Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en huidige stelsel

Op veel plaatsen in de wereld leggen medici de eed op Hippocrates af. Hippocrates (460-277 v Chr.) leefde en werkte op het Griekse eiland Kos. Na zijn dood werd daar een medische school opgericht die gewijd was aan Asclepios, de god van de geneeskunst. Deze school bleef meer dan 1000 jaar bestaan. De opbouw van een meer eigentijds stelsel van zorg en sociale zekerheid begon in Griekenland in de 19e eeuw met het opzetten van eigen verzekeringsfondsen door sommige beroepsgroepen. In 1934 kwam de eerste sociale verzekeringswet door het parlement die in principe be­stemd was voor de hele bevolking. Hooguit eenderde van de werkende populatie (voor­namelijk stedelingen) werd er echter door gedekt, maar in 1961 vormde de oprichting van een sociaal fonds voor de agrarische sector (toen de helft van de werkende bevolking) een belangrijke stap vooruit. In 1983 kwam daadwerkelijk een nationaal gezondheidsstelsel (ESY) tot stand. Na 2000 werd in het beleid nadruk ge­legd op decentralisatie, voor­komen van stigmatisering (gemeenschapsopvang en thuishulp voor psychiatrische patiënten, gehandicapten, chronisch zieken en bejaarden ter vervanging van gesloten in­richtingen) en verbeteren van de toegankelijkheid van de zorg voor m.n. minderhe­den en vluchtelingen. Er zijn rond 2003 een aantal internatio­nale congressen georgani­seerd om de Europese dialoog over de organisatie van de zorg te stimuleren. Iedereen die werkt valt via beroepsgroep gebonden sociale verzekeraars onder de publieke zorgverzekering. De belangrijkste ziekenfondskoepels zijn de IKA (50% van de verzekerden), de OGA voor agrariërs (25%) en ambtenaren (7%) en de OAEE voor MKB (13%).

De wet van 1983 garandeerde gratis zorg voor iedereen, maar in de praktijk valt dat erg tegen. De wachttijden zijn erg lang, voor een bloedonderzoek bijv een maand, voor doorwijzing naar een specialist tot 5 maanden en voor simpele operaties een half jaar. Wel konden ze worden ingekort via een private verzekering in combinatie met zwarte bijbetaling. Hoge ziekenhuisbeambten worden in Griekenland aangesteld op basis van politieke voorkeur, fondsvergoedingen voor ziekenhuizen en artsen zijn laag (in 2005 verdienden artsen wit gemiddeld 2,3 x modaal; bij 4 laagste van de 29 OESO landen) en ook verpleegkundigen verdienen slecht (bron Healthcare economist, healthcare around the world, Greece 2008). Dit maakt het stelsel gevoelig voor corruptie en achteruitgang van de kwaliteit. Desondanks scoorde het Griekse zorgstelsel in 2000 hoog op de wereldranglijst van de WHO (14e; hoger dan bijv het VK, Duitsland en de VS).

Beoordeling van de zorg

M.n. door de hoge eigen bijdragen en de inefficiënte orga­nisatie was men in 1997 binnen de EU na de Italianen het minst tevreden over de zorg. Van de Grieken vond toen 70% (NL 20%) grondige verbetering of totale herziening van hun stelsel nodig en 90% (NL 60%) was van mening dat de over­heid meer moet uitgeven voor ge­zondheidszorg. In 2002 was het deel dat grondige verbetering/ totale herziening nodig achtte nog groter (78,1%; hoogste EU15 na Portugal) en het deel dat kleine aanpassingen voldoende leek (15,9%) of dat vond dat het stelsel goed liep (2,9%) was het kleinste na dat in Portugal. In dat jaar was volgens Eurlife indicator slechts 13% van de bevolking tevreden met het stelsel (EU15 44%). De beoordeling van de kwaliteit van de zorg was de laagste binnen de EU15 na die in Portugal (5,2 om 6,4) en in 2003 was het cijfer voor het eigen zorgstelsel het laagste binnen de EU15 (5,1 om 6,4).

