Gezondheidszorg en volksgezondheid

Organisatie van het zorgstelsel

Na de 2e wereldoorlog hebben m.n. de socialistische regeringen bijgedragen aan een verbetering van het zorgstelsel en van de volksgezondheid. Sinds 1956 kent men een verplichte zorgverzekering (Sozialversicherung). Hieronder vallen de ziekenfondsen (Krankenkassen). Er is voor elke deelstaat een fonds en daarnaast zijn er fondsen van bedrijfstakken. De centrale overheid is via het Bmask (bondsministerie van arbeid, sociale zaken en consumentenbescherming) verantwoordelijk voor basis­wetgeving en de deelstaten voor detailwetgeving en uitvoering. Verder kent men het Bundesministerium für Gesundheit. Dit ministerie is verantwoordelijk voor wetgeving, kwaliteitsbewaking en ambulante zorg. De deelstaat regeringen dienen plannen in bij de bondsregering en gaan over de uitvoering van toekenningen. Bij intramurale zorg dragen alle belanghebbenden via de landelijke structuurcommissie bij aan het financiële beleid. Oostenrijkers mogen zelf hun arts, specialist of ziekenhuis kiezen. De poliklinische ziekenhuiszorg is van goede kwaliteit is (vaak 24 uur per dag beschikbaar, weinig wachttijden, goede vakmen­sen en voorzieningen) en er wordt veel gebruik van gemaakt.

Oostenrijk behoort tot de wereldtop m.b.t. diverse soorten transplantaties en het aantal MRI scanners per miljoen inwoners was in 2004 met 28 het grootste binnen de EU. Reeds vanaf 1970 probeert men de kosten van de ziekenhuiszorg te beheersen, maar uit angst voor stemmenverlies durven regeringen geen al te krasse maatregelen te nemen. M.n in de 80er jaren groeiden deze kosten veel sneller dan die van andere zorgsectoren. In 1978 werd een samenwerkingsverband van ziekenhuizen opgericht om de afstemming te be­vorderen. Omdat de kosten de pan uit bleven rijzen werd dit in 1997 omgezet in een prestatiegericht systeem van ziekenhuis financiering (LKF). In 2001 werd de eigen bij­drage voor een ziekenhuisbezoek hoger gemaakt dan die voor een bezoek aan een huisarts. Deze eigen bijdragen bleken in 2002 in de praktijk echter vrijwel oninbaar, onder meer vanwege plafondoverschrijdingen (12% van de patiënten) en vrijstellingen (48%). Ook kwam er wetgeving die vorming van groepspraktijken en het doorverwijzen door huisartsen naar specialisten aan moest moedigen. Men had echter verzuimd om vooraf de ambulante ziekenhuiszorg en de 1e lijnszorg op elkaar af te stemmen en de werktijden in de 1e lijnszorg bij de vraag van patiënten te doen aansluiten. Daarnaast speelt de vrij­heid van deelstaten om geld uit te geven aan de zorg parten.

Beoordeling van de zorg

In het wereldgezondheidsverslag van de WHO van 2000 nam Oostenrijk een 9e plaats in onder 191 landen en 70% van de bevolking (2e na Finland, EU 40%) was rond die tijd tevreden met het stelsel. In 2002 was de tevredenheid over het stelsel het grootst binnen de EU15. Toen vond 32% (EU 13%) dat het goed liep, 35% (om 31%) vond kleine aanpassingen nodig, 23% (om 38%) fundamentele veranderingen en 4% (om 14%) een complete ombouw. De beoor­deling van het stel­sel was in 2003 met een 8,1 het hoogst binnen de EU27 (EU15 6,4) evenals in 2007 (7,8; EU15 weer 6,4). De beoordeling voor zorgvoorzieningen voor ouderen was toen lager, maar bleef boven de EU15 standaard (6,3 om 5,7). Medio 2009 was het volksdeel dat de gezondheidszorg voor zichzelf tot de top3 van zorgenkindjes rekende naar EU27 maatstaven klein (14 om 17%; NL 27%; Be 8%: Special Eurobarometer308, wave 71.1). Eind 2006 was dat nog 22% (Eu 26%). Toen rangschikte 17% ouderenzorg daaronder (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 5% zorg voor gehandicapten (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Destijds rekende voor de komende generatie 21% (EU 17%) gezondheidszorg, 16% (EU 10%) ouderenzorg en 4% (EU 2%) gehandicapten zorg tot deze top3 (Special EB 273, wave 66.3).

