Onderwijs

Onderwijsniveau en talen

Op http://eacea.ec.europa.eu/education/eurydice/index_en.php is veel info te vinden over onderwijsstelsels in de EU landen. Oostenrijk kent een leerplicht van 9 jaar; i.e voor 6 t/m 15 jarigen. De schoolverwachting steeg tussen 2000 en 2007 iets minder dan in de EU25 landen en bleef onder deze normaal (van 16,0 naar 16,5 jaar; EU25 van 16,6 naar 17,2 j; bron Eurostat). Het aandeel voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder beroepskwalificatie) is relatief klein en daalde tussen 1998 en 2004 sterker dan in de EU15 (van 12,1 naar 8,7%; d.w.z -28%; EU15 18,4%, -21%), maar in 2007 lag het weer op 10,9% (EU15 17%). Het gedeelte 20-24 jarigen met zo’n kwalificatie (een diploma van een secundaire vervolgopleiding) is relatief groot en steeg tussen 1997 en 08 van 81,8% naar 84,5% (+2,7%; EU15 van 69.6 naar 75,8%; +9%). Het volksdeel tussen 25 en 65 met hooguit lager vervolgonderwijs ligt ver onder de EU15 normaal en daalde van 23,7 naar 12,9% (-10,8%; EU15 31,7% in 08; -10,9%). De verschillen tussen leeftijdsgroepen waren daarbij relatief groot (25-34j 7%, EU15 23%; 55-64j 29,5%, EU 43,7%). Het volksdeel met secundair vervolgonderwijs of meer is ook groot (81% in 08: +9% sinds 1997: EU15 68%: +11%). In 2008 had volgens het Oostenrijkse CBS (http://www.statistik.at/) van de 15plussers 27,1% hooguit leerplichtonderwijs (-1,7% t.o.v 2005); 48,6% had secundair vervolgonderwijs (+0,9%) en 24,3% (+0,8%) hoger onderwijs als hoogste opleiding. Analfabetisme: rond 2%.

Begin 2006 beschouwden 96% van de Oostenrijkers de officiële voertaal Duits als moedertaal; 3% zag een andere officieel erkende EU taal en 2% een andere taal als zodanig. Er zijn 2talige basisscholen waar naast het Duits minderhedentalen worden gevoerd in Karinthië Sloveens en in Burgenland Kroatisch, Hongaars of Romani (de taal van de Roma zigeuners). Begin 2006 sprak 58% naar eigen idee genoeg Engels (onder jongeren meer; EU25 38%) en 10% genoeg Frans om een gesprek te durven voeren (EU25 14%; Eurobarometer 243, wave 64.3: zie ook onder communicatie, taal).

Onderwijs: organisatie en beleid

De eerste wettelijke basis voor een onderwijsstelsel werd in 1774 gelegd door keizerin Maria Theresia. Reeds in 1869 kwam er een 8 jarige leerplicht en in de 19e eeuw bestond al een goed ontwikkeld systeem van basis en vervolgonderwijs met gymnasia, ambach­te­lijke oplei­dingen en docentenopleidingen. In 1962 werd de leerplicht uitgebreid tot 9 jaar, werd de structuur van het huidige stelsel vastgelegd en werden landelijke en deel­staat­verantwoorde­lijkheden afgebakend. In de 90er jaren kwam nieuwe wetgeving tot stand rond de organisatie van hoger (vakhogescholen, privé-universiteiten) en volwas­senenon­derwijs. Qua wetgeving en verantwoordelijkheden heeft de federale regering veruit het meest in de melk te brokkelen. Het ministerie van onderwijs, kunst en cultuur gaat over organisatie van het onderwijs, regels voor privaat onderwijs en arbeidsvoorwaarden voor docenten binnen het basis en middelbaar onderwijs. Hoger onderwijs valt onder het ministerie van Wetenschap en Onderzoek en stages onder het ministerie van economie en arbeid. M.b.t kleuteronderwijs, aanstelling van docenten in het leerplicht onderwijs, onderwijsinspectie en curricula in het hoger onderwijs (via de Universitätengesetz van 2002) biedt de federale regering het raamwerk en vullen de deelstaat regeringen dat in. De gemeenten beslissen over bouw en onderhoud van scholen in het leerplichtonderwijs, maar de deelstaten beheren het budget. Scholen zijn deels autonoom qua budgetbeheer en aanpassen van het lesprogramma aan lokale behoeftes. Ze mogen lesboeken kiezen uit het materiaal dat door het ministerie is goedgekeurd. Het huidige beleid is gericht op vergroting van de autonomie van de diverse schooltypes waardoor raden van leraren, leer­lingen en ouders meer invloed krij­gen. Binnen het leerplicht onderwijs is de rol van openbaar onderwijs relatief groot, want het aandeel van privaat of bijzonder onderwijs (meestal rooms; maar bijv ook Waldorf scholen) ligt onder de EU27 normaal (8,1% in 2006; net als in NL en België geheel overheidsafhankelijk; EU 13,5%). Leerplicht onderwijs is gratis, ook aan bijzondere scholen. Ze krijgen dezelfde subsidie.

In 1999 is in het hoger onderwijs de Bologna gradenstructuur met puntensysteem ingevoerd. De universiteiten worden sinds 2007 gebonden aan 3 jaarlijkse prestatie contracten. Onder de ontwikkelingen en hervormingen vanaf 2008 valt in de naschoolse opvang de vergroting van het aantal plaatsen met 40% naar 95.000 en de introductie van een kwaliteitszegel. Het budget voor toelagen voor leerlingen/ studenten uit lage inkomensgroepen werd met 13% verhoogd, er werd €12 miljoen geïnvesteerd in meer kunstonderwijs en er werden 2300 extra docenten aangesteld. Om de schooluitval te bestrijden wil men met kleinere groepen kunnen werken en meer doen aan onderwijs en beroepenvoorlichting. Verder werd deelname aan toelatingsexamens voor HBO gratis gemaakt. Ook werd een begin gemaakt met invoering van een nieuwe op het individu toegespitste middenschool (bij 67 scholen met 3500 leerlingen van 14j in 5 deelstaten). Na 2009 wil men beoordelingen meer standaardiseren.