In 2007 gaven de Grieken hun gezondheidszorg en zorgvoorzieningen voor ouderen na de Bulgaren het laagste cijfer binnen de EU27 (respectievelijk 4,9 om 6,1 en 4,2 om 5,6). Toch bleef eind 2006 het volksdeel dat de gezondheidszorg tot de top3 van zorgenkindjes rekende onder de EU25 normaal (19 om 26%; NL 30%; Be 27%: Eurobarometer 273, wave 66.3). Hetzelfde gold voor het deel dat ouderen (4%, kleinste aandeel EU: EU 13%; NL 25%, Be 14%) of gehandicaptenzorg daaronder rangschikte (3%, EU 4%, NL 6%; Be 4%). Voor de komende generatie was de bezorgdheid evenmin wijdverbreid. Hier rekende 8% (EU 17%) gezondheidszorg, 2% (laagste EU, EU 10%) ouderenzorg en 2% (EU normaal) gehandicaptenzorg tot deze top3. In de tabel die nu komt staan de uitslagen voor Grieken, de EU27 en Nederlanders van opinieonderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid/ bereikbaarheid en prijs van zorginstituten (bron special eurobarometer 283 wave 67.3). Het Griekse volksdeel dat huisarts, tandarts, specialist of ziekenhuis te duur vond viel toen onder de top3 binnen de EU27.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

GR

EU

NL

GR

EU

NL

GR

EU

NL

Huisarts

73

84

89

78

88

92

43

11

6

Tandarts

61

74

92

72

74

89

75

51

28

Specialist

70

74

83

66

62

66

71

35

21

Thuiszorg

39

42

49

47

41

39

21

32

16

Ziekenhuis

48

71

87

70

76

80

45

21

19

Verpleeghuis

24

41

46

48

39

36

15

42

38

Het financiële plaatje

In 2000 werd 46% van de zorgkosten opgebracht door sociale verzekeringsfondsen. Ze betaalden het grootste deel van de ziekenhuisopnames en een kleiner ge­deelte van andere kosten. Verder kwam 42% uit privé-verzekeringen en eigen bijdragen (hoogste EU; tandartskosten 34%, 1e lijnszorg 31%, medicijnen 15%, ziekenhuis­zorg 12% in 1998). De rest (12%) werd in 2000 bij­gepast door de overheid, m.n. voor de infrastructuur en opleidingen. Grieken die niet chronisch ziek of gehandicapt waren betaalden toen voor de meeste medicijnen een eigen bijdrage van zo’n 25%. In 2000 gaf de over­heid 3,3% van het BBP uit voor zorg, maar tussen 2001 en 2004 was dat rond 5%. Wel bleef de overheidsbijdrage onder de EU normaal (EU15 van 7,2 naar 7,5%). In 2005 kwam volgens OECD health at a glance 2007 43% van de kosten uit publieke bron (42% uit belastinggeld, 1% uit sociale verzekeringen; in de 30 OESO landen incl. 19 EU landen 73%). In 2007 gaf men in Griekenland 9,6% van het BBP uit voor zorg (OESO 8,9%; bron OECD Healthdata 2009: how does Greece compare). Per hoofd lagen deze uitgaven (met vereffening van prijsverschillen) nog iets onder het OESO gemiddelde, maar de gemiddelde toename per jaar lag tussen 2000 en 2007 flink boven de OESO standaard (6,8 om 3,7%). Het publieke aandeel in de zorgkosten lag ook in 2007 nog flink onder het OESO gemiddelde (60,3 om 72,8%).

In 2005 werd maar liefst 57% van de medische kosten betaald uit eigen bijdragen en aanvullende verzekeringen (bij OESO top; OESO 25%, NL 28%). Het deel van het huishoudbudget dat men in Griekenland uitgeeft voor gezondheid lag dan ook flink boven de EU27 normaal (5,9%; hoogste EU na Portugal; EU 3,5%; NL 1,3%, BE 4,7% volgens Eurostat) en tussen 2000 en 2006 lag de stijging eveneens boven deze standaard (34 om 15%). Volgens het Griekse CBS (statistisch jaarboek) besteedden de rond 4,1 miljoen Griekse huishoudens in 2006 ruim €9,2 miljard aan medische uitgaven. Daarvan ging bijna eenderde naar producten en uitrusting en de rest naar medische diensten. Er moet vaak zwart worden bijbetaald, de eigen bijdrage voor medicijnen ligt rond 25%, slechts weinig tandartskosten worden door het ziekenfonds vergoed en brillen helemaal niet. Medio 2007 was het volksdeel dat had betaald, betaalde of verwachtte te moeten betalen voor zorg aan hulpbehoevende ouders gemiddeld naar Eu maatstaven (26 om 25%, NL 27%, BE 36%; bron Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben verwachtten relatief weinigen dat de private verzekering (8%, EU 15%, NL 44%, BE 28%) of overheid of sociale zekerheid de kosten zouden betalen (16%, EU27 32%, NL 51%, BE 34%). Het deel dat inschatte dat ze uit eigen zak opgehoest zouden moeten worden was erg groot (67%, EU 48%, NL 35%, BE 70%) en het deel dat dacht dat de partner of familie (75%, EU 39%, NL 9%, BE 44%) ervoor op zou draaien lag ook flink boven de EU normaal.

