Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Bemoeienis van de overheid met de volksgezondheid begon na 1850 in grote steden met het via lokale commissies stimuleren van aanleg van riolering en schoon drinkwater en met de eerste opzet van een inspectie (English vanaf p15). Begin 20e eeuw kwamen daar de eerste Gemeentelijke gezondheidsdiensten (GGD’s), in eerste instantie ter bestrijding van besmettelijke ziekten & voor armenzorg. Later volgden school & jeugdzorg en wijkverpleging. In de 80er jaren werden GGD’s wettelijk verplicht. In 1995 werd de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ) opgezet en daarna volgden de voedsel & warenautoriteit en VROM inspectie (in 2012 opgegaan in de inspectie leefomgeving & transport). Zorgvoorzieningen kennen in NL vaak een private oorsprong. In de eerste helft van de 19e eeuw doken de eerste private ziekenfondsen op, aan het eind van de eeuw bijv. ook van vakbonden. De opbouw van een sociaal verzekeringsstelsel begon met de ongevallenwet van 1901 en de ziektewet van 1913. De Duitse bezetter riep in 1941 een eerste verplichte ziekenfonds verzekering in het leven. Daarmee steeg het verzekerde volksdeel van 45% naar 60%. Het niet in loondienst werkende volksdeel moest zich particulier verzekeren tot dat in 1966 de ziekenfondswet in werking trad. In 1967 werd tehuiszorg opgenomen in de AWBZ (sinds 2015 de Wlz) met later uitbreiding naar revalidatie & thuiszorg. In 1986 werden vrijwillige verzekeringen vervangen door een verplichte of (bij hogere inkomens) particuliere verzekering.

Tot in de 60er jaren was de maatschappij sterk verzuild, zo ook de zorgvoorziening. De ontzuiling ging gepaard met schaalvergroting en fusies, maar instellingen bleven veelal stichtingen. In NL verwijst de huisarts vanouds door naar specialisten (poortwachter). Lang was een eigen praktijk regel, maar sinds de 70er jaren zijn groepspraktijken en eerste lijnzorgcentra in opkomst en sinds 2000 ook huisartsenposten voor zorg buiten kantooruren. NL kent geen traditie van medische specialisten met een eigen praktijk. Bij hen is werken als zelfstandige op contractbasis bij ziekenhuizen nog steeds gebruikelijk. Wel zijn een interdisciplinaire aanpak en zelfstandige behandelcentra in opkomst. Na 1965 zijn zowel specialisten als specialismen flink in aantal gegroeid (bijv. huisartsen geneeskunde en cardiothoracale chirurgie sinds 1973, revalidatiegeneeskunde sinds 1977, klinische geriatrie sinds 1983, klinische genetica sinds 1987 en sinds 1990 verpleeghuis geneeskunde). In de GGZ werden regionalisering en schaalvergroting gangbaar. In 1974 werd in de zorg kostenbeheersing voor het eerst opgenomen als leidraad voor beleid met o.m. een grotere rol voor de 1e lijnszorg en één zorgverzekering voor iedereen om hier aan bij te dragen. In de 80er jaren begonnen ook patiënten  belangengroepen zich te organiseren en geleidelijk werd de focus verlegd van overheid naar gereguleerde marktwerking in de zorg. Eind 1993 trad de BIG wet in werking die als vervanger van de wet op de uitoefening van de geneeskunst uit 1865 de bevoegdheden van (para)medische beroepsbeoefenaren beschrijft. Er is een BIG-register van erkende beoefenaren van 7 beroepsgroepen. In 2006 kwam een verplichte verzekering voor iedereen tot stand met een zorgtoeslag voor lage inkomens.

Naar organisatie is nu de overheid, m.n. via het ministerie van volksgezondheid, welzijn en sport (VWS) de kaderbiedende instantie. Ze is verantwoordelijk voor de bewaking van kwaliteit, toegankelijkheid & betaalbaarheid en heeft toezicht en ambtenarij uitbesteed aan onafhankelijke instanties. Uitkeringen bij ziekte & arbeidsongeschiktheid vallen onder het ministerie van SZW (sociale zaken & werk) en de zorgtoeslag loopt via de belastingdienst. Belangrijke advieslichamen van de overheid zijn de gezondheidsraad, de raad voor volksgezondheid & zorg en het college van zorgverzekeringen en onder de kennisinstituten vallen het RIVM en het SCP. Verzekeraars en zorgaanbieders werken onder toezicht van NZa en NMa zaken onderling uit op het vlak van verzekering, voorziening en zorgaankoop. De inspectie gezondheidszorg (IGZ) ziet er op toe dat aanbieders zich aan de regels houden. Beroepsorganisaties leveren hun eigen bijdrage aan de kwaliteitsbewaking (English p30) en patiëntenorganisaties (75 in getal, voorjaar 2015) zijn verenigd in de NPCF. Publieke zorg is in handen van (regionale) GGD’s, jeugdzorg en bedrijfsgeneeskundige diensten. Het aantal zorgverzekeraars zakte tussen 1990 en 2008 van 118 naar 32 en in 2008 was 88% van de markt in handen van 4 grote combinaties van verzekeraars. Ook zorgaanbieders (ziekenhuizen) fuseerden veel. Het aantal organisaties ging bij hen terug van 172 in 1982 naar 94 in 2005. Verzekeraars & aanbieders onderhandelen over prijs, volume en kwaliteit. Alle patiënten hebben een  verplichte basisverzekering, maar mogen in principe vrij hun verzekeraar, aanvullende verzekering en voorzieningen kiezen (Zorg). De zorgverzekeraars hebben aankoop van chronische opnamezorg uitbesteed aan hun zorgkantoren. Het Centrum Indicatiestelling zorg stelt de benodigde zorg vast. Thuiszorg verkaste in 2007 van de AWBZ naar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en uitvoering ging naar de gemeenten.

Via de Wmo van 2015 werd de rol van gemeenten sterk uitgebreid. Ook extramurale begeleiding en kortdurend verblijf zijn overgeheveld. Deze wet gaat over voorzieningen voor wie thuis zorg nodig heeft of geen thuis (meer) heeft. Sinds 2015 vormt ze, samen met de Wlz en de Zvw (zorgverzekeringswet) de basis van het stelsel van zorg & welzijn. De Wlz regelt als vervanger van de AWBZ alleen nog langdurige zorg & hulp voor wie niet thuis kan wonen. Algemeen toegankelijke kortdurende zorg, incl. verpleging & persoonlijke verzorging, valt nu onder de Zvw. Bij de beleidsprioriteiten van het ministerie van het kabinet Rutte II, dat in 2013 van start ging, valt m.n. op dat men ter bevordering van volksgezondheid & welzijn oog voor de individuele verscheidenheid (maatwerk) wil combineren met bezuinigen en efficiëntie.

Beoordeling van de zorg

Op International Indexes zijn de uitslagen te vinden van Zweeds onderzoek naar prestaties van zorgstelsels vanuit het perspectief van de gebruiker van 36 Europese landen (waaronder de EU28) op 38 indicatoren (Health Consumer Index). In 2014 eindigde NL daarop met een score van 89,8% als eerste. Men was onder de 36 landen eerste op patiëntenrechten & informatie; met Noorwegen gedeeld 1e op resultaten, met Zweden gedeeld eerste op preventie & bereik van de diensten en met 5 landen gedeeld 1e op medicijnen. NL was alleen relatief zwak op toegankelijkheid/ wachttijden (met 3 landen gedeeld 22e). Het laatste was een hoofdpunt van kritiek waarmee de vermoorde Pim Fortuyn bij de aanloop naar de 2e Kamerverkiezingen van 2002 scoorde. Dit vormde de opmaat tot de in 2006 ingevoerde stelselhervorming. Sindsdien blijft NL zich op de lijst verbeteren (H5 vanaf p122). Als punten van kritiek voor NL noemen de Zweden m.n. nog wachtlijsten bij behandeling van kanker & preventie (rookbeleid, gym op scholen). Ondanks de toppositie rekenden voorjaar 2014 velen in NL zorg & sociale zekerheid bij de top2 van zorgenkindjes (keus uit 14; voor het land 47%, +16% t.o.v. najaar 2013; beide hoogste EU; EU 13%, +1%; voor zichzelf 33%, +3%; EU 16%, +1%; Data 1QA4/5). Wellicht speelde hierin mee dat m.i.v. 2015 m.n. veel thuiszorg zou worden overgeheveld van rijk naar gemeenten bij een flinke bezuiniging. Najaar 2013 (Report) lag het volksdeel dat het zorgstelsel positief beoordeelde in NL flink boven het EU gemiddelde (91 om 71%, België hoogste EU met 97%; QC2). De tabel hierna biedt een indruk rond het gewicht van kwaliteitscriteria daarbij in NL en de EU (volksdeel in % dat het aanvinkte; +/- verandering t.o.v. eind 2009 in %; QC1).