In de tabel hierna staan de uitslagen voor Oostenrijkers (OR), de EU27 en Nederlanders van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special EB 283 wave 67.3). Daarbij scoorden de Oostenrijkers naar Eu maatstaven overal hoog op kwaliteit (bij ziekenhuis, specialist en thuiszorg bij de top3 van de EU27) en beschikbaarheid/ bereikbaarheid. Bij de kosten kwam men echter ook in 4 van de 6 gevallen boven het EU gemiddelde (tandarts, specialist, thuiszorg en verpleeghuis). Dit brengt ons op de betaling en betaalbaarheid van de zorg.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

OR

EU

NL

OR

EU

NL

OR

EU

NL

Huisarts

93

84

89

94

88

92

8

11

6

Tandarts

91

74

92

90

74

89

40

51

28

Specialist

87

74

83

67

62

66

39

35

21

Thuiszorg

64

42

49

48

41

39

52

32

16

Ziekenhuis

92

71

87

92

76

80

11

21

19

Verpleeghuis

57

41

46

40

39

36

56

42

14

Betaling van de zorg

In 2008 telde Oostenrijk 25 verzekeringsinstellingen, waarvan 17 zorgverzekering fondsen (Krankenkassen) op basis van beroeps­groepen (9) of regio (8). In 2003 viel 81% van de bevolking onder de algemene verzekering, 11,2% onder de fondsen voor zelfstandigen of boeren en 7,6% onder de ambtenarenverze­kering. In 2008 was 98,8% van de bevolking verplicht verzekerd. In 2007 lagen de zorguitgaven in Oostenrijk op 10,1% van het BBP (3 na hoogste aandeel van 19 EU landen, OECD health data 2009; how does Austria compare). Per hoofd naar koopkracht lagen ze 27% boven het OESO gemiddelde. De stijging van de uitgaven per hoofd (2% p/j tussen 00 en 07) was de kleinste in de OESO (OESO 3,9% p/j). Eurostat kwam voor 2006 op 10,2% van het BBP voor zorgvoorzieningen (4e van 22 EU landen). Daarvan nam de centrale overheid 76,7% voor rekening (5e van 22 EU landen) en de private sector de rest (23,3%; 17e; eigen bijdragen van huishoudens 17,4% in 2004; 16e van 22). In 2009 bedroeg de eigen bijdrage €10 voor een zorgpasje, €4,90 per recept voor medicijnen (behalve bij de allerlaagste inkomens) en €8 p/d bij ziekenhuisopname. Ook bij revalidatie en voor hulpmiddelen bestaan inkomen afhankelijke EB’s.

In 2004 ging volgens Eurostat veel van de zorguitgaven naar ziekenhuizen (38%: 7e van 21 EU landen), verpleeghuizen (7,6%: 6e van 21); ambulante zorg (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, lab etc 25,8%; 9e van 22), administratie/ verzekering (4,3%: 8e van 22) en overige (arbeidszorg, mantelzorg 6,6%; 2e van 22) en relatief weinig naar medicijnen en hulpmiddelen (16,8%: 19e van 22) en volksgezondheid (0,7%: gedeeld 15e van 22). Naar functie ging veel naar helende zorg (57%: 2e van 19), revalidatie (4,1%: 4e van 19), chronische zorg (12,9% in 2006; 3e van 21) en weinig naar aanvullende diensten (lab, transport; 2,6% in 06; laagste van 22). medicijnen/ hulpmiddelen voor ambulante patiënten (16,8% in 06; 20e van 22) en preventie en volksgezondheid (1,9% in 06; 20e van 22). In 2004 was het volksdeel dat ingeënt was tegen mazelen (74%) bijv het kleinst binnen de EU. Opvallend veel Oostenrijkers laten zich veelal uit eigen beweging echter preventief onderzoeken.

Het deel van het huishoudbudget dat men in Oostenrijk besteedt aan gezondheid lag in 2005 iets onder de EU27 normaal (3,1%; EU 3,5%; NL 1,3%, BE 4,7% bron Eurostat).  In 2008 lagen in Oostenrijk de huishouduitgaven per bewoner gemiddeld 8% hoger dan in 2000 (EU27 +9,5%), maar de bestedingen voor gezondheid daalden (-6,5; EU15 +15%). Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders klein naar Eu maatstaven (20 om 25%, NL 27%, BE 36%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben verwachtten relatief velen dat de eigen private verzekering het zou dekken (25%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) of dat overheid of sociale zekerheid de kosten zouden betalen (48%, EU27 32%, NL 51%, BE 34%). Het deel dat inschatte dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden was ook relatief groot (58%, EU 48%, NL 35%, BE 70%) evenals het deel dat dacht dat de partner, familie of naasten ervoor op zou draaien (51%, EU 39%, NL 9%, BE 44%; meerdere opties mogelijk). Qua betaalbaarheid was het volksdeel onder de laagste inkomens (laagste 20%) bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs in 2007 relatief klein (arts 0.9%, EU27 5,4%; 1,1% in 08; tandarts 2,4% om 8,2%; 3,7% in 08; Eurostat, health, indicators from SILC survey).

