Onderwijs

Onderwijsniveau en talen

Schoolverwachting 2006 in het VK: 16,3 jaar (in 2005 nog 20,5 j: EU27 17,2 j; bron Eurostat). In 2007 telde het VK 17% voortijdige schoolverlaters (18 tot 24 jarigen die stopten voordat ze een diploma hadden waarmee ze naar het secundair vervolgonderwijs kunnen; EU27 15,2%). Van de Britten en Noord-Ieren boven 14 is 1% analfabeet (CIA worldfactbook). Kinderen tussen 5 en 16 (Noord-Ierland 4-16) zijn leerplichtig. Men wil de leerplicht in 2013 met 2 jaar hebben verlengd. Rond 2006 kon onder 25-65 jarigen 29% (m 28%, v 30,5%; EU27 23%;) een hoger onderwijsdiploma; 44% (EU 48%) een secundair vervolgonderwijsdiploma en 27% (EU 29%) hooguit een diploma van het lager vervolgonderwijs tonen. Hoogste opleidingsniveau 15-65j in 2008: geen 13%, basisschool 18%, la­ger se­cundair onderwijs 22%, secundair vervolgonderwijs 20%, HBO 22%, Universi­tair 7%. Het Engels is de voertaal. Er zijn ongeveer 60.000 gaelic (de Schotse vorm van Keltisch) sprekenden in Schotland en 20% Welsh sprekenden in Wales. In Wales is les in deze taal een verplicht onderdeel van het leerplichtonderwijs.

Voorgeschiedenis, stelsels en doelstellingen

In Schotland werd in 1496 leerplicht voor de welgestelden ingevoerd en in de 17e eeuw werden parochies daar verplicht om scholen te beginnen. Voor 1870 bestond in de rest van het VK privaat onderwijs, m.n door liefdadige instellingen. In Engeland en Wales kwam in 1870 wetgeving naar Duits model voor het basisonderwijs en in 1900 voor vervolgonderwijs. Deze voorzag in door de overheid betaald verplicht onderwijs. De leerplicht geldt sinds 1973 voor kinderen tussen 5 en 16 jaar. Sinds 1960 wordt er meer rekening gehouden met gevarieerde onderwijsbehoef­tes. In 1980 kwamen er nationale leerplannen en wer­den ouders meer bij het onder­wijs betrokken. Behalve recht op inzage in schoolresultaten en prestaties van scholen kregen ze en een belangrijke stem in de keus voor vervolgon­derwijs voor hun kind. De landen van het VK hebben eigen ministeries van onderwijs en in principe eigen onderwijsstelsels. Daarbij kent Engeland gescheiden ministeries voor hoger onderwijs en ander onderwijs. De stelsels van Engeland, Wales en Noord-Ierland lijken veel op elkaar. Wales onderscheidt zich m.n in het Welsh als verplicht vak in het leerplichtonderwijs en Noord-Ierland in het feit dat 95% van de leerlingen naar een openbare school van protestante c.q roomse signatuur gaat. Bij het stelsel van Engeland, Wales en Noord-Ierland ligt meer nadruk op diepgang en bij dat van Schotland meer op breedte. In de organisatie van het basisonderwijs hebben lokale en regionale overheden overal een flinke vinger in de pap. In 1998 werd een lange ter­mijnplan met streefcijfers ingevoerd om het onderwijsniveau van de bevolking tussen 18 en 65 op te krikken. De meeste vooruitgang werd t/m 2003 geboekt bij al­lochtone groepen (m.n. van Chinese en gemengde afkomst) en Schotten. In de onderstaande tabel staan de vorde­ringen aangegeven tot aan 2008.

Niveau of hoger

Percentages

1997

2008

+/-

Doelstelling

HBO, universiteit

21

29

+8

Secundair vervolgonderwijs

39

51

+12

52 in 2004

Verplicht vervolgonderwijs

61

69

+8

71 in 2006

Niveau

Basisschool/ LBO

22

18

-4

15 in 2010

Geen diploma’s

17

13

-4

Tussen 1994 en 2005 behoorde de stijging van jet aandeel 25-65 jarigen met minstens een secundair vervolgonderwijsdiploma tot de grootste binnen de Eu (van 52 naar 72%) en hetzelfde geldt voor de daling van het aandeel voortijdige schoolverlaters (van 20 naar 13% tussen 1999 en 2006: EU25 15,5%; EU15 17% in 2006). In 2007 lag het aandeel echter weer op 17% (EU27: 15,2%).

