Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Volgens de WHO (http://www.euro.who.int/en/where-we-work Sweden, health care system) werden al in de 17e eeuw door de overheden in de stad en op het platteland artsen aangesteld om te voorzien in de medische zorg. In 1752 kreeg Zweden een eerste ziekenhuisje met 5 bedden. Honderd jaar later telde men er landelijk zo’n 50 met 3000 bedden. De publieke zorg was aanvankelijk in handen van het collegium medicum. In 1814 kreeg het een Zweedse naam en in 1879 werd het de koninklijke medische raad. De in 1862 ingestelde regioraden kregen geleidelijk de verantwoordelijkheid voor de zorg en in 1928 kregen ze de ziekenhuiszorg in handen. In de 30er jaren kwam daar zorg voor moeder en kind bij. Tussen 1940 en 1960 steeg het aandeel artsen verbonden aan een ziekenhuis van 35 naar 80%. In 1955 trad de eerste wet op de zorgverzekering in werking. In de 60er jaren namen de regioraden de zorg door plattelands huisartsen en de geestelijke gezondheidszorg over van de centrale overheid. In 1968 fuseerde de koninklijke medische raad met de dito welzijnsraad tot een nationale raad voor zorg en welzijn die nu nog de zorg superviseert en de overheid adviseert. In 1971 zijn de apotheken genationaliseerd. In 1970 werden de poliklinieken bij de regioraden ondergebracht. Voor patiënten werd het afrekenen makkelijker en artsen kwamen in loondienst bij de regioraad. Via de wet op gezondheid en medische diensten uit 1982 kregen de regio ook de preventieve zorg in handen. In 1985 en in 1994 kwamen de financiële afhandeling van publiek betaalde private zorg en de bevoegdheid om te beslissen over vestiging van privépraktijken in handen van de regioraden. In de 90er jaren gingen GGZ en ouderen en gehandicaptenzorg (±20% van het regiobudget) over naar gemeenten en in 1998 ging de afhandeling van recepten van rijk naar regio. In 2002 is de medicijnvergoeding raad LFN ingesteld om kosten in de hand te houden.

Op http://www.sweden.gov.se/sb/d/2061 staat info van het ministerie van zorg en welzijn (socialdepartement) dat veel beleidsterreinen bestrijkt. Naar organisatie zijn qua zorg wetgeving en beleidssupervisie in handen het ministerie. De semionafhankelijke nationale raad voor zorg en welzijn (socialstyrels) onderzoekt en evalueert het beleid, biedt toezicht en advies aan regioraden en gaat over volksgezondheid en erkenningen. De 18 regionale en de gemeentelijke raden (290 in 05) zijn verenigd in een landelijke federatie. Hierin zijn patiënten belangenverenigingen ook vertegenwoordigd. Onder de regioraden vallen 8 regio en 70 streekziekenhuizen en ruim 1000 gezondheidscentra. De gemeenten gaan over huisvesting en thuiszorg voor ouderen, gehandicapten en psychiatrische patiënten en over nazorg. Het private aandeel in de zorgvoorzieningen is klein (rond 10%), maar groeit wel. In het beleid ligt nadruk op het voorkomen van uitsluiting en het stimuleren van maatschappelijke deelname. Patiënten mogen zelf hun zorg kiezen en regio zijn verplicht om die na een beslissing binnen 90 dagen te leveren.

