Gezondheidszorg en volksgezondheid

Voorgeschiedenis en organisatie

Volgens http://www.euro.who.int/en/where-we-work Lithuania (health care systems in transition uit 2000) kende Litouwen tijdens de eerste onafhankelijkheid (1918-1940) een zorgstelsel volgens het model van Bismarck (ziekenfondsen met werkgever werknemer bijdragen en private artsen/ ziekenhuizen). Tussen 1945 en 1990 was het land een Sovjet republiek en daarom vigeerde het vanuit Moskou geleide, bureaucratische en uit belastinggeld betaalde Semashko stelsel van de Sovjets. Dit betekende gratis zorg voor allen en een goede preventieve zorg. Minpunten waren dat de zorg verder slecht van kwaliteit, moeilijk toegankelijk en autoritair was zonder oog voor regionale behoeften en individuele patiënten. Hoewel iedereen formeel gelijk was, werden partijleden meer als gelijken gezien dan anderen met een betere zorg als gevolg. Beroepskrachten werden goed geschoold (de Litouwse cardiologen stonden bijv. goed bekend in de Sovjet Unie), maar m.n. hoog opgeleiden werden slecht betaald en raakten vaak overwerkt. Als ze kans zagen gingen ze naar het westen om meer te verdienden. Net als in veel andere Oostbloklanden werd de rol van zwarte bijbetaling of diensten aan artsen groot.

Bij ingaan van de 2e onafhankelijkheid werd gratis gezondheidszorg beloofd en het stelsel werd gedecentraliseerd. De rol van gemeenten in ambulante en ziekenhuiszorg werd groter. In 1992 kwam er weer een landelijke verzekering met een beperkte dekking via een staatsziekenfonds. Het kreeg geld van het ministerie en betaalde de instellingen uit op contractbasis. Men werkte aan meer huisartsen en minder specialisten. Er was echter veel te weinig geld en planning (een soort allergie tegen het communistisch verleden) en de volksgezondheid ging achteruit. De private sector had voor 1995 de farmacie grotendeels in handen en hield een hoofdrol in tandheelkunde, gynaecologie, psychotherapie en cosmetische chirurgie. Na 1996 werd het budget van het staats ziekenfonds los gekoppeld van het ministerie en het kreeg 10 regionale fondsen. Ook werd toegewerkt naar een verplichte verzekering. Er kwamen gezondheidscentra en andere gemeentelijke voorzieningen voor de eerste lijnszorg en de huisarts werd poortwachter. Private 1e lijnszorg bleef beperkt. Tot 2000 waren er geen ziekenhuizen geprivatiseerd. Rond 2000 bepaalde de overheid in de 1e en 2e lijn prijzen voor medicijnen en diensten met eigen bijdragen en ze gaf richtprijzen voor diensten van sociale verzekeringsfondsen. In de 3e lijn, de private zorg en kuuroorden mocht hier van worden afgeweken. Private verzekeringen waren in opkomst.

Op http://www.sam.lt/go.php/health is info te vinden van het ministerie, waaronder een beleidsplan voor de zorg voor 2005 t/m 2010. Onder de doelen vielen verhoging levensverwachting (naar 73j) en immunisering, verlaging sterftecijfers (tbc, ongelukken en babysterfte -30%, kankers en infarcten rond -15%), stabiliseren van sterfte aan geestesziekten (incl. zelfmoord), vermindering kwalenfrequentie (mondholte/ cariës rond -15%, ergste gevolgen van suikerziekte -30%) en verbetering levenskwaliteit (aantal rokers -10%, verzadigde vetten -14%, alcoholconsumptie -25%, drugsgebruik -70%, fysiek actieve kinderen +50%, passieve volwassenen -30%).

Op http://www.sam.lt/go.php/eng/Public_Health/302/3/275 staat een adviesrapport van de wereldbank uit 2009. Dat biedt op blz. 65 t/m 74 info en kritische noten over het Litouwse zorgstelsel.

