Sport

Voorgeschiedenis en organisatie van de sport

Al sinds 1895 kent Hongarije een Olympisch comité, want actieve en passieve sportbe­oefening waren toen reeds belangrijk. Door de afkomst der Magyaren maakt paarden­sport al sinds mensenheugenis onderdeel uit van de nationale identiteit. Ook zwemmen, schermen, kanoën en waterpolo beho­ren tot de traditionele sporten. In de tijd van de koude oorlog telde men 800.000 geregistreerde beoefenaren die erg hun best deden, mede omdat sport ope­ningen kon bieden voor buitenlandse reizen en een goed in­komen. Ten­nis, golf en roeien werden toen beschouwd als kapitalistische uitwassen en waren een tijdlang verboden. De sportclubs (vaak van leger of arbeiders) hielden zich net als nu met veel takken van sport bezig en waren populair. Ze kregen veel staatssteun omdat ze één van de weinige ingangen vormden voor de communistische regeringen om een wit voetje te halen bij het volk. In de grote steden zijn ook nu veel sporthallen, stadi­ons en zwem­baden en in het on­derwijs wordt volop aandacht besteed aan lichamelijke oefening. Het aantal geregi­streerde sporters zakte na 1990 tot de helft van dat in de Oostblok­tijd en veel sportbonden kwamen bij de overheid in het krijt. Hierdoor zijn bijv de prestaties bij het voet­ballen nogal achteruit gegaan. Na 2000 nam de sportdeelname weer toe

Sport had lang een eigen ministerie maar valt thans onder een staatssecretariaat van het ministerie van locale overheden en regionale ontwikkeling. Volgens Sport in Europe is het Hongaarse sportkantoor met haar instituut voor talentontwikkeling, dat onder het domein van de premier valt, de centrale overheidsorganisatie. In 2008 was 71% van de sportfaciliteiten in handen van regionale en m.n lokale overheden. Die subsidiëren ook lokale sportteams. De belangrijkste ngo’s zijn het Hongaars Olympisch comité (NSO) en de Hongaarse federatie van sportbonden met 66 ledenbonden in 2008. Deze federatie kent aparte takken voor wedstrijd, breedte en gehandicaptensport. Daarnaast zijn er niet erkende sportbonden. Plaatselijke sportverenigingen opereren als non-profit organisaties omdat dat ze dan aanspraak kunnen maken op subsidies en belastingvoordelen. Ze halen hun inkomsten m.n uit gemeentegeld (25,5% in 2005), economische activiteiten (24%), lidgeld en entreeheffing (16,3%), sponsorgeld (16,1%), stichtingen (8,3%) en staatssteun (4,2%). Van hun inkomen ging het grootste  deel (70%) op aan lonen en belastingen. Verenigingen waarbij de overheid daar niet voor zorgt gaven 15% uit aan onderhoud. De rest van het geld ging naar materiaal, leden of teams en vaste lasten.

Opinie over sport

Van 15 opgesomde voordelen van sportbeoefening onderschreven in 2004 naar EU25 maatstaven de Hongaren er 7 vaker dan gemiddeld in de EU. Deze lagen m.n in de sfeer van het cultiveren van kracht en presteren en ontsnappen uit de sleur. Plezier, sociale argumenten en sterker in je schoenen leren staan werden relatief weinig onderschreven (Eurobaromètre special 213/ vague 62.0). Bij de sociale waarden die men via sport kan ontwikkelen scoorden dan ook maar 3 van de 12 naar verhouding goed. Deze waren zelfbeheersing, discipline en je aan regels houden; de minst sociale waarden uit het rijtje. M.n sportiviteit, inzet, solidariteit, respect voor anderen en gelijkheid manvrouw kregen relatief weinig steun. De groep die sport een goed middel achtte voor integratie (50%) was het op één na kleinst binnen de EU (73%), maar het deel dat het een goed middel achtte tegen discriminatie (66%) lag iets boven de EU normaal. Het gedeelte dat sport geschikt vond om mensen bij beeldschermen vandaan te houden was met 85% gemiddeld qua aanhang. De aanhang voor meer gymles op school was aan de grote kant (81% om 77%) terwijl Hongaarse scholieren al veel gymles krijgen. De groep voorstanders van meer samenwerking tussen onderwijs en sport (81%) of van meer waardering voor sportprofessionalisme (62%) lag qua grootte vrijwel op de Eu normaal.