Beoordeling van de zorg

In 2006 werd in een onderzoek van het Zweedse Health consumer powerhouse, dat 27 indicatoren gebruikte, het Zweedse zorgstelsel gekozen als het op 3 na beste van de EU25 + Zwitserland (na Frankrijk, Nederland en Duitsland). Als pluspunten golden kwaliteit, vernieuwing, flexibiliteit en keuzevrijheid voor patiënten en als minpunten de toegang tot de 1e lijnszorg en soms lange wachttijden voor geplande operaties. Nazomer 2009 gaven de Zweden hun zorgstelsel een 6,9 (EU27 5,8) als cijfer. Toen vond 68% het goed (EU 42%) en 10% vond het slecht (EU 25%; Eurobarometer 321. wave 72.1, QA 57). Zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 6,1 (EU15: 5,7; EQLS 2007). Eind 06 rekende 30% van de Zweden (Eu 26%) het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes. Toen rangschikte (maar liefst) 35% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 2% zorg voor gehandicapten daaronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Destijds rekende voor de komende generatie 17% (EU normaal) gezondheidszorg, 14% (EU 10%) ouderenzorg en 1% (EU 2%) gehandicapten zorg tot deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 was het deel dat de gezondheidszorg voor zichzelf tot de top2 van zorgenkindjes rekende het grootst binnen de EU (31%, +3% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special EB 308, wave 71.1, QA5) en het segment dat het daartoe rekende voor het land was ook groot (25%, EU 12%). Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de eigen omgeving lag toen iets boven de EU normaal (75%, EU 72%; QA 20.5) en het was tegen de EU trend in t.o.v. najaar 08 gegroeid (+6 om -5%). In de tabel hierna staan de uitslagen voor Zweden, de EU en NL van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (special EB 283 wave 67.3). Met de betaalbaarheid zit het in Zweden, de tandarts uitgezonderd, wel goed. Qua beschikbaarheid viel de goede, maar dure tandarts onder de top en scoorden de andere voorzieningen onder de EU normaal (huisarts en specialist het laagst binnen de EU27). Naar kwaliteit doen vooral huisarts en thuiszorg het erg slecht (thuiszorg laagste EU15, huisarts slechtste EU27 na Portugal).

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

ZW

EU

NL

ZW

EU

NL

ZW

EU

NL

Huisarts

68

84

89

63

88

92

4

11

6

Tandarts

94

74

92

92

74

89

64

51

28

Specialist

71

74

83

36

62

66

7

35

21

Thuiszorg

35

42

49

28

41

39

9

32

16

Ziekenhuis

90

71

87

68

76

80

7

21

19

Verpleeghuis

37

41

46

23

39

31

12

42

14

Het volksdeel bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs was in 2008 bij de laagste inkomensgroep (onder 20% modaal) klein bij de arts (1,8%, Eu27 4,5%), maar groot bij de tandarts (11,7%; EU 7,4%; Eurostat, health, indicators from SILC survey). Wat het laatste betreft werd het beleidsdoel “voorkomen van uitsluiting” dus niet gehaald.

Het financiële plaatje

In 2008 lagen de Zweedse zorguitgaven van de overheid volgens Eurostat op 6,9% en in 2007 op 6,7% van het BBP (+3%, EU15 7%, +3%). Tussen 2000 en 2008 lag de doorsnee stijging vrijwel op het gemiddelde van de EU15 (+13 om +14%). In geld uitgedrukt gaf de overheid er in 2008 €23 miljard en in 2007 €22,6 miljard aan uit. In 2008 ging relatief veel naar ambulante diensten (43,5%, gedeeld 2e van 21 EU landen) en volksgezondheid (3%, gedeeld 5e van 22), een modaal deel naar medicijnen en hulpmiddelen (13%, 11e van 23) en relatief weinig naar ziekenhuizen (38%, 16e van 23). Naar administratieve indeling besteedde de centrale overheid 19% (EU15 30%) en de regio en lokale overheden gaven de rest uit (EU15 20%). De overheidsuitgaven per hoofd p/j waren in 2008 naar koopkracht 8 na hoogste onder 22 EU landen (OECD health data). Alle zorguitgaven kwamen toen op 9,4% van het BBP (7e van 22 EU landen) bij een overheidsaandeel van 82% (5e van 20 landen). Het deel van het huishoudbudget dat men in Zweden uitgeeft aan gezondheid lag in 2008 met 3,4% iets onder de EU normaal (3,7%). Naar koopkracht waren de uitgaven t.o.v. wel 2000 relatief sterk gestegen (47,5%, EU15 32,5%; Eurostat). In 2008 lag het private aandeel in de zorguitgaven op 15,6% (9e van 19 landen). Eigen bijdragen (EB) vallen daar ook onder. Volwassenen betalen een regio afhankelijke EB voor 1e lijnconsulten en medicijnen met een jaarlijks plafond. Ze dekken ongeveer 3% van de kosten. Private verzekering dekt nog maar een miniem deel daarvan, maar het volksdeel dat zich bijverzekerde steeg tussen 2004 en 2007 met 50% naar 3%. Ziekenhuizen mogen thans op winstbasis opereren en ook bedrijven bieden private verzekeringen aan.