Kenmerken van het onderwijs

Het leerplichtonderwijs kent in Engeland, Wales en Noord-Ierland 4 fasen van 3 jaar (KS/ key stages) die jaar 1 t/m 11 heten. Fase 1 voor kinderen van 5 t/m 7 (Infant school, jaar 1 t/m 3) en fase 2 voor 8 t/m 10 jarigen (Junior school) vormen het basisonderwijs (primary school/ foundation stage). Daarna volgt 6 jaar vervolgonderwijs (highschool) in fase 3 voor 11 t/m 14 jarigen en fase 4 voor 15 en 16 jarigen. Iedere fase wordt afgesloten met nationale leerplan­toets of Standard Assessment Test (SAT) KS1 t/m KS4. Daarbij is, KS4 onderdeel van het nationale eindexamen GCSE van het leerplichtige onderwijs. De beoordeling geschiedt aan de hand van een schaal met 8 niveaus met buitencategorie A* als hoogste en verder A t/m G. Daarnaast bestaat de aanduiding U (unclassified) voor gezakt. Het vereiste niveau loopt op met de fase. In Schotland kent men op de basisschool simpelweg 7 jaargroepen (primary 1 t/m 7) en in de vervolgfase 4 (secundary 1 t/m 4). De laatste fase wordt daar afgesloten met examens in verplichte vakken (standard grades). Openbare scholen`heten in Engeland, Wales en Noord-Ierland maintained schools en ze volgen een nationaal leerplan (waarvan godsdienstles in meerdere religies en gezamenlijk gebed overigens onderdeel uitmaken). In het openbaar onderwijs heeft 30% van de scholen en levensbeschouwelijke grondslag (faith schools). Van de leerlingen volgt rond 7% privé-onderwijs; bijna allemaal aan onafhankelijke scholen (independent schools, bijv kost, antroposofische en Waldorf scholen). Onafhankelijke scholen en leerplichtscholen in Schotland hebben een eigen leerplan. Dat geldt landelijk ook voor de rond 16.700 leerlingen die thuis veelal in kleine groepjes privé-les kregen. Dat is mogelijk doordat het VK een leerplicht en geen schoolplicht kent. Wel bestaan landelijk geldende criteria waar onderwijs aan moet voldoen. Onder de 9 kostscholen zijn Eton, Harrow, Rugby en Winchester bekende Engelse jongenskostscholen. Hun toelatingsexamen heet common entrance.

In het basisonderwijs zijn de regels duidelijk en streng (m.n op kostscholen die schooluniformen ed. kennen). Schoolboe­kenteksten zijn ordelijk, simpel, helder en “to the point”. Het Britse onderwijsstelsel is naast erg competitief ook veelzijdig. Zo worden gymlessen mede ingevuld via outdoor education (avontuurlijke ac­tiviteiten in de buitenlucht) zodat bijv ook leerlingen die niet goed zijn in balteamsporten de kans krijgen om fysiek groepswaardering te oogsten. Leer­lingen en studen­ten worden verder uitgedaagd tot kritisch en onafhankelijk denken, assertiviteit en vaar­digheid in het debat. Het gevolg is dat Britten en Noord-Ieren minder pol­deren dan Nederlanders, duidelijke standpunten durven innemen en verdedigen en in voorko­mende gevallen sportieve verliezers kunnen zijn. Een ander gevolg is dat er meer voor­zieningen zijn voor hoogbegaafde leerlingen dan voor achterstandsleerlingen. In het openbare onderwijs duurt in Engeland en Wales het schooljaar 190 dagen en in Noord-Ierland 200 dagen.  Het aantal lesuren p/w loopt op van 21 in de 1e fase van de basisschool naar 25 in fase 4 van het leerplichtonderwijs. Op basisscholen wordt in principe op 5 dagen p/w les gegeven. In Engeland en Wales loopt het schooljaar van begin september tot midden juli. Men kent hier een herfst (laatste week oktober), krokus (midden februari) en pinkstervakantie van een week, een kerst en een paasvakantie van 2 weken en een zomervakantie van 6 weken. In Noord-Ierland begint de zomervakantie op 1 juli en ze duurt 9 weken ten koste van de herfst en krokusvakantie (beide 2 dagen) en de paasvakantie (1 week). Schotland kent een zomervakantie van 6 weken (begin juli tot half augustus) en de andere vakanties zijn regioafhankelijk. Onafhankelijke scholen en instellingen voor hoger onderwijs zijn vrij om hun tijd in te delen.

