Sport

Belgische sportgeschiedenis en identiteit

Engelstalige wikipedia bronnen met info over sport in België (BE) zijn de pagina sport en  categorie Sport. Daarnaast zijn daar Franstalige equivalenten (sport; Sport) en de pagina Vlaamse sportgeschiedenis met nadruk op topsport. Ook op het grondgebied van het huidige BE wordt al sinds mensenheugenis plezier ontleend aan activiteiten waarbij men in beweging is. Te denken valt aan jagen, vissen & verzamelen; zwemmen & zeilen, activiteit met paarden (riddertoernooien, draverijen, dressuur etc.), speerwerpen, schermen, hardlopen, touwtrekken, schaatsen en stok met bal spelen als colven op land of ijs (een voorloper van de golfsport; naar verluidt in de lage landen lang populairder dan voetbal in het huidige tijdsgewricht), curling (sinds 1998 een Olympische sport) & biljart. Daarbij droegen volk en adel ieder op hun eigen wijze bij. Vooraleer het woord sport bestond, viel veel georganiseerde fysieke activiteit voor mens & dier onder de noemer spel & volksvermaak. Veel speelde zich af op lokale feesten met bijv. kermissen, muziek, dans & vendelzwaaien en religieuze processies (vaak over aanzienlijke afstanden). Wedstrijden werden vaak georganiseerd door kasteleins (kroegbazen) die prijzen uitloofden. Kinderen waren veel meer buiten dan nu om mee te helpen op het land of te spelen. Op het platteland kan men zich daar van alles bij voorstellen en ook in dorp of stad betrof het bijv. balspel, hoepelen en tollen. BE was destijds ook de bakermat van de duivensport met rond 1800 reeds wedstrijden.

Vanaf 1850 kwamen o.m. in Antwerpen de eerste sportclubs en faciliteiten van de grond. Aanvankelijk verzet vanuit de roomse zuil ten spijt, kreeg men geleidelijk aan meer oog voor ontwikkeling van lichaam & geest (opkomst). In BE kwam deze evolutie m.n. op gang vanuit Frankrijk en Zweden (Sport). Gym/ turnen werd in 1840 een facultatief schoolvak in Antwerpen & Brussel, in 1879 werd het landelijk in rijks & gemeentelijk onderwijs verplicht als schoolvak (in het katholieke onderwijs pas in 1993) en in 1908 was BE het eerste land ter wereld waar de opleiding tot gymleraar een academische status kreeg (2011/12 p20 etc.). De ontwikkeling werd bespoedigd door sportjournalisten die ook publiceerden over oude Vlaamse volksvermaken. Het woord sport raakte in zwang vanuit de Engelse elitejeugdcultuur die oversloeg naar de jeugd uit de Belgische liberale elite die het zich kon zich veroorloven om voor het plezier bewegen op die wijze te cultiveren (1994). Zo schoten nieuwe sporten wortel als voetbal (alras ook in trek bij de roomse jeugd), tennis, rugby, cricket, roeien, fietsen en atletiek en veel Engelse sporttermen die in BE ook nu nog worden gebruikt vallen onder de erfenis.

In 1869 werden te Brussel en Gent eerste fietsclubs opgericht. Datzelfde jaar nog organiseerde men wedstrijden voor loopfietsen en hoge bi’s. Deze vonden vaker plaats op de baan dan op de weg, want fietsers op plattelandswegen liepen in de 19e eeuw serieuze risico’s. Ze konden bijv. getrakteerd worden op een stenenregen en stokslagen van kerkgangers & boeren of door hengelaars het kanaal in worden geschopt. M.n. voor de wielersport vormde de sportpers een stimulans. In 1881 begon Emile van Berendonck “La vélocipédie Belge” als eerste wielerblad en een jaar later werd hij de eerste nationale kampioen wielrennen (toen nog op de hoge bi). Reeds in datzelfde jaar zag de Belgische wielrijdersbond het levenslicht. In 1894 telde BE 128 wielerclubs, in 1899 232 en in 1902 nog 118. Eind 19e eeuw waren er al 35 wielerbanen. Die van Antwerpen trok in 1895 meer dan 100.000 bezoekers. Nog voor de 20e eeuwwisseling verschenen in totaal 40 sportbladen. Ze waren voornamelijk Franstalig, maar het eerste Nederlandstalige sportblad, de Duivenliefhebber van Karel Mortelmans, zag reeds in 1866 het levenslicht. Onder de pioniers van de sportjournalistiek vallen ook en m.n. Alban Collignon, Rodolphe Seeldrayers en Karel van Wijnendaele. Nieuwe sporten, toenemende belangstelling en sportpers vormden een verdere stimulans voor de opkomst van georganiseerde sport.