In Griekenland valt iedereen die werkt via beroepsgroep gebonden sociale verzekeraars onder de publieke zorgverzekering. Daarbij is ook een private verzekering mogelijk die naast de publieke dekking toegang biedt tot private voorzieningen en diensten (bijv snellere hulp). In 2007 had rond 8% van de Grieken dit pakket en het aandeel steeg snel. Artsen moedigen het vaak aan omdat de fondsvergoedingen erg laag zijn. Rond de helft van de artsen combineert een eigen praktijk met een fondspraktijk en voor privé verzekerde patiënten ritselen ze snellere hulp wanneer die hen gunstig weten te stemmen. In 2007 was slechts 83% van de Grieken verzekerd voor 1e lijnszorg en 97% voor ziekenhuiszorg. Het volksdeel onder de laagste inkomensgroep bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs lag boven het Eu gemiddelde (respectievelijk 9,2 om 4.9% en 10,1 om 7,6% in 2007; Eurostat).

Zorgvoorzieningen en gebruik

In Griekenland heeft rond de helft van de artsen en specialisten een eigen praktijk voor particuliere en fondspatiënten. Na 1983 is men op het platteland begonnen met het opzetten van gezond­heidscentra voor de pu­blieke 1e lijnszorg. In 2007 waren er 190  met in totaal 1000 bedden. Ook ziekenfondsklinieken en de poli’s van regioziekenhuizen voorzien in 1e lijnszorg (http://www.greeceindex.com/index.html). Artsen (waarvan de meesten specialist zijn) verwijzen door naar publieke ziekenhuizen. De wachttijden zijn vaak lang en doktersconsulten zijn in Griekenland relatief duur. Daarom halen velen bijv gratis advies bij de apotheek (pharmakeio) die te herkennen is aan een groen kruis. Veel medicijnen zijn in Griekenland zonder recept verkrijgbaar. Hiervoor bestaan aparte apotheken. Het gevolg van één en ander is dat Grieken relatief veel medicijnen innemen en dat het volksdeel dat naar dokter of tandarts gaat klein is (jaar tevoren respectievelijk 50,6% en 27,9% tussen 1999 en 2003, laagste 19 Eu landen). Ook eind 2006 lag het volksdeel dat in het jaar vooraf een tandarts zag voor controle flink onder de EU25 normaal (45 om 62%; Eurobarometer 272e/ wave 66.2 ). In 2005 was qua zorgpersoneel per 1000 inwoners het aantal artsen met een praktijk het grootst binnen de 29 OESO landen (4,9 om 3) en ook de groei in dit bestand lag tussen 1990 en 2005 flink boven de OESO standaard (2,6 om 1,5% per jaar). Veruit de meest artsen waren specialist (3,3/1000; hoogste OESO, OESO 1,7/1000; huisartsen 0,3/1000: OESO 0,8/1000). In 2006 telde men zelfs 5,4 artsen per 1000 (OESO 3,1), naar het aantal verpleegkundigen was toen erg klein naar OESO maatstaf (3,2 om 9,6/1000). In 2005 was ook de tandartsendichtheid groot (1,2/1000: grootste EU na Zweden: EU 0,6).

Eind 2006 lag qua poliklinische onderzoeken het aandeel 15plussers dat in het jaar vooraf de ogen (32 om 38%) of het gehoor (13 om 16%) liet testen of een darm (5 om 8%) of prostaatkankertest (10 om 13% ) liet doen onder het Eu gemiddelde. Het deel dat werd doorgelicht (35 om 36%), borstonderzoek liet doen (29 om 31%) of de bloeddruk liet meten lag rond die standaard (60 om 59%; BE 70%, NL 52%) en het deel dat een hartonderzoek onderging (32 om 27%) of het cholesterolniveau liet bepalen lag daar boven (55 om 38%, BE 44%, NL 26%; Eurobarometer 272e/ wave 66.2). Qua medicijnconsumptie was in 2005 de consumptie van antidiabetica en antibiotica  de hoogste binnen de OESO en de stijging daarin sinds 2000 was ook het grootst (antidiabetica 68 dagelijkse doses per 1000 inwoners, +28DDD; OESO 47, +14DD; antibiotica 35DDD, +6; OESO 21DDD, -0). Antidepressiva werden relatief weinig ingenomen, al was de stijging wel tamelijk groot (36DDD, +17; OESO 47DDD, +14).

