht en m.n in de steden voorzien steeds meer kleuter en basisscholen in principe voor baby’s vanaf 8 maanden in opvang tot een uur of 4 ’s middags; de tijd waarop veel werkende moeders huiswaarts keren. M.n op het platteland fungeren grootouders als opvang en oppas en in ook in 2005 nog vormden naar EU maatstaven opvallend veel 65-75 jarigen één huishouding met hun kinderen (onder 75plussers werd het minder). Eind 2006 lag het Griekse volksdeel dat tevreden was over kinderopvang faciliteiten (53% om 55%) en scholen in de buurt (72 om 71%) rond het EU25 gemiddelde (bron EB 273; wave 66.3). Wel gaf men de kwaliteit van kindervoorzieningen in 2007 het laagste cijfer binnen de Eu27 (een 5; EU een 6,2; bron EQLS 2007). Zoals de onderstaande tabel laat zien scoorde men begin 2005 op de opvoedingswaarden volharding, hard werken, verantwoordelijkheid, gehoorzaamheid, zorgzaamheid en onafhankelijkheid boven het EU gemiddelde. De score op de eerste 4 waarden behoorde zelfs tot de absolute Eu25 top. Op tolerantie en fantasie bleef men iets onder de Eu25 normaal.

Opvoedingswaarde

Volksdeel dat deze in 2005 erg belangrijk vond in %.

Griek

NL

België

EU25

Tolerantie en respect voor de ander

77

90

83

82

Verantwoordelijkheidsgevoel

90

88

83

80

Volharding/ beslistheid

83

61

68

61

Gehoorzaamheid

73

50

63

56

Zorgzaamheid/ geen troep maken

62

36

52

54

Onafhankelijkheid

59

66

56

53

Fantasie

47

31

41

52

Hard werken

87

38

59

47

Vrouwenemancipatie

Het volksdeel dat tevreden was over de taakverdeling met de partner m.b.t werk en huishouden was in 2003 kleiner dan gemiddeld in de EU15 (v 54%, EU 70%, m 72 om 85%). Van de vrouwen was 62% (EU15 67%) en van de mannen 74% (EU 79%) tevreden over de taakverdeling m.b.t. huishoudelijk werk en m.b.t betaald werk lag de verhouding op 61% van de vrouwen (EU 76%) en 59% van de mannen (EU74%). Eind 2006 waren in Griekenland de opvattingen over de manvrouw taakverdeling het meest traditioneel in de EU25. Het deel dat vond dat traditioneel vrouwelijke taken de vrouw toebehoren was het grootst binnen de Eu25. Schoonmaken vond 91% een taak van de vrouw des huizes (EU 81%, NL 76%) en 3% (laagste EU met Spanje; EU 9%; NL 6%) vond het een taak van de man. Bij koken lagen deze cijfers op 93% (EU 82%, NL 72%) en 3% (EU 13%; NL 14%) en bij strijken op 95% (Eu 85%, NL 79%) en 1% (EU 8%, NL 10%). In 2007 staken mannen relatief weinig en vrouwen een gemiddelde hoeveelheid tijd in kinderopvang, zorg, huishouden en vrijwilligerswerk (m 32u, EU 43u, NL 40u p/w; v 64 om 63 om 72u p/w). Het deel dat zich door het werk vaak te moe voelde om het huishouden te doen (72%, NL 37%, EU 45%) of om gezinsplichten te vervullen (46 om 29 om 26%) was het grootst binnen de Eu27 en ook het deel of dat zich vanwege familiesores niet op het werk kon concentreren (20 om 6 om 12%) lag toen flink boven de EU normaal. De tabel hierna laat zien in hoeverre werk privé-activiteiten in 2007 in de weg zat in Griekenland, NL, België en de EU15. In Griekenland was het manvrouw verschil in dit opzicht relatief groot. Verder leden sociale contacten er naar verhouding weinig onder het werk, maar eigen hobby’s en vrijwilligerswerk het sterkst binnen de EU.