Beoordeling van de zorg

Op http://www.healthpowerhouse.com/ zijn onder international indexes de uitslagen te vinden van onderzoek naar prestaties van het zorgstelsel van 33 Europese landen op 38 indicatoren vanuit het perspectief van de gebruiker (Health Consumer Index). In 2009 behaalde Litouwen met een score van 55% daarop een 24e plaats binnen de 27 EU landen. Men scoorde onder de 33 landen (samen met 5 landen) 10e op patiëntenrechten en informatie, met 11 landen gedeeld 20e op wachttijden, met 7 landen gedeeld 23e op online zorg, met 4 landen gedeeld 26e op resultaten, 30e op voorzieningen bereik en (met 3 landen gedeeld) laagste op medicijnen. Nazomer 2009 gaven de Litouwers hun zorgstelsel een 5,2 als cijfer (7 EU landen lager; EU27 5,8). Toen vond 26% het goed (EU 42%) en 31% vond het slecht (EU 25%; Eurobarometer 321. wave 72.1, QA 57). Zorgvoorzieningen voor ouderen kregen in 2007 een 5 (5 na laagste, EU: 5,6; EQLS 2007). Eind 06 was het aandeel Litouwers dat het zorgstelsel tot de top3 van zorgenkindjes rekende het grootst binnen de EU (61%, EU 26%, voor de komende generatie 38 om 17%). Toen rangschikte 6% ouderenzorg (Eu 13%; NL 25%, Be 14%) en 4% zorg voor gehandicapten eronder (EU 4%, NL 6%; Be 4%). Voor de komende generatie rekende 4% (EU 10%) ouderenzorg en 2% (om 2%) gehandicapten zorg bij deze top3 (Special EB 273, wave 66.3). Voorjaar 2009 rekende echter een doorsnee segment de gezondheidszorg voor zichzelf (15%, -4% t.o.v. najaar 08; EU 17%, +1%; NL 27%; Be 8%: Special EB 308, wave 71.1, QA5) en een klein segment voor het land  (6%, -8%, EU 12%,-4%) tot de top2 van zorgenkindjes. Het deel dat tevreden was met de medische diensten in de buurt lag wel flink onder de EU normaal (51 om 73%; QA 20.5, -7 om -5% t.o.v. najaar 08). In de tabel hierna staan uitslagen voor Litouwen (LT), de EU en NL van onderzoek uit 2007 naar kwaliteit, beschikbaarheid en prijs van zorginstituten (special EB 283 wave 67.3). Alles scoort in LT relatief slecht. Veel Litouwers vinden het een afgang als bejaarden niet door familie worden verzorgd. Thuiszorg en verpleeghuis staan dan ook in de kinderschoenen en de meesten in LT hebben geen idee over kwaliteit, beschikbaarheid en vergoeding/ betaalbaarheid. Ziekenhuizen kenden veel wachtlijsten (slecht beschikbaar) en de huisarts in een eigen/ groepspraktijk kwam er na 1995 pas in.

Zorginstituut medio 2007

Kwaliteit OK %

Beschikbaar OK %

Te duur %

LT

EU

NL

LT

EU

NL

LT

EU

NL

Huisarts

77

84

89

80

88

92

10

11

6

Tandarts

64

74

92

63

74

89

51

51

28

Specialist

62

74

83

58

62

66

40

35

21

Thuiszorg

28

42

49

 27

34

39

29

32

16

Ziekenhuis

57

71

87

65

76

80

33

25

19

Verpleeghuis

23

41

46

19

39

31

27

42

14

Het segment bij wie een behoefte aan medisch of tandheelkundig onderzoek niet werd vervuld vanwege de prijs bij de laagste 20% van de inkomens is na 2006 flink geslonken en was in 2009 relatief klein (arts 1,7 om 4,2%; tandarts (5 om 7,6%; Eurostat, population, health, indicators from SILC survey).

Het financiële plaatje

Via het adviesrapport van de wereldbank uit 2009 (link onder voorgeschiedenis) en Eurostat is voor Litouwen info te vinden over dit onderwerp. In 2010 lagen de Litouwse zorguitgaven van de overheid op 5,5%, in 2009 op 5,6% en in 2008 op 5% van het BBP (+12% t.o.v. 09, in €’s echter -8%; EU 7,4%; +8,5%, +3% in €’s, Eurostat, economy & finance, government statistics). Tussen 2004 en 2008 waren de uitgaven in Euro’s ruim verdubbeld (EU27: +17%). Zo gingen de honoraria van artsen tussen 2004 en 2008 met 120% omhoog. Toch meldde in 2008 nog 31% van de Litouwers dat de zorg corrupt is en velen betalen onderhands bij. In 2010 bedroegen de overheidsuitgaven €1,5 miljard. Volgens Eurostat kwam €1,02m op conto van de centrale overheid, €0,62m op dat van lokale overheden en €1,18m op dat van sociale verzekeringsfondsen. De bestedingen van alle financiers aan alle zorgvoorzieningen kwamen volgens Eurostat in 2009 op 7,5% BBP. De centrale overheid nam 11% voor rekening (7% in 05), sociale verzekeringen 62% (60% in 05) en de private sector 27% (bijna volledig eigen bijdragen, 2 na hoogste van 22 EU landen, 33% in 05). Verder ging 36,5% naar ziekenhuizen (14e van 22 landen, algemeen 30,1%, 15e van 22; psychiatrisch 1,5%, 9e van 19, anders speciaal zoals kuuroorden 4,8%, 5 van 18 meer), 30% naar medicijnen en hulpmiddelen (20e van 22); 22,5% naar ambulante zorgvoorzieningen (16 van 22; gezondheidscentra 16%, 2e van 21 landen, tandarts 2,6%, 21e van 22; arts 03%; thuiszorg 0,01%, beide veruit laagste); 6,4% naar mantelthuiszorg (2e van 22), 2,6% naar administratie en verzekering (11 van 22); 1,6% naar verpleeg/ verzorgingshuizen (16 van 21) en 0,14% naar volksgezondheid programma’s (20 van 22). In 2008 bestond 85% van de betalingen aan de 1e lijn uit patiëntenvergoedingen (per patiënt), 9% uit vergoeding voor preventieve diensten en 6% uit prestatiebonussen. In 2009 en 2010 is op gezondheidszorg relatief weinig bezuinigd. Wel zijn in LT de eigen bijdragen nog hoog (2 na hoogst 22 landen) en privaat bijverzekeren staat in de kinderschoenen.