Naast hun privé-praktijk werken specialisten vaak in ziekenhuizen. In 2007 waren er 313 van met 54.000 bedden. Publieke  2e lijnszorg vond toen plaats vanuit algemene ziekenhuizen met 72% van het beddenbestand (37.700) en gemengde en gespecia­liseerde ziekenhuizen met 28% van het bestand (15.300). De 167 privé-ziekenhuizen (meestal alge­mene en zwangerschap klinieken) telden 14.700 bedden (27%). Sinds 1992 mogen er geen privé-ziekenhuizen worden bijgebouwd. Qua voorzieningen en bedden is Athene e.o oververtegenwoordigd en het platteland komt er bekaaid vanaf. Het aantal bedden per 1000 inwoners is klein naar EU maatstaven en zakt minder snel dan in de EU (GR 4,74 in 2005; -8% t.o.v 1997: EU15 5,71; -15%). In 2005 lag het aantal acute zorgbedden met 3,87/1000 vrijwel op EU15 niveau. De tabel hierna biedt info over technologische voorzieningen per miljoen inwoners in 2005.

Voorziening

GRIE

NL

België

OESO

MRI

13,2

5,6

6,6

9,8

CT scan

25,8

5,8

31,6

20,6

Mammografie

36,5

?

21,3

19,9

Tussen 1999 en 2003 was het aandeel Grieken dat in het jaar vooraf 1 of meer nachten in het ziekenhuis verbleef met 4,2% het kleinste binnen 17 Eu landen na dat in NL (NL 4,1%, Be 10,9%). De doorsnee opnameduur in ziekenhuizen liep tus­sen 1990 en 2005 naar OESO maatstaven weinig terug en kwam daardoor uit boven het OESO gemiddelde (van 7,5 naar 6,9 dag; OESO van 8,7 naar 6,3 dagen). Het aandeel patiënten dat werd behandeld voor nierfalen lag in 2005 rond de OESO normaal 9.3/10.000. De behandeling is dan naar verhouding vaak nierdialyse. Het aantal hiervan steeg tussen 1990 en 2005 relatief sterk (van 14 naar 75/100.000: OESO van 19 naar 61/100.000), maar tussen 1985 en 2005 bleef het aantal patiënten met een functionerende getransplanteerde nier achter bij de OESO ontwikkeling (van 5 naar 17/100.000; OESO van 8 naar 32).

In Griekenland ligt qua chronische zorg het aantal psychiatrische bedden flink boven de EU normaal en het zakte relatief weinig (0.87/1000: -18% t.o.v 1997: EU15 0,57/1000, -24%; bron Eurostat). Daarbuiten is het aantal bedden in de chronische zorg klein 0,24/1000 in 2000; EU15 0,52/10.000). Hulpbehoevende ouderen worden vanouds geholpen door de familie etc, maar verpleeghuiszorg en hulpdiensten zijn in opkomst. Ook professionele thuishulp/ zorgdiensten zijn relatieve nieuwkomers. Op Culturescope staat bij Griekenland onder bevolking etc/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Grieken, Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special eurobarometer 283 wave 67.3 op basis van medio 2007 gedaan veldwerk).

Vorm van steun of hulp

GR%

NL%

BE%

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc

66

63

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

15

18

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

7

11

9

12

10

10

10

12

Bij familie etc thuis

3

6

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

4

10

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

0

8

3

2

1

9

6

Bronnenbaden (zoals in Edipsos in de buurt van Thessaloniki) vormen in Griekenland al millennialang een belangrijke vorm van alternatieve gezondheidszorg.