Criterium

NL

EU

%

+/-

%

+/-

Ziekenhuis of huisarts dichtbij

26

+5

24

+2

Vrije artsenkeus

18

-2

19

-3

Respect voor patiënt

29

-2

24

-3

Goed opgeleid medisch personeel

66

+1

53

+1

Hygiënische inrichtingen

13

-1

24

+5

Werkzaamheid van de behandeling

46

+6

40

+1

Vrije ziekenhuiskeus

20

+6

13

-1

Fout & schadevrije behandeling

34

+11

23

+1

Geen wachtlijsten

23

-15

24

-5

Uitnodigende vriendelijke sfeer

3

-2

7

0

Moderne medische uitrusting

11

-6

25

-2

Overige

1

0

1

0

Uit de tabel blijkt bijv. dat in NL eind 2013 t.o.v. 2009 foutenvrije zorg veel zwaarder is gaan wegen, dat wachtlijsten als issue gedaald zijn naar het EU gemiddelde en dat het up-to-date zijn van medische uitrusting & hygiëne naar EU maatstaf voor weinigen zorgen baren. Wel vindt men in NL naast letselvrije zorg goed opgeleid & respectvol medische personeel, vrije keus van ziekenhuis & bewezen effectiviteit relatief belangrijk. Uit in 2004 gedaan internationaal onderzoek kwam naar voren dat in NL patiënten samenspraak & samenwerking van de huisarts met andere zorgverleners over de benodigde zorg naar verhouding erg belangrijk vinden (Fulltext p29).

Als infobronnen voor de kwaliteit kwamen eind 2013 in NL internetfora (47%, EU 26%), officiële statistieken (33 om 16%), patiëntenbonden/ NGO’s (32 om 17%) en drukpers (17 om 12%) relatief hoog uit de bus. De huisarts scoorde met 59% gemiddeld en onder gemiddeld bleven vrienden & familie (30 om 41%), personeel ziekenhuis (7 om 18%), verpleegkundige/ apotheek (9 om 14%) en TV (11 om 19%, QC4). Voor vertrouwen in een ziekenhuis wogen reputatie (49 om 38%), erkenning door competente instantie (30 om 16%), aantal specialismen (30 om 22%) en behandelingen per specialist (15 om 8%) voor relatief velen zwaar. Men tilde in NL naar EU maatstaf minder aan beschikbare uitrusting (6 om 20%), diploma’s (10 om 19%), wachttijden (16 om 21%) en mening van patiënten (27 om 31%). Een iets onder gemiddeld segment vreesde schade door behandeling (in ziekenhuis 47 om 53%; door huisarts, apotheek 48 om 50%, -2 om +4% t.o.v. 2009), maar het volksdeel dat aanvinkte zelf of bij naasten met medische fouten in aanraking te zijn gekomen viel onder de Eu top (46 om 27%, +4 om +1%; QC7). Dat duidt er wellicht op dat de patiënt uit NL behoorlijk zelfbewust en kritisch is. Een ruim gemiddeld deel (48 om 46%) maakte werk van fouten, maar wat dat betreft was de Eu wel bezig met een inhaalrace (NL -4%, Eu +18%). Veelal gebeurde melding bij een arts, verpleegkundige of apotheker (72 om 52%, +1 om +11%) en bijv. relatief weinig bij ziekenhuisleiding (35 om 45%) of jurist (8 om 10%, QC10). Toch scoorde bij bronnen voor hulp bij het verhalen van schade een advocaat relatief hoog (64 om 48%), evenals NGO’s (patiënten/ consumentenbond etc.: 47 om 29%). Ziekenhuisdirectie (30 om 39%) of het ministerie (20 om 33%) werden naar verhouding weinig aangevinkt (QC18). In NL vonden relatief velen bij fouten formeel toegeven (50 om 34%) of excuus (47 om 30%) belangrijk terwijl het segment dat straffen van de verantwoordelijke persoon (22 om 34%) of financiële compensatie (41 om 50%) aanvinkte naar verhouding klein was. Bij de daadwerkelijke uitkomsten scoorde een medisch excuus inderdaad relatief hoog (32 om 20%) evenals actie tegen de foutenmaker (8 om 5%). Een uitleg (6 om 17%), maatregelen ter voorkoming 9 om 12%, instantie weigert verantwoordelijkheid 9 om 11% en “niks mee gedaan” (33 om 37%) bleven (iets) onder gemiddeld (QC12).

Begin 2009 was het volksdeel dat tevreden was met de medische diensten in de buurt met 92% het grootst binnen de Eu (EU 72%; Annex, QA20.5). In 2011/12 scoorde NL bij een Eurofound enquête (Explore: health & public services) ook boven gemiddeld, maar minder uitbundig. Men gaf hier te lande de zorgvoorzieningen het cijfer 7,2 (6 EU landen hoger; EU gemiddelde 6,3) en de voorzieningen voor lange termijn een 6,6 (5 hoger, EU 5,8). Het segment dat moeite had met het te zien krijgen van een huisarts viel onder de kleinste binnen de Eu (afstand groot 14 om 22%, moeilijk tijdige afspraak 17 om 39%, tijd vinden 17 om 22%, lang in wachtkamer 24 om 42%, vanwege kosten 16 om 30%). In de tabel hierna staan uitslagen voor NL en de EU van onderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid & prijs van zorginstituten (special EB 283 wave 67.3; Euro). NL scoorde toen op alles beter dan gemiddeld in de EU, maar alleen qua betaalbaarheid van het verpleeghuis in de EU top3. De tandarts kwam het beste uit de bus (kwaliteit 4e EU, bereikbaarheid 6, betaalbaarheid 4) en de huisarts het slechtst (10, 9 en 8 EU).

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

NL

EU

NL

EU

NL

EU

Huisarts

89

84

92

88

6

11

Tandarts

92

74

89

74

28

51

Specialist

83

74

66

62

21

35

Thuiszorg

49

42

39

34

16

32

Ziekenhuis

87

71

80

76

19

25

Verpleeghuis

46

41

31

39

14

42

Het segment onder de laagste 20% van de inkomens bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs valt onder de kleinste binnen de EU (in 2013: medisch onderzoek 0,2%, EU 4,9%; tandarts 2 om 9,6%; Statistics, database, population, health, healthcare). In 2010 was in NL het volksdeel van de werkende leeftijd met een uitkering wegens arbeidsongeschiktheid kleiner dan gemiddeld in de EU (4,8%, EU 5,8%; WHO: European).

Het financiële plaatje

Volgens Eurostat (Stats, database, population, health, healthcare) stegen in NL de zorguitgaven (privaat + publiek) tussen 2007 en 2012 van 10,0 naar 11,8% van het bbp. De wereldbank (Health) kwam voor 2010 op 12,1%, voor 2011 op 11,9% en voor 2012 op 12,4%. Daarmee vallen ze onder de EU top. Per hoofd gingen ze van €3763 in 2007 naar €4350 in 2011 (gelijkgetrokken voor koopkracht €3900, hoogste EU na Luxemburg). Tussen 2000 en 2009 stegen ze met 5,5% (EU 4,8%) en in 2011 lagen ze 1,2% hoger dan in 2009 (EU -0,6%, PDF). Het publieke deel ging van ruim 78% in 2007 naar bijna 80% tussen 2009 en 2012 (EU rond 75%). Het RIVM van het ministerie kwam voor 2013 op 14,1% bbp en voor 2012 op 21% van de overheidsuitgaven (na sociale zekerheid de grootste uitgavenpost; Site; H8) en op een ruime verdubbeling van de uitgaven tussen 2000 en 2013 (van €41miljard naar €85m). Veruit het meeste gaat naar ziekenhuis (van 26,6% naar 29,3% tussen 2000 en 2012; €24,8m in 2013) en ouderenzorg (€18,2m, +2,4% t.o.v. 2012), gevolgd door gehandicaptenzorg €9,4m (+0,7%; van 9,4% in 2000 naar 11% in 2013), GGZ €5,9m (van 6,2 naar 6,9%), geneesmiddelen verstrekking €5,6m (van 9,7 naar 6,6%; -4,1% t.o.v. 2012) en huisartsen €2,7m. Naar financier was tussen 2007 en 2012 het deel van de lopende uitgaven dat de overheid betaalde (m.n. via sociale zekerheidsfondsen) het grootst binnen 24 EU landen (85,8% in 2012, waarvan sociale zekerheidsfondsen 78,3%). De rest kwam op conto van de private sector (14,2%; kleinste aandeel EU24; private verzekering 5,5%, 4 landen meer; eigen bijdragen huishoudens 6%, laagste EU24; stichtingen voor huishoudens 1,3%, 2 landen meer). In dat jaar kregen qua verdeling naar functie medicijnen & hulpmiddelen 12,8% (laagste EU), ambulante zorg (m.n. 1e lijn, 19%, bij 3 laagste) en ziekenhuizen (34,5%, bij 3 laagste) relatief weinig en verpleeghuizen (25%, hoogste EU), administratie & verzekering (4,6%, 2 na hoogste) en volksgezondheid (1,2%, 7 landen meer) naar verhouding veel. De overheid betaalde ziekenhuizen & verpleeghuizen vrijwel volledig, administratie voor rond 90%, preventie/ volksgezondheid voor zo’n 80% en de eerste lijnzorg en medicijnen & hulpmiddelen voor bijna tweederde (63 à 64%). Bij medicijnen etc. was het aandeel van eigen bijdragen het grootst (rond 30% van deze kosten en bijna 20% van de ambulante zorgkosten).