Het deel van het huishoudbudget dat men in Litouwen uitgeeft aan gezondheid lag in 2005 op 5%, in 2006 op 4,1% en in 2009 weer op 4,9% (EU27 van 3,4% in 05 naar 3,7% in 09). Daarbij ging erg veel naar medicijnen en hulpmiddelen (3,6%, veruit hoogste EU, EU 1,5%) en relatief weinig naar ambulante diensten zoals de dokter (1,1 om 1,6%) en ziekenhuisdiensten (0,2 om 0,6%). Medio 2007 was het segment klein dat had betaald of betaalde voor zorg aan hulpbehoevende ouders (1%, EU27 7%, NL 7%, BE 17%), maar een iets boven gemiddeld segment verwachtte ervoor te moeten betalen (14%, Eu 12%, NL/ BE 19%; Special EB 283, wave 67.3). Wanneer men zelf langdurig betaalde (thuis)zorg nodig zou hebben schatte een iets boven gemiddeld deel in dat het uit eigen zak opgehoest zou moeten worden (52%, EU 48%, NL 35%, BE 70%, QA 21). Velen dachten dat partner, familie of naasten ervoor op zouden draaien (50%, EU 39%, NL 9%, BE 44%) en weinigen vermoedde dat overheid of sociale zekerheid zou (mee)betalen (20%, NL 51%, BE 34%, EU 32%) of dat een privé verzekering zou bijdragen (11%, EU 15%, NL 44%, BE 28%; meer opties mogelijk).

Zorgvoorzieningen en gebruik

De 1e lijnszorg was in de Sovjet tijd gefragmenteerd met aparte voorzieningen voor groepen en veel mobiele spoeddiensten. Ze vond m.n. plaats in poliklinieken. Ook was er wel een taakverdeling tussen een “arts internist’ en een assistente die zich onledig hield met preventie, alle vrouwenzaken en chronisch zieken. De opleiding tot huisarts werd na 1995 opgezet en specialisten moesten worden om of bijgeschoold. Nu vindt zorg in de 1e lijn plaats vanuit gemeentelijke voorzieningen als gezondheidcentra en poliklinieken en gespecialiseerde posten voor school, buurt, vrouwen, verpleeghuis of GGZ en vanuit private artsen en tandartsen praktijken. De meeste tandartsen (80% in 2000) werken in een eigen (in plaats van gemeentelijke) praktijk. In 2008 werkte nog maar 25% van de artsen in de 1e lijn (in Frankrijk 50%). Van de artsen gaf 23% aan dat ze wel privaat bijverdienden maar slechts 8% meldde dat de hoofdbron van inkomsten een privé praktijk was. Van de patiënten stond 23% ingeschreven bij een private arts onder contract bij het staatsziekenfonds. De patiënt kiest zelf de huisarts. Deze is in Litouwen poortwachter. Het aandeel specialisten consulten via doorverwijzing steeg tussen 1996 (instelling poortwachter rol huisarts) en 1998 van 30 naar bijna 80%. De wereldbank (en WHO) vonden in 2009 dat huisartsen te makkelijk doorverwijzen. Daarom wilde het staatsziekenfonds meer (criteria voor) prestatiebeloning invoeren. Ook vond men de praktijken in de 1e lijn te klein en de ratio huisarts verpleegkundige te laag. In 2009 telde Litouwen per 100.000 inwoners 69 huisartsen (oude EU15 97; NLS 50).

Volgens http://data.euro.who.int/hfadb/ lag het aantal artsenconsulten per hoofd p/j in 2009 met 6,85 iets boven de EU27 normaal (6,2) en het volksdeel dat in het jaar voor de vraagstelling naar de tandarts ging lag daar onder (najaar 2006: 52 om 62%, op doktersadvies 2 om 5%, EB 272e, wave 66.3, QB 46.1; najaar 2009: 46 om 57%, EB 330 wave 72.3). Op de DMFT index scoorde men bij 12 jarigen in 2005 met 3,7 kinderkies/ tand waar wat mee is slecht naar Europese maatstaf. Ook hadden najaar 2009 naar die maatstaf weinigen het hele natuurlijke gebit nog (31%, EU27 41%). Het  segment met geheel of deels een kunstgebit was ook klein (21 om 31%). Eind 2006 hadden 15plussers in het jaar vooraf weinig poliklinisch onderzoek ondergaan (bron EB 272e, wave 66.2). Bij 3 van de 15 nagevraagde kwalen namen ze vaak zelf het initiatief, de arts scoorde bij 4 er van naar EU maatstaf hoog als initiatiefnemer en bij 6 was bevolkingsonderzoek relatief vaak de aanleiding. Bij vrouwenkwalen scoorden naar EU maatstaf qua deelname alle vormen relatief laag (overig gynaecologisch onderzoek 30 om 32%, uitstrijkje 31 om 41%, eierstokken 18 om 30%, borst handmatig 24 om 43%, borst doorlichten 16 om 31%, botontkalking 7 om 14%). Een onder gemiddeld segment vrouwen (28 om 39%) was bekend met hormoontherapie (menopauze) of maakte er gebruik van (4 om 6%). Kanker onderzoek scoorde ook laag (PSA/prostaat 10 om 13%, overig kanker 8 om 12%, dikke darm 4 om 8%). bij de 6 andere onderzoeken was een van bevolkingsonderzoek relatief vaak aanleiding. Daarbij was deelname aan cholesterol onderzoek onder (28 om 38%) en die aan de rest boven gemiddeld (hart 45 om 27%, doorlichten 44 om 38%, gehoor 21 om 16%, bloeddruk 63 om 59%, ogen 39 om 38%).

