Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Tussen de beide wereldoorlogen had Tsjecho-Slowakije een zorgstelsel waarbij de soci­ale en preventieve zorg in handen waren van de overheid. Voor de 1e en 2e lijnszorg be­stonden verplichte verzekeringen op basis van beroepsgroepen (Bismarck model) zodat grote delen van de bevolking er buiten vielen. Artsen werden vaak rechtstreeks betaald en wie arm was had minder overle­vingskans. In de communistische periode kende men een staatsgezondheidszorg die betaald werd uit belastinggeld en vanuit de centrale overheid werd gepland (het Semashko zorgstelsel). Dit hield in dat de zorg voor iedereen gratis en van vergelijkbare kwaliteit was. De kwaliteit werd daarbij afgemeten aan de aantallen afgestudeerde specialisten, verpleegkundigen en zie­kenhuisbedden. Dit werkte overcapaciteit, onderwaardering van de 1e lijnszorg en een passieve afhankelijke opstelling van patiënten in de hand. Er waren kleine, middelgrote en grote ziekenhuizen. Ziekenhuizen namen met de grootte toe in voorzieningen. Zo werden alleen aan grote ziekenhuizen artsen, specialis­ten en verpleegkundigen op­geleid. In 1990 en 91 werd het stelsel compleet omgegooid en geprivatiseerd. Men creëerde een verplicht sociaal verzekeringsstelsel op contractbasis met privé praktijken van (para)medici en voor de consument vrije keus van voorzieningen en vergoeding achteraf van afzonderlijke diensten (fee for service). Dit ging gepaard met overmatig gebruik van diensten, ontevredenheid bij diensverleners, tekorten en inadequate regulering.

Volgens http://www.euro.who.int/Document/E92968.pdf werden vanaf 1992 zelfstandige ziekenfondsen in het leven geroepen als inkoper en betaler van zorg die betaald werden  uit sociale verzekeringsbijdragen. Het aantal ervan zakte van 27 rond 1995 naar 10 in 2009. In 1997 is het fee for service model afgeschaft. Er werden een poortwachter systeem (huisarts verwijst door), betaling aan ziekenhuizen via diagnose behandel groepen en reductie van het aantal specialisten ingevoerd. Vrijwillige abortus, onderzoek in opdracht van werkgevers, cosmetische chirurgie en een aantal tandartsbehandelingen werden uit het pakket gehaald. Vanaf 2003 werden staatsziekenhuizen streekziekenhuis onder regionaal beheer. De regio gaan ook over de publieke gezondheidszorg. Het ministerie organiseert onderhandelingen en neemt beslissingen waar men niet tot overeenstemming komt. Het is verantwoordelijk voor wetgeving, research, opleiding, criteria en vergunningen. De 1e lijnszorg (incl. apotheken), kuuroorden en een aantal kleine poliklinieken en ziekenhuizen zijn geprivatiseerd. Veel huisartsen huren prak­tijkruimte in een gezondheidscentrum of polikliniek. In 2005/06 werden aanpassingen aangebracht aan de risicoverdeling onder ziekenfondsen. In 2008 zijn eigen bijdragen ingevoerd voor artsenbezoek, medicijnen, ziekenhuis opname en gebruik van ambulante diensten buiten werkuren (wel met een plafond). Ook werden om de kosten te beheersen lijsten van het SÚKl en het VZP ingevoerd voor overheidscontrole op respectievelijk medicijnen en medische / tandheelkundige hulpmiddelen. Verder maakte men extra geld vrij voor scholing van hulpverleners in sectoren waar tekorten bestaan. De verplichte zorgverzekeraars worden voornamelijk betaald door werkgevers en werknemers. Ze sluiten contracten met publieke ziekenhuizen en private ambulante voorzieners van zorg. Tarieven worden bepaald via onderhandelingen tussen betrokken groepen. T/m 2007 waren deze het ministerie van gezondheid en beroepsverenigingen van artsen, tandartsen en farmaceuten. Sinds 2008 zijn die vervangen door een zorgdiensten werkgroep met meer betrokken groepen en zonder vetorechten. In 2004 werd de coalitie voor zorg opgericht en in 2009 vertegenwoordigde deze 50 patiëntenverenigingen.