Onderwijsstelsel: kenmerken

De opbouw begint met de kleuterschool voor 3 t/m 5 jarigen en de leerplichtfase vangt aan op de 4 jarige basisschool voor 6 t/m 9 jarigen (de Volksschule). Daarna volgt voor leerlingen tussen 10 en 14 de Hauptschule en voor studiehoofden onder hen de on­derbouw (eerste 4 jaar) van het algemeen vormend hoger onderwijs (Allgemeinbil­dende höhere Schule: AHS, deze opleiding beslaat in totaal 8 jaar). Bij wie niet doubleerde wordt het laatste jaar van de leerplicht afgesloten met het 1e jaar van een vorm van secundair vervolgonderwijs. Dat kan de bovenbouw van het AHS, een polytechnische school (een soort kort beroeps VMBO) of een middelbare of hogere vakschool zijn. Met uitzondering van de m.n oriënterend bedoelde polytechnische school zijn dit opleidingen voor leerlingen vanaf 14 tot 18 of 19 jaar. Vanaf hun 16e staan als andere opties de opleiding voor kleuterleidster en een enkele zorgopleidingen open. Voor 18-20 jarigen is er het Kolleg (gevorderde vaktrainingen). Vervolgopleidingen worden veelal afgesloten met een stage in combinatie met deeltijd onderwijs. Het einddiploma van de AHS en van een aantal vakopleidingen geeft toegang tot hoger onderwijs aan een universiteit of vakhogeschool. In andere gevallen moet men toelatingsexamen doen. Switchen van schooltype is na de basisschool overal mogelijk en leerlingen kunnen vanuit iedere onderwijsachtergrond opklimmen tot universitair niveau.

Het voornaamste toelatingscriterium voor de basisschool is leeftijd (6 jaar aan het begin van het schooljaar). Bij kinderen die voor 1 maart daarop 6 worden ziet men aan of ze schoolrijp zijn. Zo niet dan komen ze in speciaal overgangsjaar. Anders dan in NL en BE worden leerlingen door de gemeente op een school geplaatst. Deze moet ze verplicht toelaten. Ouders mogen een alternatief voorstellen, maar dat mag de toegang weigeren. De leerlingen stromen automatisch door naar de Hauptschule en als ze goede rapportcijfers hebben kunnen ze naar de AHS onderbouw. Ook bij de keus van secundair vervolgonderwijs spelen rapportcijfers een hoofdrol. Wie niet aan de eisen voldoet die de vervolgopleiding stelt kan toelatingsexamen doen. Een aantal gespecialiseerde vervolgopleidingen kennen eigen toelatingseisen (bijv in de sfeer van kunstzinnige, fysieke of sociale vaardigheden). De secundaire vervolgopleidingen worden afgesloten met een schriftelijk en mondeling eindexamen. Bij het AHS heet het examen Matura en het diploma Reifeprüfungszeugnis. Deeltijdvakscholen eindigen met een getuigschrift dat recht geeft op een stageplaats die kan uitmonden in een leerling certificaat. Men kan daarna doorgaan voor meester certificaat of een Berufsreifeprüfung waarmee men rechtstreeks naar elke hogere opleiding kan. De Reife & Diplomprüfung van de 5jarige middelbare vakopleidingen geeft dit recht ook. Een Studienberechtigingsprüfung is een toelatingsexamen voor één specifieke hoger onderwijsopleiding.

Docenten opleidingen zijn qua niveau vergelijkbaar met NL. Kleuterleidsters doen de opleiding voor kleuterleidster of een 2 jarige postsecundaire opleiding. Onderwijzers krijgen een HBO opleiding op BA niveau, voor de lerarenopleiding voor het middelbaar onderwijs op universitair niveau staat 4,5 jaar (in het vakonderwijs telt bij hen ook vakkennis en ervaring) en godsdienst leraren hebben vaak een theologie opleiding gehad aan een private universiteit. Bij voltijd docenten is de werkdruk naar EU maatstaven gemiddeld (leerplichtonderwijs 40u, waarvan 17 0f 18 lesuren). Bijna alle docenten zijn in Oostenrijk rijksambtenaar voor het leven. Wel moeten ze lang werken om volpensioen op te bouwen (m 45j; v 40j). Onder hen is het aandeel 40plussers groot naar EU maatstaf, maar slechts 1% werkte na hun 60e nog door (NL 3 tot 5%; BE 2 à 3%). In 2006/07 kregen in het 4e jaar van de basisschool 2 op de 3 leerlingen alleen les van een vaste leerkracht (NL 49%, EU27 33%), 10% had vakdocenten (NL 3%; EU 45%) en 9% 2 docenten (NL 42%; EU 13,5%). Regel op de basisschool is één hoofddocent met vakdocenten voor godsdienst en handvaardigheid. Het aantal leerlingen per docent (basisschool 13,9; vervolg 11,3) is naar EU maatstaf gemiddeld. Op basisscholen kent men leeftijd groepen met op kleine plattelandsscholen klassen van meer jaargroepen. Het vervolgonderwijs werkt met niveaugroepen op basis van de cijfers op Duits, vreemde talen en wiskunde. In 2006/07 kenden basisscholen een minimale groepsgrootte van 10. De maximale grootte liep op van 25 op kleuterscholen naar 30 in basis en vervolg onderwijs binnen de leerplicht. Op de basisschool haalde 90% van de groepen dat criterium (EU 75%). De werkelijke groepsgrootte varieerde in 2007/08 van 19,5 op basisscholen via 22 op de Haupschule en de AHS bovenbouw naar 26,5 in de AHS onderbouw. In het beroepsonderwijs was ze meestal lager en kwam ze zelden hoger.

