Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Tussen de beide wereldoorlogen had Tsjecho-Slowakije een zorgstelsel waarbij de soci­ale en preventieve zorg in handen waren van de overheid. Voor de 1e en 2e lijnszorg be­stonden verplichte verzekeringen hoewel grote delen van de bevolking daarvan waren uitgesloten. Artsen werden vaak rechtstreeks betaald en wie arm was had minder overle­vingskans. In de communistische periode kende men een staatsgezondheidszorg die betaald werd uit belastinggeld en vanuit de centrale overheid werd gepland. Dit hield in dat de zorg voor iedereen gratis en van vergelijkbare kwaliteit was. De kwaliteit werd afgemeten aan de aantallen afgestudeerde specialisten, verpleegkundigen en zie­kenhuisbedden. Dit werkte overcapaciteit, onderwaardering van de 1e lijnszorg en een passieve afhankelijke opstelling van patiënten in de hand. Er waren kleine, middelgrote en grote ziekenhuizen. Ziekenhuizen namen met de grootte toe in voorzieningen. Zo werden alleen aan grote ziekenhuizen artsen, specialis­ten en verpleegkundigen op­geleid.

Volgens http://www.euro.who.int/Document/E85396sum.pdf werd nadat Slowakije in 1993 zelfstandig werd, stapsgewijs toegewerkt naar de­centralisatie en privatisering van de zorg (private naast publieke voorzieningen) en het sociale verzekeringsstelsel werd in ere hersteld (5 zorgverzekeraars in 2005). De huisartsen, farmaceutische sector en bronnenbaden werden geprivatiseerd. Na 1997 kwam nadruk te liggen op beheersing van de kosten, maar dat had weinig succes. Door een krachteloos beleid van com­promissen kregen hervormingen maar moeilijk hun beslag. Sinds 2002 hebben regio en gemeenten een flinke vinger in de pap in de 2e lijnvoorzieningen (ziekenhuizen poliklinieken). Deze kregen ook meer autonomie, maar mochten niet op winstbasis gaan werken. De 3e lijnvoorzieningen bleven in staatshanden. Artsen, tandartsen, verpleegkundigen en apothekers werden verplicht lid van een beroepskamer. Deze zag voor de beroepsgroep toe op de kwaliteit van zowel publieke als private voorzieningen. Het ministerie van gezondheid is de centrale beleidsmaker en regelaar van het stelsel. Het werkt nauw samen met het ministerie van financiën. In november 2005 traden 6 hervormingswetten op de zorg in werking. Ze behelzen een reorganisatie van de financiering (grotere rol van private fondsen), het beheer en de zorgfaciliteiten. Overheidsvoorzieningen worden onder toezicht van een kantoor voor zorgsupervisie geleidelijk aan geprivatiseerd en mogen op winstbasis gaan werken. De rol van eigen bijdragen wordt groter. In dat jaar was bijna driekwart van de bevolking tegen deze hervorming (het aandeel tegenstanders van 4 andere grote hervormingen liep uiteen van 23 naar 42%).

Beoordeling van de zorg

De Slowaken gaven in 2003 het eigen zorgstelsel veruit de slechtste beoordeling binnen de hele EU25 (3,7 op een schaal van 1-10), maar in 2007 kreeg het stelsel een 5,8 als cijfer (nieuwe lidstaten 5,3: EU15 6,4) en de zorgvoorzieningen voor ouderen kregen toen een 5,4 ( EU12: 5, EU15: 5,7; EQLS 2007). Eind 2006 rekende 39% van de Slowaken (Eu 26%) het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes. Toen rangschikte 10% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 4% zorg voor gehandicapten daaronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Destijds rekende voor de komende generatie 18% (EU 17%) gezondheidszorg, 9% (EU 10%) ouderenzorg en 3% (EU 2%) gehandicapten zorg tot deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Ook voorjaar 2009 was het volksdeel dat de gezondheidszorg voor zichzelf tot de top2 van zorgenkindjes rekende naar EU27 maatstaf nog tamelijk groot (21%, -1% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special Eurobarometer 308, wave 71.1). Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de eigen omgeving lag toen flink onder de EU27 normaal (49%, bij 3 laagste EU, EU 72%) en het was flink gezakt t.o.v. najaar 08 (-16 om -5%).