Medio 2007 was het volksdeel dat voor zorg aan hulpbehoevende ouders had betaald of nog betaalde relatief klein (4%, EU27 7%, NL 7%, BE 17%) en het segment dat verwachtte daarvoor te moeten betalen naar verhouding groot (16%, Eu 12%, NL en BE 19%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben schatte 46% in dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden (EU 48%, NL 35%, BE 70%, QA 21). Het deel dat dacht dat partner, familie of naasten ervoor op zouden draaien was klein (14%, EU 39%, NL 9%, BE 44%). Relatief velen dachten dat de privé verzekering het zou dekken (24%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) en het deel dat verwachtte dat overheid of sociale zekerheid de kosten zouden dekken was ook groot (60%, NL 51%, BE 34%, EU 32%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

De 1e lijnszorg en preventie zorg (bevolkingsonderzoek, inentingen, campagnes etc.) geschieden in Zweden vanuit de ruim 1000 lokale gezondheidscentra (waarvan zo’n 30% privaat) door huisartsen, (wijk)verpleegkundigen, fysiotherapeuten, vroedvrouwen en gynaecologen. Er is een 24uurs hulplijn waarbij een verpleegkundige een voorlopige diagnose stelt en suggesties doet. Wijkverpleegkundigen mogen doorverwijzen en beperkt medicijnen voorschrijven. Individuele afspraken met de huisarts zijn regel. In sommige regio is de huisarts poortwachter en in andere niet. Patiënten kunnen overal direct naar een polikliniek gaan, maar dan is de wachttijd vaak langer en de eigen bijdrage hoger. Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j is klein naar EU27 maatstaf (2,8 om 6,8 in 2006). Velen gaan direct naar poli of specialist. Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging is relatief groot (najaar 2006: 76 om 62%, op doktersadvies 8 om 5%; najaar 2009: 71 om 57%, EB 330, wave 72,3). Op de DMFT index scoorde men in 2006 met 1 kinderkies/ tand waar wat mee is 6e onder 19 EU landen. Najaar 2009 was het volksdeel dat het hele natuurlijke gebit nog had ook groot naar EU maatstaf (55%, EU27 41%) en het segment met een geheel of gedeeltelijk kunstgebit lag flink onder de Eu normaal (10 om 31%).

Eind 2006 lag onder 15plussers in het jaar vooraf de deelname aan poliklinisch onderzoek bij de meeste van 15 nagevraagde kwalen onder het Eu gemiddelde (bron EB 272e, wave 66.2). Verder was bevolkingsonderzoek bij vrijwel alle kwalen vaker dan gemiddeld in de EU aanleiding. Eigen initiatief scoorde veelal iets onder gemiddeld en de huisarts als aanleiding bleef overal achter bij de EU normaal. Bij vrouwenkwalen lag de deelname bij 5 van 6 onder het EU gemiddelde (borstonderzoek: doorlichten 34 om 31%, handmatig 27 om 43%; eierstokken 14 om 30%, uitstrijkje 31 om 41%, overig gynaecologisch 27 om 32%, botontkalking 4%, laagste EU, EU 14%). Bij de andere kwalen week deelname aan darmkanker onderzoek het sterkst af van de EU normaal (3 om 8%; PSA test voor prostaatkanker 13 om 13%, andere kankeronderzoeken: 13 om 12%; andere onderzoeken: cholesterol 26 om 38%, hart 23 om 27%, doorlichten/ ultrageluid 32 om 38%, bloeddruk 55 om 59%, ogen 39 om 38%, gehoor 17 om 16%). Aan zorgpersoneel telde men per 10.000 inwoners veel praktiserende artsen (39, OESO landen 31 in 08), verpleegkundigen (108, OESO 96 in 06), fysiotherapeuten (12, 6e EU27), tandartsen (8,3; 3e van 20 EU landen in 06) en psychiaters (1,8, 5e van 17 landen) en een doorsnee aantal apothekers (7,3). Tussen 2000 en 2008 groeide p/j het aantal artsen met een praktijk met 2,5% (EU 1,5%) en het aantal verpleegkundigen met 1,5% (OESO +1,4%, bron OECD Health at a glance).