Op http://data.euro.who.int/hfadb/ en via Eurostat zijn recente cijfers te vinden over zorgpersoneel en voorzieningen. Litouwen had in 2009 per 100.000 inwoners naar de maatstaf van de oude EU (EU15) weinig en naar die van de nieuwe lidstaten (NLS) veel zorgpersoneel. Het aantal artsen kwam op 366/100.000 (EU15 350, NLS 270). Daaronder vielen volgens Eurostat 69 huisartsen (NL 72, BE 113), 26 kinderartsen (NL 9, BE 12), 21 gynaecologen (NL 8, BE 12), 17 psychiaters (BE 18, NL 20) en 116 andere specialisten (EU 90, NL 60, BE 78). Van alle artsen werkte 61,5% in een ziekenhuis (BE 41%, NL 44%). Onder de 700 verpleegkundigen/100.000 (EU15 910, NLS 600) was dat 67%. Verder telde men (per 100.000) 70 tandartsen (EU15 67; NLS 50), 66 farmaceuten (EU15 84, NLS 55) en 27 vroedvrouwen (EU15 30, NLS 40). Eurostat kwam op 82 fysiotherapeuten/100.000 (NL 160, BE 171). De 2e lijnszorg is in Litouwen inefficiënt van opzet (veel bedden, kleine ziekenhuizen, weinig poliklinische behandeling, veel opnames). Kort voor 2000 werden veel kleine ziekenhuizen verpleeghuis. Dit droeg bij aan veel chronische zorgbedden. Ook worden weinig doorzichtig en gebrekkig bestuur & controle en corruptie als kritiekpunten genoemd. Ziekenhuizen vallen onder het ministerie van gezondheid (soms de gemeente). Private bedden zijn er erg weinig (0,5%, EU 36% in 2009). Litouwen kent voor veel operaties lange wachttijden en wachtlijsten.

In 2009 telde Eurostat qua ziekenhuis voorzieningen aan technologische uitrusting naar EU maatstaf weinig MRI eenheden (0,5; 3 van 20 landen minder), mammografen (2 van 17 minder) en gamma camera’s (0,2; 1 van 19 minder), een doorsnee aantal CT scanners (1,9) en veel stralingstherapie eenheden (1, 15 van 19 minder) en (nier/galsteen) vergruizers (0,3; 10 van 15 minder). Qua computer voorzieningen liep men lang achter. Het aantal ziekenhuis bedden (680/100.000 in 2009) lag boven het EU gemiddelde (528), maar zakte t.o.v. 2000 sterk (-20 om -14%). Daarbij telde men veel curatieve (503 om 308), psychiatrie (102 om 44) en andere chronische zorgbedden (37 om 24). Het aandeel bedden in privéziekenhuizen was klein (0,5%, EU27 36%). De bezettingsgraad van curatieve beden ligt iets onder de EU normaal en zakte tussen 2000 en 2009 van 75 naar 72% (EU15 77%, NLS 71% in 09). In de chronische zorg ligt ze flink hoger (weinig voorzieningen). Het aantal ziekenhuis opnames per 100 inwoners (incl. sterfgevallen, excl. geboorten) ligt boven de EU27 normaal (22 om 17,5 in 2008; bloedsomloop kwalen zoals infarcten 4,2, hoogste EU, EU 2,4%; kanker 1,7 om 1,6%; mentale en gedragsstoornissen 1,1%, 8e EU). De verblijfsduur in een ziekenhuis zakte vanaf 2000 met 20% (EU15 -11%, NLS -22%) en was in 2009 vrijwel gemiddeld (8,3 dagen, EU15 8,9d, NLS 7,4d). Dat gold o.m. bij een staaroperatie (2,3 dagen), normale zwangerschap (3,7d), hartfalen (10,9d) en CVA (12d). Qua frequente behandelingen werden voor staaroperaties 38/10.000 inwoners opgenomen (in bijna alle EU landen minder, m.n. door meer poliklinische behandeling). In LT wordt relatief weinig gescreend op baarmoederhals (laagste EU) en borstkanker. In 2009 stond men naar frequentie van borstkanker rond plek 10 van de EU (NL en BE scoren bijv. hoger). De sterfte aan deze vormen van kanker lag ook relatief hoog (baarmoeder 1,04 om 0,5/10.000 in 2008; hoogste EU na Roemenië; borst 2,51 om 2,37/100.000).