Het schooljaar kent buiten het hoger onderwijs een Pinkstervakantie van 4 dagen, een  herfst, carnavals en paasvakantie van een week en een kerstvakantie van 2 weken. De zomervakantie duurt 9 weken. Ze valt tussen begin juli en half september (met enige regiospreiding). Verder zijn er nog 8 publieke feestdagen. Qua lestijden gaan de basisscholen veelal om 8 uur open en ze bieden opvang tot 4 uur ’s middags. Meestal vallen de lessen alleen in de ochtend. In 2007/08 maakten 15,8% van de kleuters en basisscholieren gebruik van naschoolse opvang. Het onderwijs kent bijna overal schoolweken van 5 dagen. Het jaarlijkse aantal lesdagen in het leerplicht onderwijs bedraagt in de regel 180 en lesuren duren 50 minuten. Het aantal wekelijkse uren loopt op van 20 aan het begin van de basisschool (4u p/d) naar 38 in het HBO (ruim 6u p/d). Het minimale aantal jaarlijkse lesuren gaat op de basisschool (Volksschule) van 630 naar 750. Op de Hauptschule/ onderbouw AHS ligt het op 870 en in het secundair vervolgonderwijs op 960. De kinderen hebben relatief korte lesdagen, maar ze krijgen veel huiswerk mee; bijv in de 4e klas van de basisschool voor taal 93% van hen 1 keer p/w tot dagelijks (in NL 77% vrijwel nooit, 23% tussen 1 en 4 x p/w en 0% dagelijks). De tabel hieronder laat zien dat bij 15 jarigen de werkdruk aan huiswerk boven het gemiddelde van NL en Vlaams België lag en dat ze vooral bij wiskunde hoog is.

Aandeel leerlingen in % van 15 dat in 2006 p/w 2 uur of meer besteedde aan huiswerk voor de vakken

Oostr

NL

Vla BE

EU27

Taal

26

20

20

35

Wiskunde

48

26

36

38

Natuurkunde

22

21

20

30

Qua lessenpakket mogen leerplichtscholen binnen het voorgeschreven minimum 1 uur p/w (bij vreemde talen 2 uur) schuiven met de verdeling over de verplichte vakken. Wanneer ze aan die vakken meer tijd willen besteden gaat dat af van de ruimte voor keuzevakken. Scholen hebben bij de invulling van keuzevakken meer speelruimte. Bij de Hauptschule bestaat tweederde van het curriculum uit verplichte kernvakken. Op de polytechnische scholen bestaat speelruimte vanwege niveaugroepen en aanvullend onderwijs voor bepaalde vakken. Bij de AHS onderbouw kennen de eerste 2 jaar een vast vakkenpakket. In de laatste 2 jaar ontstaat enige variatie als voorbereiding op de 3 bovenbouw richtingen. Men kent naast verplichte vakken verplichte keuzevakken en vrije keuzevakken. In het secundaire beroepsonderwijs bestaat een enorme keur aan specialisaties. De tabel die nu komt geeft een indruk van de aanbevolen verdeling van lestijd in het basis en vervolgonderwijs binnen de leerplicht in 2006/07 in vergelijking met de standaard verdeling binnen de 19 EU landen in de landenclub van de OESO. Bij de EU19 groep betrof het respectievelijk 9 t/m 11 jarigen en 12 t/m 14 jarigen.

Vak

Basisschool %

Vervolg %

Oostr

EU19

Oostr

EU19

Lezen, schrijven moedertaal

31

25

12

16

Rekenen/ wiskunde

18

17

13

13

Natuurkunde

7

9

10

12

Aardrijkskunde/ geschiedenis

7

7

11

12

Vreemde talen

2

9

11

13

Technologie

7

1

7

4

Creatief

9

13

9

9

Gym

11

9

10

8

Godsdienst

10

4

7

4

ICT

Overig

3

4

Verplicht vast

100

97

88

94

Verplicht flexibel

3

10

6

ICT les is verweven in andere vakken. In de eerste 2 jaar van de basisschool geldt hetzelfde voor vreemde taalles (meestal Engels, soms een minderhedentaal). Bij het vervolgonderwijs werd de verdeling op de Hauptschule en de polytechnische school aangehouden. In de onderbouw van het AHS krijgen natuurkunde, vreemde taal en creatief wat meer nadruk ten koste van technologie en moedertaal. Het aandeel 15-75 jarigen dat in het kwartaal voor de vraagstelling internette op een onderwijs instelling lag in 2008 iets onder de EU normaal (7%, NL 12%; EU15/25 en België: 8%). Naar methoden kent de basisschool een ontwikkeling van spelend leren naar doelbewust en onafhankelijk leren en er is ruimte voor projectonderwijs. In het vervolgonderwijs zijn thans op alle schooltypen meerdere onderwijsmethoden gangbaar. De antroposofische vrije school heet in Oostenrijk Waldorfschule.

Qua beoordelen krijgen kinderen in de eerste 3 jaar van de basisschool nog geen cijfers. Vanaf het 3e jaar van de basis­school is naast doubleren (zelfs op grond van 1 onvoldoende) klassen overslaan in principe mo­gelijk. Verder hanteert men in het hele onderwijs een beoordelingsschaal van 1 (hoogste) t/m 5 (de enige onvoldoende). De leerlingen krijgen in het 4e jaar een schoolvordering test voor Duits en rekenen en verder krijgen ze schoolrapporten. Het einddiploma van de basisschool wordt uitgereikt op basis van de cijfers en toetsen van de docenten (geen eindexamen). Het geeft toegang tot vervolgonderwijs. Een 1 of een 2 op alle hoofdvakken in de 4e klas van de Grundschule maakt toelating tot het AHS mogelijk. De overgang naar het secundair vervolgonderwijs geschiedt louter op basis van schoolcijfers. Het secundair vervolgonderwijs wordt afgesloten met een mondeling en schriftelijk eindexamen van de school met externe beoordeling (Matura). Men werkt toe naar een extern examen. Bij het internationale Pisa schoolon­derzoek van 2006 scoorden de Oostenrijkse 15 jarigen op natuurkunde 2e, op begrijpend lezen 3e en op wiskunde gedeeld 3e onder de 19 EU landen in dit onderzoek. In 2006/07 doubleerde landelijk bij alle schooltypen 3,6% van de leerlingen. Bij Volksschulen (0,6) en Hauptschulen (1,6%) was het aandeel klein, maar in het secundair vervolgonderwijs lag het m.n bij vakgymnasia en veel vakopleidingen boven 10%.