In 2007 telde men in de 2e lijnszorg 81 ziekenhuizen met 20.600 bedden. In de 2e lijn ligt nadruk op ambulante zorg. Qua technologische uitrusting is men gezien de hoge opsporing van kwalen bij bevolkingsonderzoek goed voorzien, maar exacte cijfers zijn moeilijk te achterhalen. Het aantal ziekenhuis bedden per 10.000 inwoners is klein naar EU maatstaf en zakte relatief sterk (26 in 2008; -27% t.o.v. 2000; statistisch jaarboek Zweden; EU15 53; -14%, Eurostat). Verder was het aandeel curatieve (80%, EU15 68,5%) en psychiatrische bedden (17 om 10%) groot. De verblijfsduur was in 2008 relatief kort (5.7 dagen. 22 EU landen 7,2d); 0,6 dag korter dan in 2000 (EU22 -1,1 dag). Bij een normale zwangerschap (2,3 om 3,2d) en een hartaanval (4,8 om 7,9d) was ze onder gemiddeld. Het aantal ziekenhuisopnames ligt ook iets onder de EU normaal (16,3% bevolkingsgrootte; EU27 17,5% in 2008; bloedsomloop kwalen zoals infarcten 2,6 om 2,4%; kanker 1,4 om 1,5%). Qua frequente behandelingen scoorde in 2008 kransslagader verwijding onder de EU normaal (19 om 27/10.000 inwoners), knie vervanging (11/10.000) lag daar vrijwel op en staar (79 om 76,5) en vervanging van een heup (20,7 om 15,3) kwamen daar iets boven. Het deel dat 5 jaar na de diagnose nog leefde lag bij baarmoederhalskanker op 66% (9 EU landen 62%) en bij borstkanker op 86,5% (hoogste van 9 landen, EU9 79,5%).

Qua sociale en langdurige zorg is in Zweden het beleid er op gericht hulpbehoevende bejaarden zolang mogelijk thuis te laten wonen. Tussen 2000 en 2008 steeg het aantal ontvangers van thuishulp onder 65plussers van 8 naar 10% (80plus: van 18 naar 22%) en het gedeelte in een beschermde woonvorm zakte van 8 naar 6% (80plus: van 20 naar 15%). In 2006 was rond 6,5% van de ziekenhuisopnames en 9% van de dagopnames vanwege geestelijke en gedragsstoornissen. Tussen 2000 en 07 zakte het aantal bedden per 10.000 inwoners in de psychiatrie van 6,3 naar 4,9 (Eurostat), een relatief sterke afname (-22,5% om -18%) en het kwam verder onder de EU15 normaal (6,2/10.000 in 07). Ook het aantal chronische zorgbedden buiten de psychiatrie is klein (2,6 om 4,4/100.000) en de daling na 2000 was fors (30 om 1%). De tevredenheid over kwaliteit en beschikbaarheid van thuiszorg en verpleeghuis liet in 2007 naar EU maatstaf te wensen over. Het aandeel Zweden dat zelf of in de nabije omgeving in aanraking was gekomen met chronische zorgvraag was toen het grootst binnen de EU (60%, EU 42%). Het deel daarvan dat de geboden zorg en hulp volledig adequaat vond was daarbij vrijwel gemiddeld (59%). Op deze website staat bij Zweden onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Zweden, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007gedaan veldwerk). Daarbij was het patroon dat zich openbaarde tamelijk typisch voor een individualistische zorgsamenleving. Opvallend is dat zelf ingehuurde thuishulp veel vaker wordt gewenst dan verwacht. Bij familie thuis werd weinig en chronische zorginstelling relatief veel verwacht. Weet niet scoorde echter ook hoog bij verwacht.