Door lage geboortecijfers en vergrijzing wordt sociale en langdurige zorg in Litouwen belangrijker. In 2009 ging in het land een groot deel van het zorgbudget naar de relatief goedkope mantelzorg (6,4%, hoogste EU na Finland). Er ging weinig naar verpleeg en verzorgingstehuizen (1,6%, 16 van 21 landen meer) en erg weinig naar professionele thuiszorg (0,01%; veruit laagste EU). Het volksdeel dat langer dan een jaar in een psychiatrische inrichting verbleef is na 1993 sterk gezakt en is nu relatief klein (rond 7/100.000 tussen 2000 en 2009; EU rond 8/100.000). Het aantal bedden per 10.000 inwoners in de psychiatrie is erg groot (10 om 4,4 in 2009) en bleef vanaf 2005 vrijwel gelijk (-0,6%, EU -8%, Eurostat) en er zijn ook relatief veel chronische zorgbedden buiten de psychiatrie in ziekenhuizen (van 3,8 naar 3,7, EU van 2,5 maar 2,4). Het aantal bedden in verpleeg en verzorgingstehuizen is gemiddeld en steeg tussen 2005 en 2009 van 53,9 naar 57,3 per 10.000. De tevredenheid over beschikbaarheid, kwaliteit en prijs van thuiszorg en verpleeghuis viel in 2007 onder de laagste binnen de EU, maar de “weet niet” groep was het grootst omdat er weinig gebruik van wordt gemaakt. Een doorsnee aandeel Litouwers (40%) was toen in de 10 jaar vooraf zelf of bij een naaste in aanraking gekomen met een chronische zorgvraag en het deel ervan dat de geboden zorg en hulp volledig adequaat vond was ook gemiddeld van grootte (60%). Op deze website staat bij Litouwen onder bevolking/ leefsituatie van 65plussers vergelijkend onderzoek naar meningen omtrent bejaardenzorg. De tabel hierna geeft info over de verwachte (V) en gewenste (G) hulpsituatie onder Litouwers (LT), Nederlanders, Belgen en in de EU27 wanneer men zelf langdurig hulp nodig zou hebben (bron special EB 283 wave 67.3, QA20 veldwerk medio 2007). Daarbij was de verwachte rol van verwanten relatief groot en die van hulpdiensten klein. Ook de V G verschillen waren klein.

Vorm van steun of hulp

LT %

NL %

BE %

EU27 %

V

G

V

G

V

G

V

G

Thuis door familie etc.

56

58

29

33

34

40

45

45

Prof. hulpdienst thuis

10

12

37

42

35

34

23

24

Thuishulp zelf ingehuurd

7

6

21

12

10

10

10

12

Bij familie etc. thuis

11

10

1

2

3

4

4

5

Chronische zorginstelling

8

9

16

8

16

11

9

8

Weet niet

8

5

8

3

2

1

9

6

Volksgezondheid

De levensverwachting bij geboorte in Litouwen was in 2010 met 73,8 jaar het laagst binnen de EU (EU27 79,8j in 08; m 68j om 76,4j; v 78,9 om 82,4j). Het manvrouw verschil in leeftijd van overlijden was naar Eu maatstaf groot. Het bereikte in 2005 een piek van 12 jaar en zakte naar 10,9 j in 2010 (EU 6j). Mannen werden gemiddeld 2,7 jaar ouder dan in 2005 en vrouwen 1,5j ouder. De gezonde levensverwachting voor 65plussers bleef laag naar EU maatstaf (m 5,9 om 8,2j in 2009; v 6,7 om 8,3j). De sterfte per 10.000 inwoners was in 2009 het hoogst binnen de EU (96 om 60; Eurostat) en ze was na 2000 nauwelijks gedaald (EU -17%). Naar oorzaken was het segment Litouwers dat een voortijdig einde vond door externe oorzaken (11,5 om 3,7) het grootst binnen de EU bij een wat boven gemiddelde daling (-23 om -19%; ongeluk 6,8, hoogste EU, EU 2,3; -12 om -32%; zelfmoord 3,1, hoogste EU, EU 1,0, -36 om -15%; vergiftiging 1,6, hoogste EU na Estland, EU 0,2, +1 om 0%; moord 0,6 om 0,1, -42 om -40%; verkeer 1,2 om 0,7, -52 om -38%). De sterfte aan bloedsomloop kwalen was de 2 na hoogste (49 om 21,7) en de daling vrijwel nihil (EU -25%; hartinfarcten 31 om 8,0, -0,5 om -32%; herseninfarcten 12 om 5,2; -46 om +3%). De sterfte aan kanker was boven gemiddeld (19 om 16,9) en bleef vrijwel gelijk (-2 om -11%). LT kende de 3 na hoogste sterfte aan prostaat kanker (3,4; EU 2,5) en de 1 na hoogste aan maagkanker (1,6 om 0,8, -33 om -26%; overige vormen: longen/ luchtwegen 3,7 om 3,9, -4% om -7%; dikke darm 1,1 om 1,3, +9 om -10%; endeldarm 1 om 0,6, +5 om -11%; borst 1,5 om 1,3, 0 om -17%; keel/ mond 0,7 om 0,4, +15% om -8%). Ziekten van het spijsverteringstelsel kenden een hoge sterfte (5,6 om 3,1) bij een forse stijging (+41 om -12%). De sterfte aan ziektes van het ademhalingstelsel was aan de lage kant (3,7 om 4,4; -7 om -20%).

De preventieve zorg werkte in de Sovjet tijd m.n. vanuit dwang en controle. In de huidige aanpak ligt nadruk op preventie via voorlichting/ onderwijs. Verbetering van  levensstijl en geestelijke gezondheidszorg (GGZ) hebben een hoge beleidsprioriteit (veel alcoholisme, ongelukken en zelfmoorden) en men begint hier al mee op de basisschool. De tabel die nu komt geeft info over hoe men eind 2006 in Litouwen (LT), Nederland, België en de EU25 de eigen gezondheid beoordeelde (EB 272e wave 66.2). Daarbij scoorde Litouwen het slechtst binnen de EU.