Het volksdeel dat de stelling onderschreef dat het voor een jongere die faalt in sport moeilijk is om zich te herpakken in een andere activiteit was aan de grote kant (52%, EU 46%). Van een 10tal andere mogelijke nadelen van sportbeoefening werden naar EU25 maatstaven doping (78%), overconsumptie van voedingsupplementen (28%) en overtraining (22%) relatief veel onderschreven. M.n exploitatie (van kinderen 21%, van mensen uit ontwikkelingslanden 10%), seksueel misbruik (23%) en geweld (28%) kregen relatief weinig steun. De Hongaren zijn als het om sportbeleid gaat behoorlijk Europees gericht. De aanhang van meer samenwerking tussen Europese en landelijke organisaties (64%) was weliswaar gemiddeld en die van meer EU bemoeienis met het EU sportgebeuren (47%) aan de kleine kant, maar relatief velen zagen wel wat in Europese strijd tegen doping (82 om 80%), EU stimulering van de link onderwijs sport (70 om 65%), Europese promotie van ethische en sociale waarden van sport (71 om 59%) en opname van sport in de Europese grondwet (76 om 62%).

Breedtesport en bewegen

Het aantal sportclubs in Hongarije groeide tussen 2005 en 2008 met 27% naar 7638. In 2008 telden de sportclubs rond 700.000 leden (7% van alle Hongaren). Rond 16% van de bevolking sportte toen minstens eens per week een half uur of meer en 9% vaker. Ongeveer de helft van hen deed dit buiten georganiseerd verband. In de zomer wordt be­halve aan water­spor­ten (zwemmen, waterpolo, zeilen, surfen en kanovaren) veel gedaan aan voetbal, paarden­sport, tennis, atletiek en mountainbiken en golf is in opkomst. Paar­den­sporteve­nementen en voetbalwedstrijden zijn belangrijke publiekstrekkers. In de win­ter zijn ijshoc­key en het daaraan verwante bandy, schaatsen en skiën (vaak in de buurlanden) geliefd bij velen. Populaire zaalsporten zijn boksen, basketbal en handbal. Ook denksporten zijn in Hongarije als land met masculiene Bèta waarden erg populair.

In 2004 sportte slechts 20% van de Hongaren minstens eens per week (EU 38%, bron Eurobaromètre special 213/ vague 62.0) en het deel dat nooit aan sport deed was het grootst binnen de EU25 na dat in Portugal (60%, EU 40%, NL 31%, Be 36%). Onder de laatste groep voerde toen een gemiddeld deel (33%) tijdgebrek op als reden. Eind 2005 gaf 51% tijdgebrek op (EU 53%) en naar EU maatstaven veel Hongaren gaven toen de omgeving de schuld van hun inertie in dezen. Het deel dat vond dat hun leefomgeving veel gelegenheid bood tot fysieke activiteit (53 om 75%) en het deel dat beaamde dat er genoeg sportvoorzieningen waren (48 om 68%) lag toen flink onder de EU25 normaal (bron eurobarometer 246/ wave 64.3). Bij nadere beschouwing waren in de week voor de vraagstelling wel veel Hongaren op andere manieren veel actief bezig geweest (werk 25%, EU25 19%; onderweg 31 om 22%; in of rond het huis 44 om 27%; in de vrije tijd 10 om 15%). Het deel dat zich nooit inspande lag rond of iets onder de Eu25 normaal (nooit duchtig 45%; nooit matig 30%, EU 35%) en de doorsnee duur en frequentie van inspanningen (flink dan wel matig) was hoog naar EU maatstaven; ook m.b.t wandelen. Het volksdeel dat nooit langer dan 10 minuten liep lag met 13% op de EU25 normaal. Ook bracht men dagelijks relatief weinig tijd stilzittend door (271 om 312 min).