In 2007 behoorde in het openbaar onderwijs op de basisscholen 22% en in het vervolgonderwijs 17,7% van de leerlingen tot een etnische minderheid. In plattelandsregio zijn deze aandelen een stuk kleiner dan in grote steden.

Betaling van het onderwijs

In 2005 ging in het VK 5,45% van het BBP (EU25: 5,04%) op aan educa­tie. Daarvan kwam 1,25% (hoogste EU; EU25 0,67%) op rekening van huishoudens, zodat het overheidsaandeel 4,2% van het BBP bedroeg (EU 4,4%). In dat jaar werd per leerling/ student in vergelijking met het BBP per hoofd 26,3% uitgegeven aan onderwijs (EU25 25,2%; gelijkgetrokken voor prijsverschillen). De aldus berekende uitgaven gingen naar EU maatstaven sterk omhoog (+5% t.o.v 2000: EU25 +0,9%; basisonderwijs 20,7% +5,3%; EU 20%, +3,1%), vervolgonderwijs (23,2% +2,4%; EU 25,9% -0,7%; hoger onderwijs 45%, +6,2%: Eu 37%, -2%). In 2007/08 ging volgens National Statistics (Education and training statistiscs for the UK 2008) 5,4% van het BBP naar onderwijs (₤76,2 miljard: gemeenten 66%, rijk 33%: kleuteronderwijs 6%, basisonderwijs 29%; vervolgonderwijs 31%; secundair vervolgonderwijs 11%: hoger onderwijs 15%).

Aan openbare en levensbeschouwelijke basis en vervolgscholen binnen de leerplicht (respectievelijk community en Voluntary aided/ controlled of VA/ VC schools) is het onderwijs gratis. Wel kent men in principe vrijwillige bijdragen voor schoolreisjes e.d. en voor schoolmaaltijden. Voor lagere inkomensgroepen is dan ook vrijstelling mogelijk. In 2007/08 maakte voor schoolmaaltijden in het kleuter en basisonderwijs 13,3% van de leerlingen hier gebruik van (-1,5% t.o.v 2000/01). In het vervolgonderwijs kon een even groot aandeel er aanspraak op maken, maar deze optie werd door slechts 9,8% geconsumeerd (in het VK worden schoolkinderen er vaak mee gepest). Het secundair vervolg en hoger on­derwijs kent een inkomen afhankelijk stelsel van bijdragen in kosten van leermidde­len, beurzen en studieleningen. Aan onafhankelijke privé-scholen (waaronder de 9 kostscholen) moet veel lesgeld worden betaald en ook buitenlandse studenten in het hoger on­derwijs moeten in principe flink dokken.

In 2008/09 bedroeg het collegegeld in Engeland ₤3125 en in Wales ₤1200 p/j. In Schotland werd het collegegeld voor Bachelor studenten vergoed, maar voor Master studenten lag het op ₤2000. Wel bestaan er naast beurzen die dit deels compenseren renteloze leningen, maar deze gelden alleen voor Britse en Noord-Ierse studenten. Werkstudenten uit het VK die minder dan 16 uur college lopen en fulltime beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt vallen binnen het stelsel van uitkeringen en woonsubsidie. Vrijwel alleen Master studenten die aan hun afstudeerscriptie werken maken hier gebruik van. Volgens Eurostudent 2007 kreeg in dat jaar 79% van de uitwonende studenten een ouderbijdrage (gemiddeld €216 p/m), 64% betaalde uit eigen verdiensten (gemiddeld €1072 p/m) en 81% kreeg staatssteun (gemiddeld €684 p/m). Deze bedragen waren veruit het hoogst binnen de 9 EU landen in deze peiling. Wanneer men een inkomen krijgt boven ₤15.000 p/j moet met de aflossing van studieleningen worden begonnen.

