Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Volgens http://www.euro.who.int/en/where-we-work Estonia (met onder health care system een overzicht uit 2008) kende Estland rond 1900 private zorg (bijv. kerken), gemeentelijke zorg voor de armen en staatsziekenhuizen voor specifieke groepen als tbc en psychiatrische patiënten. In 1913/14, toen Estland een Russisch groothertogdom was, vormden werknemers van grote bedrijven de eerste ziekenfondsen. Tijdens de eerste onafhankelijkheid (1919-1939) bleef het aandeel verzekerden klein (rond 20% van de bevolking). Tussen 1945 en 1990 viel Estland onder de USSR en men kende het logge bureaucratische Semashko stelsel van de Sovjets. Er kwamen teveel ziekenhuisbedden en chirurgen, want in de opleiding van de laatsten was Estland gespecialiseerd. Beroepskrachten werden goed geschoold, maar m.n. hoog opgeleiden trokken als ze de kans zagen naar het westen om meer te verdienden (dit gebeurt ook nu nog). In Estland viel vergeleken met andere Oostbloklanden de rol van onderhandse betaling aan artsen mee. Wel werden ze vaak bedankt met een bos bloemen of een fles wodka etc. Bij de 2e onafhankelijkheid kregen opbouw van een sociaal verzekeringsstelsel en decentralisatie topprioriteit. Ook kregen eerste lijnszorg en volksgezondheid meer nadruk. Thans is er één landelijk ziekenfonds. Verder zijn alle zorgvorm voorzieners geprivatiseerd, maar de meeste instellingen zijn van rijk of gemeente. Sinds 2002 is de verantwoordelijkheid van artsen naar patiënten toe wettelijk vastgelegd. Meer recente issues zijn prijsbeheersing (bijv. medicijnen), optimaliseren van planning en prijsvorming, management van de gedecentraliseerde ziekenhuissector, invoering van elektronische patiëntendossiers en integratie van zorg en welzijn, m.n. in verband met de vergrijzing.

Naar organisatie valt gezondheidszorg onder het ministerie van sociale zaken met beleid, supervisie (vergunningen, eisen) en publieke financiering als hoofdtaken. De zorgdivisie ervan telt 4 onderafdelingen die voor 1993 onder verschillende ministeries vielen. Het parlement kent een comité van sociale zaken dat wetsvoorstellen voorbereid. De voorzitter ervan zit in de raad van toezicht van het Estische zorgverzekeringsfonds. Daarin zijn ook het ministerie, patiënten en werkgevers vertegenwoordigd. De gemeenten hebben veel in de melk te brokkelen qua ziekenhuiszorg. Ziekenhuizen werken op winstbasis of als stichting. Sinds 2008 mogen gemeenten eerste lijnposten opzetten. Ook vergoeden ze deels medicijnen en verpleegkosten voor de laagste inkomens. Zorgvorm voorzieners zijn autonoom. De wet onderscheidt eerste lijnzorg, spoedzorg, gespecialiseerde zorg (2e en 3e lijn) en verpleegzorg. Artsen zijn zelfstandig of in dienst van een private onderneming. In de volksgezondheid spelen NGO’s een hoofdrol en ze werken vaak op basis van projecten. Het Estische zorg verzekeringsfonds heeft hierin een belangrijke rol. Qua belangen organisaties zijn de meeste artsen lid van de Estische artsenbond (met 35 specialisaties). Verpleegkundigen kennen een dito eigen bond met 4 hoofdspecialiteiten (rond de helft ervan is lid). De Estische ziekenhuisbond telt 21 leden. Sinds 2005 is er een bond van bejaardenzorg instellingen en men kent een overkoepelende organisatie van patiëntenverenigingen. Patiënten mogen zelf hun huisarts of ziekenhuis kiezen. Op http://www.sm.ee/eng.html onder health staat een beleidsplan voor de zorg voor 2009 t/m 2019. Men wil het sterfteoverschot ombuigen naar een geboorteoverschot en de achterstand op noord en west Europese landen inhalen, bijv. qua (gezonde) levensverwachting en sterftecijfers. Een visie op wat daartoe moet gebeuren wordt gedetailleerd uit de doeken gedaan.