Beoordeling van de zorg

In 2003 beoordeelden de Tsjechen hun zorgstelsel met een 5,8 (EU15 6,4), in 2007 met een 6,4 (gemiddelde EU15) en in de nazomer van 2009 met een 6,1 (EU27 5,8). De zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 5,7 (Nieuwe lidstaten: 5, EU15: 5,7; EQLS 2007). Eind 2006 rekenden relatief veel Tsjechen (39%, Eu 26%) het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes. Toen rangschikte 7% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 5% zorg voor gehandicapten daaronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Destijds rekende voor de komende generatie 21% (EU 17%) gezondheidszorg, 8% (EU 10%) ouderenzorg en 3% (EU 2%) gehandicapten zorg tot deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 lag het volksdeel dat gezondheidszorg voor zichzelf tot de top2 van zorgenkindjes rekende dichter bij de EU27 normaal (21%, +3% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special Eurobarometer 308, wave 71.1). Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de eigen omgeving lag toen zelfs iets boven deze standaard (74 om 72%) en het was vrijwel gelijk aan najaar 08 (-1 om -5%). In de tabel hierna staan de uitslagen voor Tsjechië (CZ), de EU27 en NL van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special EB 283 wave 67.3). Het aandeel Tsjechen dat tevreden was over de kwaliteit was naar Eu maatstaf redelijk tot groot, maar de tevredenheid over beschikbaarheid/ bereikbaarheid en prijs liet te wensen over bij de tandarts en bij thuiszorg en verpleeghuizen.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

CZ

EU

NL

CZ

EU

NL

CZ

EU

NL

Huisarts

82

84

89

89

88

92

5

11

6

Tandarts

88

74

92

67

74

89

36

51

28

Specialist

86

74

83

62

62

66

15

35

21

Thuiszorg

58

42

49

33

41

39

34

32

16

Ziekenhuis

80

71

87

86

76

80

8

21

19

Verpleeghuis

60

41

46

18

39

31

44

42

14

Het basisuitgangspunt over gezondheid in de Tsjechische grondwet is bereikbare zorg voor iedereen. Het volksdeel onder de laagste inkomens (laagste 20%) bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs was in 2008 relatief klein (arts 0,8%, EU27 4,5% in 08; 0,4% in 07; tandarts 2,4 om 7,4%; 0,9 om 8,2% in 07; Eurostat, health, indicators from SILC survey), maar het was ten opzichte van een jaar eerder wel gegroeid (in 2008 zijn allerlei eigen bijdragen ingevoerd). Dit brengt ons op de betaling en betaalbaarheid in de zorg.

Het financiële plaatje

In 2007 lagen de Tsjechische zorguitgaven op 6,5% van het BBP (6,8% in 06, EU25 8,9%, NLS 6,1%; bron Eurostat). Ze bedroegen naar koopkracht €13,9 miljard en €1349 per hoofd p/j (rond 57% van de Eu normaal). Het aandeel van de overheid lag toen op 84,7% (hoogste van 21 EU landen; overheid 5,4%; 6,5% in 06; d,w,z -1,1%; sociale verzekeringsfondsen 79,3%; -0,5%). De private sector was goed voor 15,3% (laagste van 21 EU landen; +1,6%; eigen bijdragen 13,6%, +2%). In dat jaar gaven volgens Eurostat de financiers van zorg veel uit aan ziekenhuizen (45,4%, 4e van 21 EU landen), een gemiddeld deel aan ambulante zorg (huisarts, tandarts, fysiotherapeut, lab etc. 24%, 12e) en administratie en verzekeringen (3,6%, 13e) en een relatief klein deel aan chronische zorginstellingen (psychiatrische/ geriatrische inrichtingen, verpleeghuizen etc. 1,4%, 17e), detailhandel en hulpmiddelen (o.m. medicijnen 21,4%, 15e), publieke zorgprogramma’s (0,19%, 18e) en overige zaken (arbeidszorg, mantelzorg 0,75%; 14e). Het ministerie van gezondheid kwam voor 2008 op ambulante zorg 25,5%; ziekenhuiszorg 50,9% (incl. kuuroorden 1,5%, chronische instellingen 2%, overige 2%), farmaceutica 17,3% en hulpmiddelen 2,9%. Naar functie ging in 2007 veel naar de posten overige/ onbestemd (1,6%, 2e van 14), genezende zorg (54,2%, 4e van 18), revalidatie (3,45%, 5e van 18), aanvullende diensten (lab, transport; 5,2%; 7e van 20) en medicijnen/ hulpmiddelen voor ambulante patiënten (26%; 7e van 20), een gemiddeld deel naar chronische zorg (11e van 20) en administratie en verzekeringen (3,4%; 11e van 20) en weinig naar preventie en volksgezondheid (2,3%; 15e van 22).