Vorm van steun of hulp

ZW %

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

31

34

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

31

29

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

12

20

21

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

1

3

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

16

12

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

2

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting bij geboorte was in 2008 in Zweden met 81,5j aan de hoge kant naar de maatstaf van rijke EU landen (Eurolanden 81j, Eurostat). Het verschil tussen mannen en vrouwen was klein (4,1 jaar; EU15 5,8j). Bij mannen lag de verwachting op 79,6j (EU15 78j in 07) en de stijging na 1998 was iets onder gemiddeld (+2,4 om 2,7j). Bij vrouwen bedroeg de verwachting 83,7j (EU15 83,8j in 07) en ook bij hen was de stijging iets onder gemiddeld (1,4 om 2j). De gezonde levensverwachting voor 65 jarigen ligt flink boven de EU27 normaal (m 12,9j om 8,7j; v 13,8j om 8,9j). De sterfte per 10.000 inwoners was in 2007 vrijwel gemiddeld (54,1; EU16 56; Eurostat) en de daling na 2000 was aan de kleine kant (-10,5%; EU15 -14%). Naar oorzaken was de sterfte aan infarcten aan de hoge en de daling erin aan de lage kant (20, -21%; EU15 18,6, -26%). De sterfte aan een hartinfarct was vrij hoog en de daling gemiddeld (9,3; -24%, EU 7,1, -25%) en die aan een herseninfarct was gemiddeld (4,1, om 4,3) net als de daling (27 om 28%). De sterfte aan kankertumoren en de daling daarin waren aan de kleine kant (14,9, -11%; EU15 16,6, -8%: longen/ luchtwegen 2,6, +8%; EU 3,7, -5%; prostaat 1,4, -9%, Eu 0,8; -11%; dikke darm 1,2, -9%, EU 1,3, -11%; borst 1,1, -14%; EU 1,3, -13%; endeldarm 0,6, -3%: EU 0,5, -10%; keel/ mond 0,2, -0%, EU 0,4; -13%;). De sterfte aan ziektes van het ademhalingstelsel was laag (3,1 om 4,4) en de daling gemiddeld (21 om 20%) en die aan ziekten van het spijsverteringsstelsel was laag zonder daling (1,9, +0%; EU15 2,8, -9%). Relatief veel Zweden overleden door externe oorzaken (3,9 om 3,3) bij een tegendraadse stijging (+5 om -15%; uitgesplitst: zelfmoord 1,1, -2%; EU 0,9; -10%; ongelukken 2,1, +5%; EU 2,1, -17%).

Qua preventieve zorg (http://www.fhi.se/en/) doet Zweden goed en toegankelijk bevolkingsonderzoek via de gezondheidscentra. Er worden veel kwalen bijtijds mee opgespoord. Om een gezonde levensstijl en een lager zelfmoordcijfer te bewerkstelligen heeft de overheid een maatschappelijke dialoog met alle betrokkenen en een adviesraad  om overdadige inname en verslaving tegen te gaan (ANDT rådet) opgezet. Ook is men zich bewust van de risico’s van resistentie tegen antibiotica. Seksuele voorlichting valt onder het lesprogramma op basisscholen. Bijna alle bevallingen vinden plaats in het ziekenhuis. Er zijn veel en goede nazorg mogelijkheden, maar laag opgeleiden en niet westerse immigranten blijven achter in het gebruik. Inentingscampagnes worden opgezet door de regio en uitgevoerd door gezondheidscentra. In 2008 kwam men landelijk tot de volgende scores: kinkhoest 98%, EU22 95%, mazelen 96 om 94%, hepatitis B 16 om 95% (niet verplicht), antigriep vaccinatie bij 65plussers 57% (EU18 54%, OESO health data 2010) en in 2009 bij difterie, tetanus en polio op 98% en bij BMR (bof, mazelen en rode hond) op 97% (WHO immunization global summary 2010).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Zweden, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (EB 272e wave 66.2).