Beoordeling van de zorg

Op http://www.healthpowerhouse.com/ zijn onder international indexes uitslagen te vinden van onderzoek naar prestaties van het zorgstelsel van 33 landen op 38 indicatoren. In 2009 behaalde Estland met een score van 64% daarop een 18e plaats binnen de 27 EU landen, een flinke daling t.o.v. 2008 toen men 11e stond (men weet dit aan de kredietcrisis die Estland hard raakte). Estland scoorde relatief goed (7e EU27) op patiëntenrechten en informatie, rond gemiddeld op digitalisering en farmaceutica en onder gemiddeld op wachttijden, dienstenaanbod (20) en resultaten (bij laagste 5). Nazomer 2009 gaven de Esten hun zorgstelsel een 5,5 als cijfer (EU27 5,8). Toen vond 31% het goed (EU 42%) en 30% vond het slecht (EU 25%; Eurobarometer 321. wave 72.1, QA 57). Zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 5,6 (EU15: 5,7; EQLS 2007). Eind 06 rekende 53% van de Esten (Eu 26%) het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes en stond het bovenaan. Toen rangschikte 9% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 6% zorg voor gehandicapten daaronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Voor de komende generatie vinkte 24% (EU 17%) gezondheidszorg, 6% (om 10%) ouderenzorg en 4% (om 2%) gehandicapten zorg aan bij deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 rekende een doorsnee segment de gezondheidszorg voor zichzelf (16%, -5% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special EB 308, wave 71.1, QA5) en een klein segment voor het land  (8%, -5%, EU 12%,-4%) tot de top2 van zorgenkindjes. Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de buurt lag iets onder de EU normaal (64 om 73%; QA 20.5), vrijwel gelijk aan najaar 08 (+1 om -5%). In de tabel hierna staan uitslagen voor Estland, de EU en NL van onderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (special EB 283 wave 67.3). M.n. verpleeghuiszorg staat in de kinderschoenen. Veel Esten vinden het een afgang als bejaarden niet door familie worden verzorgd. Kwaliteit en beschikbaarheid van thuiszorg of specialisten laten echter ook te wensen over. Ziekenhuizen kenden veel wachtlijsten (slecht beschikbaar) en een flinke meerderheid vond de tandarts te duur.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

Est

EU

NL

Est

EU

NL

Est

EU

NL

Huisarts

78

84

89

89

88

92

6

11

6

Tandarts

78

74

92

76

74

89

72

51

28

Specialist

68

74

83

41

62

66

37

35

21

Thuiszorg

25

42

49

22

34

39

26

32

16

Ziekenhuis

67

71

87

55

76

80

22

25

19

Verpleeghuis

23

41

46

15

39

31

41

42

14

Het segment bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs was in 2009 bij de laagste inkomensgroep (onder 20% modaal) klein bij de arts (1,9%, Eu27 4,2%) en aan de grote kant bij de tandarts (9,3%; EU 7,6%; Eurostat, population, health, indicators from SILC survey). Beide segmenten waren t.o.v. 2006/07 naar EU27 maatstaf echter flink kleiner geworden.

Het financiële plaatje

In 2008 lagen de Estische zorguitgaven van de overheid) op 5,2% en in 2009 op 5,8% van het BBP (+8%; Eurolanden 7,4%; +8,5%; Eurostat, economy & finance, government statistics). Tussen 2005 en 2008 waren ze naar EL maatstaf sterk gestegen (+34 om +12%). De centrale overheid kwam op 2,4% van het BBP (EL toen 1,4%), de lokale overheden op 1,7% BBP (EL 1,5%) en de sociale verzekeringsfondsen op 4,5% BBP (EL 4,6%). In geld gaf de overheid in 2009 €840 miljoen en in 2008 €780 miljoen uit aan zorg. Met de private sector erbij kwam het uitgaven totaal in 2008 op 6,1% BBP. Het ziekenfonds, waar 95% van de bevolking onder valt, worden bijna geheel betaald door werkenden (bijdrage overheid 3%). In 2008 was de overheidsbijdrage relatief klein (11%, 13e van 22 landen), die van de private sector gemiddeld (22%; eigen bijdragen 20,5%, in 11 van 22 meer) en die van sociale verzekeringsfondsen relatief groot (68%, in 7 van 22 meer). Volgens OECD health at a glance Europe 2010 ging in dat jaar naar functie naar EU maatstaf een relatief groot deel van de uitgaven naar ambulante zorg (33 om 30%) en naar ziekenhuis en dagzorg (33 om 31%, dagzorg 4 om 4%), een doorsnee deel naar medicijnen en hulpmiddelen (25%) en relatief weinig naar collectieve diensten (5 om 6%; preventie en volksgezondheid 2,8 om 2,9%) en langdurige zorg (4 om 8%). Het deel van de ziekenfondsuitgaven voor gespecialiseerde poliklinische zorg ging tussen 2001 en 2007 van 27 naar 36% omdat men verblijf in het ziekenhuis wil verkorten en het aandeel voor thuiszorg steeg van 3 naar 14% van het budget voor ambulante zorg. In de GGZ ging het aandeel voor ambulante zorg tussen 2002 en 2007 van 20 naar 25% en dat voor medicijnen van 2 naar 4% van het budget. De overheidsuitgaven voor zorg pp p/j lagen naar koopkracht op 46% van het Eu gemiddelde.