Het deel van het huishoudbudget dat men in Tsjechië besteedt aan gezondheid bleef tussen 1998 en 2005 onder de 2% en daarmee flink onder de Eu normaal (rond 3,4%). In 2006 lag het op 2,1%; in 2007 op 2,4% en in 2008 op 2,8% (EU 3,5% in 08, Eurostat). Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders tamelijk groot naar Eu maatstaf (25 om 19%, NL 26%, BE 36%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben was het deel dat inschatte dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden ook groot (65%, EU 48%, NL 35%, BE 70%) en het deel dat dacht dat partner, familie of naasten ervoor op zou draaien iets boven gemiddeld (45%, EU 39%, NL 9%, BE 44%). Het segment dat dacht dat de privé verzekering het zou dekken was ook iets boven gemiddeld (18%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) en het deel dat dacht dat overheid of sociale zekerheid de kosten zouden dekken gemiddeld (32%, NL 51%, BE 34%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

Naast huisartsen verlenen kinderartsen, gynaecologen en tandartsen 1e lijnszorg. In 2008 had 95% van de huisartsen een eigen praktijk, vaak met een verpleegkundige als assistente die ook huisvisites doet. Ook werken ze wel in een gemeentelijk gezondheidscentrum waar ze praktijkruimte huren, want dan beschikken ze (net als bij private poliklinieken) vaak over betere uitrusting. Formeel is de huisarts in Tsjechië poortwachter, maar men gaat daar soepel mee om. Patiënten kunnen bijv. zonder doorverwij­zing terecht bij oogartsen of bij specialisten waarbij het gênant gevonden kan worden dat men er gebruik van moet maken (psychiaters, genetici, der­matologen ed.). Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j was in 2006 met 15 het hoogst binnen de EU landen (EU27 6,8 in 2005, NLS 7,8 in 2007). Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging lag eind 2006 ook boven de EU25 normaal (73 om 62%; Eurobarometer 272e/ wave 66.2; najaar 2009: 60 om 57%, EB 330, wave 72,3). Op de DMFT index viel men in 2003 met 3 kinderkiezen/ tanden waar wat mee is nog onder de top3 van 19 EU landen. Najaar 2009 was het volksdeel dat het hele natuurlijke gebit nog had echter vrijwel gemiddeld qua grootte (43%, EU 41%) en het segment met kunstelementen in het gebit lag toen iets onder de Eu normaal (28 om 31%). De uitgaven voor medicijnen zijn tamelijk hoog naar EU maatstaf, maar de consumptie lijkt mee te vallen. Tussen 2000 en 2005 ging de consumptie van antidiabetica van 39 naar 46 DDD (dagelijkse doses) per 1000 inwoners (OESO landen van 33 naar 47), die van antidepressiva van 10 naar 27 (OESO van 33 naar 47), van cholesterolverlagers van 27 naar 90 (OESO van 47 naar 105) en die van antibiotica van 19 naar 17 (OESO rond 21). In 2008 scoorde men met kindervaccinaties ruim boven de WHO norm.