Kleuter en basisschool

In 2006 ging in het VK 91,3% van de 4jarigen naar de kleuterschool (EU27 86,8%). Het aantal leerlingen per leerkracht daalde tussen 95/96 en 07/08 binnen dit onderwijs het sterkst; i.e van 21,3 naar 17,3. In Engeland en Wales zijn in het basisonderwijs alle kinderen in een groep in prin­cipe even oud doordat zittenblijven niet bestaat. Wel zijn er voorzieningen om achterblij­vers bij te spijkeren. In Schotland ontstaan via het leertempo wel leeftijds­verschillen in groepen. Jaargroepen hebben vaste leerkrachten die alle vakken geven. De gemiddelde groepsgrootte daalde in de loop van de 20e eeuw van 50 naar 27 (Schot­land 24). In 2006 bedroeg het aantal leerlingen per docent 19,8 (hoogste EU27). Het schooljaar duurt van begin september tot eind juni. De kinderen moeten op werkdagen van 8.30 tot 16 uur naar school en ze hebben een uur middag­pauze. Het jaarlijkse aantal lesuren lag in Engeland en Wales in de Infant stage op 798 en in de Junior stage op 893 en in Noord-Ierland op ruim 700. Scholen mogen zelf bepalen hoeveel tijd ze in ieder vak steken, maar de overheid stelt minimumeisen aan het te bereiken ni­veau met controle door inspecties. ICT is geïntegreerd in het onder­wijs.

In het VK zitten seksuele en drugsvoorlichting in het lespakket en in Noord-Ierland daarnaast ook verdraagzaamheid (i.v.b met spanningen tussen roomsen en protestanten). Daarnaast worden spreekbeurten voor de klas erg belangrijk gevonden.

In Engeland, Wales en Noord-Ierland voldeed in 2008 op de Infant school (1e fase) tussen 79 en 89% van de leerlingen aan de criteria voor de KS1 toets. Hier beoordeelt alleen de onderwijzer. Op de Junior school in 2007 voldeed tussen 77 en 88% aan de eisen voor KS2. In Engeland bestaat voor KS2 een algemene toets naast een toets door de onderwijzer. Voor deze toets slaagden door de bank genomen minder leerlingen dan voor de 1e. Wel waren in Engeland de scores in 2008 iets hoger dan in 2006. Verder waren in het hele VK bij taal de resultaten slechter dan bij rekenen en natuurkunde en op alle 3 de vakken voldeden meer meisjes dan jongetjes aan de eisen.