Het zorgverzekeringstelsel van NL kende in 2015 als 3 compartimenten, de Wmo voor wie thuis zorg nodig heeft of geen thuis (meer) heeft, de Wlz (voor 2015 AWBZ) voor langdurige zorg & hulp en de Zvw (zorgverzekeringswet) voor algemeen toegankelijke kortdurende zorg. Op de begroting voor 2013 van het ministerie stond €69,2mld aan uitgaven. Daarvan kwam 57% op conto van de Zvw, 40% op dat van de AWBZ en 3% op dat van de overheid (Wmo 73%, tegemoetkoming chronisch zieken & gehandicapten 15%, opleidingen 8%, zorg overzees NL 4%). In 2013 werden huisartsen betaald door de zorgverzekeraar op basis van aantal patiënten & consulten. Ziekenhuiszorg wordt sinds 2005 betaald op basis van diagnose behandel (DBC) combinaties door verzekeraar en patiënt. Voor opname in Wlz instellingen en thuiszorg binnen de Wlz geldt een inkomen afhankelijke eigen bijdrage. Ook de Wmo en de Wlz kennen zo’n bijdrage. In de AWBZ lag in 2012 de gemiddelde EB voor extramurale zorg pp op €226 en voor intramurale zorg op €195 (laag) of € 650 (hoog; H6 vanaf p198). In 2012 liep 10% van de AWBZ uitgaven via een pgb (het aantal pgb houders steeg tussen 1996 en 2011 van 5400 naar 137.000, maar lag eind 2012 op 129.000). Verder valt deze zorg onder de collectieve verzekering. Gemeenten gaven in 2010 per inwoner €225 uit aan de Wmo.

Een basis zorgverzekeringis in NL wettelijk verplicht. Voor lagere inkomens is er een zorgtoeslag ter compensatie van de premie. Als tegenhanger bestaat er voor hogere inkomens een extra bijdrage. In 2015 lag het verplichte eigen risico p/j op €375. Vrijwel alle medische handelingen, op een paar basale dingen na (bijv. bezoek aan huisarts), vallen hier onder. Bovenop het eigen risico geldt soms nog een eigen bijdrage (bijv. voor ambulancevervoer). Men kon er voor kiezen het eigen risico te verhogen met max. €500 in ruil voor minder premie, maar men kon ook een aanvullende verzekering nemen met minder eigen risico. In 2011 was in NL 99,9% van de bevolking verzekerd en 89% (hoogste aandeel na Frankrijk in 14 EU landen) had een aanvullende verzekering. Huishoudens gaven toen (buiten chronische zorg) en in 2013 rond 1,5% van hun budget uit aan eigen bijdragen (kleinste segment in 20 EU landen, waarvan 31% aan medicijnen en 34% (grootste aandeel in de 20 landen) aan hulpmiddelen (PDF p140,141).

Tussen 2011 en 2013 halveerde het aantal onverzekerden in NL van 58.000 naar 29.000 en het aantal wanbetalers steeg van 304.000 naar 316.000. In 2013 had 22% vanwege de kosten afgezien van zorg (hoogste aandeel 5 Eu landen; H5 p112/113).

Medio 2007 was het segment dat had betaald voor zorg aanhulpbehoevende ouders in NL aan de kleine kant (4%, EU27 5%). Een relatief groot segment betaalde (3%, EU 2%) of verwachtte te moeten betalen (19%, Eu 12%; Special EB 283; QA13). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben verwachtte een klein deel het zelf te moeten betalen (35%, EU 48%, QA 21) en er waren toen velen die dachten dat overheid of sociale zekerheid (51%, EU 32%) of een privé verzekering zou bijdragen (44%, EU 15%). Het segment dat dacht dat naasten ervoor op zouden draaien was erg klein (familie 2%, EU 18%; partner 6 om 19%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

Onder 1e lijnszorg (de rechtstreeks toegankelijke hulp) vallen naast huisartsen o.m.  apothekers, tandartsen, fysiotherapeuten, eerstelijns psychologen in bijv. de GGZ (sinds 1998 erkend), vrij gevestigde psychotherapeuten, verloskundigen en maatschappelijk werkenden. In NL is het streven er op gericht de diverse diensten meer op elkaar af te stemmen. Zo is tussen 1990 en 2008 het aandeel van groepspraktijken sterk gestegen (zie de tabel; Fulltext vanaf p30). Ook het aantal huisartsenposten, die o.m. buiten kantooruren open zijn, groeide explosief. De eerste werd in 1999 opgericht en in 2014 telde men er landelijk 122 waar ruim 98% van de huisartsen bij waren aangesloten.

Beroepsgroep

Praktijkvorm

Solo %

Duo %

Groep %

1990

2008

1990

2008

1990

2008

Huisartsen

47

20

33

29

20

51

Verloskundigen

25

5

40

10

35

85

fysiotherapeuten

14

9

14

12

72

79

In NL vervult de huisarts een cruciale rol, mede in de hoedanigheid van poortwachter; d.w.z. degene die patiënten doorverwijst naar specialisten & ziekenhuizen (English p148). Toch worden veruit de meeste consulten door huisartsen zelf afgehandeld (96% kort na 2000; bij 2 van de 3 werd een recept meegegeven). Slechts 4% resulteerde in doorverwijzing (10% in 2007). Ook besteden huisartsen steeds meer taken uit. In 1999 is de functie van praktijkondersteuner geïntroduceerd en 10 jaar later had 60% van alle praktijken deze voorziening die veel medische routines van de arts overneemt. Tussen 2007 en 2009 groeide het aantal samenwerkingscontracten van huisartsen met andere hulpverleners in de eerste lijn van 38 naar 43% en het aantal huisartsen dat met andere disciplines onder één dak werkt ging van 50 naar 58%. Het vaakst (rond 25% van de gevallen) betreft het een apotheek, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, fysiotherapeut of diëtist. Eén en ander resulteerde rond 2014 in zo’n 150 gezondheidscentra. In het kader van de Wmo wordt, bijv. om zelfstandig wonen te verlengen, samenwerking met gemeenten vaker nodig en bijv. door meer bevolkingsonderzoek wordt afstemming met de GGD belangrijker. Elektronische gegevensuitwisseling kan afstemming bevorderen. Sinds 2006 zijn regionale zorggroepen voor het aanbieden van ketenzorg (afstemming 1e en 2e lijn; bijv. bij verloskunde, psychiatrie en diabeteszorg) explosief gegroeid. In 2007 nam 80% van de huisartsen deel aan zo’n groep en in 2014 waren er ongeveer 100. De LHV is de grootste beroeps & belangenvereniging van huisartsen. Daarnaast is er het NHG met nadruk op inhoudelijke ontwikkeling en kwaliteitsbewaking.

In 2012 telde NL 8879 praktiserende huisartsen (43% vrouw, 12% boven 60j) en een huisartsenpraktijk (voltijd) had gemiddeld 2379 patiënten (zorg). Volgens Eurostat (Statistics) steeg het aantal huisartsen tussen 2007 en 2010 van 11.200 naar 12.100 (rond 73/100.000 inwoners in 2010; EU 79/100.000 volgens de WHO; European). In 2011 was onder alle artsen & specialisten het aandeel huisartsen groot (rond 40%, 3 van 20 EU landen meer). Het aantal artsenconsulten per patiënt p/j ligt iets onder het EU gemiddelde (5,8, Eu 6,8 in 2006, English p148; 6,6; EU 7,0 in 2010 en 2011, European; 6,2 in 2012; Statistics). Uiteraard is de variatie in leeftijd groot (in NL in 2008 van 2,2 bij 5 t/m 14 jarigen tot 15,2 bij 75plussers). Het aantal gedeclareerde huisartsenconsulten per 100 patiënten steeg tussen 2006 en 2009 met 10% van 290 naar 319. De groei kwam vooral op conto van telefonische consulten (van 50 naar 70; verder in 2009: praktijkconsulten 232, visites 18, Fulltext p90). Het tandartsbezoek in NL valt onder de EU top (rond 2,1x pp p/j tussen 2007 en 2012; Stat). Het bezoek in het jaar voor de vraagstelling was najaar 2006 (82%, EU 62%, op doktersadvies 9 om 5%, Health, QB 46.1) en najaar 2009 (83 om 57%Report, QB1) het hoogst binnen de Eu. Op de DMFT index bij 12 jarigen (aantal kiezen/ tanden waar wat mee is) viel NL tussen 2003 en 2014 met het VK en Scandinavië ook onder de EU top (WHO; Alpha, global map). Najaar 2009 was het volksdeel dat het eigen gebit nog had aan de grote kant (46%, EU27 41%) en het segment met geheel of deels een kunstgebit was van doorsnee grootte (32%).

Najaar 2009 hadden in NL weinig 15plussers in het jaar vooraf poliklinisch onderzoek ondergaan (Summary QA1). Bij 10 onderzoeken was de deelname aan tandartscontrole het hoogst binnen de Eu, maar bij de resterende 9 kwam ze alleen bij onderzoek naar kanker iets boven het EU gemiddelde (14 om 13%) en viel ze bij 5 ervan onder de laagste binnen de EU (cholesterol 21 om 38%, hart 13 om 29%, bloeddruk 50 om 63%, darmkanker 3 om 10%, PSA prostaatkanker 7 om 15%). Vergeleken met 2006 was de deelname bij 5 onderzoeken gedaald terwijl ze in de EU als geheel gelijk bleef of steeg. Wel werd in NL de deelname aan onderzoek naar darmkanker flink hoger, want sinds 2013 vindt bevolkingsonderzoek hiernaar plaats. In 2006 vielen bij 6 vrouwenkwalen (Health QB 53) 3 van 6 vormen onder de laagste 3 in de EU qua deelname (eileiders 7 om 30%, uitstrijkje 22 om 41%, overig gynaecologisch 11 om 32%) en de andere 3 scoorden ook onder gemiddeld (borst doorlichten 25 om 31%, borst handmatig 33 om 43%, botontkalking 6 om 14%). Wel was bij het borstonderzoek bij doorlichten de bijdrage van bevolkingsonderzoek (17 van 25%, EU 9 van 31%) en bij handmatig onderzoek die van eigen initiatief opvallend groot (25 van 33% om 21 van 43%).