Eind 2006 ondergingen relatief weinig 15plussers in het jaar vooraf poliklinisch onderzoek met typische vrouwenkwalen als uitzondering. Bij deze groep kwalen, maar bijv. ook bij gebit, ogen en bloeddruk was een bevolkingsonderzoek vaker dan gemiddeld in de EU de aanleiding. Hoewel men er relatief weinig aan uitgeeft blijkt men hiermee dus veel op het spoor te komen. Onder vrouwen scoorde onderzoek naar de eierstokken boven gemiddeld (36 om 30%) en overig gynaecologisch onderzoek kwam het hoogste binnen de EU. Meer dan de helft van de vrouwen (52%, EU 32%) liet zulk onderzoek doen bij de dokter. Bij onderzoek naar botontkalking (12%) en bij mammografie (27%), uitstrijkjes (39%) en bloeddrukmeting (57%) lag men vrijwel op de Eu normaal. Bij handmatig borstonderzoek bleef men daar onder (32% van de vrouwen, Eu 49%). Dit laatste gold echter ook voor 8 andere vormen van onderzoek, met prostaatkanker (PSA test: 6 om 13%), overige vormen van kanker (5 om 12%), gehoor (9 om 16%), cholesteroltest (29 om 39%) en hartonderzoek (21 om 27%) als grootste uitschieters.

Qua zorgpersoneel lag in 2007 per 10.000 inwoners het aantal praktiserende artsen (36 om 31), tandartsen (6,7 om 6) en verpleegkundigen (80 om 74) boven het EU27 gemiddelde en het aantal apothekers lag daar onder (5,8 om 7,5). Men telde 6,9 fysiotherapeuten per 10.000 inwoners (12e van 24 EU landen). In 2007 behandelde 71% van de artsen en de helft van de verpleegkundigen en paramedici ambulante patiënten. Van de artsen gaf 47,5% 1e lijnszorg en de rest (52,5%) was specialist. Van hen werkte weer de helft aan ziekenhuizen. De 2e lijnszorg vond in 2008 plaats door specialisten in een eigen praktijk, groepspraktijk, zorgcentrum/ polikliniek of ziekenhuis. In 2008 telde Tsjechië 192 ziekenhuizen (67 van een overheid) met 63.600 bedden (10,3% voor chronische patiënten; 51.5% in een publiek en 48,5% in een privéziekenhuis) en 154 andere faciliteiten (73 van de overheid) met ruim 22.000 bedden (42% psychiatrie, 32% chronische zorg; publiek 73,5%, privé 26,5%). Bijna alle poliklinische voorzieningen zijn in private handen. Kuuroorden vormen de belangrijkste alternatieve voorziening en staan in hoog aanzien. In 2008 telden de 408 kuuroorden bijna 25.500 bedplaatsen. Daarvan waren er 319 van de overheid, maar deze telden nog geen 12% van de plaatsen. Qua technologische uitrusting telde men in 2006 per 100.000 inwoners 1,3 CT scan (8e van 17 EU landen en 0,4 MRI units (10e van 16; bronnen: Eurostat en WHO).

Het aantal ziekenhuis bedden per 100.000 inwoners is groot naar EU27 maatstaf en zakte minder snel dan gemiddeld in de EU (727 in 2007; -7% t.o.v. 2000: EU27 590 in 05; -9%). Verder was het aandeel curatieve (70%, EU 68,5%) en psychiatrische (14,4 om 10%) en andere chronische zorgbedden (9 om 8%) boven gemiddeld. De dichtheid aan bedden voor spoedopnames is hoog (524, EU 406 in 07). De bezetting van bedden bewoog tussen 1991 en 2007 tussen 70 en 75% (rond NLS gemiddelde; EU15 tussen 75 en 80%) en de verblijfsduur in het ziekenhuis zakte van 12 naar 8 dagen (NLS idem; Eu15 van 9,5 naar 7,5d). Het aandeel ziekenhuisopnames was in 07 naar verhouding groot (21,5% van de bevolking; EU27 17,5%). Mede om de verblijfsduur in het ziekenhuis te bekorten is in 2008 een eigen bijdrage van €2,40 p/d ingevoerd.