Gezondheid

ZW

NL

BE

EU25

Goed

80

82

81

73

Redelijk

14

14

14

20

Slecht

6

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

31

26

23

29

Nee

68

74

77

70

Weet niet

1

0

0

1

Voorjaar 09 was 88% tevreden over de eigen gezondheid (EU 81%; Special EB 308 QA 20,4). Eind 2006 gaf een naar EU maatstaf vrijwel gemiddeld volksdeel aan dat men een chronische kwaal onder de leden had. Medio 2009 was dit volksdeel bij de vraag naar psychische en fysieke chronische kwalen met 27% echter het grootst binnen de EU (EU 14%, EB 217, QE18). Onder 13 klachten groepen lag eind 2006 bij 7 het aandeel boven de EU normaal. Bij allergie (34%, EU27 17%), kanker 5 om 2% en astma 11 om 7% viel het onder de EU top5 (verder: migraine/ hoofdpijn 21 om 16% maagzweer 6 om 4% reuma/artritis 23 om 22%, staar 5 om 4%), bij 2 was het gemiddeld (chronische angst/ depressie 9%, hersenbloeding 2%) en bij 4 was het relatief klein (hoge bloeddruk 17 om 19%, diabetes 4 om 6%, bronchitis 2 om 5% en botontkalking 2 om 5%). Bij de laatste 3 kwalen viel het segment onder de 5 kleinste binnen de EU. Het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was aan de kleine kant (29 om 32%). Het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag boven onder de Eu normaal (31 om 25%). Bij 13 specifieke klachten scoorden de Zweden echter bij 12 relatief laag. Bij 3 ervan (diabetes 7 om 15%, chronische bronchitis 2 om 4%, botontkalking 3 om 8%) viel men onder de laagste 5 (verder: allergie 5 om 6%, astma 7 om 9%, hoge bloeddruk 31 om 36%, reuma/ artritis 21 om 24%, kanker 2 om 4%, staar 1 om 2%, migraine/ hoofdpijn 3 om 5%, maagzweer 2 om 3%, hersenbloeding 3 om 4%). Alleen bij chronische angst/ depressie kwam men op het EU gemiddelde (10%) en zoals te verwachten viel scoorden de Zweden bij overige kwalen het hoogst binnen de EU (34 om 24%). Relatief veel vrouwen van 50+ wisten van hormoontherapie bij overgangsklachten (46 om 39%) en het gebruik ervan was het hoogst binnen de EU na Finland (15%, EU 6%: EB 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Zweden in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn relatief hoog scoorde (EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06). Bij 5 van de 9 nagevraagde stemmingen viel men onder de EU top5.

Item in %

ZW

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

70

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

75

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

72

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

60

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

90

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

80

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

65

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

27

36

43

34

Nooit/ zelden moe

27

36

43

34

Wel leek de invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) winter 05/06 naar Eu maatstaf aan de grote kant (minder presteren dan men wilde 24%, EU 18%, slordiger dingen doen 17 om 14%, minder tijd in dingen steken 14 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4). Het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist was vrijwel gemiddeld qua grootte (6%), net als de groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten (22%). Zweden die emotioneel klem zouden komen te zitten, zouden relatief vaak professionele hulp zoeken (54%, EU 50%, BE 51%, NL 38%). Een leerkracht kwam ook boven gemiddeld (1 om 0%). Alle andere bronnen van hulp of steun bleven onder de EU normaal en familie (34 om 53%) en vrienden (13 om 22%) scoorden bij de laagste 3 binnen de EU (verder: geestelijke en hulplijn beide 1 om 2%). Het volksdeel dat in het jaar vooraf daadwerkelijk hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem was gemiddeld qua grootte (13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 8 om 9%; apotheek 1 om 2%, psychiater 1 om 2%, psycholoog 3 om 2%; verpleegkundige 2 om 0%, andere hulpverlener 4 om 2%). Bij 56% van de hulpzoekers was de huisarts voorpost (EU 70%, NL 45%, BE 66%). Het segment dat om dit soort reden in het jaar vooraf psychotherapie kreeg was groot (5 om 3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%), het deel dat medicijnen nam gemiddeld (7%, NL en BE 8%) en het deel dat opgenomen was geweest klein (0%, NL 1%, BE hoogste EU met 5%). Naar verhouding weinig Zweden vonden het moeilijk aan info over hulp te komen (hulpzoekers 26 om 37%, geen hulpzoeker 20 om 27%). De tabel hierna toont hoe in Zweden de kijk op (mensen met) psychische problemen was.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

ZW

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

72

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

55

25

32

37

worden nooit weer beter

17

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

6

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Zweden, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA 24). Daarbij was het segment rokers het kleinst en het deel met overgewicht en werkstress het grootst binnen de EU.