Volksgezondheid en levensstijl

In 2007 lag in Griekenland de levensverwachting wat onder het EU15 gemiddelde (m 77,1 jaar; EU15 in 2006 77,4j; v 81,8j; EU15 83,3j). De stijging erin sinds 1996 bleef achter bij die in de EU15 (m +2j; EU +3,2j; v +1,6j; Eu +2,3j). Manvrouw verschillen zijn in Griekenland vaak groot, maar in dit opzicht waren ze klein naar EU15 maatstaven (4,7 om 5,9j in 2007). De gezonde levensverwachting was in 2006 nog relatief hoog (m 66,3j; EU15 64,5j in 2003; v 67,9j; EU 66j in 2003), maar ze is bij vrouwen tegen de EU trend in gezakt (-1,7j t.o.v 1996: EU +2,1 jaar tussen 1999 en 2003). Dit betekent dat de beide geslachten in Griekenland qua levensverwachting naar elkaar toe zijn gegroeid. Hetzelfde gebeurde met het rookgedrag. Tussen 1990 en 2005 nam onder de dagelijkse rokers het aandeel vrouwen toe met 20% terwijl het aandeel mannen 10% zakte.

De sterfte per 10.000 inwoners lag in 2006 rond het EU25 gemiddelde (61,7 om 61,9; 62,3 in 2007 bron: Eurostat) en boven het EU15 gemiddelde. Ze zakte tussen 1996 en 2006 minder sterk dan in de EU15 (GR -9,6/ 10.000; EU -13,2/10.000). In 2004 lag de voortijdige sterfte onder het OESO gemiddelde (339 om 371 per 10.000 inwoners), maar de daling na 1970 was iets kleiner dan gemiddeld in de landengroep (Gr -441/10.000; OESO -458/10.000). De babysterfte tijdens het 1e levensjaar lag in 2005 flink onder de OESO normaal (3,8 om 5,4 per 1000) en de teruggang ging tussen 1970 en 2005 snel (5,7 om 4,6% p/j; 3 na snelste daling OESO). In 2006 lag de sterfte door ongevallen boven de EU15 normaal (2,7 om 2,1/10.000). Wel zakte ze tussen 1996 en 2006 iets meer dan in de EU15 (van -0,7/10.000; EU15 -0,6/10.000 t/m 2006). De sterfte door verkeersongevallen zakte ook sterker dan in de EU15 (-0,74/10.000 om -0,38/10.000), maar ze bleef de hoogste binnen de landengroep (1,44/10.000 in 2007: EU 0,77/10.000 in 2006). Veel Grieken rij­den roekeloos, zonder gordel en met drank op en het land kent veel bergwegen met ono­verzichtelijke bochten. Daar staat tegenover dat het Griekse zelfmoordcijfer het laagste is en bleef binnen de EU (0,26/10.000 in 2007; EU15 0,92; EU27 1,03 in 2006). Hetzelfde geldt voor de sterfte door alcoholisme (bron Eurostat).

Na 2000 verloor Griekenland bij een aantal sterftecijfers haar gunstige positie doordat ze relatief weinig daalden. De sterfte door chronische ziekten was laag, maar kwam in 2006 met 10,7/10.000 vrijwel op het EU15 gemiddelde (Gr -1,2; Eu15 -3/10.000 vanaf 1995). Ook de sterfte door kanker is in die tijd weinig gedaald (-1/10.000: EU15 -2,3/10.000), maar ze bleef onder de EU15 normaal (15,5 om 16,8/10.000; in 2007 echter 15,8/10.000). Bij prostaatkanker (1,9 om 2,5/10.000) en borstkanker was ze in 2004 laag (2,1 om 2,2/10.000) en bij longkanker hoog door de rokende mannen (m 5,8 om 3,8; v 1 om 2). Ook de voorheen lage sterfte door hartinfarcten kwam in 2006 vrijwel op de EU15 normaal doordat ze na 1995 weinig zakte (7,6 om 7,8; -1,7 om -3,5; in 2007 lag ze in Gr op 7,3/10.000). De sterfte door herseninfarcten behoorde in 2004 tot de 3 hoogste binnen de OESO (v 9,9 om 5,4; m 9,6 om 6,9; OECD health at a glance 2007).

De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Griekenland, Nederland, België en de Eu27 de eigen gezondheid beoordeelde (Eurobarometer 272e wave 66.2).