Naar cultuur is het Oostenrijkse onderwijs competitief en docenten hebben i.v.g.l met Nederland veel gezag. In 2006/07 lag het aandeel scholen waarvan het hoofd m.b.t het 4e jaar van de basisschool melding maakte van ordeproblemen bij voortgang beletten (8,5%, EU 15%, NL 22%, Vlaanderen 11%) en spijbelen (6%, EU 15%, NL 6%, VL 3%) onder de EU normaal, maar bij onrust lag het daar flink boven (42%, EU 25%, NL 21%, VL 13%). Naar EU27 maatstaven was in Oostenrijk het aandeel leerlingen dat in het 4e jaar van de basisschool werd gepest (19%, Eu 25%, NL 31%, Vlaanderen 38%), dat klaagde over diefstal (23%, EU 23,5%, NL 13%, Vlaanderen 18%) of dat werd verwondt door een medeleerling relatief klein (24 om 28% om 24% om 40%). Via het Weisse Feder (witte veer) programma wordt sinds 2008 geweld op scholen aangepakt.

Speciaal en achterstandsonderwijs

In Oostenrijk wordt binnen de leerplicht speciaal onderwijs gegeven op gewone scholen (sinds 1984; in groepjes of individueel; bijv ook aan ziekenhuisscholen) en aan speciale scholen met eigen lesprogramma’s (Sonderschule). Er bestaan algemene speciale scholen en specifieke scholen voor gedragsgestoorde, dove, blinde en lichamelijk of geestelijk gehandicapte kinderen en kinderen met een taalstoornis. De groepen zijn kleiner dan in het reguliere onderwijs en de grootte hangt af van het type school. In 2006/07 bleven iets meer leerlingen binnen het gewone onderwijs dan dat er naar en speciale school gingen (14.300 om 13.200; beide typen voorzieningen zijn er tevens voor hoogbegaafden en die vallen ook onder speciaal onderwijs). Beroepsvoorbereidend speciaal onderwijs voor het laatste jaar van de leerplicht is in opkomst en de mogelijkheden om werk te krijgen werden via een wetswijziging in 2003 verbeterd.

In 2006/07 lag het aandeel leerlingen dat tot een etnische minderheid behoort in Oostenrijk boven de EU27 normaal (13,2%: EU7,9%; NL 11,3%; Vlaams BE 7%). Er bestaan 2talige basisscholen voor traditionele minderheden (Slovenen, Kroaten, Hongaren, Roma) en er zijn binnen leerplicht en vervolgonderwijs speciale leergangen ontwikkeld voor leerlingen met Duits als 2e taal voor 22 taalgroepen. Ze kunnen zowel binnen gewone klassen als in speciale klasjes plaatsvinden en zijn aan een maximum aantal gebonden. Ouders/ voogden betalen 10% van de extra kosten aan lesmateriaal. Ook op het niveau van peuter en kleuteronderwijs is extra taalonderwijs in opkomst. In het laatste jaar van de kleuterschool mag dit 120 uur beslaan.

Betaling van en in het onderwijs

De onderwijsuitgaven van de overheid zijn in Oostenrijk tussen 2001 en 2006 licht gedaald, maar ze bleven boven de EU27 normaal (5,44% van het BBP in 06; 5,79% in 01 d.w.z -0,35%: EU 5,05%: +0,06%). De privé-uitgaven voor educatie stegen in dezelfde periode van 0,32 naar 0,59 van het BBP, maar bleven ook iets onder de EU normaal (EU27 van 0,6 naar 0,67% BBP). In 2006/07 kwam 10,8% van de onderwijs uitgaven uit private bron (EU27 12,5%). De uitgaven per leerling/student lagen met verrekening van koopkracht 43% boven het EU27 gemiddelde (basisonderwijs 37%, vervolgonderwijs 28%, hoger onderwijs 49% hoger). Er ging relatief weinig naar kleuter (0,4%, EU27 0,5% BBP) en basisonderwijs (1 om 1,2%) en veel naar vervolg (2,6 om 2,2%) en hoger onderwijs (1,5 om 1,1%). Van het onderwijsgeld ging 75% naar de centrale overheid, 15% naar de deelstaten en 10% naar gemeenten. Gemeenten geven 11%, deelstaten 35,5% en de centrale overheid 53,5% uit. Verder ging van de bestedingen weinig naar kapitaalsuitgaven (4,7%: EU 8,1%), een gemiddeld deel naar staf (72%) en relatief veel naar andere lopende uitgaven (23,2 om 21%). Het deel van de publieke uitgaven aan beurzen en leningen voor leerlingen/ studenten was naar EU maatstaf klein (5,1 om 5,9%; hoger onderwijs 17 om 16,6%: overig onderwijs 0,8 om 3,2%). De docenten salarissen in het leerplichtonderwijs waren in 2006/07 naar koopkracht voor beginnende docenten een fractie lager dan in NL of Vlaams België en de topsalarissen waren vergelijkbaar (bij Hauptschulen iets lager).