In de tabel hierna staan de uitslagen voor Slowaken (SK), de EU27 en Nederlanders van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special EB 283 wave 67.3). Daarbij was het aandeel Slowaken dat tevreden was over de kwaliteit naar Eu maatstaf redelijk. De tevredenheid over beschikbaarheid/ bereikbaarheid liet te wensen over bij de huisarts en bij thuiszorg en verpleeghuizen. Ook werden thuiszorg en verpleeghuis relatief vaak te duur gevonden.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

SK

EU

NL

SK

EU

NL

SK

EU

NL

Huisarts

81

84

89

83

88

92

14

11

6

Tandarts

79

74

92

82

74

89

34

51

28

Specialist

78

74

83

69

62

66

24

35

21

Thuiszorg

45

42

49

32

41

39

47

32

16

Ziekenhuis

62

71

87

78

76

80

13

21

19

Verpleeghuis

39

41

46

22

39

36

52

42

14

Toch was het volksdeel onder de laagste inkomens (laagste 20%) bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs relatief klein (arts 1,2%, EU27 4,5% in 08; 0,2% in 08; tandarts 1,9 om 7,4%; Eurostat, health, indicators from SILC survey). Dit brengt ons op de betaling en betaalbaarheid in de zorg.

Het financiële plaatje

Het basisuitgangspunt over de gezondheid in de Slowaakse grondwet is bereikbare zorg voor iedereen. Voor kinderen, studenten, werklozen, gepensioneerden en gehandicapten was voor 2005 de gezondheidszorg gratis; maar voor zelfstandigen, werk­gevers en veelverdieners was ze extra duur. Huisartsenbezoeken, ziekenhuisopnames, de tandarts, de goed­koopste medi­cijnen, medische hulpmiddelen, zwangerschapszorg, beroepsziektes en ongevallen en sommige vervoerskosten werden gedekt door collectieve verzekering en medi­cijnen die niet het goedkoopst waren, sterilisatie, acupunctuur, vrijwillige abortus zon­der medische indicatie en psychotherapie werden gedeeltelijk vergoed. In 2005 werd  mede een nieuwe financiering ingevoerd. Men kon in dat jaar kiezen uit een 5tal zorgverzekeringen zonder winstoogmerk. De overheid stelt de budgetten vast van de 2 grootste wettelijke verzekeraars. De huisartsen in de 1e lijszorg hebben veelal privépraktijken terwijl bijna alle specialisten en paramedici in loondienst zijn.

Het is geen wonder dat Slowaakse artsen onder­handse bijdragen vragen. Ze verdienen zo slecht dat voor 2005 sommigen van hen naar Amerika vertrokken omdat ze daar als schoonmaker beter konden verdienen.

Tussen 2005 en 2007 lagen de Slowaakse zorguitgaven (€5,6 miljard en €1052 per hoofd p/j naar koopkracht) op 7% van het BBP. De Slowaakse zorg werd in 2006 voor 70% betaald door de overheid (4 na laagste aandeel van 22 EU landen, sociale verzekeringsfondsen 64%; belastinggeld 6%) en voor de rest (30%, 5 na hoogste 22 Eu landen) uit private bronnen; m.n. eigen bijdragen (26,6%; stichtingen voor huishoudens 0,8%, andere rechtspersonen 2,6%). In dat jaar werd volgens Eurostat veel van de zorguitgaven besteed aan medicijnen en hulpmiddelen (39,1%: hoogste 19 EU landen), overige zaken (arbeidszorg, mantelzorg 3,1%; 3e van 19) en volksgezondheid (1,9%: 5e van 19), een gemiddeld deel aan administratie/ verzekering (4,1%: 8e van 19) en ambulante zorg (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, lab etc. 24,7%; 11e van 19) en een klein deel aan ziekenhuizen (27%: laagste van 19) en verpleeghuizen (0%: laagste van 19). Naar functie ging veel naar medicijnen/ hulpmiddelen voor ambulante patiënten (39,1% in 06; hoogste van 20), aanvullende diensten (lab, transport; 7,3%; 3e van 20) en preventie en volksgezondheid  (4,5% in 06; 3e van 22) een gemiddeld deel naar administratie en verzekeringen (4,1%) en weinig naar helende zorg (44%: laagste van 16), revalidatie (0,6%: 14e van 16) en chronische zorg (0,4% in 2006; 19e van 20).