In de 70er en 80er jaren van de 19e eeuw werden diverse algemene sportclubs opgericht met meerdere afdelingen. Onder de eerste sportbonden vallen de wielrijdersbond (1882) en de roeibond (1885; medeoprichter van internationale roeibond FISA in 1892). De oudste nog bestaande voetbalclub is FC Antwerp (1880). De Luikse wielrijdersbond, die ook voetbal in haar pakket had, organiseerde eind mei 1892 de eerste Luik-Bastenaken-Luik als wedstrijd voor amateurs. Daarmee geldt deze als oudste wielerklassieker. Ook kreeg BE in dat jaar een katholieke turnbond. Veel algemene sportclubs verenigden zich in 1895 in de overkoepelende UBSSA (in feite de nationale voetbalbond) met voetbal, atletiek en wielrennen als hoofdsporten. In datzelfde jaar kreeg BE als één van de eerste landen ter wereld een nationale voetbalcompetitie. Er namen 10 clubs aan deel. De eerste Olympische deelname was in 1900. In 1912 splitsten de 3 grote sporttakken zich af in afzonderlijke bonden. De eerste voorzitter van de UBSSA (en tot 1925 van de Belgische voetbalbond) was Édouard de Laveleye (1854-1938). In respectievelijk 1904 en 1906 was hij medeoprichter van FIFA en BOC (Belgisch Olympisch Comité) en in 1920 mede organisator van Olympische spelen in Antwerpen, de enige editie tot dusver met BE als gastland. Zowel in 1900 als in 1920 nam boogschutter Hubert van Innis deel, tot op heden de meest succesvolle Olympische medaillewinnaar. Bij de spelen in Antwerpen was ook een opmerkelijke rol weggelegd voor Raoul Daufresne de la Chevalerie. Vanaf 1925 tot zijn dood in 1942 was Henri de Baillet Latour uit BE voorzitter van BOC en IOC.