In 2007 ging de vergoeding van sociale en langdurige zorg over van overheden en instellingen naar de gebruiker via de ziekenfondsen. Bejaardentehuizen e.d. kennen in Tsjechië lange wachtlijsten en bejaarden die niet meer zelfstandig kunnen wonen blijven vaak te lang in het ziekenhuis. Sinds 1990 kent Tsjechië thuiszorg (bijv. van verpleegkundigen die bij een huisarts in dienst zijn), maar men benadrukt mantelzorg. De GGZ valt binnen het verzekeringspakket. De tevredenheid over de kwaliteit van thuiszorg en verpleeghuizen was in 2007 naar EU maatstaf tamelijk wijdverbreid, maar de tevredenheid over beschikbaarheid en vooral kosten week in negatieve zin flink af van de EU standaard. Tussen 2000 en 06 steeg het aantal bedden per 10.000 inwoners in chronische zorginstellingen buiten de psychiatrie van 4,7 naar 6,5 en in 2007 lag het op 6,3. Daarmee kwam het boven de EU normaal (EU27: van 5,2 naar 4,8 tussen 2000 en 2005). De psychiatrie ging van 11,3 naar 10,6 bedden. Dit aantal bleef erg groot en nam relatief weinig af (-7%; EU27 6/10.000 in 07, -13%; Eurostat). Op deze website staat bij Tsjechië onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Tsjechen, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007gedaan veldwerk). Daarbij scoorden thuis door familie of bij familie thuis en een chronische zorginstelling relatief hoog en een professionele hulpdienst en thuishulp naar verhouding laag. Verder viel bij professionele hulpdienst en thuishulp het relatief grote verschil tussen graag gewild en verwacht op.

Vorm van steun of hulp

Tsjech %

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

57

54

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

10

14

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

6

9

13

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

5

6

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

14

16

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

4

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting was in 2008 in Tsjechië met 75,9j laag naar Eu maatstaf (EU27 79,2j). Anders dan in de meeste andere voormalige Oostbloklanden is het verschil tussen mannen en vrouwen vrijwel gemiddeld (6,4 jaar; EU27 6,2j). Bij mannen lag de verwachting op 74,1j (EU27 76j) en de stijging was relatief groot na 1997 (+3,6j; Eurolanden +3j). Bij vrouwen bedroeg de verwachting 80,5j (EU27 82,2j) en ook bij hen ging de verwachting tamelijk sterk omhoog (3j, Eurolanden 2,2j). In 2007 week de gezonde levensverwachting voor 65 jarigen weinig af van de EU27 normaal (m 8j. EU 8,7j; v 8,3j; EU 8,9j). Wel zakte ze na 2002 wat (bij mannen met 1,5j en bij vrouwen met 1,7j). De sterfte per 10.000 inwoners lag in 2008 boven de EU27 standaard (76,6; EU 62,5 in 07; Eurostat), maar ze was de laagste van de 9 voormalige Oostbloklanden in de Eu. De daling na 2000 was vrijwel gemiddeld (-16/10.000; EU27 -14). Naar belangrijkste doodsoorzaken is de sterfte aan infarcten, net als in de andere voormalige Oostbloklanden, hoog (35,6; EU27 23) en de daling na 2000 (24%) was gemiddeld naar EU maatstaf. De sterfte aan een hartinfarct was de op één na laagste binnen de voormalige Oostbloklanden in de EU, maar daalde relatief weinig (17,6; -6%; EU 8,7; -26%). De sterfte aan een herseninfarct was ook hoog, maar zakte wel sterk (7,8: -43%; EU 5,6; -26%). Hetzelfde geldt voor de sterfte aan kankertumoren (20,4, -14,4%; EU 17,7, -7%: longen/ luchtwegen 4,2; -21%, EU 3,9, -5%; borst 1,2; -25%, EU 1,3, -13%; dikke darm 1,6, -24%: Eu 1,3; -8%, endeldarm 1,2; -20%, EU 0,6; -10%; keel/ mond 0,6, +12%, EU 0,5; -6%; prostaat 0,9, -16%, Eu 0,8; -8%). De sterfte aan ziektes van het ademhaling (4/10.000) of spijsverteringsstelsel (3,6/10.000) ligt rond de EU normaal en veranderde weinig. Nog relatief veel Tsjechen vinden een voortijdig einde door ongelukken (incl. moord en zelfmoord), maar men is hier in positieve zin met een inhaalrace bezig (3,3, -23%: EU 2,5; -12%).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Tsjechië, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (Eurobarometer 272e wave 66.2).