Vervolgonderwijs leerplicht

Tegen de tijd dat de kinderen 11 zijn moeten ze naar het vervolgonderwijs (fase 3 van 3 jaar en fase 4 van 2 jaar). Hierin bestaat (behalve in Schotland) de keus tussen de Grammer school (een soort gymnasium) waarvoor toe­latingsexamen moet worden gedaan (Engeland: 13%; Noord-Ierland 41% van de leerlin­gen) en de comprehensive- of maintained school die iedere leerling toelaat. Schotland en Wales kennen alleen de laatste vorm en de wat elitaire Grammar school verdwijnt in de rest van het VK ook steeds meer uit het openbare onderwijs. Vanaf fase 3  krijgen de leerlingen les in één vreemde taal en vanaf fase 4 worden creatieve vakken keuzevak. In 2007 bedroeg het aantal lesuren p/j in Engeland 912 in fase 3 en 950 in fase 4. In Wales lag het in beide fasen op 950. Klassen mogen maximaal 20 leerlingen tellen. Na 2000 zijn ICT en burger­schapskunde onderdeel geworden van het lespakket. Om de kwaliteit te verbeteren en voortijdig schoolverlaten tegen te gaan zijn sponsering, gespecialiseerde opleidingen, aandacht voor achterstandswijken/ gebieden en mentorschap in het verplichte vervolgonderwijs ingevoerd. Vanaf 2013 kunnen de leerlingen in Engeland, Wales en Noord-Ierland bijv kiezen uit 17 pakketten, waarvan onderwijs in vakken als uiterlijke verzorging, houtbewerking etc. deel uit kan maken. In sommige delen van Engeland is het vervolgonderwijs opgedeeld in mid­denscholen (in Noord-Ierland “junior highschools”) voor leerlingen tussen 9 en 12 en “(senior) highschools” voor leerlingen van 13 tot 16 of 18, Vanaf 1994 kwamen er in En­geland ook gespecialiseerde opleidingen. Ze moeten een sponsor hebben om opgericht te kunnen worden en dan hebben ze tevens recht op over­heidssteun. Wel zijn ze verplicht om expertise te delen met andere opleidingsinstituten en de gemeente. Sinds 2003 be­staan deze technology colleges of academies in een groot aantal vakken en in Engeland maakten ze in 2007 onderdeel uit van 86% van alle middelbare scholen. In Noord-Ierland is in 2007 met deze opzet begonnen.

In Engeland, Wales en Noord-Ierland voldeed in 2008 op KS3 toets (3e fase) tussen 69 en 78% van de leerlingen aan de criteria (meer meisjes dan jongens). Op hun 16e moeten leerlingen van alle schooltypen eindexamen doen om hun GCSE “General Certificate of Secundary Education” (in Schotland SG) te behalen. Dat doen ze in verplichte en in keuzevakken; in totaal 9 (Gram­mer school leer­lingen vaak 10). Hoge beoordelingen op GCSE diploma’s (bijv A t/m C) zijn vaak voorwaarde voor toelating tot gespecialiseerde (vak)opleidingen in het secundaire vervolgonderwijs. Kandidaten hebben de keus uit meer dan 35 vakken. Tussen 1996 en 2007 ging hun aantal omhoog van 723.000 naar 778.000. Het aandeel dat 5 of meer beoordelingen tussen A en C haalde steeg van 46 naar 61% (meisjes 66%, jongens 57%). In 2007 had 20% 1 tot 4 van deze scores, 17% had alleen beoordelingen tussen D en G (21% in 1996) en 1,6% zakte voor het examen. Het aandeel dat zakte liep uiteen van 0% (bij Welsh in Wales) naar 8% (bij andere vreemde talen dan Frans, Duits of Spaans).  Naast algemene GCSE’s bestaan er ook vak GCSE’s (VCGSE; ruim 170.000 diploma’s behaald in 2006/07).

In 2006 scoorden Britse 15jarigen in vergelijking met leeftijdgenoten uit de 29 rijke landen van de OESO qua gemiddelden 13e op leesvaardigheid; ex-aequo 17e op wiskunde en (ongedeeld) 9e op natuurkunde. Op leesvaardigheid zakte Engeland in vergelijking met  2001 van een 3e naar een 11e plek en Schotland ging van een 13e naar een 16e positie.