Na de 2e wereldoorlog ontkwam ook de sportorganisatie niet aan de gevolgen van de Belgische taalstrijd. In 1946 viel sport onder de dienst lichamelijke opvoeding van het ministerie van volksgezondheid. Dat werd in 1956 het autonome instituut NILOS/ INEPS. In 1963 volgde opsplitsing in een Waalse en een Vlaamse afdeling. Door de evolutie van eenheidsstaat naar federale staat verschoven steeds meer bevoegdheden naar de (taal)gemeenschappen. Sinds 1980 valt ook sport onder gemeenschapsministeries. In de Vlaamse gemeenschap betrof het tussen 1969 en 2015 de dienst BLOSO van het departement cultuur, jeugd, sport & media. In 2016 werd de sportsectie autonoom en omgedoopt tot Sport Vlaanderen. De Waalse equivalent ADEPS valt nog onder het Waalse ministerie van volksgezondheid. De vertegenwoordiging in de sport van BE als natie bleef in federale handen. Zo werd bijv. het BOC in 1978 het BOIC (Belgisch Olympisch inter-federaal comité). In 1947 richtte de Vlaamse geestelijke Antoon van Clé katholieke sportvereniging Sporta op. De sportkampen ervan werden een begrip evenals de jaarlijkse sportbedevaart waarbij renners & fietsen worden gezegend en met wijwater besprenkeld. De bedevaart is later uitgebreid naar andere sporten. In de 50er jaren nam in BE georganiseerde gehandicaptensport een aanvang met Victor Boin als stimulator. Sinds de eerste editie (1960) doen Belgische sporters mee aan paralympische spelen. In dat jaar werd ook de BSCVG in het leven geroepen en in 2001 werd dit het Belgisch paralympisch comité. Sinds 1977 kent de gehandicaptensport in Be een Vlaamse en een Franstalige liga. Onder de belangrijkste naoorlogse bestuurders valt verder Jacques Rogge (1942), in zijn jongere jaren Olympisch zeiler en rugbyspeler. Tussen 1989 en 1992 was hij voorzitter van het BOIC en tussen 2001 en 2013 van het IOC. Onder de naoorlogse evenementen in BE vallen 19 wereldkampioenschappen (WK’s) en (slechts) 3 Europese kampioenschappen (EK’s) wielrennen en verder de EK’s voetbal van 1977 en (samen met Nederland) 2000. Qua breedtesport werd na ongeveer 1975  sportdeelname van volwassen gewoner. Er kwamen veel nieuwe sporten op. Alternatief georganiseerde (fitnessclub, sportschool) en ongeorganiseerde sportbeoefening namen toe evenals de invloed van de private sector in de sport (faciliteiten, sponsoring etc.).

Vanuit het perspectief van NL boven de grote rivieren kan het zegenen en met wijwater besprenkelen bij wielerkoersen ondergebracht worden bij wat typisch Belgisch is in de sport. Net als NL werkte ook in BE de verzuiling door in de sportwereld, zij het minder heftig dan in NL omdat de bedenkingen bij sport alras verdampten in het rijke roomse leven van de 20e eeuw. BE heeft bijv. nooit het mijden door geloofgemeenschappen van (wedstrijd)sport op “de dag des Heren” (zondag) gekend. Ook bleven soms eeuwenlang gangbare volksvermaken in Vlaanderen springlevend. Daaronder vallen vormen van biljart (bijv. golfbiljart), beugelen, curling, Jeu-de-Pelote (de Frans Belgische variant op kaatsen), schietsporten met pijl & boog (bijv. wipschieten) geweer, karabijn of buks; bolspelvarianten (vaak authentiek Vlaams) en touwtrekken. Ook bij de schietsporten zijn authentiek Vlaamse varianten ontstaan. Sinds 2005 zijn als Vlaams te boek staande traditionele sporten met 400 clubs uit 21 disciplines en 9 bonden verenigd in VlaS. De activiteiten van VLaS maken tezamen met o.m. enkele processies onderdeel uit van de Unesco lijst van Immaterieel cultureel erfgoed voor BE. Sinds in 1906 het Belgische nationale voetbalteam bekend staat als de Rode Duivels hebben ook andere nationale teams (veldhockey, volleybal) een bijnaam gekozen met de term rood (zij het wel in het Engels) en Belgische supporters tooien zich bij interlands nogal eens in het rood op een wijze die enigszins doet denken aan de oranjegekte in NL.