Het deel van het huishoudbudget dat men in Estland uitgeeft aan gezondheid lag in 2009 met 4% rond de normaal van de Eurolanden (4,1%), maar in 2008 was het nog 2,6%. De stijging zat hem vooral in medicijnen en hulpmiddelen. De uitgaven daarvoor gingen van 1,9 naar 3% van het budget en werden daarmee veruit het hoogst binnen de EU (EU27 1,5%; EL 1,6%). Aan de dokter etc. (ambulante diensten) gaven de Esten  0,6% van hun budget uit (EL 1,7%) en aan het ziekenhuis 0,4% (EL 0,8%). Van de 21,5% private bijdragen van 2008 (EU 23,5%) kwam nog minder dan 0,1% op conto van een aanvullende private verzekering (EU 4,5%), 20,5% was toen eigen bijdrage en de rest kwam van bedrijfsfondsen en stichtingen. De EB was in 2009 wellicht hoger (zie boven). Men kende in 2007 o.m. een EB voor medicijnen, huisartsbezoek thuis (in Estland nog gebruikelijk), ziekenhuisopname en extra zorg bovenop het normale pakket (m.n. ziekenhuis, tandarts). Medio 2007 was het volksdeel dat voor zorg aan hulpbehoevende ouders had betaald of nog betaalde (8%, EU27 7%, NL 7%, BE 17%) of verwachtte daarvoor te moeten betalen relatief groot (19%, Eu 12%, NL en BE 19%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben schatte een iets boven gemiddeld deel (53%) in dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden (EU 48%, NL 35%, BE 70%, QA 21). Naar verhouding velen schatten toen in dat partner, familie of naasten ervoor op zouden draaien (51%, EU 39%, NL 9%, BE 44%) of dat overheid of sociale zekerheid zouden (mee)betalen (63%, NL 51%, BE 34%, EU 32%) en een relatief klein deel dacht dat een privé verzekering zou bijdragen (10%, EU 15%, NL 44%, BE 28%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

De 1e lijnszorg was in de Sovjet tijd gefragmenteerd met aparte voorzieningen voor volwassenen, kinderen en vrouwen. Ze vond m.n. plaats in de poli van ziekenhuizen. Huisartsen verwezen slechts door naar specialisten. De opleiding tot huisarts moest na 1990 min of meer opnieuw worden opgezet en specialisten moesten worden om of bijgeschoold. Nog tot 1998 werd de eerste lijn ingevuld door poli’s en gemeenten op basis van directe betaling. Daarna moest iedereen een huisarts nemen, kreeg de huisarts een wettelijke status en werd de betaling anders geregeld. In 2003 waren 800 huisartsen opgeleid, voldoende voor de 1,3 miljoen Esten. Onder de eerstelijnszorg vallen wettelijk de huisarts, verpleegzorg, sociale dienstverlening en onderwijs en onderzoek. In 2007 was 61% van de praktijken een solopraktijk; wel met de verplichte doktersassistente die ook eigen specifieke taken heeft; m.n. op het vlak van seksualiteit en gezin, dieet en ouderenzorg. Een praktijk mag tussen 1200 en 2000 patiënten per arts tellen (op eilanden soms minder; 23% plattelandspraktijken in 07) en het gemiddelde lag in 2007 rond 1800. Voor een aantal specialismen dient de huisarts als poortwachter. Daarbij moeten patiënten het consult zelf betalen als ze de huisarts overslaan. Uitzonderingen zijn bijv. ongelukken en de tandarts, oogarts, longarts, dermatoloog, gynaecoloog en psychiater. Er is in 2005 een bonusstelsel ingevoerd voor huisartsen die extraatjes doen, op het vlak van preventie en volksgezondheid (bijv. inentingen, diabetes en bloeddruk onderzoek). De meeste huisartsen hebben een contract met het ziekenfonds.

Het aantal artsenconsulten per hoofd p/j lag in 2009 met 7,1 rond de EU27 normaal (EU 6,8 in 2007; bron WHO) en het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging lag daar onder, m.n. in 2009 (najaar 2006: 57 om  62%, op doktersadvies 1 om 5%, EB 272e, wave 66.3, QB 46.1; najaar 2009: 45 om 58%, EB 330, wave 72,3). Op de DMFT index scoorde men rond 2003 met 1,6 kinderkies/ tand waar wat mee is hoog naar de maatstaf van Noord Europa, maar laag naar die van de nieuwe EU landen. Najaar 2009 hadden naar EU maatstaf weinigen het hele natuurlijke gebit nog (27%, EU27 41%) en het segment met een geheel of gedeeltelijk kunstgebit was aan de grote kant (33%). Eind 2006 namen 15plussers voor poliklinisch onderzoek in het jaar vooraf bij 6 van de 15 nagevraagde kwalen relatief vaak zelf het initiatief (bron EB 272e, wave 66.2). De arts scoorde bij doorlichten, hart en gehoor naar EU maatstaf hoog en bij 8 kwalen relatief laag en bevolkingsonderzoek was bij geen enkel onderzoek naar verhouding vaak de aanleiding. Bij vrouwenkwalen scoorde naar EU maatstaf qua deelname alleen overig gynaecologisch onderzoek relatief hoog (42 om 32%). Alle andere onderzoeken bleven onder de EU normaal (uitstrijkje 22 om 41%, borstonderzoek handmatig 19 om 43% en via doorlichten 20 om 31%; eierstokken 20 om 30%, botontkalking 8 om 14%). Bij de andere kwalen was de deelname aan onderzoek naar bloeddruk (72 om 59%), hart (36 om 27%) of gehoor (18 om 16%) boven gemiddeld. Oogonderzoek kreeg een doorsnee deelname (38%) en doorlichten (56 om 62%), cholesterolbepaling (30 om 38%) en kankertests bleven laag (PSA voor prostaatkanker 4 om 13%, dikke darm 3 om 8%, overige kanker 6 om 12%).