Item in %

ZW

NL

BE

EU25

Rokers

19

24

27

30

Overgewicht

29

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

29

28

29

24

Ongezond eten

16

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

6

7

8

7

Lawaaierige omgeving

4

5

10

8

Vervuilde omgeving

5

8

7

6

Werkstress

34

16

22

17

Relatiestress

13

7

11

10

Geen van deze problemen

24

31

24

32

In 2008 lag het volksdeel met ernstig overgewicht onder de Eu normaal (10 om 15.5%,), al is het na 1989 wel sterk gegroeid (toen 6%, bron OECD). In 2005 kwam ernstig ondergewicht relatief weinig voor (1%, Eu15 3%, bron Eurlife indicator). Rond dat jaar was het deel dat nooit sportte of weinig bewoog klein naar EU maatstaf (zie onder sport op deze website), maar bij kinderen tussen 11 en 15 was het deel dat dagelijks flink bewoog ook klein (21,5 om 26,5%, OECD health at a glance 2010). Ook in 2008 was het aandeel dagelijkse tabaksrokers onder 15plussers het kleinst binnen de EU (14,5%, m 17%, v 12%; EU 24%, m 30%, v 19%; Flash EB 253 kwam op 18 om 26%). Wel gebruiken veel Zweden tabak in poedervorm (snus, uitspraak snuuws) om onder hun bovenlip te stoppen. Het is in de EU verboden, maar Zweden vroeg bij de toetreding in 1994 met succes een uitzonderingspositie. Het dagelijks gebruik stak in 2008 met 12% van de bevolking met kop en schouders uit boven de rest van de EU (1%). Men kent een wettelijk rookverbod in horeca en gevangenissen. De meeste werkplekken hebben het ook verboden. In de horeca is een afgescheiden rookruimte zonder bediening toegestaan, maar slechts 2% van de gelegenheden heeft er één.

Net als het roken van tabak is cannabis gebruik weinig populair. Het was in 2006 in de maand voor de vraagstelling het laagst binnen 24 EU landen (15 j en ouder: 0,5%, 15-35j 1%, 15-25j 1,5%; bron: EMCDDA) en het segment voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik was het kleinst binnen de EU na dat in Finland (9% in oktober 2006, EU 25 26%, BE 26%; NL hoogste met 49%: Standard EB 66). Dat gold ook bij 15-25 jarigen (9% voor gereglementeerd vrijgeven in mei 2009, EU 31%, BE 35%, NL 52%, Flash EB 233). Bij hen was het deel dat het risico van cannabisgebruik erg groot achtte groot (54%, EU27 40%; BE 32%, NL 26%) en relatief weinigen dachten dat makkelijk aan cannabis is te komen (40 om 63%, BE ook 69%, NL 71%). De aanhang voor handhaving van het verbod op cannabis is onder jongeren het grootst na die in Roemenië (89%, EU 67%) en vrijgeven van drugs als effectief beleid kreeg weinig aanhang (6%, BE 8%, EU 13%, NL 21%). Het segment Zweedse jongeren dat tabak erg riskant vond was gemiddeld qua grootte (27%: NL 20%, BE 24%) en het deel dat dit van alcohol vond was relatief klein (18%; EU 24%, NL 20%, BE 18%). Een verbod op tabak kreeg onder hen veel bijval (27%, Eu en BE 18%, NL 9%) en een verbod op alcohol vrij weinig (7%; NL 1%; BE 5%, EU 9%). Het aandeel 15 jarigen dat toegaf in hun leven al een paar keer dronken te zijn geweest lag in 2005/06 in Zweden onder de EU normaal (jongens en meisjes beide 26%, EU 38 en 30%, BE 32 en 22%, NL 30 en 21%).

In 2004 stonden de Zweden met 51,5 liter per hoofd p/j 34e op de wereldranglijst van bierdrinkers (België 15e met 81 l, NL 17e met 77 l, bron wikipedia). Rond 2008 lag de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers op 6,9 liter per hoofd (laagste EU na Malta, EU 10,8 l, BE 10,7 l, NL 9,6 l, bron OECD). Eind 2006 was desondanks het aandeel geheelonthouders klein (12%, EU 25%, BE 21%, NL 10%). Het volkdeel dat de gevolgen van alcoholgebruik eigen verantwoordelijkheid vindt was vrijwel gemiddeld (51%; verantwoordelijkheid overheden 45%). De prijs heeft in Zweden weinig invloed op de alcoholverkoop. Het volksdeel dat minder zou kopen als het 25% duurder werd was klein (24 om 33%) en het deel dat meer zou kopen als het een kwart goedkoper was aan de kleine kant (13 om 15%). Er waren relatief weinig voorstanders van een verbod op alcohol reclame gericht op jongeren (59 om 74%). Voor automobilisten geldt een grens van 0,2 promille en het volksdeel dat dit niet wist was ook klein (15 om 36%). Zweden drinken niet vaak, maar als ze het doen drinken ze vaak veel. De tabel hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Zweden, NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