Het kleuteronderwijs was in 2006/07 nog niet overal gratis, maar daar werd aan gewerkt. In het leerplicht en vervolgonderwijs moet worden meebetaald aan schoolboeken en schoolvervoer en eventuele inwoning. Studenten betalen ruim €700 collegegeld p/j (te voldoen in 2 termijnen; studenten van buiten de Eu betalen het dubbele). Voor dit alles bestaan regelingen voor lage inkomens zolang de leerling/ student er niet met de pet naar gooit. Stagiaires krijgen in Oostenrijk een vergoeding van hun stageplek van 25 tot 40% van het loon van een ervaren beroepskracht. Levensbeschouwelijk onderwijs valt veelal onder het gesubsidieerde onderwijs, maar er zijn particuliere scholen waarvoor dit niet geldt. Voor leerlingen en studenten met handicaps bestaan speciale financiële regelingen. In 2006/07 waren er 48.000 beursstudenten (rond 23% van alle studenten; gemiddelde toelage €4058 p/j). In 2002 verdienden 2 van de 3 studenten bij, 20% in vaste dienst en een even groot aandeel alleen via een vakantiebaantje. In het volwassenen onderwijs moet vaker worden betaald (bijv examengeld), maar sommige deelstaten kennen subsidies en ook sociale partners of het arbeidsbureau dragen nogal eens bij. Verder zijn cursussen aftrekbaar. Sinds 1998 kent men een betaald educatief verlof van 3 tot 12 maanden.

Kleuter en leerplichtonderwijs

Voor peuters en kleuters onder 4 jaar kent Oostenrijk crèches (Kleinkinderkrippen) en kinderdagverblij­ven (Kindertagesheimen) met tevens een pedagogische functie. Het aandeel 3 jarigen dat er heen ging steeg tussen 1998 en 2007 van 33 naar 50% (+17%: EU27 75%, +16%; NL 0%; BE bijna 100%; Eurostat). Moeders mogen ook aan betaalde kinderopvang doen, naast hun eigen kinderen voor maximaal 4 andere kinderen onder de 3 of 6 oudere kinderen. Daarvoor bestaat een 7 maanden durende opleiding tot Tagesmutter. Voor 4 en 5 jarigen zijn er de niet verplichte kleuterscholen (Kindergärten, het begrip Horte verwijst naar naschoolse opvang). Het aandeel 4 jarigen op de kleuterschool steeg tussen 1998 en 2007 van 73 naar 85% (+7%: EU27 84%, +5%; NL en BE 99 in 2007), bij 5 jarigen ging het van 91 naar 93% (EU 77%, NL en BE 99%) en bij 6 jarigen lag het rond 38% (EU 27% in 07). Voor kleuters met achterstanden en 6 jarigen die nog niet schoolrijp zijn bestaan speciale klasjes. In het laatste geval heten ze Vorschulstufe en vallen ze reeds onder de leerplicht. Men is er sterk op gericht om ook beide laatste groepen klaar te stomen voor de gewone ba­sisschool. Kleuterscholen zijn in overleg met de ouders tot 12 uur p/d open en bieden zo naschoolse opvang. In 2006/07 gingen 233.000 kinderen naar een crèche of kleuterschool. De leerlingenaantallen stegen  hier tussen 2004 en 2007 na een tijdelijke daling weer licht (+1,5% in 07).

Vanaf hun 6e gaan de kinderen 4 jaar lang naar de basisschool (Grundschule of Volksschule). Sinds 2003 zijn (zonder beoordeling) verkeerslessen en vanaf het 3e jaar lessen in 1 vreemde taal ver­plicht. In 2006 bood 55% van de basisscholen naschoolse opvang (Vlaams België 88%, EU 73%: NL met 29,8% laagste van 18 EU landen). Vaderlandse geschiedenis, aardrijkskunde en biologie zijn verenigd onder de noemer Sachunterricht. Les in een vreemde taal (Engels, Frans of de taal van een buurland, i.e Sloveens, Kroatisch, Hongaars, Italiaans, Tsjechisch of Slowaaks) geschiedt in de eerste 2 klassen geïntegreerd en daarna gedurende 1 lesuur p/w. In 2007/08 telden de basisscholen 338.000 leerlingen. Door de dalende geboortecijfer binnen de jaargroepen namen de leerlingen aantallen tussen 2004 en 2008 jaarlijks met 2 à 3% af.

Sinds 1962 kent men in het vervolgonderwijs binnen de leerplicht de 4 jarige Hauptschule en de even lange onderbouw van het algemeen vormende AHS. Bij de gemeentelijke Hauptschule ligt de nadruk op algemene en ethische vorming met degelijke vakoriëntatie als aanvulling. Iedere Hauptschule is ergens in gespecialiseerd. Van de 9 specialisaties komen didactiek/ methoden (19%), informatietechnologie (17%) en vreemde talen (16%) het vaakst voor; gevolgd door kunst, sociaal leren, sport, intercultureel (ieder 9% van de scholen), speciale talenten en interesses (7%) en wetenschap en techniek (5%) Hauptschulen die zijn gespecialiseerd in skiën, muziek of sport hebben daartoe wat meer lesuren. In de onderbouw van de federale AHS (te vergelijken met de VWO onderbouw in NL) ligt het accent op algemene en theoretische vorming als voorbereiding op de bovenbouw, maar ook met de mogelijke doorstroom naar beroepsonderwijs moet rekening worden gehouden. In de eerste 2 jaar is het lesprogramma tamelijk uniform en vergelijkbaar met dat van de Hauptschule. In de daarop volgende 2 jaar bestaan het Gymnasium (de klassieke richting), Realgymnasium (de β rich­ting) en Wirtschaftkundliges Realgymnasium (WR de handelsrichting). In 2007/08 ging van de 367.400 leerlingen 67,5% naar de Hauptschule en 32,5% naar de AHS onderbouw. Tussen 2004 en 2008 stegen de leerlingenaantallen hier nog licht (+1,5 p/j), maar het aandeel van de Hauptschule vertoont sinds 1995 een dalende tendens.