Gezondheid

GR

NL

BE

EU25

Goed

80

82

81

73

Redelijk

15

14

14

20

Slecht

5

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

24

26

23

29

Nee

75

74

77

70

Weet niet

1

0

0

1

Met 24% lag het volksdeel met chronische klachten toen 5% onder de Eu25 normaal. Onder de EU normaal scoorde de groepen die ooit allergie (8 om 17%), astma (4 om 7%), spier, bot of gewrichtsklachten (12 om 22%), staar (2 om 4%), migraine/ zware hoofdpijn (9 om 16%), chronische bronchitis (2 om 5%) of maagzweren (3 om 4%) hadden. Ook het deel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door gewrichtsklachten was met 24% relatief klein (EU 32%). De groepen die ooit hoge bloeddruk (17%), diabetes (6%), kanker (2%) of botontkalking (6%) hadden lagen rond de EU normaal. Het deel dat voor een chronisch probleem in behandeling was lag ook rond het EU gemiddelde (25%). Hier scoorde hoge bloeddruk erg hoog (50%, hoogste Eu na Slowakije, EU 36%) en ook botontkalking (13 om 8%), diabetes (19 om 15%), maagzweer 5 om 3%, kanker 5 om 4%, migraine 6 om 5% en chronische bronchitis (5 om 4%) kwamen boven het Eu gemiddelde. De allergie groep (6%) kwam daar precies op en de groep die behandeld werd voor bot, spier en gewrichtsklachten (artrose, artritis, reuma, 21 om 24%), astma (7 om 9%), migraine (3 om 5%), hersenbloeding (2 om 4%) en staar (1 om 2%) of die hormoontherapie kreeg (3 om 6%) was relatief klein. Het aandeel vrouwen in de menopauze dat voldoende weet had van hormonentherapie was echter ook niet al te groot naar EU maatstaven (30 om 39%, NL 38%, BE 54%; bron Eurobarometer 272e wave 66.2). Het aandeel seropositieven was in 2005 met 0,1% van de bevolking klein naar EU/ OESO maatstaven. Hetzelfde gold toen voor het aantal nieuwe AIDS gevallen (9 per miljoen; OESO 19 per miljoen inwoners).

De volgende tabel toont dat men in Griekenland in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn naar EU25 maatstaven tamelijk laag scoorde (Bron EB 248 wave 64.4; het veldwerk is van begin 2006).

Item in %

GR

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

61

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

58

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

56

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

65

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

70

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

66

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

36

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

30

36

43

34

Nooit/ zelden moe

30

36

43

34

Zulke vragenlijsten meten ook in hoeverre men binnen de eigen landscultuur geestelijk onwel zijn (aan zichzelf) mag toegeven en dat plaatst de resultaten in perspectief. Zuidelijke EU culturen kennen soms een minder strak keurslijf qua emoties en expressie dan noordelijke. De neiging om bij psychische nood professionele hulp te zoeken is in Griekenland wat groter dan in NL (46 om 38%: EU 50%, BE 51%). Grieken gaan dan echter ook relatief vaak naar een familielid (62%, NL 49%, BE 54%, EU 53%) of naar vrienden (28%, NL 37%, BE 33%; EU 22%). Het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling voor een psychisch probleem daadwerkelijk hulp had gezocht (13%, BE 12%, NL 17%) of opgenomen was geweest (Gr, EU en NL 1%, BE hoogste EU met 5%) lag op de EU25 normaal, maar het deel dat daarvoor medicijnen had gekregen (4%, EU 7%, NL en BE 8%) of in psychotherapie was geweest (2%, Eu 3%, BE 4%, NL 7%) was relatief klein. Eind 2006 behoorde het Griekse volksdeel met chronische angst of depressieklachten tot de kleinste binnen de EU25 (5 om 10%, BE 16%, NL 13%). De tabel hieronder laat zien dat velen in Griekenland een relatief negatieve of achterdochtige kijk hebben op (mensen met) psychische of emotionele problemen.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

GR

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

77

59

67

63

zijn een gevaar voor anderen

42

25

32

37

worden nooit weer beter

24

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

21

6

11

14

Levensstijl

Uit de tabel hieronder valt op te maken hoe (op overgewicht na) medio 2007 relatief velen in Griekenland naar eigen oordeel ongezond leefden of in een ongezonde omgeving verkeerden (Bron Eurobarometer 283, wave 67.3).