ZW

NL

BE

EU25

Dagelijks

1

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

16

12

13

10

Eens p/w 5 of meer glazen

11

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

1

8

9

13

Eetgedrag

Over het algemeen eten net als elders hoog opgeleiden ge­zonder en roken en drinken ze minder dan laag opgeleiden. Zweden consumeren per hoofd naar EU maatstaf veel aardappels, suiker, melkproducten, zuidvruchten en vis en weinig graan, vlees en plantaardige vetten/ oliën. De hoeveelheid beschikbaar fruit pp per jaar lag in 2008 boven de EU normaal (117 om 105 kg) en de hoeveelheid groente lag daar onder (88 om 116 kg). Eind 2005 vonden relatief veel Zweden dat ze gezond tot erg gezond eten (88%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%), maar in 2007 was het deel dat vond dat men ongezond eet ook aan de grote kant (16 om 14%, EB 283, wave 67.3, QA 24). Eind 2005 was het volksdeel dat een gezond dieet associeerde met minder suiker (36 om 28%) en meer vlees (6 om 3%) naar verhouding groot en het segment dat het in verband bracht met minder zout (13 om 19%), vlees (5 om 16%), koolhydraten (6 om 7%) en toevoegingen (5 om 13%) of meer vis (19 om 25%), koolhydraten (8 om 7%) en biologisch eten (4 om 8%) relatief klein. Een doorsnee deel associeerde het met meer groente en fruit (59%), gevarieerd (55%) of minder vet (43%). De categorie “anders” scoorde in Zweden het hoogst binnen de EU (31 om 11%).

Het segment dat moeite had zich aan een gezond dieet te houden was relatief klein (21%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werd gezond koken is tijdrovend als enige relatief vaak aangevinkt als reden (39%, Eu 31%), gezond is niet lekker (25%) en gebrek aan controle over wat men eet (kantines, junkfood e.d. 30%) scoorden iets boven gemiddeld, tegenstrijdige en verwarrende info (14%) of gebrek aan info over wat gezond is (12%) kwamen vrijwel gemiddeld uit en gebrek aan info over wat men zelf eet (13 om 16%) werd weinig aangevoerd als excuus. Een relatief klein deel van de Zweden was in het jaar vooraf op dieet geweest (15%, EU 20%), maar naar verhouding velen hadden eetgewoonten veranderd (43%, hoogste EU, EU 22%). Qua verandering scoorden minder suiker (63%, hoogste EU, EU 39%) en meer vlees erg hoog (8 om 4%), terwijl minder vlees het laagst scoorde binnen de EU (9 om 20%, kennelijk werkt de vleeslobby goed). Ook meer fruit en groente (67 om 55%) en minder alcohol (29 om 23%) kwamen relatief hoog (meer alcohol echter ook 4 om 3%). Minder calorieën (25 om 38%) scoorde het laagst binnen de EU en ook minder zout (23 om 27%) kreeg wat weinig aanhang. Een doorsnee deel ging op dieet vanwege een kwaal (17%, hoofdmotieven: afslanken 30 om 34%, gezond blijven 38 om 30%).

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen onder de EU normaal (75 om 85%). Feitelijk groeit bij volwassenen het te zware volksdeel relatief sterk. Bij kinderen tussen 11 en 15 lag het deel met overgewicht in 2005/06 onder de EU normaal (j 15 om 17%, m 8 om 9%) en vergeleken met 5 jaar eerder was de toename gemiddeld (j 20 om 30%, m 30 om 20%). Het deel dat inschatte dat vergeleken met 5 jaar eerder zwaarlijvigheid meer voorkomt (90 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (92 om 83%) was relatief groot. M.b.t. de schuldvraag omtrent het laatste zagen velen ouders (83%, EU 71%) een doorsnee deel vriendjes (5%) en wat kinderen op school leren (3%) en een relatief klein segment reclame (9 om 18%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kon als 1e maatregelen meer info voor ouders (55%, EU 34%) op veel steun rekenen, meer les over gezond eten (19%) scoorde modaal en betere schoolmaaltijden (7 om 11%) of beperking van adverteren in kinderprogramma’s op TV (11 om 15%) kregen relatief weinig steun (bron: EB 246, wave 64.3 health and food).