Gezondheid

LT

NL

BE

EU25

Goed

44

82

81

73

Redelijk/matig

42

14

14

20

Slecht

14

4

5

7

Chronische kwaal

Ja

40

26

23

29

Nee

59

74

77

70

Weet niet

1

0

0

1

Voorjaar 2009 was het deel dat tevreden was over de eigen gezondheid het kleinst binnen de EU (63 om 81%; Special EB 308 QA 20.4), maar medio 2009 had maar 13% psychische/ fysieke chronische kwalen (EU 14%, EB 317, wave 71.2; QE18). Eind 2006 lag naar chronische kwalen (nu onder de leden of ooit gehad) onder 13 klachten groepen bij 7 het aandeel boven de EU normaal (maagzweer 13%, hoogste EU, EU 4%; bronchitis 10 om 5%, hoge bloeddruk 27 om 19%, reuma/artritis 27 om 22%, migraine/ hoofdpijn 22 om 16%, botontkalking 7 om 5%, angst/depressie 11 om 9%), bij 2 daar op (kanker 2%, hersenbloeding 2%) en bij 4 er onder (astma 3 om 7%, diabetes 4 om 6%, staar 3 om 4%, allergie 15 om 17%). Het volksdeel dat in de week voor de enquête in het dagelijks leven was beperkt door bot, spier en gewrichtsklachten was relatief groot (39 om 32%). Het deel dat voor een chronisch probleem in behandeling was, was ondanks dit alles aan de kleine kant (21 om 25%). Het was bij 4 categorieën relatief groot (maagzweer 8 om 3%, kanker 8 om 4%, overige 29 om 24%, bloeddruk 40 om 36%); bij 6 was het rond gemiddeld (reuma 25%, angst/ depressie 9%, botontkalking 7% migraine 5%, hersenbloeding 4%, staar 2%) en bij 4 relatief klein (bronchitis 3 om 4%, astma 6 om 9%, diabetes 10 om 15%, allergie 2 om 6%). Een klein aandeel vrouwen van 50+ had weet van hormoontherapie bij overgangsklachten (28 om 38%) en het gebruik ervan lag naar verhouding laag (4 om 6%: EB 272e wave 66.2).

De volgende tabel toont hoe men in Litouwen in de maand voor de vraagstelling qua geestelijk welzijn naar EU maatstaf laag scoorde (EB 248 wave 64.4; veldwerk winter 2005/06). Het idee van vatbaarheid voor winterdepressie in noordelijke landen werd hier mogelijk bevestigd (combinatie nogal noordelijke ligging LT met relatief geringe welvaart). Bij 3 van de 9 nagevraagde items viel men onder de 5 laagste in de EU.

Item in %

LT

NL

BE

EU25

Altijd/ veelal gelukkig

52

83

80

65

Altijd/ veelal kalm en vredig

71

76

76

63

Altijd/ veelal vitaal

58

76

72

64

Altijd/ veelal energiek

53

72

62

55

Nooit/zelden compleet in de put

61

83

83

78

Nooit/ zelden gedeprimeerd

54

78

75

71

Nooit/zelden erg gespannen

52

53

51

50

Nooit/ zelden afgepeigerd

31

36

43

34

Nooit/ zelden moe

31

36

43

34

Ook de invloed van emotionele problemen op werk en dagelijks leven (maand voor de vraagstelling) was winter 05/06 naar Eu maatstaf groot (hierdoor minder presteren dan men wilde 23 om 18%; slordiger dingen doen 23 om 14%, minder tijd in routines en werk steken 17 om 12%: QA8 in EB 248 wave 64.4). Het deel dat vanwege zorgen werkdagen had gemist was iets groter dan gemiddeld (7 om 6%) en de groep bij wie psychische of fysieke problemen de sociale contacten soms tot altijd beperkten viel onder de EU top (33 om 21%, QA6). Een relatief groot deel van de Litouwers zou professionele hulp zoeken als ze emotioneel klem komen te zitten (63%, EU 50%, BE 51%, NL 38%). Een alternatieve hulpverlener (2%) of geestelijke (2%) scoorden hier gemiddeld en een familielid (36 om 53%), vriend (12 om 22%) of hulplijn (1 om 2%) onder gemiddeld. Het volksdeel dat in het jaar vooraf feitelijk hulp had gezocht vanwege een psychisch of emotioneel probleem was aan de grote kant (16 om 13%, NL 17%, BE 12%; huisarts 12%, EU 9%; apotheek 4 om 2%, psychiater 3 om 2%, psycholoog 1 om 2%; andere hulpverlener 1 om 3%). Bij 71% van de hulpzoekers was de huisarts voorpost (EU 70%, NL 45%, BE 66%). Een boven gemiddeld segment nam om dit soort reden in het jaar vooraf medicijnen (11%, EU 7%, NL en BE 8%) of werd opgenomen (2 om 1%, NL 1%, BE hoogste EU met 5%) en een doorsnee segment was in psychotherapie geweest (3%, BE 4%, NL hoogste EU met 7%). Een dito segment Litouwers die hulp zochten vonden het moeilijk aan info over hulp te komen (36%, geen hulpzoeker 22 om 27%). Wellicht schamen velen zich voor psychische problemen, want de tabel hierna toont hoe in Litouwen (LT) de kijk op (mensen met) zulke problemen naar EU maatstaf te wensen overliet (QA12). Op 3 van de 4 de items zaten de Litouwers in de EU top5.