Item in %

GR

NL

BE

EU25

Rokers

44

24

27

30

Overgewicht

16

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

37

28

29

24

Ongezond eten

21

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

10

7

8

7

Lawaaierige omgeving

18

5

10

8

Vervuilde omgeving

10

8

7

6

Werkstress

22

16

22

17

Relatiestress

20

7

11

10

Geen van deze problemen

22

31

24

32

In 2005 lag het deel met ernstig overgewicht boven de EU25 normaal (16 om 11%). Opmerkelijk is dat dit deel in Griekenland precies overeen komt met het volksdeel dat vond dat het te zwaar was, terwijl het volksdeel dat zichzelf te zwaar vindt in de Eu, NL en België flink groter is dan het deel met werkelijk ernstig overgewicht. Het deel met ernstig ondergewicht lag op de EU normaal (2%, bron Eurlife indicator). Eind 2005 was de groep die veel sportte gemiddeld qua grootte naar EU maatstaven, maar verder werd door weinigen gesport. Desondanks kreeg men redelijk veel lichaamsbeweging, maar men zat ook veel stil (zie onder sport). Tussen 1990 en 2004 steeg het gedeelte dagelijkse rokers onder 15plussers tegen de OESO landentrend in bij vrouwen van 11 naar 31% (+20%: OESO 19% in 2005; -20%). Bij mannen zakte het, maar minder sterk dan gemiddeld in de OESO (van 56 naar 46%; -10%; OESO 30%, -25%). In 2006 lag het landelijk op 40% (OESO 23,7%); het hoogste in de EU en de OESO. Sinds 1 juli 2009 geldt een rookverbod op de werkplek en in openbaar vervoer en horeca. Kleine etablissementen (minder dan 70 m²) zijn vrijgesteld en 30 tot 40% van het oppervlak van andere horeca mag als afgescheiden rookruimte fungeren. Wanneer de horeca deze regelgeving niet opvolgt wordt per 1 december een totaal rookverbod ingevoerd. Het valt nog te bezien in hoeverre dit lukt. Veel Grieken zien roken als een geboorterecht.

Het toegegeven can­nabisgebruik was rond 2005 in Griekenland het kleinst binnen 23 EU landen waar het was onderzocht. Het recente gebruik (maand voor vraagstelling) liep in 2004 uiteen van 1% bij 15-25 jarigen via 1,5% bij 15-34 jarigen naar nog geen 1% bij 15-65 jarigen. Rond begin oktober 2006 was in Griekenland 19% van de bevolking voor legalisatie voor eigen gebruik (NL 49%, EU 26%). De drugswetten van Griekenland zijn erg streng en cannabis staat er gelijk aan bijv cocaïne en heroïne. Medio 2007 lag qua opinie onder 15-25 jarigen het deel dat het risico van cannabisgebruik groot vond iets onder de EU27 normaal (45 om 49%: NL 26%) evenals het deel dat dacht dat makkelijk aan cannabis is te komen (59%: EU 63%, NL 71%). Het deel van de groep dat tabak (19%, EU28%: NL 20%) of alcohol (17%; EU 24%, NL 20%) erg riskant vond was ook relatief klein. Onder de leeftijdsgroep lag het gedeelte voorstanders van een verbod op cannabis (71%) iets boven de Eu normaal (67%) en het deel dat voor een verbod was op tabak (12%, Eu 18%, NL 9%) of alcohol (6%, EU 9%, NL 0,5%) lag daaronder. In de groep achtte 10% het vrijgeven van drugs effectief beleid (EU 13%, NL 21%) en 27%  was voor gereglementeerd vrijgeven van cannabis (EU 31%, NL 52%, Flash EB 233).

Volgens OECD health at a glance 2007 zakte tussen 1980 en 2004 in Griekenland de jaarlijkse consumptie van pure alcohol met 32% naar 9 liter (in 2005: BE 10,7 liter; -21%: NL 9,7 liter; -16%: OESO 9,5 liter; -15%). Eind 2006 lag het Griekse aandeel geheelonthouders iets onder de EU normaal (20 om 25%; BE 21%, NL 10%). De mate van alcoholconsumptie is in Griekenland naar EU maatstaven nogal prijsafhankelijk. Ook is het vertrouwen onder bestuurders in het effect van politiecontroles op alcoholgebruik het meest wijdverbreid binnen de Eu (92%, EU 80%, NL 74%). De tabel die nu komt geeft een indruk van de mate waarin najaar 2006 in Griekenland, NL, België en de EU vaak of veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname okt/nov 2006

GR

NL

BE

EU25

Dagelijks

10

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

2

12

13

7

Eens p/w 5 of meer glazen

9

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

6

8

9

13

Opmerkelijk hierbij is dat het antwoord op de vraag naar 5 of meer glazen in Griekenland, de EU en België afhangt van de context waarin hij wordt gesteld.