Zorgvoorzieningen en gebruik

Volgens http://www.euro.who.int/Document/E89021.pdf werd de 1e lijnszorg gegeven aan een eigen praktijk, polikliniek van een groepspraktijk (836 Ambulatorien, 16% van een ziekenfonds, waar 9100 medici werken, 28% in opleiding) of poli van een ziekenhuis (Spitalambulanzen). De zorg was in handen van artsen, tandartsen, apothekers en psychologen. In 2003 was 51% van de artsen zelfstandig en de meesten daarvan hebben een individuele praktijk. Verder had 43% van de vrij gevestigde artsen een contract bij ziekenfondsen, maar bij de tandartsen lag dat op 72%. Statistik Austria kwam voor 2008 voor de 1e lijnszorg op 15.700 artsen (41% huisarts, 59% specialist, 50% met een ziekenfondscontract; bron Jahrbuch der Gesundheitsstatistik). Bij artsen zonder zo’n contract vergoedde het ziekenfonds geen 100%, maar 80%. De dichtheid van praktiserende (tand)artsen varieert nogal met de regio. In Wenen zijn er per 1000 inwoners bijv 2 tot 3 keer zoveel dan op het platteland. De fondsarts is poortwachter, maar velen komen zonder verwijsbrief bij de specialist terecht (vaak ook omdat die tevens huisarts is). De dichtheid aan psychotherapeuten is erg groot (6,5/10.000) en hun aantal vervijfvoudigde tussen 1992 en 2002. In 2003 kwam 28% van de uitgaven aan psychotherapie terecht bij de artsen onder hen. De rest ging naar psychologen.

Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j lag in 2005 met 6,7 vrijwel op het gemiddelde van de OESO landengroep van 27 landen (OESO 6,8) en van de EU15 en de groei erin p/j sinds 1990 lag wat boven de OESO normaal (0,9 om 0,7%). Het aantal consulten per arts p/j was relatief klein (1941; OESO 2511) en de daling daarin p/j sinds 1990 was fors (-2,2%: OESO -0,9%). In 2006/07 ging 78% van de bevolking van 15+ minstens één keer naar de dokter. Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging behoorde eind 2006 tot de EU27 top (82%, EU25 62%; Eurobarometer 272e/ wave 66.2) en de gebitstoestand onder 12 jarigen was rond 2003 naar OESO maatstaven relatief goed (DMFT index 1, OESO 1,6). De uitgaven voor medicijnen zijn laag naar EU maatstaven. Het gebruik van en de toename daarin tussen 2000 en 2005 van antibiotica (15 dagelijkse doses per 1000 inwoners, +3; OESO 21, gelijk) was bijv naar OESO maatstaven onder gemiddeld. Het volksdeel dat medicijnen gebruikte steeg tussen 1999 en 2006/07 bij mannen van 48 naar 58% (op doktersrecept 39,5%, anders 18,7%) en bij vrouwen van 62,5% naar 85,5% (recept, 55,7%, anders 30,5%). In 2005 scoorde men ook met kindervaccinaties laag binnen deze landengroep (mazelen 74%, laagste; kinkhoest 83%, één na laagste). Toch kwamen deze ziektes relatief weinig voor.

Eind 2006 ondergingen in Oostenrijk erg veel 15plussers (m.n vrouwen) poliklinische onderzoek. Het betrof m.n hartonderzoek (32 om 27%), echoscan (40%, EU 38%), PSA (prostaatkanker) test (28%, hoogste EU, EU 13%), darmkanker (17 om 8%), onderzoek naar overige vormen van kanker (20 om 12%) gehoortest (21 om 16%), ogentest (39%, EU25 38%), cholesteroltest (43 om 38%, BE 44%, NL 26%), borstonderzoek (doorlichten 53%, EU 31%; handmatig 72%, Eu 43%, beide hoogste EU), eierstok onderzoek (59%, hoogste EU; EU 30%), uitstrijkje (61%, hoogste EU, EU 41%), ander gynaecologisch onderzoek (62%, hoogste EU: EU 32%) of een onderzoek naar osteoporose (32%, hoogte Eu, EU 14%). Men scoorde slechts bij bloeddrukmeting iets onder de EU normaal (56 om 59%; BE 70%, NL 52%). Het volksdeel dat in behandeling was voor een chronische kwaal lag bij dit alles onder de EU normaal (19 om 25%).