Onder de belangrijke sportprijzen van BE valt de nationale trofee voor sportverdienste die in het leven is geroepen door sportjournalist en bestuurder Albert Collignon en sinds 1928 jaarlijks wordt toegekend. BE kent, evenals meer landen, diverse verkiezingen van beste sporter van het jaar die plaatsvinden bij een sportgala in december. Ze bestaan het langst bij de mannen (sinds 1967), gevolgd door vrouwen (1975), ploegen (1997), beloften (1998), paralympiërs (2010) en sportcoaches (2011). Voor gehandicapte sporters in het algemeen en voor talenten binnen deze categorie is daar sinds 1974 de Nationale trofee Victor Boin. Nationale prijzen voor wielrenners zijn de Koning Winter titel voor veldrijders (2010), Kristallen fiets (1992) en Flandrien trofee (2003, sinds 2008 met een internationale en sinds 2014 met een veldrijders variant). De grote voetbalprijzen van BE kunnen meerdere malen door dezelfde speler worden gewonnen. Mededingers  moeten spelen in BE, maar hoeven geen Belg te zijn. Het oudst is hier de gouden schoen (1954; sinds 2016 ook voor vrouwen), gevolgd door de trainer (1983) & profvoetballer (1984) van het jaar. Franstalig BE kent daarnaast de ebbenhouten schoen (1992) voor de beste speler van Afrikaanse komaf. Specifiek Vlaams zijn het Vlaams sportjuweel van de Vlaamse overheid (sinds 1982; kan maar eens in het leven van een sporter worden gewonnen) en de Vlaamse reus voor de beste Vlaamse sporter van het jaar (sinds 1992).

T/m 1920 wonnen Belgen bij Olympische spelen (OS) 20 medailles met boogschieten (incl. 14 bij de spelen van 1920 in Antwerpen), waarvan 11 keer goud. Daardoor staan ze bij deze sport op de Olympische medaillespiegel aller tijden tot op heden op plek 3 en geldt Hubert van Innis (9 medailles, 6xg) nog altijd als meest succesvolle Olympische boogschutter ooit. Tussen 1920 en 1972 maakte de sport evenwel geen onderdeel uit van het Olympisch programma en na 1972 won geen enkele Belg nog bij deze discipline. Ook bij de WK equivalent, die sinds 2006 bestaat, bleef de bijdrage vanuit BE beperkt.   Op termijn presteerden Belgen internationaal bij grote kampioenschappen (OS, WK’s & EK’s) het beste met wielrennen. Hiermee won men bij OS 26 x eremetaal (7 x goud) en BE kwam daarmee op de OS medaillespiegel op plek 10 van de landenklassering. Bij WK’s op de weg (incl. tijdritten) bezet men bij de mannenelite na Italië plek 2 en op de baan plek 8. Qua OS eremetaal komt voor BE atletiek op plek 2, maar daarmee is men op de OS ranglijst vanaf het begin (1892) slechts 32e. Naar verhouding is de 13e plek bij paardensport & schermen op de respectievelijke OS ranglijsten meer aansprekend. Bij het tennis doet men in het huidige tijdsgewricht goed mee bij beide geslachten en bij de teamsporten was het land rond 2016 bij veldhockey en voetbal (ranking) sterk in opkomst, m.n. bij de mannen.

Organisatie van de sport in België

Qua organisatiestructuur van de sport speelt dat sinds 2000 landelijke ministeries in Vlaams België (VB) omgedoopt zijn tot federale overheidsdiensten (FOD’s) en hun regionale equivalenten tot departementen (Lijst). Sport valt al sinds 1980 enkel onder  departementen van de taalgemeenschappen. In de Vlaamse gemeenschap kwam het beleid rond 2016 (overzicht) van het departement werk, economie, innovatie & sport. VB kent het ISB als kenniscentrum. Tussen 1969 en 2015 was de uitvoering in handen van de dienst BLOSO van het departement cultuur, jeugd, sport & media. In 2016 werd de sportsectie autonoom en omgedoopt tot Sport Vlaanderen (beleidsinfo: info voor partners) met als taak de uitvoering van het sportbeleid via infrastructuur; promotie, organisatie & opleiding van breedtesport (incl. schoolsport) & topsport in samenwerking met sportfederaties, gemeenten en andere betrokken (website). De Franstalige equivalent ADEPS (website) heeft banden met het Waalse ministerie van onderwijs en dat van cultuur. De Franstalige gemeenschap (WB) kent een ministerie van sport. De minister gaat (met een andere pet op) tevens over sportinfrastructuur. De sporthonneurs van België (BE) als natie worden waargenomen door het Belgisch Olympisch Inter-federaal Comité (BOIC; links). De aangesloten sportbonden hebben in de regel een Franstalige en een Vlaamstalige pendant met ieder een eigen ledenadministratie. De gehandicaptensport kent een eigen organisatie die in handen is van het Belgisch paralympisch comité met een tak voor Vlaamstalig en Franstalig BE.