Aan zorgpersoneel telde Estland rond 2008 per 10.000 inwoners een doorsnee aantal praktiserende artsen (34, EU 33) en vroedvrouwen (2,9) en weinig verpleegkundigen (64 om 75), tandartsen (5,5, nieuwe lidstaten 8,3), apothekers (6,4; EU 7,5) en fysiotherapeuten (1,8; 21e van 25 landen). Onder de artsen zijn huisartsen (10,5/10000, 5e van 23 landen), psychiaters (1,35; 9e van 23) en veel andere specialisten relatief dicht gezaaid. Tussen 2000 en 2008 groeide p/j het aantal huisartsen naar EU maatstaf sterk, i.e. met 17%. In de 2e lijnszorg streeft men een korter verblijf, minder bedden en een betere bezetting van bedden na. Een aantal kleine ziekenhuizen zijn daartoe veranderd in verpleeghuizen (3e lijn) of gespecialiseerde poliklinieken en /of gefuseerd. De meeste ziekenhuizen zijn van overheden (bijv. het rijk of een groep gemeenten). Ook zijn er gezondheidscentra en onafhankelijke specialisten praktijken in de 2e lijn. In 2008 kwamen er maxima voor wachttijden, maar ze zijn door beperkte capaciteit vaak nog lang. Soms vergoed het ziekenfonds daarom behandeling in het buitenland. Aan technologische uitrusting waren er in 2008 per 100.000 inwoners naar EU maatstaf weinig MRI eenheden (0,8, 9 van 22 landen meer) en CT scanners (1,5; EU1,9). Het land (1,3 m inwoners) telde verder 1 PET scan en 3 stralingstherapie installaties (ook relatief weinig). Het aantal ziekenhuis bedden per 10.000 inwoners (57 in 2008) lag op het EU gemiddelde en zakte t.o.v. 2000 in een doorsnee tempo (-20 om -22%). Daarbij is het aandeel curatieve bedden (69%) en psychiatrie bedden (10%) ook gemiddeld en het aandeel overige chronische zorgbedden buiten de psychiatrie groot (20 om 8%; overige bedden 2 om 13%). De verblijfsduur in een ziekenhuis was in 2008 aan de lange kant voor 22 EU landen (7,5 om 7,2 dagen) en was sinds 2002 niet gezakt (22 landen: -1,1 dag). Bij een normale zwangerschap (3,0d) was ze gemiddeld, bij een hersenbloeding aan de lange kant (17d) en bij een hartaanval het 3 na langst (10,1 om 7,9d). Het aantal ziekenhuisopnames per 100 inwoners (incl. sterfgevallen, excl. geboorten) ligt op de EU27 normaal (17,8 in 2008; bloedsomloop kwalen zoals infarcten 3,3 om 2,4%; kanker 1,7 om 1,6). Qua frequente behandelingen scoorde per 10.000 inwoners kransslagader verwijding (15 om 22) en heup vervanging (10 om 15) onder de EU normaal en staar (77, allemaal dagbehandeling) lag daar op. In 2008 was 48% van de vrouwen gescreend op baarmoederhalskanker (EU 55%). De sterfte aan deze vorm van kanker lag relatief hoog (0,7 om 0,5/10.000). Bij borstkanker lag het screen percentage op de EU normaal (51%) bij een vrijwel gemiddelde sterfte (2,3 om 2,4).