Activiteit

Percentage dat er door het werk te weinig tijd voor had

GRIE

NL

BEL

EU15

m

V

m

v

m

v

m

V

Contact met familieleden

14

12

37

36

28

32

30

27

Andere sociale contacten

30

40

46

42

36

39

33

37

Eigen hobby’s/ interesses

57

67

44

51

43

59

47

55

Vrijwilligerswerk/ politiek

77

86

35

43

38

46

48

52

Qua studie en werk bleef tussen 1998 en 2007 het aandeel vrouwelijke hoger onderwijsstudenten iets onder de EU25 normaal (EU van 53 naar 55%, Griekenland rond 51%). Het volksdeel dat een universitaire studie voor mannen belangrijker vond dan voor vrouwen was begin 2005 groot naar EU25 maatstaven (22 om 17%: bron EB 225, wave 63.1) en het deel dat het met deze stelling oneens klein (77 om 81%). Het opleidingsniveau is onder vrouwen flink gestegen en de verschillen tussen generaties waren groot geworden. In Griekenland hadden begin 2005 nog relatief weinig vrouwen een hoger onderwijsdiploma (50 t/m 55j: 10%, EU 18%; 30 t/m 35j: 26%; Eu 30%). M.n het gedeelte met een middelbare opleiding was naar verhouding sterk gegroeid tot boven het EU gemiddelde (50-55j: 35%, EU 43%; 30-35j: 52%, EU 48%). Het aandeel laag opgeleide vrouwen lag onder 30-35 jarigen rond de EU normaal (22%), maar onder 50-55 jarigen was het erg groot (55%, Eu 39%). De stelling dat bij baanschaarste vrouwen evenveel recht hebben op werk dan mannen werd naar EU25 maatstaven weinig onderschreven (mee eens: 67%, 2 na laagste Eu25; EU 86%; niet mee eens 30%, EU 12%) en qua beroepen was de manvrouw polariteit naar EU maatstaven sterk aanwezig. Eind 2006 lag het aandeel vrouwen met banen in 6 beroepssectoren waarin veel vrouwen werken iets boven het EU25 gemiddelde (zorg en sociaal werk, onderwijs, overheid, winkelpersoneel, administratie en horeca: 65 om 61%). Het aandeel vrouwen in de top6 van vrouwen beroepen lag daar verder boven (bediening, administratie, huishouden, persoonlijke verzorging ed. 45 om 36%) en het gedeelte mannen in de top6 van mannenvakken behoorde tot de EU25 top (montage, bouwvak, kleine zelfstandige, techniek ed. 41 om 26%). Ook het verschil in beloning naar geslacht voor gelijksoortig werk lag in 2007 met 20,7% boven de Eu25 normaal (17,4%).

Begin 2005 was qua hogere functies het volksdeel dat mannen geschikter vond als politiek leider dan vrouwen in Griekenland groot naar EU25 maatstaven (40 om 27%). Dit vertaalde zich in 2006 bij vrijwel alle hogere functies in een relatief klein aandeel vrouwen (ministers 17%, EU 28%; parlementsleden 12 om 23%, hoge ambtenaren 6 om 15%; hooggerechtshoven 4%, bij 3 laagste Eu; bankbesturen 0 om 18%; hoogleraren 11 om 15%). Alleen in directies van de 50 grootste ondernemingen van het land lag het aandeel vrouwen boven de EU normaal (7 om 5%). Bij dit alles gaat het om selecte groepen. Griekenland telt veel zelfstandigen. In de industrie en dienstensector was onder hen het aandeel vrouwen aan de kleine kant (m 35; v 21%: Eu 18% om 12%; met personeel echter 13 om 10%, EU 7 om 3%). Hetzelfde gold voor het aandeel vrouwelijke leidinggevenden bij kleine ondernemingen (m 12%; v 6%: EU 5,5 om 3,5%) en het gedeelte werknemers met een vrouw als directe superieur (19,7; EU25 24,5%).

Homo-emancipatie

In de klassieke oudheid was homoseksualiteit in de betere Griekse kringen normaal. De samenleving is vrij mild tegenover homofilie. Er zijn wetten om machtsmisbruik en homoprostitutie tegen te gaan. Toch hebben velen moeite met het openlijk uit de kast komen. Formele erkenning van homorechten past niet erg in de collectivistische Griekse cultuur en de orthodoxe kerk, die veel in de melk te brokkelen heeft, is er fel op tegen. Er bestaat geen wettelijke erkenning van zelfdesekserelaties en de meeste homo’s zijn getrouwd, mede omdat biseksualiteit meer wordt geaccepteerd. Eind 2006 was slechts een klein deel van de Grieken voor het Europees toestaan van het zelfdeseksehuwelijk (15%; 2 na laagste Eu, Eu 44%) of van kinderadoptie door homoparen (11%, EU 32%). In het individualistische Nederland waren met 82 en 69% de groepen voorstanders de grootste in de EU. In mei 2009 werd een burgerlijke proefhuwelijk gesloten tussen een lesbisch paar en een homopaar op een klein Aegeïsch eiland vanwege een maas in de huwelijkswet van 1982 (geen melding van de sekse van partners). De aartsbisschop noemde zelfde sekse huwelijken daarna een staatsaangelegenheid. De minister van justitie waarschuwde de betrokken burgemeester voor plichtsverzaking, maar was niet van zins de huwelijken te annuleren. Wel werden ze door de rechter ontbonden, terwijl een aangifte als getrouwd paar door de belastingdienst wel was geaccepteerd. De paren waren van plan hun beroep door te zetten t/m het Europese hof van mensenrechten.