Het deel van het huishoudbudget dat men in Slowakije besteedt aan gezondheid lag in 2005 iets onder de EU27 normaal (3,1%; EU 3,5%; NL 1,3%, BE 4,7%; Eurostat). In 2008 lagen de huishouduitgaven per bewoner gemiddeld 25% hoger dan in 2005 (EU27 +1,6%), maar die voor gezondheid waren ze 40% gestegen. Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders groot naar Eu maatstaf (26 om 19%, NL 26%, BE 36%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben was het deel dat inschatte dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden ook groot (59%, EU 48%, NL 35%, BE 70%) en het deel dat dacht dat partner, familie of naasten ervoor op zou draaien erg groot (71%, EU 39%, NL 9%, BE 44%). Het segment dat dacht dat de privé verzekering het zou dekken was iets boven gemiddeld (19%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) en het deel dat dacht dat overheid of sociale zekerheid de kosten zouden dekken klein (23%, EU27 32%, NL 51%, BE 34%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

In de 1e lijszorg functioneert de huisarts in Slowakije formeel als poortwachter Naast huisartsen verlenen kinderartsen, gynaecologen en tandartsen 1e lijnszorg. Deze groepen vertegenwoordigden in 2002 slechts 38% van de praktiserende artsen. Mensen kunnen bijv. zonder doorverwij­zing terecht bij oogartsen of bij specialisten waarbij het gênant gevonden kan worden dat men er gebruik van moet maken (psychiaters, genetici, der­matologen ed.). Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j lag in 2006 met 12,5 ver boven het gemiddelde van de EU landen (EU20: 6,5: EU27 6,8). Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging behoorde eind 2006 bij de EU25 top3 (82 om 62%; Eurobarometer 272e/ wave 66.2; najaar 2009: 73 om 57%, EB 330, wave 72,3). Op de DMFT index lag men in 2003 met 2,8 kinderkies of tand waar wat mee is nog wel flink boven op de EU normaal. Najaar 2009 was het volksdeel dat het hele natuurlijke gebit nog had relatief klein (29%, EU 41%), maar het segment met kunstelementen in het gebit lag ook iets onder de Eu normaal (27 om 31%). De uitgaven voor medicijnen zijn hoog naar EU maatstaf. Tussen 2000 en 2005 ging de consumptie van antidiabetica van 10 naar 37 DDD (dagelijkse doses) per 1000 inwoners (OESO landen van 33 naar 47), die van antidepressiva van 9 naar 18 (OESO van 33 naar 47) en die van antibiotica van 26 naar 25 (OESO rond 21). In 2008 scoorde men met kindervaccinaties ruim boven de WHO norm. Eind 2006 ondergingen veel 15plussers (m.n. onder vrouwen) poliklinisch onderzoek. Bij onderzoek van hart (36%, EU27 27%) en bloeddruk (68 om 59%); van borsten (doorlichten 36 om 31%, handmatig 55 om 43%) en eierstokken (46 om 30%) en bij overig gynaecologisch onderzoek (48%, hoogste EU: EU 32%) scoorde men hoog net als bij onderzoek naar osteoporose (20 om 14%). Onderzoek naar prostaatkanker (PSA test: 7 om 13%), darmkanker (6 om 8%) of andere kanker (8 om 12%) of een gehoortest (17 om 26%) lieten relatief weinigen doen.