Na 1962 konden na voltooiing van deze schooltypes de dan 14 jarige leerlingen het laatste jaar van hun leerplicht invullen met het 1e jaar van de AHS bovenbouw of van een middelbare vakschool (zie onder secundair vervolgonderwijs) en met een jaarlang oriëntatie op vakonderwijs. Dit werd in 1997 de sterk praktijkgerichte Polytechnische school. De leerlingen krijgen er basale algemene vorming en vakonderwijs. Na 6 tot 8 weken oriëntatie kiezen ze één uit 7 hoofdrichtingen (Fachbereiche) en er zijn scholen met meer specialisaties. Daarnaast zijn er verplichte keuzevakken. Rond 90% van hen doet na afloop een leerwerktraject of gaat door met secundair beroepsonderwijs. Dit schooltype trok in 2007/08 ruim 21.000 leerlingen (0,5% van het bestand). In het laatste leerplichtjaar kan ook reeds worden begonnen met een 3 tot 5 jarige opleiding in onderwijs of verpleegkunde. In het vervolgonderwijs binnen de leerplicht kregen de leerlingen in Oostenrijk gemiddeld les in 1,1 vreemde taal (EU27 1,5 taal).

Secundair vervolgonderwijs na de leerplicht

In de 4 jarige bovenbouw van de algemeen vormende opleidingen (17% van de deelname aan het secundair vervolgonderwijs rond 06) kent men naast de 3 types gymnasia ook het Oberstufenrealgymnasium (ORG). De leerlingen krijgen op deze 4 types les in Latijn of in een 2e vreemde taal (bij de klassieke richting krijgen ze überhaupt ook Grieks). Naast een bij de richting passend verplicht lespakket (waaronder in het 5e jaar bij alle richtingen 2 uur p/w computerles) moeten in de loop van de opleiding 6 (Gymnasium, ORG), 8 (Realgymnasium) of 10 (WR) verplichte keuzevakken worden gekozen. Het betreft hier nieuwe vakken of uitdieping van verplichte vakken. De sociaal pedagogische opleidingen van 5 jaar (deelname 06: 1,8%) zijn die voor Kindergartenpädagogik (kleuterleidster, crèchewerkster) en Socialpädagogik (dagopvang kinder en jeugdzorg). Onder zorgopleidingen (deelname 3%) staat 3 jaar voor verpleegkunde opleidingen, waarvan minstens de helft praktijk en minimaal eenderde theorie. Voor een paramedische opleiding staat 2,5 jaar en er zijn ook een aantal kortere medische opleidingen, bijv voor assistenten, masseurs en ambulance personeel.

Aan andere beroepsopleidingen kent men rond 250 vakopleidingen in deeltijd die tussen 2 en 4 jaar duren en in feite een verlengde leerplicht invullen (Berufsbildende Pflichtschule, deelname 25%). De middelbare technische en vakscholen (berufsbil­dende mittlere Schule of BMS, onderverdeeld in Fachschule en Handelsschule; deelname 37%) bieden 1 tot 4 jarige opleidingen en die van de hogere technische en vakscholen duren veelal 5 jaar. Belangrijke subtypen van de Be­rufsbildende höhere Schule BHS zijn de HTL (Höhere techni­sche Lehranstalten), de HAK (Handelsakademie) en de opleidingen in de dienstensector van de HLA (Höhere Lehranstalten). Beide typen opleiding (middelbaar en hoger) zitten vaak in één gebouw en hebben dezelfde docenten. Na het voltooien van deze opleidingen kan men zich verder specialiseren aan een veelal 2 jarig Kolleg. Meestal kan men met de diploma’s ook naar het hoger onderwijs.

De onderwijs deelname onder 18 jarigen steeg tussen 1998 en 2006 van 68 naar 78%, maar in 2007 lag ze op 73%. Daarmee dook ze onder het EU27 gemiddelde (77%). Het aandeel voortijdige schoolverlaters kwam in 2004 op 8,7%; maar steeg daarna weer naar 10,9% in 2007 (EU27 van 15,8 naar 15,2% tussen 04 en 07). In 2006 namen rond 527.000 leerlingen deel aan het secundair vervolgonderwijs (algemeen vormende opleidingen 88.000, beroepsopleidingen 439.000). In 2007 volgde van de mannelijke leerlingen 83% (EU27 57%) en van de vrouwelijke leerlingen 73% (EU 46%) een beroepsopleiding; een groot aandeel naar Eu maatstaf. In 2007 kregen de leerlingen in het secundair vervolgonderwijs gemiddeld les in 1,4 vreemde taal (EU27 1,3 taal). Van hen kreeg 97% (EU 83%) onderricht in Engels en 54% (EU 22%) in Frans.

Hoger Onderwijs

De in 1365 door graaf Rudolf IV van Oostenrijk opgerichte universiteit van Wenen is de oudste in het Duitse taalgebied. M.n vanaf de contrareformatie (2e helft 16e eeuw) was het meeste hogere onderwijs in handen van de Jezuïeten. In de 19e eeuw werden de universiteiten onder keizer Jozef II overheidsinstellingen en in 1848 kregen ze meer autonomie. Daarna kwam de specialisatie in het hoger onderwijs op gang. Sinds 1994/95 kent het land vakhogescholen. De Bologna structuur met haar studiepunten en fasen (BA, MA en DR gradenopbouw) werd in 1999 ingevoerd. Ook kunnen sinds dat jaar privé  universiteiten worden erkend. Via een wet uit 2002 zijn de universiteiten sinds 2004 volledig autonoom. Sinds 2007/08 heten lerarenopleidingen pedagogische hogescholen. Ook werd in dat jaar een halt toegeroepen aan de buitenlandse toevloed naar medische universiteiten (m.n vanuit Duitsland), want in 2005 kwam in Wenen nog maar 45% van deze 1e jaarsstudenten uit Oostenrijk. Dit moet nu wettelijk minimaal 75% zijn. De instroom van buitenlandse studenten vanuit EU landen aan universiteiten was in 2007 überhaupt groot (12,3% van het bestand; EU 2,9% in 2007), maar de groei hierin t.o.v 1998 lag onder de EU normaal (+38%, huidige EU27 +67%). In dat jaar studeerden 10.800 Oostenrijkse studenten in een ander EU land (+19%: EU27: +67%).