Op European (WHO) en via Statistics zijn cijfers te vinden over zorgpersoneel. NL had in 2010 per 100.000 inwoners naar de maatstaf van de oude EU (EU15) weinig zorgpersoneel. Men kwam op 296 artsen per 100.000 (generalisten 125, specialisten 171; EU15 356). Daaronder vielen (per 100.000) 73 huisartsen (EU15 87), 78 medische specialisten (om 91), 37 chirurgische specialisten (om 73), 8 gynaecologen (om 14), 9 kinderartsen (om 13) en 38 andere specialisten (bedrijfsartsen etc.). Verder kwam men voor 2008 tot 855 verpleegkundigen (om 896) en voor 2010 tot 50 tandartsen (om 70), 20 farmaceuten (om 72) en 16 verloskundigen (om 32). Van alle artsen werkte 43% in een ziekenhuis. Psychiaters (21/100.000, 5e 21 EU landen), psychiatrisch verpleegkundigen (132/100.000, hoogste van 16 EU landen) en fysiotherapeuten (182 in 2010, grootste dichtheid EU na Finland) zijn wel boven gemiddeld vertegenwoordigd. In 2009 en 2010 telde men in NL per 100.000 inwoners 8,2 eerstelijnspsychologen en als vrijgevestigd 8 psychiaters en 6,8 psychotherapeuten (geest). In 2014 telde NL bijna 2000 apotheken en op het platteland rond 400 apotheekhoudende huisartsen.

Spoedeisende of acute zorg vindt plaats in ketens zodra er meerdere zorgverleners bij zijn betrokken. In 2013 telde NL 223 ambulance standplaatsen, waarvan 205 dag & nacht beschikbaar. Ze waren verdeeld over 25 regio’s en beschikten over 725 ambulances (4,3/100.000 inwoners). De landelijke norm is vervoer binnen 3 kwartier na melding en daarna bereikbaarheid van een eerste hulppost (SEH, 94 in 2013) binnen een kwartier (bij de Waddeneilanden lukt dat niet). Ook huisartsenposten verlenen eerste hulp. De SEH valt onder de 2e lijnszorg (zorg na doorverwijzing uit de eerste lijn). Deze zorg wordt in NL m.n. verleend in ziekenhuizen (Aanbod) en GGZ en vooral door medische specialisten & verpleegkundigen. Ook ziekenhuizen zijn in NL dun gezaaid (in 2011 per 100.000 inwoners 1,55; EU 2,94). In juli 2014 telde men 131 ziekenhuis locaties (123 algemeen; 8 academisch) en 112 buitenpoliklinieken (ziekenhuis dependances; bijna een verdubbeling t.o.v. 2009), georganiseerd in 85 organisaties. Gefuseerde ziekenhuizen concentreren vaker specifieke functies op één locatie. Tegelijk wordt poliklinische zorg steeds belangrijker. In 2012 telde men 13 dagopnames per 100 inwoners, 3½ keer zoveel als in 1993. De 119 categorale instellingen van 2007 (met 23 revalidatiecentra & 20 audiologische centra als grootste categorieën) vielen binnen 62 organisaties, abortusklinieken (14 in 2011) niet meegerekend (ziekenhuis). Verder kwam men voor 2009 tot 195 zelfstandige behandelcentra voor planbare ambulante zorg, m.n. in de Randstad) en voor 2013 tot ruim 80 privéklinieken.

In ziekenhuizen scoorde NL rond 2011 aan beeldvormende uitrusting per 100.000 inwoners hoog bij PET scanners (aanwezig 0,5, 2e van 23 EU landen; gebruik 3 per 1000 inwoners, 2e van 11 landen); gamma camera’s (1,03; 8e van 22) en angiografie eenheden (0,95 in 2009, 6e van 22); gemiddeld bij CT scanners (1,3; 9e van 20; gebruik 5% bevolking, 9e van 20) en laag bij MRI eenheden (1,25; 17e van 20 landen; gebruik bij 0,7% bevolking, bij 15 van 17 landen meer; PDF p87) en mammografie (aanwezig 0,4/100.000 in 2005, laagste van 16; Stat). Het aantal bedden per 100.000 zakte tussen 2006 en 2009 van 478 naar 466 en het lag daarmee onder het gemiddelde van de EU15 (524 in 2009). Daarbij telde men veel psychiatriebedden (30 om 11%), een doorsnee segment curatieve bedden (66%, EU 68%), rond 4% overige ziekenhuisbedden en geen overige chronische zorgbedden (0 om 5%). De WHO kwam voor NL echter op een grootste aandeel bedden in verpleeg & ouderenzorg (per 100.000: ziekenhuis 466, acuut 306, psychiatrisch 139, verpleeghuis etc. 1037; Eur).

Naar gebruik van voorzieningen viel de bezettingsgraad van curatieve bedden onder de laagste binnen de EU. Ze zakte tussen 2008 en 2011 van 55% naar 49% (EU15 77% in 2009). In 2010 werden in NL 14,8 miljoen DBC trajecten geregistreerd, gemiddeld 90 per 100 inwoners, met grote verschillen naar leeftijdsgroep & regio. Het aantal ziekenhuisbehandelingen (incl. sterfgevallen, excl. geboorten) was in NL laag naar EU15 maatstaf (volgens de WHO in 2010: acuut 11,5 om 15,7% van de bevolking, opname minimaal 1 dag 11,7 om 16,8%). Volgens Eurostat bedroeg in 2011 in NL het aantal poliklinische behandelingen 13,4% van het aantal inwoners (bij top 3 van 18 Eu landen) met als meest frequente aanleidingen skelet/ spieren etc. (bewegingsapparaat) 1,6% (hoogste 21 EU landen); gezwellen 1,5% (3e van 21); oogkwalen 1,1% (bijv. staar, 3 van 21); gebit/ spijsvertering 1% (4 van 21) en bloedsomloop kwalen 0,6% (3 van 21). Deze bron kwam voor dat jaar (aldus berekend) op 12,2% behandelingen met opname (15 van 19 landen meer) met als frequente redenen in volgorde van aandeel bloedsomloop (incl. infarcten) 1,7% (17e van 23 landen), vage klachten (keel, borst, buik, onderrug etc.) 1,3% (4e van 23), gezwellen (meestal kanker) 1,1% (17e van 23), externe oorzaken (ongelukken, zelfschade etc.) 1,1% (18e), zwangerschap & geboorte 1,1% (22e, overig prenataal onderzoek echter 0,5%, hoogste na Roemenië), gebit & spijsvertering 1% (21e), bewegingsapparaat 0,9% (13e), overige (incl. geboorte regeling) 0,9% (10), ademhalingsstelsel (0,8%, 21) & nieren/ urinewegen 0,64% (19). De gemiddelde verblijfsduur in een ziekenhuis zakte tussen 2000 en 2011 relatief sterk (van 7,5 naar 5,3 dagen, -29%, EU15 -11%) en was in 2011 het laagst van 17 EU landen. Volgens Eurostat lag ze in 2011 bij staar op 2,3d (6 van 22 langer), maar de WHO meldde dat in NL het aandeel staaroperaties in dagbehandeling tussen 2000 en 2012 van 63% naar 99% steeg (2e van 20 in 2012; p78). Volgens de laatste bron lag in 2012 de verblijfsduur flink onder het Eu gemiddelde bij een normale bevalling (1,9d, EU28 3,6d), een hartaanval (5,6 om 7,1 dagen) of een CVA (9,3d in 2011, 3 van 24 landen korter). Qua vermijdbare opnames scoorde NL in 2011 relatief gunstig bij opname vanwege astma (32/100.000, 21 Eu landen 51/100.000) en COPD (142 om 199). Qua screenen op kanker geldt hetzelfde voor baarmoederhalskanker (v 20-69j gescreend 64% in 2011, EU25 60%; overleven na 5j 67 om 62%, sterfte 2,3 om 5,2%), maar bij borstkanker (v 50-69j gescreend 80 om 58%, overleving 86 om 83%, sterfte 40 om 34%) en dikke darmkanker (overleving 63 om 59%, sterfte 37 om 34%) was de sterfte boven gemiddeld. Volksonderzoek naar dikke darmkanker kwam in 2013 op gang. De sterfte aan prostaatkanker was ook boven gemiddeld (18 om 15/100.000 in 2012).