Qua sociale en langdurige zorg is in de revalidatie na 2006 de aandacht verschoven ven procedure naar team van specialisten. Mede omdat daar een tekort aan is kan maar 20% van de revalidatievraag worden ingevuld en dan nog met lange wachttijden. Ook is er een ernstig tekort aan verpleeghuis voorzieningen en de toegankelijkheid wordt verder beperkt door versnipperde financiering. Sinds 2003 zit thuiszorg en sinds 2004 geriatrische diagnostiek in het fondspakket. M.n. in de GGZ is na de Sovjet tijd de aandacht verschoven van langdurige opname naar vrijwilligheid, ambulante begeleiding, medicatie en korte opnames als crisisinterventie. Ondanks een gegroeid aantal psychiaters en psychiatrisch verpleegkundigen kent de sector een ernstig tekort aan personeel. Tussen 2000 en 2007 zakte het aantal bedden per 10.000 inwoners in de psychiatrie relatief sterk (-27 om -13% Eurostat) en het kwam iets onder de EU normaal (5.7 om 6,3/10.000 inwoners). Het aantal chronische zorgbedden buiten de psychiatrie is erg groot (11 om 4,4/10.000) en het steeg fors (+84%, EU -2%). De tevredenheid over kwaliteit en beschikbaarheid van thuiszorg en verpleeghuis lag in 2007 flink onder de EU maat en het volksdeel dat deze voorzieningen te duur vond was relatief groot. Een doorsnee aandeel Esten was toen zelf of bij een naaste in aanraking gekomen met een chronische zorgvraag (43%) en het deel ervan dat de geboden zorg en hulp volledig adequaat vond (54%) was aan de kleine kant. Op deze website staat bij Estland onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Esten, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special EB 283 wave 67.3, veldwerk medio 2007). Daarbij was de verwachte rol van verwanten relatief groot en wat groter dan gewenst en die van hulpdiensten klein en wat kleiner dan gewenst.

Vorm van steun of hulp

Est %

NL %

BE %

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

45

40

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

13

18

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

8

11

21

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

16

14

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

10

11

16

8

16

11

9

8

Weet niet

2

3

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting bij geboorte was in 2009 met 75,5 jaar naar EU maatstaf laag (EU27 79,8j in 08; m 69,8j om 78,1j; v 80,2 om 83,8j) en het manvrouw verschil hierin was groot (10,4 om 5,7 j), Het werd na 1998 1,1 jaar kleiner (Eurolanden 0,9j kleiner). Mannen werden tussen 1998 en 2009 5,9 jaar ouder en vrouwen 4,8 jaar. De gezonde levensverwachting voor 65plussers bleef laag naar EU maatstaf (v 5,3 j in 2009, EU 8,4j in 2008, m 5,5 om 8,2j), maar steeg tussen 2004 en 2009 wel relatief sterk (in NL zakte ze iets). De sterfte per 10.000 inwoners was in 2009 naar EU27 maatstaf nog hoog (84 om 60; Eurostat), maar de daling na 2000 was flink groter dan in de EU (-24% om -15%). Naar oorzaken was de sterfte aan bloesomloop kwalen hoog (42,2; EU 21,7) en de daling gemiddeld (-25%; hartinfarcten 20,5 om 7,9, -39 om -32%; herseninfarcten 6,6 om 4,2; -60 om -32%). De sterfte aan kankertumoren was ook boven gemiddeld (18,7 om 16,9) en de daling aan de kleine kant (-7 om -9%). Estland kende een hoge sterfte aan prostaat (3,8; hoogste EU, EU 2,5) en maagkanker (1,7 om 0,8, daling: 17 om 26%; overige vormen: longen/ luchtwegen 3,6 om 3,9, -17% om -7%; dikke darm 1,3 om 1,3, +9 om -10%; borst 1,3 om 1,3, -26 om -15%; endeldarm 0,8 om 0,6, -6 om -11%; keel/ mond 0,5 om 0,4, -20% om -8%). Relatief weinig Esten overleden aan ziektes van het ademhalingstelsel (2,4 om 4,4) bij een sterke daling (36 om 20%). De sterfte aan ziekten van het spijsverteringsstelsel was weer hoog (3,7 om 3,1; -10 om -12%). Het aandeel Esten dat een voortijdig einde vond door externe oorzaken (8,7 om 3,7) was het grootst binnen de EU na dat in Litouwen, maar wel bij een flinke daling (-40 om -19%; uitgesplitst: zelfmoord 1,8 om 1,0; -32 om -15%; moord 0,6 om 0,1; -60 om -40%; ongeluk 5,6 om 2,3; -42 om -32%, verkeersongeluk 0,8 om 0,7; -50 om -38%, vergiftiging 1,8 om 0,2; -28 om 0%). De sterfte door vergiftiging was hoogste binnen de EU. Dit is in de media wel gekoppeld aan gifbelten die de Sovjets nalieten.