Sportvoorzieningen en evenementen

Het Ferenc Puskás stadion (Puskás Ferenc stadion op zijn Hongaars) in Boedapest is met 69.000 plaatsen veruit het grootste in zijn soort. Het is vernoemd naar ’s lands grootste voetbal legende (Puskás scoorden 83 keer in de 84 inter­lands die hij voor Hongarije speelde). Vroeger, toen het nog Nép stadion (volksstadion) heette, konden er wel 100.000 mensen in. Thans is het, net als veel grote sportvoorzieningen, multifunctioneel omdat er bijv ook popconcerten plaatsvinden. De grootste sporthal van Hongarije is de naar de legendarische bokser László Papp vernoemde hal van Boedapest (Budapest of Papp László Sportárena). De hal werd in 2003 opgeleverd nadat haar voorganger, de Budapest Sportcsarnok, in 1999 volledig door brand was verwoest. In de grootste zaal is plaats voor ruim 12.000 bezoekers, in de bokszaal voor ruim 11.000 en het ijshockey stadion voor 9.500. De in 2002 gereed gekomen Fönix hal in Debrecen is de op één na grootste. Sinds 1986 wordt op de Hungaroring in het noordelijk gelegen Mogyoród ondermeer de jaarlijks Grote prijs van Hongarije voor formule 1 autocoureurs verreden. Het circuit is berucht vanwege haar gebrek aan inhaal mogelijkheden. De oplevering van de Balaton ring voor GP’s voor motoren is uitgesteld tot 2010 vanwege de kredietcrisis. De Boedapest Bamako race is een lowbudget versie van de Parijs Dakar rally en de opbrengst gaat naar goede doelen. Een ander jaarlijks evenement is de marathon van Boedapest. Na afloop kunnen de lopers hun onderstel laven in de Széchenybaden van het grootste medicinale kuuroord van Europa in het Városliget park van Boedapest. 

Topsport

Bij het voetbal beleefde Hongarije tussen 1950 en 1980 zijn glorietijd. Tussen 1952 en 1954 bleef het nationale voetbalelftal, bijgenaamd het gouden team (Aranycsapat), 33 wedstrijden achtereen ongeslagen. Men werd in 1952 Olympisch kampioen en de reeks eindigde toen in 1954 de WK finale werd verloren van West Duitsland. Wel werd men in 1968 en 1972 opnieuw Olympisch kampioen voetbal. Qua clubvoetbal klinken namen als Ferencváros (de populairste club), Újpest Dósza (thans Újpest FC), de legerclub Honvéd waar o.m de legendarische aanvaller Ferenc Puskás bij speelde, de vroegere club van staalarbeiders Vasas en MTK (allemaal uit de hoofdstad) menig 50plusser van buiten Hongarije nog bekend in de oren. M.n in de 70er jaren haalde bijna ieder jaar wel één van deze clubs bij het voetbal minstens de kwartfinale van één van de 2 grote Europese bekertoernooien. Het verst kwam Ferencváros dat in 1974/75 verliezend finalist was in de toenmalige Europacup voor bekerwinnaars (de huidige Europa league). Door het wegvallen van staatssteun na het opdoeken van het ijzeren gordijn kon men vanwege geldgebrek de internationale ontwikkelingen niet meer bijbenen. Tussen 1993 en 2009 stond het nationale team gemiddeld 59e onder de ruim 200 landen op de wereldranglijst van de FIFA (hoogste positie 43e in 2009 onder de Nederlandse trainer Erwin Koeman; laagste 77e in 1997). In september 2009 stond men 47e. Bij het clubvoetbal haalde Debrecen VSC (de voormalige club van PSV aanvaller Balázs Dzsudzsák) in 2009/10 sinds het bestaan van de huidige Champions League als 2e Hongaarse club de groepsfase van dit toernooi (de 1e was Ferencváros in 1995/96). In ieder geval tussen 2007 en 2010 heet de Hongaarse competitie Soproni Liga naar de sponsor, een Hongaarse bierbrouwerij die tegenwoordig Heineken Hungária toebehoort.