M.n. door de thans vergrijzende geboortegolf van 1945 t/m 1970 (CBS) wordt sociale en langdurige zorg in NL belangrijker. Qua aanbod telde rond 2014 het bureau jeugdzorg 15 hoofdlocaties met 99 regiokantoren (Jeugd). Qua instellingen voor langdurige zorg kwam men in 2009 tot 479 verpleeghuizen, 1131 verzorgingshuizen en 290 combi instellingen. In 2013 werden 72 particuliere verpleeg & verzorgingstehuizen en 133 hospices (palliatieve zorg) geteld, incl. 10 voor kinderen. Zorg voor ongeneeslijk zieken vindt ook plaats op speciale afdelingen van 143 verpleeg & verzorgingstehuizen en 15 ziekenhuizen. In 2008 telde NL 231 gesloten (BOPZ) GGZ instellingen, maar met alle dependances erbij wordt de lijst aanzienlijk langer. In 2013 kwam de GGZ tot 113 aanbieders. Het aandeel bedplekken in deze zorg in NL relatief groot (per 100.000 in 2009: psychiatrisch 139, 3e EU28; verpleeghuis etc. 1037, 5e EU28; WHO).

In 2011 telde het land qua vraag 5,3 miljoen mensen vanaf 12j met een chronische aandoening, incl. 1,9m met meer kwalen (horen, zien & bewegen 1,8m; dement 0,26m; verstandelijke handicap 0,13m; chronisch GGZ 0,125m; overlap mogelijk; H6). Het volksdeel dat gebruik maakt van langdurige zorg in natura waarvoor een eigen bijdrage wordt betaald steeg tussen 2004 en 2012 met 11% naar 942.000 (6,9% bevolking). In 2013 hadden 800.000 mensen een indicatie voor langdurige zorg (4,8% bevolking; 54% extramuraal, bijv. thuiszorg, 46% intramuraal). In 2011 kregen 561.000 mensen huishoudelijke hulp binnen de Wmo (4,3% bevolking vanaf 18j, 3,8% in 2008) en werden in de GGZ 1,5m zorgtrajecten uitgeschreven (9 per 100 inwoners, 9%; w.v. stemmingsstoornis 2,3%, angststoornis 1,5%; verslaving 0,9%; psychose 0,5%). Rond 2006 betrof 37,5% van de huisartsen consulten psychische kwesties en hadden 100 GGZ organisaties ruim 770.000 cliënten/ patiënten (75% ambulant, 4% dagbehandeling, 6% begeleid wonen, 14% gesloten inrichting English p164). Tussen 2005 en 2009 werden 46.800 machtigingen toegekend voor opname in een psychiatrische inrichting (91% van de aanvragen) en tussen 2004 en 2013 steeg het aantal cliënten in de verslavingszorg van 55.000 naar 64.500 (van 38 naar 46/10.000). Van de ruim 122.000 GGZ klanten in 2012 vielen er 45.000 onder intramurale zorg (35.000 begeleid wonen, 10.000 verblijf met behandeling) en 77.000 onder ambulante begeleiding met dagbesteding. In NL is het aandeel ziekenhuisontslagen wegens psychische & gedragsproblemen (129 per 100.000 in 2011; Eurostat) het kleinst binnen de EU, maar het segment dat langer dan een jaar opgenomen bleef leek het grootst en de toename hierin tussen 2009 en 2011 het sterkst (per 100.000 van 119 in 2009 naar 170 in 2011; Eu 19 in 2011; European). Het deel van de zorguitgaven voor langdurige zorg is in NL het grootst binnen de Eu (oplopend van 23,9% in 2005 naar 25,1% in 2012; bijna volledig voor opgenomen patiënten).

In NL werd altijd veel zorg gesubsidieerd en nazomer 2010 vonden qua opinie dan ook relatief velen langdurige zorg iets voor overheden (lokaal/ regionaal 38%, EU 45%; landelijk 52 om 41%; Report; QA56). Ook vond een groot segment lange termijnzorg voorzieningen betaalbaar (43e, EU 28%, onbetaalbaar 43 om 46%, weet niet 14 om 26%) en het deel dat ze goed vond viel onder de EU top (72%, EU 45%; slecht 11 om 24%, QA46). Het volksdeel dat aangaf dat ze zelf of naasten van hen gebruik maakte van deze voorzieningen was met 27% veruit het grootst binnen de Eu (gemiddelde 7%; in jaar voor vraagstelling 16 om 4%; QA45). Als beste opties voor hulp voor een bejaarde ouder die zich niet meer alleen kan redden scoorde thuiszorg door publieke / private dienstverleners erg hoog (80%, hoogste EU na Zweden, EU 52%), verpleeghuis/ beschermde woonvorm boven gemiddeld (44 om 32%), mantelzorg door kinderen (54%) iets onder gemiddeld en bij kinderen inwonen uitgesproken laag (8 om 43%; QA48). In 2012 kregen lange termijnvoorzieningen bij alle leeftijden een 6,6 (EU 5,8; 5 landen hoger) en bij 65plussers een 6,9 als cijfer (EU 6,1; Exp).

In 2007 vonden velen in NL thuiszorg voorzieningen goed (49%, EU 42%, slecht 18 om 23%, weet niet 33 om 35%) of betaalbaar (incl. gratis: 56 om 34%, te duur 16 om 32%, weet niet 28 om 34%). Toegankelijk scoorde gemiddeld (goed 39 om 41%, slecht 24 om 25%, weet niet 35 om 34%; QA3-5). Bij verpleeghuizen was het beeld naar kwaliteit (g 46%, EU 41%, s 22 om 23%, WN 32 om 36%) en beschikbaarheid (goed 36 om 39%, slecht 28 om 28%, weet niet 36 om 33%) gemiddeld en qua betaalbaarheid gunstig (gratis/goed 49 om 26%, te duur 14 om 42%, weet niet 37 om 32%). De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special EB 283 wave 67.3, QA20; Euro). Daarbij was de verwachte rol van verwanten relatief klein en die van hulpdiensten groot. Verder waren de V G verschillen in NL relatief groot.

Vorm van steun of hulp

NL %

BE %

EU27 %

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

21

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

3

2

1

9

6

Naar betaling & voorzieningen was nazomer 2009 de eigen bijdrage voor zorg aan ouders die men in NL redelijk vond naar EU maatstaf klein (8,4% gezinsinkomen, Eu 17,6%; Report, QA54) en een jaar later was de groep die minder dan 20% redelijk vindt groot (gratis 15%, Eu 8%; 1 t/m 19% 44 om 26%; Report). Betaling voor zorg aan ouders speelde in 2007 voor een doorsnee segment een rol, al was het segment dat verwachtte in de toekomst te betalen groot (in verleden betaald 4%, EU 5%; betaalt nu 3 om 2%, verwacht te betalen 19 om 12%, geen rol 73 om 75%, weet niet 3 om 6%, Health QA13). Bij degenen die hadden betaald betrof het een relatief klein deel van hun inkomen (bij 54% minder dan 10%, EU 32%; bij 28 om 50% meer) en 43% (om 26%) verwachtte minder dan 10% opzij te moeten leggen (meer 38 om 51%, de rest wist het niet). Slechts weinigen gaven hier betaald werk geheel of deels voor op (2 om 5%) of verwachtten dat te moeten doen (5 om 8%; in NL veelal van vol naar deeltijd).

Sinds 2013 is het beleid er op gericht het aantal plekken te reduceren en het zolang mogelijk thuis wonen te bevorderen, bijv., via ambulante hulp & thuiszorg (het liefst zoveel mogelijk door onbetaalde vrijwilligers). In 2013 woonde bijv. 70% van de 230.000 dementen thuis, buiten professionele zorg omringd door 300.000 mantelzorgers (voor 70% vrouw, gemiddeld 20u p/w gedurende 5 j, 46% tamelijk zwaar tot overbelast; H6 p181). In verpleeg & verzorgingstehuizen wordt intussen gewerkt aan verbetering van de kwaliteit. In 2015 verwacht men dat elke bewoner een eigen (slaap)kamer heeft. Verder zakt het segment cliënten met doorligplekken (tussen 2000 en 2013: tehuizen van 8% naar 1,3%, thuiszorg van 5 naar 1%), ondervoeding (2008-2013: tehuizen van 23 naar 16%, thuiszorg van 18 naar 11%) en valincidenten (thuiszorg van 13 naar 10%; tehuizen van 9 naar 10%). Er was weinig verandering in het segment met vrijheid beperkende maatregelen in tehuizen (20 à 25%) en tevredenheid van professionele zorgverleners over verleende zorg of aanwezigheid van personeel (genoeg personeel 58%: tussen 42% in verpleeghuis en 59% in ziekenhuis; gekwalificeerd personeel 68%; tussen 53% in verpleeghuis en 80% bij thuiszorg hulp; H6 p191).

Traditionele en alternatieve geneeswijzen

Tussen 2010 en 2012 waren in NL gemiddeld een miljoen mensen (5,9% bevolking) in behandeling bij een alternatieve genezer. Daar bovenop gaf 4% van de bevolking aan dat de eigen huisarts ook alternatieve geneeswijze toepast (de groep die het niet wist was bij deze vraag met ruim 50% het grootst) en bij 13% van die 4% deed deze dat in het jaar voor de vraagstelling daadwerkelijk. Het gemiddelde rapportcijfer dat klanten gaven (8,1) lag bij een alternatief genezer iets hoger dan bij een specialist (7,8) of huisarts (7,7). Onder de clientèle van deze geneeswijzen zijn vrouwen (7,8%, m 4,1%), hoger opgeleiden (hbo’ers 10%, universitair 9%), 30 tot 65 jarigen en mensen met een langdurige aandoening (63%) oververtegenwoordigd. Ruim de helft van de klantenkring ging naast de alternatieve genezer naar een medisch specialist. Naar geneeswijze was de volgorde acupuncturist 24,8%; overige 23,6%; homeopaat 21,9%; chiropractor 16,6%; osteopaat 16,2%; natuurgenezer 13,6%; magnetiseur/ paranormaal genezer 8,4%; fytotherapeut/ kruidengenezer 4,5%, antroposoof 1,6% en gebedsgenezer 0,8%. Een aantal alternatieve geneeswijzen wordt deels vergoed via een aanvullende verzekering en 7% van de aldus verzekerden maakte er gebruik van (basisverzekerden 3%).