De preventieve zorg werkte in de Sovjet tijd m.n. vanuit dwang en controle. In de huidige wetgeving ligt nadruk op netwerken en interdisciplinaire afstemming, al laat dit in de prakrijk vaak te wensen over (er zijn o.m. 3 ministeries bij betrokken). Door het EU lidmaatschap moest veel worden ingehaald qua gezondheidszorg in beroep en bedrijf en regels voor veiligheid. Bij de uitvoering hebben provincies en gemeenten een belangrijke rol. Qua preventie werkt men met 4jarenplanen met doelen en deadlines. Er is planning  voor preventie van hartvaat aandoeningen, HIV/AIDS, kanker en drugsverslaving en voor TBC controle. Ter voorkoming van ziektes is er een bonussysteem voor huisartsen die hierop screenen (bijv. op borstkanker). Bijv. bij HIV bestrijding spelen NGO’s ook een belangrijke rol. M.n. via het spuiten van drugs onder het verarmde Russische volksdeel werd het aandeel seropositieven het grootst binnen de EU (officieel 0,5% bevolking 2007, maar schattingen lopen op naar ruim 1%). Buiten dat ligt de vaccinatiegraad in Estland gelukkig ook hoog. In 2009 lag het aandeel bij een 9tal kindervaccinaties tussen 95 en 98% (EU tussen 68 en 96%, bron http://data.euro.who.int/hfadb/).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Estland (EE), Nederland, België en de Eu25 de eigen gezondheid beoordeelde (EB 272e wave 66.2). Daarbij verkeerde Estland in de onderste regionen van de EU.

Gezondheid

Est

NL

BE

EU25

Goed

51

82

81

73

Redelijk/matig

36

14

14

20

Slecht

13

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

42

26

23

29

Nee

58

74

77

70

Weet niet

0

0

0

1

Eind 2006 was het deel met een chronische kwaal het grootst binnen de EU. Onder 13 klachten groepen lag bij 9 het aandeel boven de EU normaal (reuma/artritis 29 om 22%, allergie 22 om 17%, hoge bloeddruk 21 om 19%, migraine/ hoofdpijn 19 om 16%, angst/ depressie 15 om 9%; maagzweer 7 om 4%, bronchitis 6 om 5%, hersenbloeding 3 om 2%, kanker 3 om 2%) en bij 2 daar onder (diabetes 4 om 6%, astma 5 om 7%; de overige 2 klachten kwamen op de EU normaal: staar 4%, botontkalking 5%). Ook het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was relatief groot (39 om 32%). Het volksdeel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag echter maar weinig boven de EU normaal (28 om 25%). Het was bij 4 kwalen groter dan gemiddeld (bloeddruk 42 om 36%, reuma artritis 29 om 24%, astma 8 om 3%, maagzweer 4 om 3%) en bij 4 kleiner (diabetes 11 om 15%, angst/ depressie 9 om 10%, botontkalking 4 om 8%, hersenbloeding 3 om 4%). Bij de andere 5 klachten lag het op de EU normaal. Het aandeel vrouwen van 50+ dat weet had van hormoontherapie bij overgangsklachten viel onder de kleinste binnen de EU (23 om 39%) en het gebruik ervan onder de laagste (3 om 6%: EB 272e wave 66.2). Voorjaar 2009 leek het er iets beter voor te staan dan eind 2006. Toen was 73% tevreden over de eigen gezondheid (EU 81%; 6 landen lager, Special EB 308 QA 20.4), maar medio 2009 was het volksdeel met psychische en fysieke chronische kwalen met 22% weer 2 na grootste binnen de EU (EU 14%, EB 317, wave 71.2; QE18).

De volgende tabel toont hoe men in Estland in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn relatief laag scoorde (EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06). Het idee van vatbaarheid voor winterdepressie in noordelijke landen werd hier mogelijk door bevestigd. Bij 5 van de 9 nagevraagde stemmingen (gelukkig, vitaal, energiek; niet afgepeigerd of moe) viel men onder de 5 laagste van de EU.

Item in %

Est

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

48

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

63

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

34

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

45

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

79

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

73

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

52

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

26

36

43

34

Nooit/ zelden moe

26

36

43

34

Ook de invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) was winter 05/06 naar Eu maatstaf relatief groot (minder presteren dan men wilde 29%, hoogste EU, EU 18%; slordiger dingen doen 20 om 14%, minder tijd in routines en werk steken 17 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4). Het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist was echter gemiddeld van grootte (6%), net als de groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten (21%). Relatief weinig Esten die emotioneel klem zouden komen te zitten, zouden professionele hulp zoeken (40%, EU 50%, BE 51%, NL 38%). Een familielid (62 om 50%), vriend (30 om 22%) of alternatieve hulpverlener (5 om 2%) scoorden relatief hoog, een geestelijke gemiddeld (2%) en een hulplijn relatief laag (1 om 2%). Toch was het volksdeel dat in het jaar vooraf feitelijk hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem relatief groot (17%, EU 13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 13 om 9%; apotheek 2 om 2%, psychiater 3 om 2%, psycholoog 1 om 2%; sociaal werk 1 om 0%, andere hulpverlener 4 om 3%). Bij maar 48% van de hulpzoekers was de huisarts voorpost (EU 70%, NL 45%, BE 66%). Het segment dat om dit soort reden in het jaar vooraf medicijnen nam was groot (10%, EU 7%, NL en BE 8%), een doorsnee segment werd opgenomen (1%, NL 1%, BE hoogste EU met 5%) en een relatief klein segment was in psychotherapie geweest (2 om 3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%). Naar verhouding weinig Esten vonden het moeilijk aan info over hulp te komen (hulpzoeker 33 om 37%, geen hulpzoeker 20 om 27%). Wellicht schamen veel Esten zich voor psychische problemen. De tabel hierna toont hoe in Estland de kijk op (mensen met) psychische problemen naar EU maatstaf te wensen overliet.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