Secundair vervolgonderwijs

Het deel van de gediplomeerden dat doorleerde steeg tussen 1991 en 2007 flink. De meeste leerlingen deden een praktijkopleiding in deeltijd bij een further education institute. De rest deed een fulltime VWO dagopleiding (sixth form colleges, tertiary colleges, further education colleges). Alle opleidingsvormen kennen vakleerkrachten en kleine groepen. Een sixth form colleges is een afdeling voor 17 en 18 jarigen die leerplichtscholen aan hun leerplan toevoegen (sixth form departments of KS 6 met jaar 12 en 13; in Schotland Form 6 of S6 met gevorderde en hogere cursussen en examens). In het VK bestaan voor wie geen studiehoofd heeft meer dan 180 apprenticeships (leerwerktrajecten) in 80 branches (bron overheidssite directgov onder education). De meeste duren 1 of 2 jaar. Ze kunnen gevolgd worden op de werkvloer en (voor wie geen werkgever heeft) aan een instituut (Programme Led Apprenticeship). In het 1e geval wordt de leerling betaald en in het 2e geval kan deze (indien minvermogend) aanspraak maken op een EMA vergoeding van staatswege. Dit soort trajecten zijn er ook voor 14 tot 16 jarigen en voor 25plussers. Ze kunnen uitmonden in een vakdiploma VQ (Vocational Qualification), NVQ (National Vocational Qualification) niveau 2 of 3 (in Schotland een SVQ) of KS (sleutelvaardigheid kwalificatie) en (met aanvullende theoriestudie) in een beroepscertificaat als een BTEC of OCR national. Dit soort diploma’s kent meerdere niveaus en beoordelingen. Een aantal daarvan opent de mogelijkheid tot vervolgstudie aan een HO instelling. Tussen 1999 en 2005 vertoonde het aandeel leerlingen dat een beroepsopleiding deed tegen de EU trend een stijgende lijn. Het ging bij jongens van 64 naar 69% (EU 64% in 2005) en bij meisjes van 68 naar 75% (hoogste EU, EU 57%; bron Eurostat). In 2006 lag het bij jongens echter op 41% (EU 57%) en bij meisjes op 43% (EU 46%). In 2006/07 werden evenwel 1,42 miljoen VQ’s (+480.000 t.o.v 2004/05), 731.000 KS en (+187.000) en 673.000 NVQ/SVQ’s (+100.000) behaald.

Het algemeen vormende vervolgonderwijs voor 17 en 18 jari­gen bereid in Engeland, Wales en Noord-Ierland voor op het Algemene onderwijsdiploma (General Certificate of Education: GCE). Na één jaar behaalt men het GCE-AS (Algemeen bijdiploma) en na 2 jaar het eigenlijke GCE. Dit kent een gewoon (ordinanary; GCE-O) en een gevorderd niveau (Advanced; GCE-A, de afsluiting van de 6th form; in Schotland Advanced Higher). Ook zijn er vakcertificaten die dubbel worden gewaardeerd (VCE’s; Vocational Certificates of Education; voor 2002). De meeste leerlingen verkozen 5 onderwerpen GNVQ: General Nati­onal Vocational Qualification en 3 specia­lisaties. Twee of drie van deze diploma’s geven toegang tot het hoger onderwijs, waarbij een goede beoordeling op een passend vak zwaar weegt. De beoordeling loopt van A t/m E (laagste voldoende). In 2007 deden 778.000 meest 17 jarige kandidaten het GCE-A examen. Daarnaast werden 43.000 beroepscertificaten GCE-AS en 41.000 dito GCE-A certificaten behaald. Bij het algemene GCE bestond keus uit meer dan 35 vakken. Het deel dat slaagde met 2 of meer diploma’s en dus naar het HO kon steeg tussen 1996 en 2007 van 30 naar 45% (j 40%, m 51%). Het deel dat slaagde met een hoge beoordeling (A t/m C) liep in 2007 uiteen van 51% (bij ICT) naar 88% (klassieke studies). Tussen 1% (bij 16 vakken) en 7% (2 vakken) zakte (gemiddeld 3%). Bij de GCE-AS examens lag het deel dat zakte tussen 3 en 22%.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs wordt in het VK gegeven aan 49 hogescholen (higher education colleges) en 120 universiteiten. Universiteiten worden ingedeeld naar de periode waarin ze zijn opgericht. Zo bestaat het onderscheid tussen pre en post 1992 universi­ties doordat na 1992 polytechnische scholen (technical colleges) een universiteitsstatus kregen. Tot de prestigieuze instellingen behoren de oude universiteiten van Oxford (sinds 1167), Cambridge (1209) en Edinburgh en het Imperial college, University college en King’s college in Londen. Ook kan men (bijv. op oudere leef­tijd) terecht op de Open Universiteit, die schriftelijk onderwijs verzorgt en via de media (bijv. de BBC) werkt. Op één na zijn alle Britse universiteiten rijksinstellingen. Hoger onderwijsinstellingen in het VK bepalen zelf hun toelatings­beleid. De toelatingseisen zijn te vinden op de UCAS website. Tot de diploma’s in het HO behoren een vakcertificaat (certificate) na 1 jaar HBO studie en een foundation degree na 2 jaar HBO studie. In 2008 waren er 1700 foundation degrees. Vaak worden ze behaald via deeltijdstudie door mensen met een baan. Een bachelor degree without honour kan behaald worden na 3 jaar (in combinatie met een praktijkjaar na 4 jaar). Indien gewaardeerd met een honours degree op first class, upper of lower 2nd class of third class niveau verkrijgt men de Bachelor titel en mag men aanduidingen als BA of BS voeren. De meeste studenten zoeken op dit niveau een baan. Men kan ook verder gaan voor een integrated master degree en op universitair niveau (met honours) een Master degree (MD, bijv. MA: Master of Arts etc.) na 4 of 5 jaar studie en een doctorsgraad (PHD, EDD etc.) na zo’n 8 jaar. Doctorsgraden met bijzondere verdiensten kennen aanduidingen als DLITT (doktor in de literatuur); de D komt dan dus voor en niet achter het vakgebied waarop ie­mand is gepromoveerd. De Nederlandse titel van drs. zit qua niveau in tussen een MD en een PHD.