Volksgezondheid

De levensverwachting bij geboorte lag in NL in 1970 bijna 3j boven het gemiddelde van de EU landen van voor 2004 (EU15). Na 1995 raakte ze iets onder dat gemiddelde, maar tussen 2000 en 2011 steeg in NL de verwachting meer dan in de EU15 (3,2 om 2,7j) zodat ze voor beide uitkwam op 81,5j (WHO). In de gehele periode tussen 1970 en 2011 werden mannen in NL gemiddeld iets ouder dan in de EU15 (70,9 om 68,7j in 1970; 79,5 om 78,8j in 2011). Vrouwen werden in 1970 in NL 76,7j en in de EU15 74,9j. In 1995 was dit verschil weggevallen (80,6 om 80,8j) en in 2000 werden ze in NL een jaar minder oud dan in de EU15 (80,8 om 81,8j). In 2011 was dit verschil nauwelijks kleiner (NL 83,2j, EU15 84,1j). Wel is het manvrouw verschil in leeftijd van overlijden in NL relatief klein (3,7j; EU15 5,3j in 2011) en het verschil met het EU gemiddelde werd groter (5,8 om 6,2j in 1970) doordat de levensstijl van de geslachten meer op elkaar ging lijken dan gemiddeld in de EU15. De gezonde levensverwachting op 65jarige leeftijd ligt boven het EU gemiddelde (in 2012: v 48% van de tijd die nog rest, Eu 41%; m 56 om 48%). De sterfte was in 2011 in NL naar de maatstaf van de EU28 vrijwel gemiddeld (1% van de bevolking, EU28 1,03%; v 0,86 om 0,84%, m 1,21 om 1,28%). Ze lag tussen 2000 en 2010 net boven het EU15 gemiddelde (1,01% om 0,96% in 2010), wel bij een iets boven gemiddelde daling na 2001 (-19 om -17%; Stat).

Naar oorzaken valt in NL de sterfte door ziekten van de bloedsomloop (de hoofd doodsoorzaak in de EU) onder de laagste binnen de Eu (29% van de sterfgevallen in 2011, EU bijna 40%); bij hartaanvallen (7,4 om 14%) met een groot manvrouw verschil (m 10,8%, v 5,1%; EU 18,4 om 10,5%) en bij beroertes (CVA) met een relatief klein MV verschil (9,4 om 6,5% van de sterfgevallen; m 6,7%, v 6,2%; Eu ,10,1 om 8,7%). De daling in deze sterfte na 2002 in NL was iets boven gemiddeld (-34%, EU -29%; hartaanval -48 om -33%; CVA  -42 om -37%). Het deel dat na ziekenhuisopname vanwege een infarct binnen 30 dagen overlijdt is in NL relatief klein (hartaanval 6,8%, Eu 7,8%; beroerte 7,5 om 9,6%; WHO p90/92). De sterfte aan alle vormen van kanker lag boven de EU normaal (300 om 269/100.000) en zakte na 2002 iets minder dan in de EU (-6 om -9%; prostaat 18 om 15/100.000; borst 22 om 19; -21 om -14%; longen 72 om 56; +17 om -1%; dikke/ endeldarm 36 om 32, -5 om -11%). De sterfte door externe oorzaken was aan de lage kant (41 om 47), maar bleef in NL t.o.v. 2002 vrijwel gelijk (+2%) terwijl ze in de EU als geheel zakte (-19%; ongeluk 36 om 22, +7 om -23%, waarvan verkeersongeluk 5 om 6, -50 om -29%; zelfmoord 10 om 12, 0 om -8%). Ook ziekten van het spijsvertering stelsel scoorden als doodsoorzaak iets onder gemiddeld (39 om 45/100.000; -22 om -19%). Ziekten van het ademhalingsstelsel zaten aan de hoge kant (102 om 97) bij een doorsnee daling (-18%; longontsteking 40 om 25, -21 om -30%). De sterfte aan diabetes was in NL flink gedaald (-43 om -15%) en eindigde in 2011 iets onder gemiddeld (21 om 23) en die aan parasitaire ziekten was vrijwel gemiddeld (16 om 15) en weinig veranderd. NL kent een relatief hoge sterfte aan mentale & gedragsstoornissen (62 om 31). Wel bleef ze vrijwel gelijk en steeg ze in de EU (+1 om +24%). Ze kwam vooral op conto van dementie (58 om 26; alcoholisme 1 om 3). De sterfte aan ziekten van het zenuwstelsel is in NL boven gemiddeld (38 om 35) bij een ruim gemiddelde stijging (+23 om +21%: Alzheimer 17 om 16; +53% om +23% sinds 2007; Parkinson10 om 6; +25 om +15% sinds 2007). De babysterfte na geboorte lag in 2012 iets onder het EU gemiddelde (3,7 om 4 per 1000 geboorten) bij een relatief kleine daling na 1970 (p/j -3,1%; EU28 -4,7%; WHO).

Het deel van de zorguitgaven aan preventie/ volksgezondheid zakte in NL tussen 2005 en 2012 van 4,3% naar 3,6%, maar het bleef relatief groot (3,8% in 2011; 6 van 24 EU landen meer; Stat). In NL is dit een taak van de gemeenten (403 in 2014) en die voeren deze uit via GGD’en (landelijk 25 in getal in 2014). Onder de taken die GGD’en delen vallen voorlichting & preventie; gezondheid van jeugd, milieu & leefomgeving; sociaal medisch advies, periodieke inspecties, screenen & inenting en gezondheidszorg voor asielzoekers. Voor de rest varieert het pakket per gemeente. Preventieve jeugdzorg voor kinderen t/m 4j geschiedt bij consultatiebureaus door gespecialiseerde verpleegkundigen & artsen. Kinderen komen er gemiddeld een keer of 15. Daarna nemen de schoolartsen het over. Van hen krijgen ze op hun 5e, hun 10e en hun 13e een check. De deelname aan vaccinatie programma’s ligt in NL veelal iets boven het Eu gemiddelde (in 2012: hepatitis B 98%, 21EU landen 94%; DKTP 97 om 96%; mazelen 96 om 94%: 65+: griepprik 74%, 21 EU landen 43%) en hetzelfde geldt voor bevolkingsonderzoek naar borstkanker (80 om 58%) en baarmoederhals kanker (64 om 60%). In 2013 is in NL bij 50plussers begonnen met het screenen van darmkanker.

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 bij een Eu peiling in Nederland, België en de EU25 de eigen gezondheid beoordeelde (Health QB39-40).

Gezondheid

NL

BE

EU25

Goed

82

81

73

Redelijk/matig

14

14

20

Slecht

4

5

7

Chronische kwaal
Ja

26

23

29

Nee

74

77

70

Weet niet

0

0

1

Volgens Eurostat bewoog tussen 2005 en 2013 het segment dat de eigen gezondheid erg goed vindt in NL rond het Eu gemiddelde (21 om 22% in 2013), maar het deel dat haar als (gewoon) goed beoordeelt was relatief groot (in 2013: 55 om 45%; redelijk 19 om 23%, slecht 4,5 om 8%, erg slecht 0,8 om 2%). Wel is onder werklozen het segment dat een slechte of erg slechte gezondheid claimt in NL opmerkelijk groot (24%, EU 10% in 2009; 16 om 9% in 2013) en onder laag opgeleiden (8%, EU 16% in 2013) of gepensioneerden (8 om 21%) is het juist relatief klein. Medio 2009 claimde in NL een boven gemiddeld segment beperkende psychische/ fysieke chronische kwalen (21 om 14%, Report QE18), maar najaar 2006 scoorde NL bij zulkekwalen (nu onder de leden of ooit gehad: Health) aan de lage kant (26 om 29%, QB40). Onder 13 klachten groepen lag toen bij 6 het aandeel boven de EU normaal en bij 2 (allergie 31%, EU 17%; kanker 5 om 2%) viel het onder de EU top3 (verder: migraine/ hoofdpijn 19 om 16%, astma 9 om 7%, bronchitis 6 om 5%, staar 5 om 4%). Bij 5 was het segment gemiddeld van grootte (reuma/artritis 22%; hoge bloeddruk 19%, botontkalking 5%, maagzweer 4%, hersenbloeding 2%) en bij 2 was het relatief klein (angst/depressie 8 om 9%, diabetes 5 om 6%, QB42). Een  doorsnee deel werd in het dagelijks leven beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten (week voor de enquête 32%; ooit langer dan 3 maanden 26%, QB45). Het segment dat voor een chronisch probleem in behandeling was, was in 2006 relatief klein (18 om 25%). Het was bij 2 categorieën (kanker 9%, hoogste EU, EU 4%; angst/ depressie 13 om 10%, QB 44) en bij overige klachten (34 om 24%) groot, bij 3 was het rond gemiddeld (reuma 23%, migraine 5%, bronchitis 4%) en bij de overige 8 relatief klein (hoge bloeddruk 20%, laagste EU, EU 36%; diabetes 9 om 15%, astma 6 om 9%, botontkalking 5 om 8%, allergie 5 om 6%; maagzweer 2 om 3%, hersenbloeding 1 om 4%, staar 1 om 2%). Een doorsnee segment vrouwen van 50+ (38%) had eind 2006 weet van hormoontherapie bij overgangsklachten, maar het gebruik ervan viel onder de laagste binnen de EU (2 om 6%; QB51/52).