Est

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

76

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

60

25

32

37

worden nooit weer beter

22

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

24

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in welke opzichten medio 2007 in Estland, België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA 24). Daarbij scoorde men (behalve alcohol drinken) boven de EU normaal en 4 keer in de EU top5.

Item in %

Est

NL

BE

EU25

Rokers

34

24

27

30

Overgewicht

27

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

34

28

29

24

Ongezond eten

26

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

6

7

8

7

Lawaaierige omgeving

11

5

10

8

Vervuilde omgeving

11

8

7

6

Werkstress

19

16

22

17

Relatiestress

17

7

11

10

Geen van deze problemen

16

31

24

32

In 2008 lag het volwassen volksdeel met ernstig overgewicht boven de EU normaal (18 om 15,5%) en het is na 2003 flink gegroeid (toen 13%, bron OECD). Bij kinderen was het echter nog relatief klein (10 om 13%). Een doorsnee segment (3%) had in 2005 ernstig ondergewicht (Eurlife indicator). Het volksdeel dat nooit sportte was in 2009 aan de grote kant, maar het deel dat verder weinig bewoog was relatief klein (zie onder sport op deze website). Ook bij kinderen was het segment dat dagelijks flink bewoog aan de kleine kant (11j: 22,5 om 25%, 15j 13,5 om 15,5%, OECD health at a glance 2010). In 2008 rookte 26,3% (EU 24%) van de Esten van 15plus dagelijks tabak met een tamelijk groot MV verschil (m 31%, v 17; EU m 30%, v 19%; Flash EB 253 kwam op 18 om 26%; bij 15 jarigen: j 27%, EU 19%, m 19 om 19%). Men kent sinds 2007 een wettelijk rookverbod op werkplekken, in de horeca (bedienvrije geventileerde rookruimtes uitgezonderd) en in openbaar vervoer en publieke binnenruimtes.

Het toegegeven gebruik van cannabis is relatief laag. Rond 2004 stond men qua gebruik in de maand voor de vraagstelling (15 j en ouder: 1,3%, 15-35j 3%, 15-25j 6%; bron: EMCDDA) 17e binnen 24 EU landen en het segment voorstanders van het Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik was klein (14% in oktober 2006, EU 25 26%, BE 26%; NL hoogste met 49%: Standard EB 66). In mei 2008 was onder 15-25 jarigen 27% voor gereglementeerd vrijgeven (EU 31%, BE 35%, NL 52%, Flash EB 233) en 35% achtte het risico van cannabisgebruik hoog (EU27 40%; BE 32%, NL 26%). Het deel dat dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen was aan de kleine (56%, EU 63%, BE 69%, NL 71%) en de aanhang voor handhaving van het verbod op cannabis aan de grote kant (71 om 67%). Vrijgeven van drugs als effectief beleid kreeg een vrijwel gemiddelde aanhang (12%, BE 8%, EU 13%, NL 21%). Het segment Estische jongeren dat tabak (23%, EU 28%: NL 20%, BE 24%) of alcohol (20 om 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant vond was ook aan de kleine kant en een verbod op tabak (14%, Eu en BE 18%, NL 9%) of alcohol kreeg relatief weinig bijval (5%; NL 1%; BE 5%, EU 9%). Het aandeel 15 jarigen dat toegaf in hun leven al een paar keer dronken te zijn geweest was in 2005/06 nogal groot (jongens 57%, m 42%; EU 38 en 30%, BE 32 en 22%, NL 30 en 21%).

In 2004 stonden de Esten met 80 liter per hoofd p/j 16e op de wereldranglijst van bierdrinkers (België 15e met 81 l, NL 17e met 77 l, bron wikipedia), maar rond 2008 was de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers met 14 liter per hoofd de grootste binnen de EU na die in Luxemburg (EU 10,8 l, BE 10,7 l, NL 9,6 l, bron OECD). Eind 2006 was het aandeel geheelonthouders klein (19%, EU 25%, BE 21%, NL 10%). Het volkdeel dat de gevolgen van alcoholgebruik eigen verantwoordelijkheid vindt was ook relatief klein (42 om 52%; verantwoordelijkheid overheden 52 om 44%). Hetzelfde geldt voor het aandeel Esten dat denkt dat zware drinkers gaan minderen als drinken duurder wordt (24 om 30%). Het volksdeel dat zelf minder zou kopen als het 25% duurder werd (24 om 33%) of meer als het een kwart goedkoper werd was ook klein (8 om 15%). Er was een relatief groot aandeel voorstanders van een verbod op alcohol reclame voor jongeren (85 om 76%). Voor automobilisten geldt een grens van 0,2 promille en het volksdeel dat dit niet wist was klein (16 om 36%). De tabel hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Estland, NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2). Deze uitslag komt slechts in lijn met de hoge consumptie in 2008 als Esten die drinken erg veel drinken.