Qua zorgpersoneel lag in 2007 het aantal praktiserende artsen boven en het aantal verpleegkundigen onder het OESO gemiddelde (respectievelijk 38 om 31 en 74 om 96/10.000 inwoners). Eurostat kwam voor 2007 op 37 artsen (hoogste in 22 EU landen), 6,3 apothekers (9e van 19), 5,4 tandartsen (12e van 19) en 3,3 fysiotherapeuten (18e van 24) per 10.000. Het aantal vroedvrouwen kwam in 2004 op 2,1/10.000 (EU25 3). De 2e lijnszorg vond in 2008 plaats in 267 ziekenhuizen (regionaal, academisch of gespecialiseerd) en andere fa­ciliteiten (bijv. bronnenbaden en kuuroorden). Van de ziekenhuizen waren er 102 algemeen met bijna tweederde van de beddencapaciteit. Gespecialiseerd ziekenhuizen beschikten over 25%, sanatoria over 7% en instellingen voor chronische zorg over 3%. Ziekenhuizen van deelstaten beschikten over 56% van de capaciteit. Steeds meer ziekenhuizen zijn in private handen (kerk 14%; privé met winstoogmerk 23% in 2008), al is hun aandeel in de capaciteit nog geen 30%. In 2003 telde 60% van de ziekenhuizen minder dan 200 bedden en de 9 grootste (w.o de academische) hadden toen 17% van de capaciteit. Ziekenhuizen met overheidsgeld boden onderdak aan 73% van de bedden en 84% van het zorgpersoneel. Het aantal ziekenhuis bedden per 100.000 inwoners is nog groot naar EU maatstaven en zakte even snel als gemiddeld in de EU (778 in 2007; -15% t.o.v 1997: EU27 590 in 05; -15%). Ook het aantal bedden voor spoedopnames (610) lag flink boven EU27 niveau (406 in 2005). De bezetting van de zieken­huisbedden lag in 2004 rond het Eu ge­middelde (76%, OESO 75% in 05) en het aandeel ziekenhuisopnames (29% van de bevolking) lag daar flink boven (EU 17,5%). De verblijfsduur in het ziekenhuis was iets korter dan gemiddeld (6,4 om 6,9 dagen). Eurostat kwam voor 2007 op 9 dagen, maar Statistik Austria kwam voor alle afdelingen samen op 5,8.

In de sociale zorg groeide het aantal mensen dat thuishulp kreeg tussen 2000 en 2007 van 81.000 naar 157.000. Het aantal opgenomenen in een verpleeghuis bleef rond 60.000 hangen. Het volksdeel dat tevreden was over de kwaliteit en beschikbaarheid van thuiszorg en verpleeghuizen lag in 2007 qua grootte (iets) boven de EU normaal, maar relatief veel Oostenrijkers vonden deze voorzieningen te duur. Qua chronische zorg lag tussen 1997 en 07 het aantal psychiatrische bedden rond 5,5/10.000 (5,9/10.000 in 2007; EU27 6/10.000, -24%; bron Eurostat). Het aantal andere chronische zorgbedden is in die tijd echter sterk gedaald (van 12,6 naar 4,9/10.000 (EU15 4,4 in 05). Op deze website staat bij Oostenrijk onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Oostenrijkers, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007gedaan veldwerk).

Vorm van steun of hulp

Oostr

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc

36

39

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

28

24

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

16

12

9

12

10

10

10

12

Bij familie etc thuis

6

6

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

11

11

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

8

8

3

2

1

9

6

Kuuroorden en alternatieve voorzieningen

Net als in meer Midden-Europese landen zijn kuuroorden erg populair. Ze wor­den gezien als een panacee voor alle mogelijke kwalen. Strenge artsen (Heilpraktiker) schrijven er een Spartaans aandoend regime voor van vroeg naar bed en vroeg weer op, lange bergwandelingen, modderbaden, bronwater en reformvoedsel en vooral fondspatiënten die hier de hand mee lichten worden zonder pardon naar huis gestuurd. Vanwege bezuinigingen worden dit soort kuren echter steeds minder door ziekenfondsen vergoed. Kuuroorden noemen zich vaak Wellnesshotels en bieden een heel scala aan welzijn bevorderende voorzieningen. Naast bronnenbaden liggen acupunctuur, homeopathie en kruidengeneeskunde sterk in de belangstelling als alternatieve geneeswijzen.