De Hongaren presteren uitmuntend bij de moderne Olympische spelen. Ze won­nen t/m 2008 in totaal 465 medailles. Daarvan werden 459 (159 x goud) binnen­gehaald bij de zomerspelen. Dit resulteerde in een 6e plaats onder de 130 landen die ooit medailles wonnen en qua inwoner­aantal een 2e plaats na Finland. Daar werd in 1952 echter wel het meeste eremetaal behaald (47 medailles). Op basis van goud was bij alle moderne spelen het schermen de topper (82, 34 x goud), gevolgd door zwemmen, kanoën, worstelen, turnen, boksen, atletiek, moderne vijfkamp en waterpolo (15, 9 x g). Uiteraard leverden deze takken van sport ook de nodige Wereld en Europese kampioenen op. De 3 gouden medailles in Beijing in 2008 kwamen op naam van het mannen waterpoloteam (ook al winnaar in 04), sprint kanoër Attila Vajda en sprint kanosters Natasa Janics en Katalin Kovács. De meest succesvolle Olympische kampioenen qua aantallen medailles zijn de schermers Aladár Gerevich (7 medailles), Rudolf Karpati en Pal Kovács (beide 6) uit de 30er t/m 50er jaren. Turnster Agnes Keleti won in 1952 en 1956 echter 4 keer goud en 1 keer zilver. In 1998 en 1992 behaalde zwemster Krisztina Egerszégi 5 keer goud en zwemmer Tamás Darnyi 4 keer. Tussen 1948 en 1956 werd bokser László Papp 3 keer achtereen Olympisch kampioen. De meest gedenkwaardige Olympische overwinning van het waterpoloteam was die van 1956 in Melbourne op de Sovjet Unie na de Hongaarse opstand. De emotioneel zeer beladen wedstrijd ontaardde in een soort zeeslag en omdat speler Ervin Zádor door toedoen van Sovjet spelers met een bloedend oog het water uit moest is ze “bloed in het water match” gedoopt.

Behalve bij fysieke sporten doen de Hongaren het erg goed bij denksporten. September 2009 stonden de Hongaarse mannen 8e en de vrouwen 5e op de wereldranglijst van de FIDE. In de top 100 lijst aller tijden stonden 3 Hongaarse grootmeesters bij de eerste 50; te weten Peter Leko 6e, Judit Polgar 46e en Zoltan Almasi 48e. Judit Polgár werd, toen ze in 1991 op haar 15e grootmeester werd, beschouwd als wonderkind. Haar vader László (zelf een middelmatig schaker) en zijn vrouw wilden juist bewijzen dat zoiets geen kwestie is van aangeboren talent en dat je kinderen tot alle mogelijke topprestaties kunt brengen als je ze maar van jongs af aan traint. Behalve dat zijn 3 dochters erg goed werden in schaken behaalden ze veel diploma’s en spreken ze 4 tot 8 talen.

De in Hongarije geboren merrie Kinc­sem (mijn schat; ge­boortejaar 1874) won alle 54 (inter)nationale races waaraan ze deelnam. Op een naar haar genoemd plein in Boedapest staat ze levensgroot als standbeeld vereeuwigd. De hengst Overdose, die in 2005 in het VK het levenslicht aanschouwde, leek in september 09 ook die kant op te gaan. Hij won tot dan toe alle 10 de races waar hij voor zijn Hongaarse eigenaar aan meedeed. Of hij bij het welslagen van deze missie ook een standbeeld in Boedapest krijgt valt nog te bezien.