Qua zorgpersoneel lag in 2006 per 10.000 inwoners naar EU maatstaven het aantal praktiserende artsen (32 om 31) op en het aantal apothekers (6 om 7,1), tandartsen (4,5 om 6/10.000) en verpleegkundigen (67 om 74/10.000) onder het EU27 gemiddelde. De 2e lijnszorg vond in 2008 plaats in ziekenhuizen (algemeen 60% van de bedden, gespecialiseerd 13%), kuuroorden (21%) en andere behandelingsinstituten (4%). Kuuroorden vormen de belangrijkste alternatieve voorziening en staan in hoog aanzien.  Verder was het aandeel curatieve (73%, EU 68,5%), psychiatrische (12 om 10%) en andere chronische zorgbedden (12 om 8%) relatief groot. Qua technologische uitrusting scoorde men in 2006 per 100.000 inwoners heel behoorlijk (1,1 CT scan; 7e van 20 EU landen; MRI 0,4; 10e van 16; radiotherapie uitrusting 1, hoogste van 14 landen; Eurostat). Het aantal ziekenhuis bedden per 100.000 inwoners is nog groot naar EU maatstaf, maar zakte iets sneller dan gemiddeld in de EU (675 in 2007; -17% t.o.v. 1997: EU27 590 in 05; -15%). De dichtheid aan bedden voor spoedopnames is erg hoog naar EU maatstaf (619 om 410). Het aandeel ziekenhuisopnames (20% van de bevolking) lag in 2006 boven het EU gemiddelde (17,5%). De verblijfsduur in het ziekenhuis is na 2000 flink gezakt en was in 07 relatief kort (8,2 dag; EU 9 d).

In 2003 telde men in de sociale zorg 173 leveranciers van thuiszorg. De hervormingen van 2004 maken een eigen praktijk voor (wijk)verpleegkundigen en vroedvrouwen mogelijk. De tevredenheid over de kwaliteit van thuiszorg en verpleeghuizen lag in 2007 rond de EU normaal, maar de tevredenheid over beschikbaarheid en vooral kosten was duidelijk minder wijdverbreid en week in negatieve zin flink af van de EU standaard. Qua chronische zorg zakte tussen 1997 en 07 het aantal bedden, maar het bleef flink boven de Eu normaal. De psychiatrie ging van 9,3 naar 8,2 bedden per 10.000 inwoners (-12%; EU27 6/10.000 in 07, -24%; Eurostat) en andere chronische zorginstellingen van 10,2 naar 8,1 (EU 4,8 in 05). Op deze website staat bij Slowakije onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Slowaken, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007gedaan veldwerk). Daarbij scoorden thuis door familie of bij familie thuis relatief hoog en een professionele hulpdienst en thuishulp naar verhouding laag. Verder viel, behalve bij zorginstelling, het grote verschil tussen verwacht en gewenst op.

Vorm van steun of hulp

SK

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

68

50

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

10

18

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

7

10

13

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

4

7

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

7

7

16

8

16

11

9

8

Weet niet

4

5

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting was in 2008 in Slowakije met 74,9j laag naar Eu15 maatstaf (80,6j), maar redelijk naar de maatstaf van de nieuwe Eu landen. Net als in andere voormalige Oostbloklanden is het verschil tussen mannen en vrouwen relatief groot (8,2 jaar; EU27 6,2j). Bij mannen lag de verwachting op 70,8j (6 na laagste EU: EU27 76j) en de stijging was hier niet al te groot (+2j na 1997; Eurolanden +3j). De vrouwen weken minder af van de EU normaal 79j, EU27 82,2j) en bij hen ging de verwachting met 2,1 jaar omhoog (Eurolanden 2,2j). In 2007 was de gezonde levensverwachting voor 65 jarigen naar verhouding laag (m 4,1j. EU 8,7j; v 4,1j; EU 8,9j). De sterfte per 10.000 inwoners lag in 07 flink boven de EU27 standaard (91,7 om 62,5; Eurostat), maar ze was de 3 na laagste van de 9 voormalige Oostbloklanden in de Eu. De daling na 2000 was relatief gering (-8/10.000; EU27 -14). Naar belangrijkste doodsoorzaken is de sterfte aan infarcten, net als in de andere voormalige Oostbloklanden, erg hoog (49, EU27 23) en ze is na 2000 weinig gezakt (10 om 23%). De sterfte aan een hartinfarct was de 2 na hoogste in de EU en zakte ook weinig (26,9; -9%; EU 8,7; -26%) evenals de sterfte aan een herseninfarct. Deze zakte niet (8,7: -0%; EU 5,6; -39%) en in 2008 stegen deze beide sterftecijfers zelfs weer een beetje. De sterfte aan tumoren is hoog (20,6 om 17,7), maar daalde wel relatief sterk (10 om 7%: longen/ luchtwegen 3,9; -20%, EU 3,9, -5%; borst 1,4; -12%, EU 1,3, -13%; dikke darm 1,4; -13%, EU 0,6; -10%; keel/ mond 1,2; +3%, EU 0,5; -6%; prostaat 0,8, -18%, Eu 0,8; -8%). Ook de sterfte aan het ademhaling of spijsverteringsstelsel (beide rond 5/10.000) of door ongelukken (3,6/10.000) ligt wat boven de Eu normaal en daalde relatief weinig.