Volksgezondheid

De levensverwachting ligt in Oostenrijk net als in de meeste Eu15 landen boven de EU normaal (m 77,5j in 07, EU27 75,8j in 06; v 83.1 om 82j) en de stijging daarin is vergelijkbaar met het EU gemiddelde. Verder is het manvrouw verschil relatief klein naar de maatstaf van deze landengroep (8,3j; EU27 7,3j in 2007). In dat jaar was de gezonde levensverwachting voor 65 jarigen aan de lage kant (m 7,3j. EU 8,7j; v 7,7j; EU 8,9j). Wel is ze tussen 2005 en 2007 bijgetrokken (m +0,6j; v +1,1j). De sterfte per 10.000 inwoners ligt onder de EU27 standaard (58,1 om 64,1 in 06; 55,7 in 2007 bron: Eurostat) en de daling tussen 03 en 06 (-7/10.000) was iets groter dan in de EU27. Qua doodsoorzaken ligt de sterfte door chronische ziekten iets onder de EU normaal (11 om 12,7) en de daling na 2000 was iets groter dan in de Eu (-18 om -10%). Hetzelfde gold voor de sterfte aan kanker (16,2 om 17,5; long en keelkanker 3,3 om 4; prostaatkanker 0,79 om 0,82; borstkanker 1,4 om 1,4; dikke darm 0,7 om 0,6), maar hier was de daling iets geringer dan in de EU (-5 om -6%). Bij hartaanvallen was de sterfte boven gemiddeld (10,7 om 9,4) en de daling relatief klein (-10%, EU -18%). Bij herseninfarcten scoorde men echter gunstig (6,1 om 3,9) bij een sterke daling (-20 om -50%). Al met al was de sterfte door ongelukken aan de lage kant (2,3 om 2,6) en ze zakte wat sterker dan in de EU (-18 om -13%). De bijdrage van verkeersongelukken (8,9 om 9,1) ging flink naar beneden (-25 om -24%). Die van zelfmoord bleef aan de hoge kant (1.3 om 1), maar zakte ook flink (-23% om -13%). Het moordcijfer ligt iets onder het Eu gemiddelde. De sterfte door chronische lever aandoeningen zakte 2 keer zo sterk dan in de EU (-25 om -13%) en eindigde net iets boven de EU normaal (1,5 om 1,4). In Oostenrijk vinden relatief weinigen een voortijdig einde door alcohol en drugs. De sterfte door diabetes verdubbelde echter (+100 om -3%) en werd bijna 2 keer zo hoog dan in de EU (2,7 om 1,4). De kindersterfte (die van baby’s voor hun eerste verjaardag) lag in 2005 onder de OESO normaal (4,2 om 5,4 /1000 geborenen).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Hongarije, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (Eurobarometer 272e wave 66.2).

Gezondheid

Oostr

NL

BE

EU25

Goed

73

82

81

73

Redelijk

22

14

14

20

Slecht

5

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

23

26

23

29

Nee

76

74

77

70

Weet niet

1

0

0

1

Qua chronische klachten was onder 13 klachtengroepen het aandeel met allergie (31 om 17%) het grootst binnen de EU27. Bij 2 klachten (kanker 3 om 2%; diabetes 7 om 6%) kwam men boven de Eu normaal; bij 2 andere (hypertensie 19%, staar 4%) kwam men daar precies op en bij 8 klachten bleef men onder het Eu gemiddelde (chronische angst/ depressie 3%, laagste Eu met Slovenië, EU 9%; beroerte 1 om 2%, maagzweer 3 om 4%, botontkalking 4 om 5%, bronchitis 4 om 5%, astma 6 om 7%, reuma/ artritis 19 om 22%, migraine 15 om 16%). Het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was in Oostenrijk relatief groot (40%; EU 32%). Het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag onder het Eu gemiddelde (19 om 25%); maar bij de 13 specifieke klachten scoorden de Oostenrijkers bij 9 ervan hoog tot erg hoog. Zo was het deel dat in behandeling was voor reuma/ artritis (39 om 24%) en diabetes (27 om 15%) het grootst binnen de Eu27 en ook bij allergie (14 om 6%), astma (14 om 9%), kanker (7 om 4%), staar (4 om 2%), bronchitis (6 om 4%), botontkalking (12 om 8%) en migraine/ hoofdpijn (6 om 5%) kwam men relatief hoog uit. Bij hoge bloeddruk (36%) en hersenbloeding (4%) kwam men op de EU normaal en bij maagzweer (2 om 3%), chronische angst/ depressie (10 om 6%) en overige klachten (7%, laagste EU, EU  24%) bleef men daaronder. Het aandeel vrouwen in de menopauze dat weet had van hormonentherapie lag met 44% iets boven de EU normaal (39%; bron Eurobarometer 272e wave 66.2) en het deel van de vrouwen van 50+ dat er gebruik van maakte lag daar iets onder (5 om 6%).