Mensen met psychische/ emotionele problemen

% mee eens

LT

NL

BE

EU25

zijn onvoorspelbaar

76

59

66

63

zijn een gevaar voor anderen

68

25

32

37

worden nooit weer beter

25

13

22

21

moeten het zichzelf verwijten

24

6

10

14

Levensstijl

De tabel hierna toont welk volksdeel in 9 opzichten medio 2007 in Litouwen (LT), België, Nederland en de EU naar eigen oordeel ongezond leefde of in een ongezonde omgeving verkeerde (Bron EB 283, wave 67.3, QA 24). Daarbij scoorde LT 6 keer in de EU top5 en het segment met “geen van deze problemen” was het kleinste in de EU.

Item in %

LT

NL

BE

EU25

Rokers

31

24

27

30

Overgewicht

26

26

25

20

Nooit/zelden intensief bewegen

51

28

29

24

Ongezond eten

45

7

10

14

(Wat) te veel alcohol drinken

11

7

8

7

Lawaaierige omgeving

13

5

10

8

Vervuilde omgeving

14

8

7

6

Werkstress

23

16

22

17

Relatiestress

12

7

11

10

Geen van deze problemen

12

31

24

32

Het volwassen volksdeel met ernstig overgewicht is in Litouwen relatief groot (20%, EU 15,5% in 2008), maar na 1998 weinig groter geworden (toen 19%, bron OECD). Het land kende een doorsnee manvrouw verdeling in deze (m 21 om 15%, v 19 om 16%). Bij kinderen was het segment met overgewicht erg klein (j 8 om 17%, m 4 om 9%). Een tamelijk groot segment (4 om 3%) had in 2005 ernstig ondergewicht (Eurlife indicator). Het volksdeel dat veel bewoog leek in 2009 relatief groot (Special EB 334, wave 72.3, QF 1 & 2) en bij kinderen was het segment dat dagelijks flink bewoog in 08 van doorsnee grootte (11j: 23,5 om 25,5%, 15j 16 om 15,7%, OECD health at a glance 2010). In 2008 rookte 26,5% (EU 24%) van de Litouwers van 15plus dagelijks tabak met een groot MV verschil (m 43%, v 15%; EU m 30%, v 19%; 15 jarigen: jongens 26 om 19%, m 18 om 19%). In Litouwen geldt een wettelijk rookverbod in het openbaar vervoer, op de werkvloer binnen en in publieke gelegenheden (bijv. horeca). In 2011 is in Vilnius een rookverbod op straat ingevoerd voor jongeren onder de 18 (Lithuanian Tribune).

Het toegegeven gebruik van cannabis is laag. Rond 2004 stond men qua gebruik in de maand voor de vraagstelling 23e binnen 24 EU landen (15 j en ouder: 0,5%, 15-35j 1,5%, 15-25j 2%; bron: EMCDDA) en het segment voorstanders van Europees vrijgeven van cannabis voor privégebruik was klein (16% in oktober 2006, EU 25 26%, BE 26%; NL hoogste met 49%: Standard Eurobarometer 66). In mei 2008 was onder 15-25 jarigen 19% voor gereglementeerd vrijgeven (EU 31%, BE 35%, NL 52%, Flash EB 233) en 48% achtte het risico van cannabisgebruik hoog (EU27 40%; BE 32%, NL 26%). Relatief veel jongeren dachten makkelijk aan cannabis te kunnen komen (69%, EU 63%, BE 69%, NL 71%), maar de aanhang voor handhaving van het verbod op cannabis was ook groot (79 om 67%) en vrijgeven van drugs als effectief beleid kreeg relatief weinig steun (8%, BE 8%, EU 13%, NL 21%). Een boven gemiddeld segment Litouwse jongeren vond tabak (31%, EU 28%: NL 20%, BE 24%) of alcohol (29 om 24%, NL 20%, BE 18%) erg riskant. Een verbod op tabak (15%, Eu en BE 18%, NL 9%) of alcohol kreeg daarbij een doorsnee steun (10%; NL 1%; BE 5%, EU 9%). Het aandeel 15 jarigen dat toegaf in hun leven al een paar keer dronken te zijn geweest viel in 2005/06 bij dit alles onder de EU top (jongens 57, m 50%; EU 38 en 30%, BE 32 en 22%, NL 30 en 21%).

In 2004 stonden de Litouwers met 76 liter per hoofd p/j 18e op de wereldranglijst van bierdrinkers (België 15e met 81 l, NL 17e met 77 l, bron wikipedia). Rond 2008 lag de pure alcoholconsumptie p/j onder 15plussers met 12,5 liter per hoofd boven de Eu normaal van 10,8 l (BE 10,7 l, NL 9,6 l, bron OECD) en de daling er in na 1980 was onbekend (EU -13%). Eind 2006 was het segment geheelonthouders klein (14%, EU 25%, BE 21%, NL 10%). Relatief velen vonden de gevolgen van drankgebruik eigen verantwoordelijkheid (60 om 52%; verantwoordelijkheid overheden 36 om 44%). Het segment dat denkt dat zware drinkers gaan minderen als drank duurder wordt was in LT van doorsnee grootte (28%). Wel claimden relatief velen dat ze zelf minder zouden gaan kopen als drank een kwart duurder werd (40 om 33%) of meer als het een kwart goedkoper werd (22 om 15%). Een ruim gemiddeld volksdeel was voor een verbod op alcohol reclame voor jongeren (80%). Voor automobilisten geldt een grens van 0,4 promille en een doorsnee segment Litouwers (33%) vinkte aan dat ze dat niet wisten. De tabel hierna geeft een indruk van de mate waarin najaar 06 in Litouwen (LT), NL, België en de EU onder 15plussers veel werd gedronken (bron EB 272b, wave 66.2).