Eetgedrag

Vanouds is het mediterrane dieet arm aan vet en cholesterol, maar fastfood neemt in populariteit toe ten koste van dit gezonde dieet. Rond en na 2000 was het percentage van de bevolking met overge­wicht naar EU maatstaven redelijk normaal, maar het aandeel daarvan dat veel te zwaar was behoorde vooral bij kinderen tot de EU top. Veel Griekse gezinnen hebben tegen­woordig maar 1 kind dat overal waar het komt op gulle en gastvrije wijze wordt volgestopt met chips, patat met mayonaise, liters frisdrank vol suiker en snoepgoed. Desondanks lag de doorsnee consumptie van ge­zonde ingrediënten als vis, verse groente, fruit en olijfolie naar EU maatstaven nog steeds erg hoog en verzadigde dier­lijke vetten (boter, vet vlees ed.) werden weinig ge­geten. In de tabel hieronder staan veranderingen in het Griekse eetpatroon tussen 1974 en 2004.

Voedingsmiddel

% +

Voedingsmiddel

% –

Yoghurt

92

Eieren

53

Vlees

59

Brood

37

Kaas

44

Suiker

36

Melk

40

Gedroogde groente

17

Vis

27

Fruit

12

Pasta

26

Rijst

12

Olijfolie

21

Aardappels

1

Eind 2005 vonden relatief weinig Grieken dat ze gezond tot erg gezond aten (71%, Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%). Het deel dat meldde geen moeite te hebben om zich aan een gezond dieet te houden lag met 66% op de EU normaal (NL hoogste EU met 79%, BE 70%), maar het deel dat daar wel moeite mee had was vrij groot (34%: EU 31%). Gebrek aan informatie over wat gezond is (23%, EU 12%) en over wat men eet (22 om 16%), het argument dat gezond niet lekker is (34 om 23%) of dat gezond koken tijdrovend is (33 om 31%) werden vaker dan gemiddeld als reden aangevoerd voor een slecht dieet en tegenstrijdige informatie (10 om 15%) of geen vat op wat men eet (bijv kantines e.d 23 om 27%) minder vaak. Het aandeel dat in het jaar vooraf op dieet was geweest (26 om 20%) of dat eetgewoonten had veranderd lag iets boven de EU25 normaal (25 om 22%). Maatregelen tegen overgewicht (minder suiker 46 om 34%, minder calorierijk 49 om 38% minder zout 33 om 27%) kregen veel aanhang naast minder vlees (25 in 20%) en vet (56 om 53%) eten. Bij de opties minder alcohol (15 in 21%), meer groente en fruit (53 om 55%) of meer water (40 om 43%) scoorde men iets onder de EU normaal.

Qua opinie over eten hoorde in 2006 het volksdeel dat de uitspraak dat overgewicht slecht is voor de gezondheid volledig onderschreef bij top5 binnen de EU25 (volledig mee eens 89 om 76%, enigszins mee eens 11 om 21%). Qua aandeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen scoorde men ook relatief hoog (volledig mee eens 67 om 50%, enigszins 22 om 25%). Het volksdeel dat inschatte dat er meer dikke kinderen waren dan 5 jaar eerder was het op één na grootst binnen de EU (94 om 83%). Relatief weinigen vonden dat ouders (64 om 71%), school (2 om 3%) of vriendjes (3 om 5%) het meest bepalend zijn voor wat kinderen eten en velen zagen adverteren en promotie als boosdoener (31 om 18%). De stelling dat reclame en promotie e.d sterk verantwoordelijk zijn kreeg dan ook veel aanhang (totaal mee eens 38 om 28%; mee eens 52 om 53%). Het deel dat qua tegenmaatregelen heil zag in meer informatie voor ouders (50%, EU 34%) en voor scholen over goed eten en in meer gym (39 om 29%) was naar verhouding groot en gezondere schoolmaaltijden, beperking in TV reclame over ongezond eten bij school TV (10 om 14%) of voorlichtingscampagnes naar kinderen toe (10 om 14%) kregen niet zoveel aanhang (bron: Eurobarometer 246, wave 64.3 health and food).