De volgende tabel toont hoe men in Oostenrijk in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn scoorde in vergelijking met Nederland, België en de EU25 (Bron EB 248 wave 64.4; veldwerk van begin 2006). De scores lagen bij Oostenrijkers op gelukkig en compleet in de put na iets boven het EU gemiddelde.

Item in %

Oostr

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

60

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

66

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

66

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

65

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

76

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

78

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

56

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

38

36

43

34

Nooit/ zelden moe

38

36

43

34

De invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) is in Oostenrijk iets onder gemiddeld naar Eu maatstaven (minder presteren dan men wilde 16 om 18%, slordiger dingen doen 11 om 14%, minder tijd in dingen steken 11 in 12%), maar het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist lag daar wat boven (7 om 6%). De groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten vaak beperkten was relatief klein (3 om 8%), Begin 2006 was het volksdeel onder behandeling voor een psychisch of emotioneel probleem naar EU maatstaven vrij groot (medicijnen 10%, EU 7%; NL en BE 8%; psychotherapie 3%, EU 3%, NL 7%, BE 4%; opnames 2%, EU en NL 1%; BE 5%, hoogste EU) evenals het deel dat bij psychische nood professionele hulp zou gaan zoeken (58%, NL 38%, EU 50%, BE 51%) of ermee bij vrienden (29%; NL 37%, BE 33%, EU 22%) of een geestelijke (4%; EU, BE en NL 2%) zouden aankloppen. Familie werd met dit doel ook in Oostenrijk het vaakst gekozen, maar toch was het aandeel aan de kleine kant (50%; BE 54%, EU 53%, NL 49%). Het deel dat in het jaar voor de vraagstelling daadwerkelijk beroepshulp had gezocht lag qua grootte iets boven de EU normaal (15%, BE 12%, NL 17%, EU 13%; huisarts 12%, EU 9%; apotheek 1 om 2%, psycholoog 1 om 2%; psychiater 1 om 2%, psychotherapeut 1 om 1%, andere hulpverlener 1 om 2%). Veel Oostenrijkers die hulp hadden gezocht vonden het moeilijk om aan de juiste informatie te komen (35%, EU 29%). Chronische angst en depressie werd begin 2006 naar EU maatstaven erg weinig gemeld (3 om 9%). De tabel hierna toont hoe toen in Oostenrijk de kijk op psychische problemen veelal minder negatief was dan gemiddeld in de EU.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

Oostr

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

39

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

29

25

32

37

worden nooit weer beter

21

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

12

6

10

13

Bekende Oostenrijkers en geestelijk welzijn

Angst voor onbekende risico’s die gepaard gaat met kleinburgerlijke braafheid, het tot taboeonderwerp maken van controversiële zaken, een afkeer van het uiten van sterke emoties en doormalen in de eigen fantasie is geen onbekend verschijnsel in Oostenrijk. Oostenrijk is ook een erg masculien (macho) land, zodat men de manvrouw polariteit en seks hoog in het vaandel voert. Begin 20e eeuw vormde deze combi een voedingsbodem voor de psychoanalyse met Sigmund Freud (die het begrip onbewuste lanceerde in de westerse wereld) en zijn leerling Alfred Adler als exponenten. De combi werkt hypocrisie, vooroordelen en rare fantasieën in de hand en moedigt aan om zich in zichzelf te keren en/ of zondebokken te zoeken. Zo bracht Oostenrijk, geholpen door tijdgeest en politieke ontwikkelingen, de grootste massamoordenaar aller tijden Adolf Hitler voort.