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Slowakije, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (Eurobarometer 272e wave 66.2).

Gezondheid

SK

NL

BE

EU25

Goed

68

82

81

73

Redelijk

24

14

14

20

Slecht

8

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

31

26

23

29

Nee

68

74

77

70

Weet niet

1

0

0

1

Voorjaar 09 lag het deel dat tevreden was over de eigen gezondheid verder onder de EU normaal (69 om 81%; ontevreden 30 om 19%; Special EB 308). Het volksdeel met een chronische kwaal (31%) lag eind 2006 rond de EU standaard. Onder 13 klachten groepen was het aandeel bij 4 groepen relatief groot onder Slowaken (bronchitis 9%, EU27 5%; botontkalking 8 om 5%, hypertensie/ hoge bloeddruk 21 om 19%; migraine 19 om 16%) en bij 4 groepen naar verhouding klein (kanker 1 om 2%, staar 3 om 4%, astma 4 om 7%, angst en depressie 6 om 9%). Bij de overige 5 groepen kwam men uit rond de Eu normaal. Het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was in Slowakije aan de grote kant (35%; EU 30%). Het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag op het Eu gemiddelde (25%). Bij de 13 specifieke klachten scoorden de Slowaken bij 5 echter in de top5 van de Eu 27 (allergie 14 om 6%; botontkalking 16 om 8%; hoge bloeddruk 52 om 36%, reuma/ artritis 36 om 24%, migraine/ hoofdpijn 8 om 5%) en ook bij een maagzweer zat men hoog (6 om 3%). Bij astma (7 om 9%) en chronische angst/ depressie (8 om 10%) bleef men iets onder de Eu standaard. Vrij veel vrouwen van 50+ hadden weet van hormoonbehandeling bij overgangsklachten en er werd door hen relatief veel gebruik van gemaakt (10 om 6%: Eurobarometer 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Slowakije in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn scoorde in vergelijking met Nederland, België en de EU25 (Bron EB 248 wave 64.4; veldwerk van begin 2006). De scores lagen bij Slowaken bij positieve emoties veelal boven de EU normaal en bij de negatieve was het beeld gemiddeld.

Item in %

SK

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

61

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

72

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

68

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

63

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

78

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

75

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

53

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

32

36

43

34

Nooit/ zelden moe

32

36

43

34

De invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) was begin 06 in Slowakije groot naar Eu maatstaf (soms, vaak of steeds minder presteren dan men wilde 28 om 18%, slordiger dingen doen 20 om 14%, minder tijd in dingen steken 17 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4) en het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist lag iets boven de EU standaard (7 om 6%). De groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten was ook boven gemiddeld (24 om 21%). Wanneer men emotioneel klem zou komen te zitten, zou men in Slowakije relatief vaak professionele hulp zoeken (60%, EU 50%, BE 51%, NL 38%) of steun zoeken bij familie (60%, EU 53%, BE 54%, BL 49%). Vrienden scoorde hier gemiddeld (22%, BE 33%, NL hoogste EU met 37%) en een geestelijke of hulplijn hoog (beide 5%; EU, BE en NL 2%). Begin 2006 was het volksdeel dat hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem naar EU maatstaf groot (18 om 13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 14%, EU 9%; apotheek 4 om 2%, psycholoog 1 om 2%; psychiater 1 om 2%, psychotherapeut 0 om 1%; andere hulpverlener 6%, hoogste EU, Eu 2%). De huisarts trok 77% van de hulpzoekers (EU 70%, NL 45%, BE 66%). De groep die om dit soort redenen medicijnen nam was aan de kleine kant (6 om 7%, NL en BE 8%), het deel dat psychotherapie kreeg was gemiddeld qua grootte (3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%) en het segment dat invulde dat het opgenomen was geweest lag op 1% (EU en NL ook 1%, BE hoogste EU met 5%). Onder degenen die hulp hadden gezocht was de groep die het moeilijk vond om aan info te komen het grootst binnen de EU (53 om 37%). Chronische angst en depressie werd begin 2006 naar EU maatstaf weinig gemeld (6 om 9%). De tabel hierna toont hoe in SK in vergelijking met NL, BE en de Eu de kijk op (mensen met) psychische problemen tamelijk negatief was.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