Volwassenenonderwijs

In het volwassenenonderwijs kan worden gekozen uit bijna een miljoen cursussen. Verder kunnen alle schooldiploma’s worden behaald via 2e kansonderwijs. Daarnaast zijn er legio opleidingen die door de werkgever worden betaald. Veel cursussen/ opleidingen zijn gratis en er bestaan diverse subsidietrajecten, leningen en kortingen die bijdragen aan kosten voor studie, reis en verblijf en kinderopvang. Veel info is te vinden op de overheidssite directgov onder education. Tussen 1999 en 2005 vertoonde de onderwijsdeelname van 25-65 jarigen in het VK de grootste stijging binnen de EU25 (van 19,2 naar 27,5%; hoogste aandeel na Zweden; EU25 10,3% in 2005). In 2007 lag de deelname in het VK echter op 20% (EU25 10%, bron Eurostat: lifelong learning).

Onderwijsstatistieken

In het schooljaar 2007/08 waren in het VK binnen het leerplichtonderwijs 33.661 onderwijsinstellingen met 9,74 miljoen leerlingen (Engeland 83%, Schotland 8,4%, Wales 5%, Noord-Ierland 3,3%) en 520.600 docenten in fulltime eenheden (FTE). Daaronder vielen 2527 privé-scholen met 628.000 leerlingen (7% leerlingen; -7% t.o.v 2006/07 waarvan 93% in Engeland, Schotland 5%, Wales 1,5%) en 70.500 docenten. In het openbare onderwijs telde een kleuterschool gemiddeld 43, een basisschool 225 en een middelbare school 939 leerlingen. Het aantal leerlingen per docent lag op respectievelijk 17,3; 20,9 en 15,6; gemiddeld 16,5 (in 1995/96 nog 18). Van de leerplichtige leerlingen kwam 2,7% (262.000 in getal; Schotland 1,2%; Engeland 2,8%, Wales 3,1%; Noord-Ierland 3,9%) in aanmerking voor speciaal onderwijs. Daarvan bleef 61% binnen het gewone onderwijs en 39% (107.000) ging naar één van de 1378 scholen voor speciaal onderwijs (waaronder 114 privé-scholen met 5800 van deze leerlingen). In dit onderwijs waren 22.600 docenten FTE werkzaam (1 per 5,8 leerlingen in 07/08). De tabel die nu volgt bevat info over aantallen scholen, leerlingen en docenten (bron: Education and training statistics for the UK 2008 van National Statistics).