Gezondheid

Tsjech

NL

BE

EU25

Goed

71

82

81

73

Redelijk

23

14

14

20

Slecht

6

4

5

7

Chronische kwaal
Ja

32

26

23

29

Nee

66

74

77

70

Weet niet

2

0

0

1

Voorjaar 09 lag het deel dat tevreden was over de eigen gezondheid precies op de EU normaal (81%; 19%; Special EB 308). Het volksdeel met een chronische kwaal (32%) lag eind 2006 iets boven de EU standaard. Onder 13 klachten groepen was het aandeel bij diabetes (8%, Eu 6%), botontkalking (6 om 5%) en hoge bloeddruk (21 om 19%) onder Tsjechen aan de grote kant en bij hartinfarct en hersenbloeding (beide 1 om 2%) en staar (3 om 4%) leek het relatief klein. Bij de overige 7 groepen kwam men uit rond de Eu normaal. Het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was in Tsjechië aan de grote kant (38%; EU 30%) en ook het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag boven het Eu gemiddelde (32 om 25%). Bij de 13 specifieke klachten scoorden de Tsjechen bij 5 relatief hoog (allergie 16%, hoogste EU, EU 6%; staar 3 om 2%, migraine/ hoofdpijn 7 om 5%, diabetes 18 om 15%; reuma/ artritis 26 om 24%) en bij 6 onder de EU normaal (hersenbloeding en kanker 2 om 4%, botontkalking 6 om 8%; astma 8 om 9%, bronchitis 3 om 4%, angst/ depressie 6 om 10%). Vrij veel vrouwen van 50+ hadden weet van hormoonbehandeling bij overgangsklachten en het gebruik ervan lag iets boven gemiddeld (7 om 6%: Eurobarometer 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Tsjechië (CZ) in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn scoorde in vergelijking met Nederland, België en de EU25 (Bron EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06).

Item in %

CZ

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

62

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

71

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

64

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

58

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

82

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

79

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

56

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

38

36

43

34

Nooit/ zelden moe

38

36

43

34

De invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) leek begin 06 in Tsjechië niet al te groot naar Eu maatstaf (minder presteren dan men wilde 12 om 18%, slordiger dingen doen 14 om 14%, minder tijd in dingen steken 9 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4) en het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist lag onder de EU standaard (3 om 6%). De groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten was ook onder gemiddeld (16 om 21%). Wanneer men emotioneel klem zou komen te zitten, zou in Tsjechië een vrijwel gemiddeld volksdeel professionele hulp zoeken (46%, EU 50%, BE 51%, NL 38%), steun zoeken bij familie (58%, EU 53%, BE 54%, BL 49%) of bij vrienden (22%, BE 33%, NL hoogste EU met 37%). Een geestelijke scoorde laag (1%; EU, BE en NL 2%) en een hulplijn hoog (5%, EU 2%, BE en NL 1%). Begin 2006 was het volksdeel dat hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem naar EU maatstaf gemiddeld qua grootte (13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 9%, EU 9%; apotheek 2 om 2%, psycholoog 1 om 2%; psychiater 2 om 2%, psychotherapeut 1 om 1%; andere hulpverlener 2 om 2%). De huisarts trok 77% van de hulpzoekers (EU 70%, NL 45%, BE 66%). De groep die om dit soort redenen in het jaar vooraf medicijnen nam (6 om 7%, NL en BE 8%) of psychotherapie kreeg was relatief klein (2 om 3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%) en het segment dat invulde dat het opgenomen was geweest lag op 1% (EU en NL ook 1%, BE hoogste EU met 5%). Onder degenen die hulp hadden gezocht was de groep die het moeilijk vond om aan info te komen relatief klein (32 om 37%). Chronische angst en depressie werd begin 2006 naar EU maatstaf door 8% gemeld (EU 9%). De tabel hierna toont hoe in Tsjechië (CZ) in vergelijking met NL, BE en de Eu de kijk op (mensen met) psychische problemen nogal negatief was.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

CZ

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

76

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

48

25

32

37

worden nooit weer beter

25

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

21

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Tsjechië, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3). De Tsjechen scoren bij zaken die ze zelf het meest in de hand hebben overal boven gemiddeld (bij ongezond eten bij de EU top3) en bij omgevingsfactoren en geen van de problemen onder gemiddeld.