SK

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

70

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

41

25

32

37

worden nooit weer beter

22

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

14

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Slowakije, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3). De Slowaken scoren, behalve bij roken en alcohol drinken, overal boven gemiddeld en bij geen van de problemen onder gemiddeld. Bij ongezond eten, weinig bewegen en werkstress viel men onder de EU top5.

Item in %

SK

NL

BE

EU25

Rokers

28

24

27

30

Overgewicht

23

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

41

28

29

24

Ongezond eten

33

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

7

7

8

7

Lawaaierige omgeving

12

5

10

8

Vervuilde omgeving

8

8

7

6

Werkstress

24

16

22

17

Relatiestress

13

7

11

10

Geen van deze problemen

21

31

24

32

In 2005 lag het volksdeel met ernstig overgewicht of ondergewicht op de EU normaal (respectievelijk 11% en 3%, bron Eurlife indicator). In 2004 was het volksdeel dat nooit sportte klein naar EU maatstaf en eind 2005 waren velen op allerlei andere wijzen dagelijks fysiek actief (zie onder sport op deze website). Rond 2000 was het gedeelte dagelijkse rokers van sigaretten onder 15plussers met 19% relatief klein (EU 31%, Eurostat). Andere tabaksrokers meegerekend kwam men in 2008 echter op 25% (EU27 26%, NL en BE 24%; bron Flash EB 253). Sinds augustus 2007 kent men een rookverbod in openbare gebouwen en het openbaar vervoer. Restaurants moeten sinds 2009 minstens de helft van hun ruimte rookvrij houden en scheiden van de rookruimte. In cafés was voorjaar 2010 het roken nog vrij. De minimum leeftijd om tabak te kopen is 18 j. Het toezicht op de regels is echter niet scherp. In 2004 lag het gebruik van cannabis in de maand voor de vraagstelling rond of iets onder de EU25 normaal (vanaf 15 j: 1,5%, 15-35j 3,5%, 15-35j 4%). Begin oktober 2006 was het contingent voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik naar verhouding klein (16%, EU 26%, NL hoogste Eu met 49%: Standard EB 66). In mei 2008 lag het bij 15-25 jarigen echter vrijwel op de EU standaard (voor gereglementeerd vrijgeven 30%, EU 31%, NL 52%, Flash EB 233). Het deel dat dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen was tamelijk groot (70%: EU 63%, NL 71%) en het deel dat het risico van cannabisgebruik erg groot achtte klein (29%, EU27 40%: NL 26%, BE 32%). Het gedeelte Slowaakse jongeren dat tabak (23%, EU28%: NL 20%, BE 24%) of alcohol (23%; EU 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant vond was ook aan de kleine kant. Onder de leeftijdsgroep was het gedeelte voorstanders van een verbod op cannabis gemiddeld (67%) en het segment voorstanders van een verbod op tabak (22%, Eu 18%, NL 9%) of alcohol (15 om 9%; NL 0,5%; BE 5%) groot. In de leeftijdsgroep achtte 12% het vrijgeven van drugs effectief beleid (EU 13%, NL 21%, BE 8%).