De volgende tabel toont hoe men in NL, België (BE) en de EU in de maand voor de vraagstelling scoorde qua geestelijk welzijn (veldwerk februari/ maart 2010;Annex QD2). Vergeleken met de winter van 2005/06 waren m.n. in België en de Eu de scores wat minder uitbundig positief gestemd (EB 248 wave 64.4 QA5; Euro).

Item in % nawinter 2010

NL

BE

EU28

Altijd/ veelal gelukkig

82

71

61

Altijd/ veelal kalm en vredig

73

63

61

Altijd/ veelal vitaal

76

63

59

Altijd/ veelal energiek

67

56

51

Nooit/zelden compleet in de put

85

80

74

Nooit/ zelden gedeprimeerd

78

79

66

Nooit/zelden erg gespannen

53

46

44

Nooit/ zelden afgepeigerd

62

52

47

Nooit/ zelden moe

36

27

26

NL scoort op dit soort vragen naar welbevinden meestal opmerkelijk hoog. De invloed van problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) was in 2010 naar Eu maatstaf evenwel ruim gemiddeld (altijd/veelal minder presteren dan men wilde: door fysiek probleem 15%, BE 18%, EU 14%; door emotioneel probleem 6 om 9 om 8%; QD1; in 2005/06 door problemen: minder tijd steken in werk & activiteit 13 om 11 om 12%, slordiger dingen doen 12 om 13 om 14%; EB248 QA8). In NL had in 2010 in de maand voor vraagstelling een boven gemiddeld segment (9%) buiten vakantie meer dan 5 ziekte of baaldagen opgenomen (BE 8%, EU 6%). Een (iets) onder gemiddeld segment had het gevoel dat hun baan goed aansloot bij de eigen opleiding en ervaring (72 om 73 om 75%) of op de tocht staat (18 om 19 om 25%). Wel erkenden velen volmondig dat ze voldoende respect en erkenning kregen voor hun werk (49 om 37 om 32%).

In 2005/06 was in NL het segment dat hulp zou zoeken bij professionele zorg als men klem kwam te zitten naar EU maatstaf klein (38%, EU 50%, BE 51%, QA10). Een vriend scoorde in NL het hoogst binnen de EU (37 om 22%) en “overige” scoorde ook hoog (5 om 2%). Buiten dat vinkte 2% een geestelijke (gemiddeld), 49% een familielid (om 53%) en 1% (om 2%) een hulplijn aan. Wel zocht een boven gemiddeld segment in het jaar vooraf feitelijk hulp vanwege een psychisch of emotioneel probleem (18% in 2010, BE 18%, EU 15%; huisarts 11 om 14 om 11%; psycholoog 4 om 3 om 2%; apotheek 3 om 2 om 3%, psychiater 2 om 2 om 2%, verpleegkundige 2 om 1 om 0%, sociaal werk 3 om 1 om 1%, psychotherapeut 1 om 0 om 1%, andere prof hulpverlener 2 om 2 om 2%, andere hulpverlener 1 om 1 om 1%; Annex QD4). In dat jaar had 6% antidepressiva geslikt (BE 9%, EU 7%). In 2005/06 was in NL bij slechts 45% van de hulpzoekers de huisarts voorpost (EU 70%, BE 66%; QA7). In het jaar voor vraagstelling was een doorsnee segment vanwege psychische kwesties opgenomen (1%; BE 5%, hoogste EU), maar een boven gemiddeld segment was in psychotherapie geweest (7%, hoogste EU; EU 3%, BE 4%) of aan de medicijnen geraakt (NL en BE 8%, EU 7%). In NL is de houding t/o probleemgevallen relatief onbevangen (COUNTRIES). Winter 2005/06 vond in NL en BE een doorsnee segment (9%) dat psychische of fysieke problemen de sociale contacten meestal tot altijd beperkten (QA6), maar het segment dat het moeilijk vond aan info over hulp te komen was in NL het kleinst binnen de Eu (hulp zoekend 21 om 37%, niet hulp zoekend 10 om 27%) en in NL viel de kijk op (mensen met) psychische problematiek mee naar de maatstaf van BE of de EU (QA12).

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

25

32

37

worden nooit weer beter

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

6

10

14

Nawinter 2010 was in NL het volksdeel dat het moeilijk vond met iemand met serieuze psychische problemen te praten aan de kleine kant (17%, BE 24%, EU 22%; geen probleem 80 om 72 om 67%, weet niet 3 om 4 om 11%; Annex QD8).

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in NL, België en de EU medio 2007 in 9 opzichten naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA24; Euro).

Item in 2007 in %

NL

BE

EU25

Rokers

24

27

30

Overgewicht

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

28

29

24

Ongezond eten

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

7

8

7

Lawaaierige omgeving

5

10

8

Vervuilde omgeving

8

7

6

Werkstress

16

22

17

Relatiestress

7

11

10

Geen van deze problemen

31

24

32

NL scoorde bij deze enquête relatief hoog op overgewicht en te weinig bewegen, maar hier valt op af te dingen. Zo was in 2013 het volksdeel dat minstens eens p/w aan sport doet in NL relatief groot (56%, EU 40% in 2013, Report) en voor 2012 kwam men voor NL op 12% van de bevolking van 15+ (m 11%, v 13%) met ernstig overgewicht (EU 16,7%; WHO). Bij 15jarigen ging het deel dat zelf overgewicht aangaf tussen 2005 en 2010 van 10 naar 8% (EU van 12 naar 13%; gemeten j 18%, m 15% in 2010; 13 van 22 EU landen meer; PDF). Over het segment met ondergewicht/ anorexia zijn voor NL moeilijk cijfers te vinden. Het segment dagelijkse rokers van tabak (18,4% van de 15plussers) was in 2012 het op 4 na kleinst binnen de EU28 (Eu 22,8%) bij een relatief klein manvrouw verschil (m 21%, v 16%; Eu m 28%, v 18%) en een flink boven gemiddelde afname na 2002 (-33%, EU -12%). In 2009/10 rookte bij 15 jarigen 15% van de jongens en 17% van de meisjes (PDF p 48). Sinds 2004 mag in NL op werkplekken niet meer worden gerookt en in 2008 kwam er (ook) een rookverbod in de horeca met uitzondering van een afgesloten rookruimte en kleine cafés zonder personeel. In febr. 2013 is de kleine café uitzondering vervallen (Ban en List). Bezit van maximaal 5 hennepplanten en verkoop van cannabis door coffeeshops (max. 5 gram per klant) worden in NL gedoogd. In pure vorm mag cannabis er binnen worden gerookt, maar met tabak dient zulks daar te geschieden in een afgesloten rookhok om personeel te ontzien. Of het op straat of hangplek ook mag worden gerookt hangt af van de gemeente (lokale APV’en).

In 2009 kwam in NL qua toegegeven gebruik van cannabis (15-65j) het gebruik ooit op 26% (m 33%, v 18%; 20 EU landen minder, 5 meer; Main), in het jaar vooraf op 7% (23 minder, 3 meer) en in de maand vooraf op 4,3% (m 6,3%, v 2%; 22 minder, 4 meer). Bij 15-25 jarigen kwam het in het jaar vooraf op 16% en in de maand vooraf op 8% (4 landen meer, 18 minder). In mei 2011 gaf onder 15-25 jarigen 16% cannabisgebruik in het jaar vooraf en 14% gebruik ooit toe (EU 14 en 12%, BE 17 en 11%; Tsjechië hoogste EU met 23 en 24%, Youth). Het segment voorstanders van vrijgeven was in NL het grootst binnen de EU (volledig 13%, EU 5%, BE 6%; gereglementeerd 52%, EU 34, BE 44%) en de aanhang voor handhaving van het verbod op cannabis het kleinst (33%, BE 48%, EU 59%). Ook vrijgeven van drugs als effectief beleid kreeg relatief veel steun (18%, BE 14%, EU 13%). Het deel dat het risico van cannabisgebruik erg hoog achtte was relatief klein (bij regelmatig gebruik: 56%, EU 67%, BE 53%: indien incidenteel: 14%, BE 12%, Eu 23%). Veel jongeren dachten makkelijk aan cannabis te kunnen komen (69%, EU 57%, BE 65%). Het segment jongeren uit NL dat regelmatig alcohol gebruik erg riskant vond was ook relatief klein (35%, Eu 57%, BE 38%) en een verbod op tabak (7%, Eu 16%, Be 17%) of alcohol (3%, EU 7%, BE 8%) kreeg een duidelijk onder gemiddelde steun. Qua harddrug gebruik in het jaar voor vraagstelling onder 15-35 jarigen scoorde NL rond 2009 bij de EU top4 met cocaïne (2,4%) & ecstasy (3,1%).