In 2005/06 telde men 67 HBO opleidingen in de zorgsector, verdeeld over 8 types en met 4400 studenten. In 2007 boden de 21 staatsinstellingen op universitair niveau (waaronder 8 in Wenen en verder 9 min of meer algemene, 4 medische en 6 kunst of muziek opleidingen) ruim 815 programma’s aan (BA 246, MA 249, diploma 145, DR 65, PhD 9). Ze kwamen in 2008/09 op een totaal van 223.600 reguliere studenten; 3% meer dan in 2007/08. Daarvan studeerde bijna driekwart in Wenen en eenderde aan de universiteit van Wenen, de grootste van het land. In 2007/08 hadden 20 vakhogescholen 250 programma’s in hun aanbod (BA 166, MA 62, diploma 12). De nadruk ligt hier op de technische, commerciële en toeristische sectoren. In 2008/09 telden ze 33.600 studenten (+8,5%). De 11 pedagogische hogescholen hadden in dat jaar 11.900 studenten (+45%). Onder de 17 private HO instellingen waren 7 theologische en 9 pedagogische instellingen. In 2008/09 telden de 11 privé universiteiten 5014 studenten (+18%).

De populaire richtingen aan universiteiten waren in 2008/09 geesteswetenschappen 28%, economisch sociaal 19%, natuurwetenschap 14%, techniek 14%, rechten 10% en medicijnen 5%. Medicijnen, diergeneeskunde en sociaal economisch zakten in populariteit en bodemkunde, rechten en geesteswetenschap stegen. Aan de vakhogescholen stonden economische (40%) en technische richtingen (37%) stijf bovenaan, op afstand gevolg door sociaal (9%) en gezondheid (7%). In Oostenrijk lag eind 2006 het aandeel voorstanders van vrije toelating tot het HO iets boven de EU normaal (47%, EU25 43%; voor selectie 38%; EU 47%; bron EB 273, wave 66.3).

Volwassenenonderwijs

De volwas­seneneducatie (2e kansonderwijs, vak­oplei­dingen, cursussen) heeft in Oostenrijk een erg hoge vlucht genomen. Qua voorzieningen om een officieel diploma te halen (waaronder het 2e kans onderwijs) kent Oostenrijk een vaak gratis parallel stelsel voor volwassenen en speciale leergangen van de universiteiten. Verder bestond in 2006/07 de deelname aan vakhogescholen voor 32% uit volwassenen. Anders dan het reguliere onderwijs wordt dit onderwijs vaak verzorgd door het bedrijfsleven en door particuliere instanties, al dan niet op winstbasis. Non-profit particuliere instellingen, verenigd in de KEBÖ, zijn al vanouds het belangrijkst. In 2006 trokken korte workshops van de KEBÖ 1,4 miljoen en cursussen 1,5 miljoen deelnemers. In 2007 organiseerde men volgens Statistik Austria 203.500 activiteiten met 4,8 miljoen deelnemers. De RÖBW (Ring Österreichisches Bildingswerke) had met 1,6 miljoen deelnemers het grootste aandeel, gevolgd door de Oostenrijkse bibliotheekcentrale BVÖ (1,1 miljoen). De 272 Volkshogescholen van het VÖV trokken er 676.000 en het roomse Forum met 60 instellingen en 18 onafhankelijke trainingscentra (Bildingshäuser) 855.000. De Oostenrijkse KvK (WIFI  297.000) en vakbond exploiteren via de Arbeitsmarktservice en vaktraining instituten 143 trainingscentra voor de arbeidsmarkt (301.000). De federale bond voor de studie van politieke economie VGÖ heeft onderwijsinstellingen voor de zakenwereld en overheidsambtenaren (waaronder docenten; 59.000) en het Ländliches Fortbildundsinstitut (523.000) verzorgt volwassenen educatie op het platteland.

De deelname van 25-65 jarigen aan volwassenenonderwijs ligt volgens Eurostat in Oostenrijk boven het EU15 gemiddelde (in 2008 in de maand voor de vraagstelling: 13,2 om 11%: m 12,2 om 10%, v 14,2 om 12%; Eurostat). Het betrof volgens Statistik Austria in dat jaar (maand voor vraagstelling) 636.000 deelnemers; waarvan 340.600 (53,5%) beroepshalve en 295.500 privaat. Van het deel in verband met werk viel 46,8% volledig binnen en 30,5% volledig buiten de werktijd en 13,4% van de deelnemers was werkzoekend. In 2008 gaf de overheid 0,51% van het BBP uit aan activering van werklozen (EU15 0,49%). In 2005 deed van de werkgevers in de productiesector 81% en in de dienstensector 80% aan volwassenen educatie. In de industrie ging 30% van de werknemers op cursus en in de dienstensector 35%. De deelname in grote bedrijven (+250 werknemers; 42%) was groter dan in kleine (minder dan 25: 24%). Qua organisatie en trends verzorgden in 2003 private instellingen op winstbasis 42% van de bedrijfsscholing (+5% t.o.v 1999), bedrijven zelf 20% (-5%) en werkgever organisaties 17% (-2%). In 2003 trok 2e kansonderwijs 270.000 deelnemers. Naar onderwerp stond in 2008 dienstverlening bovenaan (29%), gevolgd door sociale wetenschap, economie en recht (14,5%), een vreemde taal of gezondheid/ sociaal (beide 11%), algemeen (8,5%), geesteswetenschap/kunst (7,5%) en computercursussen (7%).