VB kende qua sportbeleid in 2016-2017 een achttal kernlijnen met als kernpunten het faciliteren van breedtesport & topsport via een doelgroepenbeleid tezamen met alle actoren in het veld, het planmatig verbeteren van de infrastructuur (ook voor niet georganiseerde sport en met nadruk op zwembaden) en het aankweken van een actieve gezond sporten attitude. Daarbij krijgen gemeenten meer autonomie qua uitvoering (sport) en besteding. Mede door de ingewikkelde staatsstructuur van BE is op de financiering van de sport en bijv. het aandeel er in van huishoudens, overheden, bedrijfsleven, loterijen & media moeilijk zicht te krijgen. In 2015 lagen volgens Eurostat de overheidsuitgaven voor sport & recreatie (0,3% bbp; €1,4mld) rond het Eu gemiddelde. Daarvan ging ca. 85% naar de gemeenten. Bij huishoudens lagen de uitgaven voor recreatieve & culturele diensten (recreatie, sport, cultuur & gokken) met 2,8% van het huishoudbudget iets onder deze standaard (EU 3,1%; €5,6mld of ca. €500 per hoofd; data). Sport Vlaanderen (toen nog BLOSO) kende in 2015 een budget van de overheid van ca. €125mln. Daarvan ging globaal genomen 10% naar infrastructuur, 15% naar topsport en 55% naar breedtesportbeleid. De Waalse regering besteedde in 2015 ruim €50mln aan sport (+4% t.o.v. 2014).

Opinie over sport

In een EU opinieonderzoek uit 2004 kregen alle 12 nagevraagde sociale waarden die men via sport kan ontwikkelen in België (BE) een boven gemiddelde aanhang. Dat gold het sterkst voor inzet (45%, EU 36%), tolerantie (31 om 23%), vriendschap (44 om 38%), sportiviteit (39 om 32%) en respect voor anderen (37 om 32%; the p20/21 e.v.). De score bij sport als middel om discriminatie te bestrijden was ruim gemiddeld (68%) en die bij integratiemiddel gemiddeld (74%). De aanhang van versterking van de link sport & onderwijs was naar EU maatstaf weer aan de grote kant (89 om 82%) evenals meer waardering voor sportprofessionalisme (72 om 62%) en sport als middel om mensen bij beeldschermen vandaan te houden (90 om 86%). Qua mogelijke nadelen van sportbeoefening kreeg de stelling dat het voor een jongere die faalt in de sport moeilijk is zich te herpakken in een andere activiteit wederom relatief veel aanhang (49 om 44%). Van een 10tal andere mogelijke nadelen werden in BE 8 naar verhouding vaak aangevinkt met als uitschieters te veel nadruk op geld (66 om 55%), doping (81 om 72%), exploitatie en overtraining. Enkel zorgen over geweld (29%) waren toen iets onder gemiddeld verbreid. In BE was men m.b.t. sportbeleid sterk Europees gericht. EU stimulering van de link onderwijs sport (82 om 65%), EU bemoeienis met Europees sportgebeuren (67 om 51%), Europese strijd tegen doping (88 om 80%) en meer samenwerking tussen Europese en landelijke organisaties (75 om 63%) scoorden hoog. Steun voor EU promotie van ethische & sociale waarden van sport (60%) en opname van sport in de EU grondwet (58%) kregen hier een doorsnee aanhang.