Schooltypes, aantallen scholen en leerlingen in 2007/08 en leerkrachten om 2006/07

Schooltype

Instellingen

Leerlingen studenten

Docenten FTE

Kleuterscholen

3.273

151.000

238.000

Privé kleuterscholen

67.000

Kleuterafdeling basisschool

332.000

Basisscholen

21.768

4,57 miljoen

Privé-basisscholen

212.000

Vervolgonderwijs leerplicht

4.209

4 miljoen

256.000

Vervolgonderwijs privé

349.000

Hoger onderwijs

49

2,66 miljoen

114.000

Universiteit

120

Volwassenen onderwijs

444

3,64 miljoen

59.000

Werkgerelateerde training

4.92 miljoen

In Engeland was het gedeelte dat na de leerplicht verder leerde het grootst. Het ging tussen 1991 en 2007 van 61 naar 80% (meisjes 84%, jongens 76%). In Schotland was dit het kleinst (van 32 naar 53%; m 61%, j 45%). Daar was het deel dat een baantje vond (28%, N-I 12%, Eng 6%, Wal 4%) of werkloos werd (12%, Wal 7%, Eng 6%, N-I 3%) relatief groot. In Noord-Ierland waren leerwerktrajecten nogal in trek (16%; Schot 7%, Eng 6%, Wal 5%,). Tussen 1 en 4% van de leerlingen verdween uit het zicht. In 2006/07 nam 83% van de 16 jarigen deel aan onderwijs (school, bijv 6th form college 39%; voltijdopleiding 38%, overheidstraining 6%). Onder 17 jarigen lag de deelname op 70% (school 29%; voltijdopleiding 34%, overheidstraining 7%). Verder deed van de 16 en 17 jarigen 5% een deeltijdopleiding. In 2007/08 telde het HO 2,66 miljoen studenten (+146% t.o.v 1990/91). Daarvan was nog geen 57% voltijdstudent (in 1990/91 nog 70%) en 10% kwam uit het buitenland. Bij volwassenenonderwijs zijn secundair vervolg en hoger onderwijs meegeteld. Onder de 3,64 miljoen deelnemers (+62% t.o.v 1990/91) deed 30% (in 1990/91 nog 21%) een voltijdopleiding. Het aandeel Engelsen was relatief groot (89%) en bij de deeltijdopleidingen was het relatief klein (ruim 77%). Hier scoorden de andere delen van het VK naar verhouding goed (Schotland 12%, Wales 7%, Noord-Ierland 4%). Naar leeftijd was de deelname onder 16 t/m 19 jarigen (20,2%; m 21,1%, v 19,2%) en 20 t/m 24 jarigen (20,7%; m 2.2%, v 21,1%) het grootst.

Tevredenheid met en belang van onderwijs

De Britten en Noord-Ieren beoordeelden in 2003 de kwaliteit van hun onderwijsstelsel met een 6,4 (EU25 6,3). Qua tevredenheid gaf men een 7 gemiddeld (EU25 6,9; bron Eurlife indicator). Uit Eurobarometer 273/ wave 66.3 TNS opinion & social kwam naar voren dat het volksdeel dat onderwijs eind 2006 tot de 3 grootste punten van zorg rekende iets boven het EU25 gemiddelde lag (voor zichzelf 17 om 13%; voor de komende generatie 23 om 18%). In het VK rekende toen 77% (hoogste EU25: EU 62%) goed onderwijs tot de 2 beste manieren om verder te komen in het leven.

In 2008 volgde van de 16-65jarigen 13% een werkgerelateerde opleiding (m 11,8%; v 14,4%). Bij werknemers (14,7%; niet blank 15,1%; zwart 18,9%), werkstudenten (26%); hoog opgeleide beroepsbeoefenaren (23%), overheid, onderwijs en zorg personeel (22%); persoonlijk dienstverleners (20%) en mensen met een tijdelijk contract voor een vaste termijn of klus (22%) was de deelname hoger en onder zelfstandigen, werklozen en inactieven was ze lager. Verder was ze in Schotland en Wales het grootst (ruim 14%), gevolgd door Engeland (13%). Noord-Ierland bleef met 8,2% achter. Het grootste deel van de trainingen (34%) duurde minder dan een week (werkenden ruim 40%; werklozen en inactieven minder dan 4%). Ook opleidingen van 3 jaar of langer scoorden relatief hoog (16%; werklozen 22%, inactieven 44%; 16-25 jarigen 25%).