De leefsituatie van 65plussers

In Griekenland is het aandeel 65plussers dat een huishouding deelt met hun kinderen de afgelopen decennia gezakt. M.n op het platteland is het echter nog groot en landelijk ligt het boven de Eu normaal. In 2005 betrof het onder 65-75 jarigen 23% van de vrouwen en 27% van de mannen (EU25 v 18%, m 20%). Binnen deze leeftijdsgroep was het deel dat als paar samenwoonde (v 44%, EU25 48%, m 60%, EU 65%) of dat alleen woonde relatief klein (v 26%; Eu 30%: m 7% om 12%). Bij vrouwen kende 7% en bij mannen 6% een andere leefsituatie (EU v 4%; m 3%). Ook onder 75plussers was het deel dat met kinderen een huishouden deelde iets groter dan gemiddeld (v 22 om 18%, m 18 om 15%). Binnen deze groep woonden ook relatief weinigen op zichzelf (v 46% om 53%, m 12 om 20%). Van de vrouwen woonde 18% (EU 25%) en van de mannen 64% (EU 62%) nog als paar samen. Relatief velen (vrouwen 14%, mannen 6%; EU v 4% m 3%) kenden een andere leefsituatie. Het aandeel 65 plussers dat rond moest komen van minder dan 60% van modaal lag boven de EU25 normaal (v 30 om 21%; m 25 om 16%; The life of man and women in Europe 2008 edition van Eurostat).

Net als in de meest EU landen treedt ook in Griekenland vergrijzing op. Daardoor wordt bejaardenzorg belangrijker. In de tabel die nu komt staan de gedeelten voorstanders in Griekenland, de EU27, België en NL van manieren om hulp in te vullen aan een bejaarde ouder die zich thuis alleen niet meer kan redden. Het aandeel dat vond dat de oudere bij kinderen in moet trekken was het grootste binnen de Eu na dat in Roemenië (bron special eurobarometer 283 wave 67.3; op basis van veldwerk van medio 2007).

Hulpopties

GRIEK

NL

BE

EU27

Bij kinderen intrekken

49

4

17

30

Thuiszorg

11

52

38

27

Hulp van kinderen thuis

38

20

22

24

Verpleeghuis

2

18

19

10

Hangt er van af

0

5

4

6

Anders/weet niet

0

1

0

3

Totaal in %

100

100

100

100

De volgende tabel laat zien dat in Griekenland het volksdeel dat zich zorgen maakt over verwaarlozing of uitbuiting van ouderen in een hulpsituatie relatief groot was. Het deel dat vreesde voor misbruik van bezit of fysiek misbruik was het grootst binnen de EU27 en de vrees voor slechte leefomstandigheden en onvoldoende zorg was het meest wijdverbreid na Roemenië. Wellicht hangt dit samen met het collectivisme (familie waarden hoog aangeschreven) en de erg hoge onzekerheidsvermijding (angst voor onbekende risico’s, eventualiteiten en onregelmatigheden) onder Grieken.

Vormen van misbruik

GRIEK

NL

BE

EU27

Slechte leefomstandigheden

78

70

71

70

Fysieke verwaarlozing

75

72

65

67

Onvoldoende zorg

77

68

66

66

Psychisch misbruik

77

57

70

64

Misbruik van bezit

80

64

73

67

Fysiek misbruik

65

37

55

52

Seksueel misbruik

33

25

43

31

Ook bleek dat weinigen in dezen eigen kinderen (16%, EU 23%, NL 24%, BE 40%), partner (4 om 8 om 10 om 8%), familie (2 om 5 om 5 om 9%) of kennissen (7 om 11 om 15 om 17%) wantrouwen als potentiële daders. Het wantrouwen t.o.v thuishulp oversteeg de EU normaal (36 om 32 om 31 om 20%) en ziekenhuis (30 om 11 om 8 om 12%) en tehuispersoneel (74 om 32 om 31 om 28%) werden het vaakst gewantrouwd binnen de Eu. De tabel hieronder toont dat 6 van de 8 bedachte tegenmaatregelen m.b.t verwaarlozing of uitbuiting van oudere familieleden in Griekenland op een meer dan gemiddelde steun konden rekenen. Meer controle scoorde het één na hoogst en betere training en strengere regels het 2 na hoogst binnen de EU27.