Alcoholinname herfst 2006 (%)

Est

NL

BE

EU25

Dagelijks

3

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

7

12

13

10

Eens p/w 5 of meer glazen

17

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

4

8

9

13

Eetgedrag

Esten kopen per hoofd naar EU maatstaf veel suiker en weinig graan en plantaardige vetten/ oliën (Eurostat). In 2007 lag pp per jaar de hoeveelheid beschikbaar fruit (78 om 105 kg) en groente (96 om 116 kg) onder de EU normaal. Daar moet bij worden vermeld dat Esten veel uit de natuur of eigen tuin eten dat niet in de winkel is gekocht. Toch vonden eind 2005 relatief weinig Esten dat ze gezond eten (69%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%, EB 246, wave 64.3) en in 2007 was het deel dat vond dat men ongezond eet relatief groot (26 om 14%, EB 283, wave 67.3, QA 24). Het begrip gezond dieet (16 opties) werd (wat) vaker dan gemiddeld geassocieerd met niet teveel calorieën (24%) of toevoegingen (15%) of met biologisch eten (15 om 8%; de restoptie “anders” scoorde ook hoog: 18 om 11%). Bij 10 opties bleef het aandeel onder de EU normaal (gevarieerd 41 om 59%; minder: vet 40 om 45%, suiker 14 om 28%, zout 14 om 19%, koolhydraten 5 om 7%, vlees 9 om 16%, groente/fruit 1 om 2% of vis 0 om 1%; meer: groente en fruit 47 om 58%, koolhydraten 5 om 8% of vis 17 om 25%). Een doorsnee deel (3%) koppelde gezond aan meer vlees. Het segment dat moeite had zich aan een gezond dieet te houden was relatief groot (38%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werden als smoezen gebrek aan info over wat men eet (21 om 16%) en gezond koken is tijdrovend (36 om 31%) relatief veel aangevinkt en gezond is niet lekker (19 om 23%) en gebrek aan controle (kantines, junkfood e.d. 23 om 27%) naar verhouding weinig. Tegenstrijdige info over wat gezond is (16 om 15%) en gebrek aan info over gezond (12%) scoorden gemiddeld. Een vrijwel gemiddeld segment Esten was in het jaar vooraf op dieet geweest (18%, EU 20%) en een groot segment had eetgewoonten veranderd (30 om 22%). Qua verandering scoorden meer groente/fruit (69 om 55%) of vlees 6 om 4% en minder suiker 47 om 39%, vet 58 om 53%, zout 36 om 27% of alcohol 24 om 21% boven gemiddeld en minder calorieën (38%) of vlees (21%) en meer water (46%) rond gemiddeld. Relatief velen gingen op dieet om gezond te blijven (39 om 30%) en weinigen om af te vallen (25 om 34%, aankomen: 2 om 3%). Een kwaal scoorde met 19% ruim gemiddeld.

Qua opinie over eten lag het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen iets onder de EU normaal (81 om 85%). Het deel dat inschatte dat vergeleken met 5 jaar eerder zwaarlijvigheid meer voorkomt (41 om 81%) of dat men meer dikke kinderen ziet (48 om 83%) was klein. Feitelijk groeit bij volwassenen het te zware volksdeel relatief sterk. Bij kinderen tussen 11 en 15 was het deel met overgewicht in 2005/06 relatief klein (10 om 13%), maar de groei in 5 jaar tijd was bij jongens groot (j 50 om 33%, m 25 om 30%). M.b.t. de schuldvraag omtrent dikke kinderen zag een iets onder gemiddeld deel ouders (67%, EU 71%) of wat kinderen op school leren (2 om 3%), een doorsnee deel vriendjes (8 om 5%) en een iets boven gemiddeld segment reclame (20 om 18%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua eerste tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kregen betere info op verpakkingen (11 om 3%) en betere schoolmaaltijden 17 om 11% veel steun. Meer info voor ouders scoorde ruim gemiddeld (36%) en boodschappen over gezond in reclame voor junkfood (3 om 5%), meer les over gezond eten (12 om 20%) of beperking van adverteren in kinderprogramma’s op TV (10 om 15%) kregen een onder gemiddelde steun (bron: EB 246, wave 64.3 health and food).