Evaluatie van het onderwijs

In het Oostenrijkse onderwijs zijn qua cultuur de gezagsverhoudingen duidelijk en de regels streng (hoge onzekerheidsvermijding). Verder is het onderwijs competitief (masculien). Bij het toelatingsbeleid in het leerplicht en vervolg onderwijs hebben scholen een flinke vinger in de pap. Scholen waar ouders hun kinderen graag geplaatst zien mogen de toegang weigeren. De beoordeling is ook veelal in handen van de school, maar men streeft standaardisering na. De leerlingen worden na hun 10e al min of meer verdeeld over beroeps en algemeen vormend vervolgonderwijs. Wel zijn mogelijkheden om te switchen ruim aanwezig en iedereen kan hoger onderwijs volgen. De naschoolse opvang is in opkomst en naar EU maatstaven gemiddeld (d.w.z beter dan in NL in 2008). In 2006 lagen op de basisschool de groepsgrootte en spreiding erin iets onder de EU27 normaal en in leerplicht en vervolgonderwijs is het aantal leerlingen per docent relatief klein. Om schooluitval te bestrijden wil men met kleinere groepen kunnen werken en meer doen aan voorlichting. In 2008 werden daartoe 2300 extra docenten aangesteld. Leerplichtige kinderen krijgen in Oostenrijk qua vakken naar EU maatstaf veel gym en godsdienstles en weinig natuurkunde en vreemde talen. Op de basisschool krijgen ze weinig creatieve vakken en veel moedertaal. In het vervolgonderwijs is er echter relatief weinig moedertaalles. De aandacht voor onderwijs in vreemde talen groeit en in het basisonderwijs wordt er vaak meer tijd aan besteed dan verplicht is. Het gemiddelde aantal vreemde talen waar leerlingen les in kregen ligt volgens eurostat in het verplichte vervolgonderwijs onder, maar in het secundaire vervolgonderwijs iets boven het Eu gemiddelde. Het aandeel leerlingen dat genoeg Engels kende om een gesprek te durven voeren lag in 2006 flink boven de EU normaal. In het hele onderwijs is naar EU maatstaven de belasting voor leerlingen/ studenten hoog en de belasting en betaling van docenten gemiddeld. De resultaten van doorsnee 15 jarigen bij de PISA onderzoeken zijn naar internationale maatstaven goed, ook op natuurkunde.

Volgens eurostat is de belangstelling voor de beroepsrichting in het secundair vervolg onderwijs (versus algemeen vormend) bij beide geslachten relatief groot (m 81%, Eu27 57%, v 73%, Eu 46% in 2007). Ze steeg tussen 1998 en 2005 wat sterker dan in de EU27 en daalde daarna t/m 2008 veel minder m -2 om -7%; v -1 om -11%). Men draagt vakbekwaamheid hoog in het vaandel en het vervolgonderwijs biedt erg veel mogelijkheden tot ambachtelijke specialisatie. Het rendement van het onderwijs qua betaald werk leek in Oostenrijk, bezien vanuit de werkloosheidscijfers onder 25-65 jarigen, laag naar EU maatstaven. In 2008 lag het cijfer onder laag opgeleiden minder ver onder het EU27 gemiddelde (6,3 om 9.8%) dan onder middelbaar (2,9 om 5,6%) en hoog opgeleiden (1,7 om 3,4%; Eurostat). Het onderwijsniveau van de bevolking ligt naar EU maatstaven hoog en is de laatste tijd verder gestegen. Het aandeel voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen zonder beroepskwalificatie) is relatief klein en daalde tussen 1998 en 2004 sterker dan in de EU15. In 2007 was het wel weer wat gestegen. Het gedeelte 20-24 jarigen met zo’n kwalificatie (diploma secundaire vervolgopleiding) is relatief groot, maar steeg tussen 1997 en 08 een stuk minder dan gemiddeld in de EU. Het volksdeel tussen 25 en 65 met hooguit lager vervolgonderwijs ligt ver onder de EU15 normaal en daalde net zo snel als in de EU. De verschillen tussen leeftijdsgroepen zijn daarbij relatief groot (25-34j 7%, EU15 23%; 55-64j 29,5%, EU 43,7%). Het volksdeel met secundair vervolgonderwijs of meer is ook groot en steeg bijna even snel als in de EU. Onder het volksdeel tussen 25 en 65 met minimaal een secundaire vervolgdiploma valt het grote verschil tussen mannen en vrouwen op (12% in 2008: EU15 2%).

De Oostenrijkers waren in 2007 minder tevreden met hun onderwijs dan in 2003. Ze beoordeelden het genoten onderwijs toen qua tevredenheid met het cijfer 6,8 (in 2003 nog 7,6; EU15 7,3 in 07; Eurlife indicator) en de kwaliteit van het onderwijsstelsel gaf men een 7,5 (een 8 in 03; EU15 6,3 in 07). De Oostenrijkers zijn zich redelijk bewust van het belang van onderwijs en steken naar verhouding veel geld en energie in educatie; m.n in beroeps, hoger en volwassenenonderwijs. Uit Eurobarometer 273/ wave 66.3 TNS opinion & social blijkt dat het volksdeel dat onderwijs eind 2006 tot de 3 grootste punten van zorg rekende onder de EU25 normaal lag (voor zichzelf 7 om 13%; voor de komende generatie 8 om 18%). Het deel dat goed onderwijs tot de 2 beste manieren rekende om verder te komen in het leven lag ook iets onder deze standaard (58 om 62%). Hetzelfde gold medio 2009 voor het deel dat diploma’s belangrijk leek om werk te vinden (48 om 52%: keuze van 2 opties uit 6; EB 316, wave 71.2). Eind 2008 (keuze van 2 uit 14 opties) koos echter een gemiddeld aandeel Oostenrijkers het onderwijsstelsel uit als punt van zorg voor hun land (EU 8 om 7%) of als persoonlijk punt van zorg (9%; EU27 gemiddelde; bron EB 70).