Maatregelen tegen misbruik

GRIEK

NL

BE

EU27

Meer inkomen beroepskrachten

17

12

21

22

Lagere werkdruk beroeps

7

37

22

14

(Vervangend) inkomen voor verzorgende familieleden

26

14

17

19

Betere training helpenden (beroeps, familie, vrijwillig)

33

24

20

24

Strengere regels

26

14

17

15

Meer overheidscontrole

39

24

29

24

Meer coördinatie betrokken partijen

17

28

20

19

Misbruik zwaarder straffen

27

18

29

26

Anders/ weet niet

1

7

5

10

Welzijnsaspecten

Tussen 1994 en 2004 zakte het aandeel 15plussers dat de eigen gezondheid als slecht zag in Griekenland van 11 naar 5% (Eu15 rond 6% in 2004; bron Eurlife indicator). Eind 2005 beoordeelde 81% de eigen gezondheid als goed tot erg goed (EU25 71%) en slechts 3% vond haar slecht tot erg slecht (EU 5%, bron eurobarometer 246, wave 64.3) en in 2007 lag dit aandeel weer op 7% (EU 8%). In dat jaar haalde men op een 5tal indicatoren voor geestelijk welzijn een score van 60% (laag naar EU15 maatstaven; EQLS survey 2007). Het deel dat op een 9tal levensgebieden tevreden was met hun leven lag in 2003 met 70% onder het EU15 gemiddelde (80%). Slechts 17% van de bevolking was content met het eigen zorgstelsel, maar 89% was tevreden met hun huisvesting en 92% met hun gezin en familieleven. Nuttig zijn voor anderen vonden de Grieken de be­langrijkste voorwaarde voor een goed leven (collectivisme), gevolgd door het hebben van een partner en van een baan. Griekenland scoort op vertrouwen in de mensheid laag en op de mate van corruptie hoog naar Eu27 maatstaven. Op het eerste nam men in 2007 een 22e plaats in binnen de EU27 (EQLS 2007) en op de CPI (de cor­ruptieperceptie­index die de mate van corruptie meet vol­gens westerse rijke landen­ maat­staven) een 24e, net als in 2008. Dit bevestigt het credo “zo de waard is vertrouwt hij zijn gasten” zeer redelijk. Het vertrouwen in politieke instellingen was in het EQLS overzicht in Griekenland gemiddeld naar EU maatstaven. Van de 27 EU landen scoorden er 13 lager. Eind 2006 vertrouwden volgens EB 273/wave 66.3 relatief veel Grieken geen enkele politieke instelling (56%: EU27 49%); 12% (EU 11%) vertrouwde er één, 15% (EU 11,5%) 2 en 17% (EU 18%) 3. De volgende tabel laat zien hoe Griekenland scoort ten opzichte van de EU landen van voor 2004 op een aantal aspecten van levenskwaliteit (bronnen: EQLS 2007 en 2003). De waardering van gezondheidszorg, kinderopvang, staatspensioen en onderwijs behoorde in 2007 tot de 3 laagste binnen de Eu27.

Beoordeling levenskwaliteit in de EU in 2007 en in Griekenland in 2003 en 2007: schaal van 1 (minimaal) t/m 10 (uitmuntend)

EU15 2007

Griekenland 2003

Griekenland 2007

Gezondheidszorg

6,4

5,1

4,9

Kinderopvang

6,2

5

Ouderenvoorzieningen

5,7

4,2

Sociale dienstverlening (2003)

6,2

4,8

Staatspensioenstelsel

5,0

4,5

3,3

Onderwijsstelsel

6,3

5,3

5,1

Openbaar vervoer

6,4

6

Vertrouwen in de medemens

5,3

4,7

4,2

Tevredenheid met het leven

7,2

6,1

6,6

Geluksgevoel

7,6

6,9

7,3

Voor slechts 39% van de Grieken voldeed het leven in 2007 aan de verwachtingen (21e EU27 met Portugal: NL 2e EU27 met 80%). Eind 2006 was het volksdeel dat zichzelf meer gelukkig dan ongelukkig vond en het deel dat zich herkende in de betiteling erg gelukkig kleiner dan gemiddeld in de EU25 (respectievelijk 80 om 87% en 21 om 26%).