Officieel lag in 2003 de alcoholconsumptie p/j onder 15plussers volgens de WHO op 10,4 liter per hoofd (iets boven EU25 gemiddelde, NL 9,7 liter). De OESO kwam voor 2005 veel lager uit (7,6 liter: OESO 9,6 l). Eind 2006 lag het aandeel geheelonthouders op de Eu25 normaal (25%; BE 21%, NL 10%). Het volkdeel dat de gevolgen van alcoholgebruik eigen verantwoordelijkheid vindt was het grootst binnen de EU (75 om 52%; verantwoordelijkheid overheden 23 om 44%). De alcoholconsumptie is in Slowakije naar EU maatstaf niet zo prijsafhankelijk (als het te duur wordt maakt men het zelf wel). Ook het aandeel voorstanders van een verbod op alcoholreclame gericht op jongeren is het grootst binnen de Eu. Voor automobilisten geldt een grens van 0,0 promille. De tabel  hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Slowakije, NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

SK

NL

BE

EU25

Dagelijks

5

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

5

12

13

7

Eens p/w 5 of meer glazen

16

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

10

8

9

13

Hierbij valt op hoe het antwoord op de vraag naar 5 of meer glazen in Slowakije en in de EU als geheel nogal afhangt van de context waarin hij wordt gesteld.

Eetgedrag

De traditionele Slowaakse keuken is vet en calorierijk. Het bewustzijn van gezonde eetpatronen is echter sterk gegroeid en het is naar EU maatstaf wijdverbreid. Over het algemeen eten net als elders hoog opgeleiden ge­zonder en roken en drinken ze minder dan laag opgeleiden. Rond 2007 at men per hoofd naar EU maatstaf veel granen, peulvruchten en suikers en weinig vlees en aardappels. Van de consumptie van groente en fruit is niet precies hoogte te krijgen omdat velen verzamelen en er een eigen moestuin en/ of fruit­bomen op na houden. Eind 2005 vond een relatief klein deel van de Slowaken dat ze gezond tot erg gezond eten (73%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%) en in 2007 vonden naar verhouding velen dat ze ongezond eten (33%, EU 14%). Eind 2005 viel het volksdeel dat een gezond dieet associeerde met minder suiker (43%, EU 28%), vet (60 om 45%), zout (34 om 19%), vlees (25 om 16%; meer vlees 5 om 3%), calorieën (35 om 22%) en koolhydraten (16 om 7%) en meer vis (48 om 25%) en fruit en groente (78 om 58%) vaak onder de EU top, maar hetzelfde gold voor het deel dat er moeite mee had zich aan een gezond dieet te houden (52%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Opmerkelijk is bij dit alles dat gebrek aan info over wat gezond is (21 om 12%) en tegenstrijdige info daarover (29 om 15%) relatief vaak werden opgevoerd als excuus (beide bij top2 in de EU25). Hetzelfde gold naar EU maatstaf in mindere mate ook voor gebrek aan info over (19 om 16%) en controle over wat men eet (kantines etc. 32 om 27%) en gezond eten kost teveel tijd (38 om 31%). Gezond is niet lekker (21%) scoorde als enige iets onder het EU gemiddelde. Tamelijk veel Slowaken waren in het jaar vooraf op dieet was geweest (25%, EU 20%) of hadden eetgewoonten veranderd (23 om 21%). Qua verandering scoorde men bij minder zout (39 om 27%), meer water (50 om 43%, Slowaken drinken relatief veel bronwater) en meer fruit en groente (60 om 55%) duidelijk boven de EU normaal en voor het overige zat men daar vrijwel op. Relatief velen gingen op dieet vanwege ziekte (21%, EU 18%) of om gezond te blijven (39 om 30%) en relatief weinigen om af te vallen (25 om 34%).

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen (79 om 85%) en het deel dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt dan 5 jaar eerder (75 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (70 om 83%) iets onder de EU normaal. M.b.t. de schuldvraag omtrent het laatste zag 69% ouders (EU 71%), 21% reclame (EU 18%), 5% vriendjes (EU normaal) en 1% wat kinderen op school leren (EU 3%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren konden meer info voor ouders (39 om 34%), meer voedingsonderwijs op school (19% om 20%) en waarschuwingen voor kinderen bij TV reclame rond kinderprogramma’s voor snoepgoed, frisdrank, chips en patat en op kinderen gerichte promo voor beter eten (18 om 15%) op relatief veel steun rekenen en betere schoolmaaltijden (5 om 11%) op relatief weinig (bron: Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).