Item in %

Tsjech

NL

BE

EU25

Rokers

32

24

27

30

Overgewicht

21

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

40

28

29

24

Ongezond eten

37

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

4

7

8

7

Lawaaierige omgeving

7

5

10

8

Vervuilde omgeving

6

8

7

6

Werkstress

15

16

22

17

Relatiestress

7

7

11

10

Geen van deze problemen

23

31

24

32

In 2005 lag het volksdeel met ernstig overgewicht  (11%) op en het deel met ernstig ondergewicht onder de EU normaal (2 om 3%, bron Eurlife indicator). In 2004 was het volksdeel dat nooit sportte klein naar EU maatstaf, maar eind 2005 waren relatief weinigen op allerlei andere wijzen dagelijks fysiek actief (zie onder sport op deze website). Rond 2000 was het gedeelte dagelijkse rokers van sigaretten onder 15plussers met 25% relatief klein (EU 31%, Eurostat). Andere tabaksrokers meegerekend kwam men in 2008 echter op 36% (EU27 26%, NL en BE 24%; bron Flash EB 253). Men kent sinds 2006 een rookverbod in openbare gebouwen en het openbaar vervoer (incl. perrons en wachtruimtes). In de horeca moet een afgescheiden ruimte beschikbaar zijn voor niet rokers en sinds 2009 moeten horeca gelegenheden waar gerookt mag worden dat aan de buitenkant kenbaar maken. Het toezicht op de regels is  niet scherp. In 2004 viel het gebruik van cannabis in de maand voor de vraagstelling (15 j en ouder: 4%, 15-35j 10%, 15-25j 16%) onder in de top 5 van 24 EU landen. Het  lag boven dat in NL en BE. In oktober 2006 viel het contingent voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik onder de EU top4 (32%, EU en BE 26%, NL bovenaan met 49%: Standard EB 66). In mei 2008 was het bij 15-25 jarigen het grootst binnen de EU (voor gereglementeerd vrijgeven 53%, EU 31%, NL 52%, Flash EB 233) net als het deel dat dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen (82%: EU 63%, NL 71%). Het deel dat het risico van cannabisgebruik erg groot achtte (17%, EU27 40%: NL 26%, BE 32%) en het segment voorstanders van een verbod op cannabis (38%) was het kleinst. Het gedeelte Tsjechische jongeren dat tabak (20%, EU28%: NL 20%, BE 24%) of alcohol (18%; EU 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant vond was ook klein en het segment voorstanders van een verbod op tabak (16%, Eu en BE 18%, NL 9%) of alcohol (9%; NL 0,5%; BE 5%) gemiddeld. Het deel dat vrijgeven van drugs effectief beleid achtte was ook gemiddeld qua grootte (14%, EU 13%, NL 21%, BE 8%).

Sinds begin 2010 geldt het bij zich hebben van minder dan 15 gram cannabis in Tsjechië formeel niet langer als misdaad, maar als overtreding. In horecagelegenheden en op terrasjes onder het lommer wordt soms heel wat afgeblowd en patrouillerende agenten passen in dit soort situaties maar een gedoogbeleid toe.