Eén en ander mondde recentelijk uit in enkele excessen die mogelijk het topje van een ijsberg vormen. In augustus 2006 ontsnapte Natascha Kampusch die op haar 10e ontvoerd was door communicatie technicus Wolfgang Priklopil. Hij hield haar 8 jaar in zijn kelder opgesloten en gebruikte haar o.m als seksslavin. Na haar ontsnapping gooide hij zich voor de trein. In 2008 kwam de affaire Fritzl aan het licht. Josef Fritzl was al in 1967 veroordeeld voor een verkrachting. Hij sloot zijn dochter Elsbeth, die hij vanaf haar 11e misbruikte, op haar 18e (in 1984) op in een kelder in zijn huis en verwekte onder dwang 8 kinderen bij haar (waaronder één miskraam). Nogal wat Oostenrijkers die in het buitenland wonen generen zich dusdanig voor dit soort achtergronden dat ze het bezwaarlijk vinden voor hun landsaard uit te komen. Ook heeft e.e.a bijgedragen aan het veelvuldig lauweren van Oostenrijk hatende literatoren van eigen bodem als Thomas Bernhard en hysterica en Nobelprijswinnares Elfride Jelinek. De in de NewAge wereld omarmde Duitse psychotherapeut Bert Hellinger (geb. 1925), die vergevingsgezindheid m.b.t wandaden van volk en familie benadrukt en sterk is beïnvloed door de Oostenrijkse psychotherapeut Jakob Levy Moreno, vindt in het land dan ook een braakliggende akker Gods. De Oostenrijkse kinderarts Hans Asperger (1906-1980) verwierf meer recentelijk naamsbekendheid via het naar hem genoemde syndroom dat op autisme lijkt.

Levensstijl

Velen in Oostenrijk zien (biologische) groente uit eigen tuin en schone lucht als automati­sche garantie voor gezondheid, maar deze vormen geen bescherming tegen verkeerde gewoonten. Uit de tabel hierna valt op te maken welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Oostenrijk, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3). Bij roken, alcohol drinken, ongezond eten, overgewicht en werkstress scoorde men relatief hoog.

Item in %

Oostr

NL

BE

EU25

Rokers

39

24

27

30

Overgewicht

24

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

19

28

29

24

Ongezond eten

23

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

15

7

8

7

Lawaaierige omgeving

8

5

10

8

Vervuilde omgeving

5

8

7

6

Werkstress

24

16

22

17

Relatiestress

8

7

11

10

Geen van deze problemen

27

31

24

32

In 2005 lag het volksdeel met ernstig overgewicht onder en het deel met ernstig ondergewicht op de EU normaal (respectievelijk 8 om 11% en 3%, bron Eurlife indicator). In 2004 was het volksdeel dat nooit sportte vrij klein naar EU maatstaf (34 om 40%) en eind 2005 waren velen op allerlei andere wijzen dagelijks matig fysiek actief (op 7 dagen p/w 43 om 18%). Rond 2000 was het gedeelte dagelijkse rokers van sigaretten onder 15plussers met 36% het hoogste binnen de Eu (EU 31%, Eurostat). In tegenstelling tot de trend in de Eu steeg het aandeel na 1995. Andere tabaksrokers meegerekend kwam men in 2008 echter op 26% (EU27 26%, NL en BE 24%; bron Flash EB 253). Men kent een rookverbod in kantoren en het openbaar vervoer. Op de werkvloer mag worden gerookt als niemand bezwaar heeft. In de horeca geldt sinds begin 2009 een verplichting tot het beschikken over rookvrije ruimte, maar bij kleine gelegenheden (kleiner dan 80 m²) wordt dit aan de eigenaar overgelaten.

In de maand voorafgaand aan de vraagstelling had in 2004 qua toegegeven cannabis gebruik landelijk 4% van alle volwassenen, 7% van de 15-35 jarigen en 8% van de 15-25 jarigen geblowd (spreiding alle volwassenen binnen EU25: 1% in Zweden tot 8% in Spanje). Hierbij scoorden 7 van 24 EU landen hoger. Rond begin oktober 2006 lag het contingent voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privé-gebruik iets boven het Eu gemiddelde (28%, EU 26%, NL 49%). In mei 2008 lag het daar onder 15-25 jarigen echter onder (voor gereglementeerd vrijgeven 25%, EU 31%, NL 52%, Flash EB 233). Het deel dat dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen was aan de kleine kant (47%: EU 63%, NL 71%) en het deel dat het risico van cannabisgebruik groot vond lag rond de EU27 normaal (39 om 40%: NL 26%, BE 32%). Een gemiddeld aandeel Oostenrijkse jongeren vond tabak (27%, EU28%: NL 20%, BE 24%) en een vrij groot deel alcohol (28%; EU 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant. Onder de leeftijdsgroep lag het gedeelte voorstanders van een verbod op cannabis (73%) boven de Eu normaal (67%). Het deel voor een verbod op tabak lag daar onder (9%, Eu 18%, NL 9%) evenals het gedeelte voorstanders van een alcoholverbod (6 om 9%; NL 0,5%; BE 0%). In de groep achtte 7% het vrijgeven van drugs effectief beleid (EU 13%, NL 21%).