Alcoholinname herfst 2006 (%)

LT

NL

BE

EU25

Dagelijks

1

18

14

13

5 of meer glazen per sessie

10

12

13

10

Eens p/w 5 of meer glazen

8

12

15

15

Vaker p/w 5 of meer glazen

4

8

9

13

Eetgedrag

Volgens http://data.euro.who.int/hfadb/ (lifestyles) lijkt het er op dat Litouwers weinig energie halen uit vetten (27%, EU en NL 37%, BE 40% in 2007) en veel uit eiwitten (13,6%, EU12,2%, NL 12,7%, BE 10,4%) en dat ze veel graan (149kg p/j, EU 125, BE 110, NL 83 kg) en weinig groente en fruit eten (187 kg, EU 225 kg, BE 201, NL 239kg). Eurostat kwam per hoofd naar EU maatstaf op veel aardappels, melk en peulvruchten, weinig suiker en erg weinig wijn. Daar moet bij worden vermeld dat Litouwers veel uit de natuur of eigen tuin eten. Vast staat dat eind 2005 het volksdeel dat aanvinkte dat men gezond eet het kleinst was binnen de EU (55%; Eu25 83%; BE 88%; NL hoogste EU met 95%, EB 246, wave 64.3, Q9) en in 2007 was het deel dat aanvinkte dat men ongezond eet het grootst (45 om 14%, EB 283, wave 67.3, QA 24). Het begrip gezond dieet (16 opties, EB246 QD8) werd wat vaker dan gemiddeld geassocieerd met meer vlees (5%, EU 3%) of vis 28 om 25% en minder koolhydraten 9 om 7%, calorieën 27 om 22%, zout 22 om 19% of vlees 18 om 16%. Meer groente & fruit (58%) of koolhydraten (8%) en minder vet (47%), suiker (26%) of toevoegingen (14%) scoorden gemiddeld en gevarieerd (43 om 59%) of biologisch (3 om 8%) kregen weinig aanhang (dit terwijl biologisch eten in Letland met 48% veruit de meeste aanhang binnen de EU kreeg). Het segment dat moeite had zich aan een gezond dieet te houden was relatief groot (41%, EU 31%, NL laagste EU met 20%, BE 29%). Daarbij werd als smoes gebrek aan controle (kantines, junkfood e.d. 38 om 27%) en gezond is niet lekker (29 om 23%) relatief vaak ingevuld en gezond koken is tijdrovend (27 om 31%) en tegenstrijdige (10 om 15%) of gebrekkige info over wat gezond is (9 om 12%) of over wat je eet (9 om 16%) weinig.

Een doorsnee segment Litouwers was in het jaar vooraf op dieet geweest (20%) en een tamelijk groot segment had eetgewoonten veranderd (26 om 22%). Qua verandering kregen hier minder vet (58 om 53%), zout (37 om 27%) of vlees (29 om 20%) relatief veel en minder koolhydraten (23 om 38%) of meer water (32 om 43%) weinig aanhang. Naar verhouding velen gingen op dieet om gezond te blijven (34 om 30%) of vanwege een kwaal (28 om 18%) en weinigen om af te vallen (22 om 34%, aankomen 2 om 3%). Qua opinie over eten was het volksdeel dat een rol voor de overheid zag weggelegd in het aanmoedigen van gezond eten en meer beweging door volwassenen iets aan de kleine kant (82%). Het deel dat inschatte dat zwaarlijvigheid meer voorkomt (56 om 82%) of dat men meer dikke kinderen ziet (47 om 83%) dan 5 jaar eerder viel onder de kleinste binnen de EU. Feitelijk is bij volwassenen tussen 1998 en 2008 het te zware volksdeel inderdaad weinig gegroeid (van 19 naar 20%), maar is het naar EU maatstaf wel groot (EU15,5%). Bij kinderen tussen 11 en 15 was het deel met overgewicht in 2008 het kleinst binnen de Eu (6%, EU 13%). M.b.t. de schuldvraag omtrent dikke kinderen zag een boven gemiddeld deel ouders (76%, EU 71%) of wat kinderen op school leren (4 om 3%) en een onder gemiddeld segment reclame (14 om 18%) of vriendjes (3 om 5%) als meest bepalend voor wat kinderen eten. Qua eerste tegenmaatregelen om het dieet te verbeteren kreeg betere schoolmaaltijden (18%), verplicht boodschappen over gezond in reclame voor junkfood (7%) en betere info op verpakkingen (4%) relatief veel steun. Meer info voor ouders (36%) en meer les over gezond eten (18%) scoorden gemiddeld en kindgerichte promotie programma’s voor gezond eten (6 om 9%) en beperking van adverteren in kinderprogramma’s op TV (6 om 15%) naar verhouding laag (bron: EB 246, wave 64.3 health and food).