In 2004 waren de Tsjechen met 157 liter per hoofd p/j de grootste bierdrinkers ter wereld. Hiermee overtroffen ze de Ieren en de Duitsers (de Belgen stonden 8e met 93 l en de Nederlanders 14e met 79 l). Officieel lag in 2003 de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers volgens de WHO op 13 liter per hoofd (4e EU25; EU rond 10 l, NL 9,7 liter). De OESO kwam voor 2005 op 12 liter (OESO 9,6 l), 3% meer dan in 1980 (OESO -15%). Het wekt dan ook geen verbazing dat eind 2006 het aandeel geheelonthouders onder de Eu25 normaal lag (18%, Eu 25%; BE 21%, NL 10%). Het volkdeel dat de gevolgen van alcoholgebruik eigen verantwoordelijkheid vindt was het grootst binnen de EU na dat in Slowakije (70%, Eu 52%; verantwoordelijkheid overheden 28 om 44%). De alcoholverkoop lijkt in Tsjechië naar EU maatstaf nogal prijsafhankelijk. Het volksdeel dat minder zou kopen als het 25% duurder werd was het grootst binnen de EU en het deel dat meer zou kopen als het een kwart goedkoper werd het op 2 na grootst. Verkoop zegt  in een land als Tsjechië echter niet alles over consumptie (men kan ook zelf produceren). Het aandeel voorstanders van een verbod op alcoholreclame gericht op jongeren ligt iets onder de Eu normaal. Voor automobilisten geldt een grens van 0,0 promille. De tabel  hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Tsjechië, NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

Tsjech

NL

BE

EU25

Dagelijks

4

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

11

12

13

7

Eens p/w 5 of meer glazen

18

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

7

8

9

13

Hierbij valt op hoe het antwoord op de vraag naar 5 of meer glazen in Tsjechië en in de EU als geheel nogal afhangt van de context waarin hij wordt gesteld.

Eetgedrag

De traditionele Tsjechische keuken is vet en calorierijk. Over het algemeen eten net als elders hoog opgeleiden ge­zonder en roken en drinken ze minder dan laag opgeleiden. Rond 2007 at men per hoofd naar EU maatstaf veel granen en suiker, een gemiddelde hoeveelheid aardappelen en weinig vlees en peulvruchten. Van de consumptie van groente en fruit is niet precies hoogte te krijgen omdat velen verzamelen en er een eigen moestuin en/ of fruit­bomen op na houden. Eind 2005 vond een relatief klein deel van de Tsjechen dat ze gezond tot erg gezond eten (71%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%) en in 2007 vonden naar verhouding velen dat ze ongezond eten (37%, EU 14%). Eind 2005 lag het volksdeel dat een gezond dieet associeerde met minder suiker (36%, EU 28%), vet (52 om 45%), calorieën (33 om 22%), koolhydraten (10 om 7%, meer 8 om 7%) en kunstmatige toevoegingen (16 om 13%) en met meer vis (38 om 25%) en fruit en groente (61 om 58%) boven de EU normaal en het deel dat het in verband bracht met minder zout (13 om 19%) of vlees (11 om 16%; meer vlees 6 om 3%) en minder fruit en groente (1 om 2%) of met biologisch eten (3 om 8%) lag daar onder. Relatief velen hadden er moeite mee zich aan een gezond dieet te houden (51%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werden tegenstrijdige en verwarrende info over wat gezond is (27 om 15%) en gezond is niet lekker (33 om 23%) relatief vaak opgevoerd als excuus (beide bij top4 EU25). Een vrijwel gemiddeld aandeel Tsjechen was in het jaar vooraf op dieet was geweest (22%, EU 20%) of had eetgewoonten veranderd (19 om 22%). Qua verandering scoorde men bij meer water (59 om 43%, Tsjechen drinken relatief veel bronwater) en meer fruit en groente (68 om 55%) duidelijk boven de EU normaal en bij minder vlees (12 om 20%, meer 6 om 4%),  vet (46 om 53%) of zout (23 om 27%) bleef men daar duidelijk onder. Relatief velen gingen op dieet vanwege een kwaal (23%, EU 18%) of om op gewicht te blijven (8 om 5%) en relatief weinigen om gezond te blijven (22 om 30%).

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen (79 om 85%) en het deel dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt dan 5 jaar eerder (69 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (71 om 83%) iets onder de EU normaal. M.b.t. de schuldvraag omtrent het laatste zag 74% ouders (EU 71%), 18% reclame (EU 18%), 5% vriendjes (EU 5%) en 2% wat kinderen op school leren (EU 3%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kon als 1e maatregelen beperking van adverteren op kinderprogramma’s op TV op de meeste steun rekenen binnen de EU (26 om 15%) en meer info voor ouders (20 om 34%), voedingsleer op school (12 om 20%) en betere schoolmaaltijden (2 om 11%) kregen de minste steun (bron: Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).