In 2012 zond NL met 76 liter per hoofd p/j 16e op de wereldranglijst van bierdrinkers (België 18e met 74 l; List). Voor 2009 werd de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers (officieel + officieus; List) geschat op 9,4 liter per hoofd. Daarmee stond men 17e binnen de EU. De WHO kwam voor 2012 op 9,3 l (EU 10,1 l; BE 9,8 l). Najaar 2009 was in NL het segment geheelonthouders (12%) het op 2 na kleinst binnen de EU (EU 24%, BE 21%, Report QC1a). De tabel hierna geeft info over de mate waarin najaar 2006 en 2009 in NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (merk het verschil op tussen “5 of meer glazen per sessie” en minstens eens p/w 4+ glazen).

Alcoholinname herfst 2006 en 2009 (%)

NL

BE

EU

06

09

06

09

06

09

Dagelijks

18

21

14

14

13

14

5 of meer glazen per sessie

12

13

13

15

10

10

Eens p/w 5 of meer glazen

12

14

15

16

15

17

Vaker p/w 5 of meer glazen

8

9

9

12

13

12

Qua steun voor overheidsmaatregelen vond in 2009 in NL een boven gemiddeld volksdeel de gevolgen van drankgebruik eigen verantwoordelijkheid (61%, EU 52%, BE 49%; overheid verantwoordelijk 37 om 43 om 49%). Het segment dat vermoedt dat de prijs invloed heeft op alcoholgebruik valt in NL onder de kleinste binnen de EU (zware drinkers gaan minderen als drank 25% duurder wordt: NL 25%, EU en BE 36%; zelf minder kopen als drank een kwart duurder wordt 19%, EU 30%, BE 29%; meer als het een kwart goedkoper werd 5 om 14 om 12%). Ook het gedeelte voorstanders van een verbod op alcoholverkoop onder 18j viel onder de kleinste (70%, EU 89%, BE 80%; QC9.3) net als het segment voorstanders van een verbod op alcohol reclame gericht op jongeren (68 om 77%, BE 75%). In NL en Be beide viel het segment dat het juiste antwoord wist op de alcoholgrens voor automobilisten onder de kleinste binnen de Eu (foute antwoord: NL 70%, BE 82%, EU 36%; juiste 2 om 27%; de rest vinkte “weet niet” aan). In NL geldt in de eerste 5 jaar dat men het rijbewijs heeft een grens van 0,2 promille en daarna geldt (net als in BE) 0,5pm (Blood). Qua bewustzijn van gezondheidsrisico’s scoren NL en BE boven gemiddeld bij leverschade en schade aan de foetus, maar onder gemiddeld op hartkwalen, depressie en risico op kanker (bij kankerrisico: helemaal mee eens: NL 26%, EU 36%, BE 37%; QC12).

Eetgedrag

Volgens de WHO (Euro,lifestyles) haalt men in NL relatief veel energie uit vet (39%, EU15 39%, NLS 31%, BE 40% in 2002) en eiwit (13,2%, EU 12,3%, BE 10,6%) en eet men er relatief weinig graan (71kg p/j, EU15 120, NLS 155, BE 117) en tamelijk veel groente en fruit (228kg, EU15 232, NLS 173, BE 194). Eind 2005 was het volksdeel dat aangaf dat men gezond eet het grootst binnen de EU (95%; BE 88%; EU 83%, EB 246, wave 64.3, QD9; Euro) en in lijn hiermee viel in 2007 & 2010 het segment dat aanvinkte ongezond te eten onder de kleinste (NL 7%, EU 14%, EB 283, wave 67.3, QA 24; 2010: 22 om 52% in 2010; Report QF4.10). In 2010 werd naar Eu maatstaf in NL eten vaak geassocieerd met gezellig & lekker en weinig met honger stillen, betaalbaarheid of voedselveiligheid. Voedingswaarde scoorde gemiddeld. Bij risico’s in verband met voeding kwamen in NL voedselvergiftiging, milieu, pesticiden, kunstmatige toevoegingen, te veel calorieën (vet, suiker), kans op overgewicht en zorgen over armoede in de wereld naar verhouding hoog uit de bus en de groep die hygiëne een risico vond was relatief klein (2 om 5%; QF3). Ook was de groep die zich ernstig zorgen maakte over een 17tal kwesties steeds kleiner dan gemiddeld in de EU (QF4; rond nieuwe techniek/ technologie 45 om 59%, rond dieet 31 om 53%; QF4T). Bij kwesties over voedselveiligheid was naar EU maatstaf het vertrouwen in fabrikanten (30%), boeren (49%), familie & vrienden (62%) en milieuclubs (66%) laag; in media (48%) & winkelketens (37%) gemiddeld en in gezondheidsexperts (91%), consumentenbonden (87%), wetenschap (79%), officiële instanties (63 á 77%) & internet (49%) hoog. Het segment dat inschatte dat voedsel veiliger is dan 10 jaar eerder was relatief groot (51%). Het vertrouwen in dezen in m.n. EU autoriteiten was veelal boven gemiddeld (QF8). Wel vroeg in NL 93% (EU 61%) zich af of ze de zorgen van burgers kennen en relatief velen betwijfelen of voor hen burger gezondheid boven bedrijfswinst gaat (54 om 42%). Vertrouwen dat men risico’s mijden zelf in de hand heeft was in NL veelal boven gemiddeld verbreid (53 om 47%; QF7T).

De tabel hierna biedt info over de invulling van het begrip gezond dieet (16 opties) in NL en de EU in najaar 2009 en veranderingen t.o.v. najaar 2006 (+/-). De lijst is op basis van de volgorde in NL in 2009 van hoog naar laag qua aanhang.

Item 2009

Nederland %

EU %

09

+/-

09

+/-

Gevarieerd eten

63

-13

56

-3

Meer groente & fruit

60

-1

65

+7

Minder vet

43

-9

45

0

Anders/ overige

25

+11

12

+1

Minder calorieën

22

-13

19

-3

Meer vis

19

-12

28

+3

Minder vlees

15

-3

19

+3

Minder zout

15

-3

24

+5

Minder suiker

15

-12

27

-1

Meer koolhydraten

11

0

8

0

Minder kunstmatige toevoegingen

8

-6

13

0

Minder koolhydraten

4

-2

9

+2

Biologisch

4

-5

10

+2

Minder groente & fruit

3

+3

4

+2

Meer vlees

2

0

5

+2

Minder vis

1

0

1

0

Wat vooral opvalt is dat NL op 12 van de 16 items onder het EU gemiddelde scoorde en dat bij 11 items (EU 3 items) sprake is van een (vaak forse) teruggang in aanhang t.o.v. 2006 (de categorie “overige” is de meest opvallende uitzondering; Sum QA3).

Eind 2005 (EB 246 64.3; Euro) was in NL het volksdeel dat aangaf moeite te hebben om zich aan een gezond dieet te houden het kleinst binnen de EU (20%, EU 31%, BE 29%, QD13). Bij mogelijke redenen scoorde in NL alleen de categorie overige boven gemiddeld (29 om 18%). Gebrek aan controle over wat men eet door kantines, junkfood e.d. (28%) en “gezond koken is tijdrovend” (28%) kwamen gemiddeld uit. Onder gemiddeld bleven “gezond is niet lekker” (16 om 23%); tegenstrijdige info (9 om 15%) en gebrekkige info over wat je eet of te weinig info over wat gezond is (beide 3%; onder de laagste in de EU, QD14). Ook het segment dat in het jaar vooraf op dieet was geweest was aan de kleine kant (16 om 21%, QD4), maar een boven gemiddeld deel (31 om 22%, QD10) had eetgewoonten veranderd. Qua verandering scoorde opnieuw alleen “overige” relatief hoog (16%, EU 8%) en meer water (46%) en minder calorieën (37%) of suiker (38%) kwamen gemiddeld uit. De rest bleef relatief laag (QD11). Slechts weinigen gingen op dieet om gezond te blijven (10 om 30%) of vanwege een kwaal (10 om 18%), een doorsnee deel deed het om hun gewicht (afslanken 32%, op pijl houden 7 om 5%, aandikken 2 om 3%) en “overige” scoorde opnieuw hoog (15 om 10%).

Het segment dat in 2005 een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen was in NL aan de kleine kant (79%, EU 85%). Een boven gemiddeld deel was overtuigd dat zwaarlijvigheid meer voorkomt dan 5 jaar eerder (49 om 45%) en dat men nu meer dikke kinderen ziet (58 om 50%). Feitelijk werd het segment met ernstig overgewicht tussen 2005 en 2010 bij 15 jarigen kleiner (DOWN). M.b.t. de schuldvraag omtrent dikke kinderen zagen relatief velen ouders/voogden (79 om 71%) en vriendjes (8 om 5%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Reclame (10 om 18%) of wat kinderen op school leren (1 om 3%, QD25) scoorden onder gemiddeld. Qua eerste tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kregen in NL stimuleren van gym op scholen (38%), sportfaciliteiten (12%) en beperking reclame voor ongezonde items (18%) boven gemiddelde steun. Beter onderwijs over voeding op school (22%) & info voor ouders (34%) kwamen rond gemiddeld uit en betere schoolmaaltijden (8%), verplicht boodschappen over gezond in reclame voor junkfood (3 om 5%) en betere info op verpakking (2 om 3%) er onder.