De tevredenheid met de levensstandaard lag rond 84% (EU15 88%; EU25 83%) en die met de kwaliteit van het leven onder het EU gemiddelde (77%, EU25 86%). Eind 2006 waren de Grieken naar EU25 maatstaven tamelijk pessimistisch over hun eigen toekomst. Dit bleek uit de verwachtingen voor het komende jaar over hun leven (beter: 39%; EU 35%, slechter 16 om 10%), financiële situatie (beter: 24%, EU 25%; achteruit 22 om 16%) of werksituatie (beter 18 om 22%; slechter 8 om 7%). Hetzelfde gold m.b.t de verwachtingen omtrent de landelijke economie (beter 10 om 20%; slechter 55%, één na hoogste EU, EU 34%) en werkgelegenheid (groei 9 om 22%; neergang 59%, hoogste EU25, EU 33%; bron Eurobarometer 273, wave 66.3). Het deel dat onderschreef dat men in het algemeen of zijzelf in het bijzonder ooit in armoe zou kunnen vervallen lag onder de EU normaal (50 om 62% en 22 in 25%) en het deel dat zich maatschappelijk buitengesloten voelt was met 6% relatief klein (EU25 9%, NL 4%; Eurobarometer 273/ wave 66.3). In 2003 waren naar EU15 maatstaven de onderlinge spanningen tussen maatschappelijke geledingen het meest wijdverbreid. Het volksdeel dat fricties ervoer tussen arm en rijk (58% om 31%); werkge­vers en werknemer (61 om 34%); mannen en vrouwen (27 om 12%) of generaties (27 om 15%) was toen het grootst binnen de EU15 en het deel dat melding maakte van etnische spanningen (57 om 46%) was het grootste na dat van Frankrijk, België en Nederland. Uit de volgende tabel valt op te maken dat het deel dat dergelijke spanningen ervoer in 2007 kleiner was geworden.

Type spanning

Percentage dat haar sterk ervaart

GRIE

NL

BELGIË

EU15

Armrijk

36

12

23

27

Werkgever werknemer

45

19

22

31

Etnisch raciaal

35

57

43

41

Godsdienstige groepen

22

40

30

33

Belang van levensgebieden en punten van zorg

De tabel hieronder op basis van opinieonderzoek van eind 2006 laat zien welk volksdeel in Griekenland een aantal levensgebieden belangrijk vindt in vergelijking met EU Europeanen en Belgen en Nederlanders (bron Eurobarometer 273, wave 66.3). Daarbij scoorden gezin/familie, religie en helpen e.d hoog en werk en politiek relatief laag .

Levensgebied

Deel dat het koos als belangrijk (%)

GRIEK

NL

BE

EU25

Werk

79

81

84

84

Gezin/familie

100

89

96

97

Vrienden

94

96

93

95

Vrije tijd

91

95

88

90

Politiek

36

68

42

43

Religie

82

40

41

52

Helpen/vrijwilligerswerk

85

85

80

79

Gezondheid

100

99

98

99

De navolgende tabel biedt vanuit dezelfde bron informatie over het volksdeel dat de onderstaande zaken rangschikte onder de 3 grootste en de 3 kleinste punten van zorg (de top3 zijn vetgedrukt en de laagst scorende 3 zijn gearceerd).

Punt van zorg

Deel dat het koos bij top3 (%)

EU25

GRIE

BE

NL

Pensioenen

38

27

26

10

Immigratie

14

6

11

8

Gezondheidszorg

26

19

27

30

Terrorisme

25

11

13

24

Integratie buitenlanders

8

8

14

23

Hulp verlenen

7

5

11

28

Kosten levensonderhoud

35

50

35

19

Economische groei

7

26

14

3

Ouderenzorg

13

4

14

25

Gehandicaptenzorg

4

3

4

6

Werkloosheid

36

58

34

5

Misdaad

26

33

19

31

Armrijk kloof

17

9

16

25

Vervoer

2

0

3

4

Onderwijs

13

17

19

18

Milieu

13

11

18

24

Globalisering

4

4

6

3

Griekenland scoorde het hoogst van de EU op economische groei en werkloosheid en de score op ouderenzorg en op vervoer was (met 3 andere landen) het laagst.