Officieel lag in 2003 de alcoholconsumptie ge­middeld op 11,1 liter per hoofd (NL 9,7 liter; OESO landen 9,5 liter rond 05). Tussen 1980 en 2003 zake deze consumptie met 20% (OESO 15%). Eind 2006 lag het aandeel geheelonthouders vrijwel op de Eu25 normaal (24%, EU25 25%; BE 21%, NL 10%). De mate van alcoholconsumptie is in Oostenrijk naar EU maatstaven tamelijk prijsafhankelijk. Het aandeel uitgesproken voorstanders van een verbod op alcoholverkoop onder de 18 en van een volledig alcoholverbod voor automobilisten is in Oostenrijk relatief klein. De tabel die nu komt geeft een indruk van de mate waarin najaar 2006 in Oostenrijk en in NL, België en de EU 15plussers die dronken relatief veel alcohol innamen (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

Oostr

NL

BE

EU25

Dagelijks

7

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

7

12

13

7

Eens p/w 5 of meer glazen

20

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

24

8

9

13

Hierbij valt op hoe het antwoord op de vraag naar 5 of meer glazen in Oostenrijk en in de EU als geheel nogal afhangt van de context waarin hij wordt gesteld. Het aandeel dat vaker per week 5 of meer glazen dronk was het grootst binnen de Eu. In Oostenrijk was het volksdeel dat preventie van alcoholschade een overheidstaak vond ook relatief groot (53%, EU 44%, NL 39%, BE 54%) en het deel dat het eigen verantwoordelijkheid vond was navenant klein (39 om 52 om 56% om 45%).

Eetgedrag

Biologische voeding en reformwinkels zijn in Oostenrijk erg populair. Tegelijkertijd zijn (cholesterolrijk), orgaanvlees, varkensvlees en reuzel (de Oostenrijkers horen bij de grootste vlees en veteters ter wereld), grote pullen bier, doorgekookte groenten en slag­room en veel roken (in combinatie met een behoudende cultuur) dermate toonaangevend dat ze sommige hoge sterftecijfers veroorzaken. Eind 2005 vonden relatief weinig Oostenrijkers dat ze gezond tot erg gezond aten (73%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%). In Oostenrijk associeerden naar verhouding velen een gezond dieet met minder suiker (39%, EU 28%), vet (52 om 45%), vlees (25 om 16%) en calorieën (33 om 22%); meer koolhydraten (11 om 8%), vis (28 om 25%) fruit en groente (62 om 58%) en met biologisch eten (13 om 8%). Een gevarieerd uitgebalanceerd dieet werd, net als bijna overal, het vaakst gekozen maar scoorde relatief laag (51 om 59%). Het deel dat er geen moeite mee had zich aan een gezond dieet te houden lag iets onder de EU25 normaal (61%, EU 66%, NL hoogste EU met 79%, BE 70%). M.n informatiegebrek over wat gezond is (26%, hoogste EU, EU 12%), maar ook tijdgebrek (41 om 31%), gezond is niet lekker (26 om 23%) en tegenstrijdige en verwarrende informatie over wat gezond is (25 om 15%) werden relatief vaak aangevoerd als reden en geen controle over het dieet (bijv vanwege kantines 17 om 27%) als enige niet zo vaak (26 om 27%).

Het deel dat in het jaar vooraf op dieet was geweest (17 om 20%) of eetgewoonten had veranderd (16 om 22%) lag iets onder de EU normaal. Daarbij scoorde minder calorieën het hoogst binnen de EU (55 om 38%) en ook meer water (48 om 43%), minder alcohol (26 om 21%) en minder vlees (26 om 20%) kwamen boven het Eu gemiddelde. Minder vet (50 om 53%), zout (24 om 27%) of suiker (37 om 39%) bleven daar iets onder. Naar verhouding velen in Oostenrijk gingen op dieet om af te vallen (55%, hoogste EU, EU 32%) en relatief weinigen vanwege een gezondheidsprobleem (10%, EU 18%).

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen (84 om 85%), dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt dan 5 jaar eerder (75 om 82%) of dat vond dat men meer dikke kinderen ziet (75 om 84%) iets onder de EU normaal. M.b.t de schuldvraag omtrent het laatste werden ouders het vaakst, maar relatief weinig, gezien als meest bepalend voor wat kinderen eten (63, EU 71%) en naar verhouding velen zagen vriendjes (13 om 5%) en wat kinderen op school leren (7 om 3%) als meest bepalend. Qua tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kon meer informatie voor ouders op relatief weinig en meer voedingsonderwijs op school, waarschuwingen voor kinderen bij TV reclame voor ongezond eten tijdens kinderprogramma’s en op kinderen gerichte promo voor beter eten op relatief veel steun rekenen (bron: Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).