 

 

Bij de Eurobarometer poll van eind 2013 waren in BE ontspanning (53%, EU 36%; ), gezonder worden (53 om 62%), plezier (36 om 30%) en conditie verbeteren (45 om 40%) de populairste motieven om aan sport te doen (QD8). Onder vrienden zijn (22%), nieuwe contacten (6%), maatschappelijke aanpassing (3%), mensen uit andere culturen tegenkomen (2%), gewicht op pijl houden (22%), competitiegeest (6%) en nieuwe vaardigheden ontwikkelen (5%) scoorden rond het EU gemiddelde en veroudering vertragen (14%), fysiek meer kunnen (15 om  24%), er beter uitzien (15 om 23%) en zelfvertrouwen vergroten (7 om 10%) werden door relatief weinigen aangevinkt als motief om te sporten. Bij redenen om niet vaker te sporten scoorden ziekte of invaliditeit (15%), de categorie overige (9 om 6%), hekel aan competitie (7%) en angst voor blessures (6%) in BE iets boven gemiddeld. Een doorsnee segment vinkte geen tijd (39%), ik doe het al regelmatig (14%), geen zin (19%), geen geld (10%), geen sportmaatjes (4%) of zich gediscrimineerd voelen (1%) aan en geen faciliteiten (3 om 4%) gold hier voor relatief weinigen als motief (QD9). Opmerkelijk was dat in BE eind 2013 t.o.v. 5 jaar eerder (Report QF4) veel motieven om aan sport te doen een veel lagere aanhang kregen terwijl dit in de EU als geheel weinig veranderde. Een poll over 2014 van Sport Vlaanderen beidt o.m. info voor VB over verschillen in motivatie tussen (ex) sporters en respondenten die nooit sportten (2015 p232).

Breedtesport en bewegen

Qua fysieke activiteit was in België (BE) eind 2013 het volksdeel dat veel sportte iets kleiner dan in 2008 (3xp/w of vaker: BE van 25% naar 23%, EU blijvend op 21%). Ook het matig sportende volksdeel werd een fractie kleiner (1xp/m tot 2x p/w: BE van 31% naar 30%, EU blijvend 26%) zodat het deel dat (vrijwel) nooit sportte iets groter werd (minder dan eens p/m van 44% naar 47%, Eu van 54 naar 53%; QD1). Het volksdeel dat in de vrije tijd veel aan beweging buiten sport doet (fietsen, dansen, tuinieren etc.) kromp minder dan gemiddeld in de EU en geraakte zo iets boven het EU gemiddelde (BE: minstens 3xp/w: van 35% naar 30%, EU van 44 naar 28%) en het segment dat dit (vrijwel) nooit doet kwam iets daaronder (van 33 naar 37%, EU van 25 naar 43%; QD2). Ondanks de populariteit van wielrennen is in BE bijv. de fiets minder en de auto meer een alledaags vervoersmiddel dan in NL (2015 p225 voor Vlaams BE).

Frequentie Sportend actief % Anders actief %
BE EU BE EU
013 009 013 009 013 009 013 009
Minstens 5xp/w 10 15 8 9 17 21 15 27
3 of 4xp/w 13 10 13 12 13 14 13 17
1 of 2xp/w 20 19 20 19 24 22 20 21
1-3x p/m 7 5 6 6 9 10 9 9
Minder dan 1xp/m 16 16 11 15 17 14 13 11
nooit 31 28 42 39 21 20 30 14

Eind 2013 was in BE 67% minstens enkele malen p/w flink fysiek actief met sport of anderszins; evenveel als eind 2008 (EU gemiddelde van 71% naar 59%). Tussen 2009 en 2014 lag volgens Sport Vlaanderen in Vlaams België (VB) actieve sportparticipatie op 63% van de bevolking van 14plus (2014: m 67%, v 59%; 15-17j 83%, 65plus 42%; max. Lager Onderwijs 36%, HO 76%) maar volgens die bron was dat bij slechts 27% gedurende meer dan 3u p/w en haalde slechts 1 op de 3 de gezondheidsrichtlijn (30 minuten p/d matig tot zwaar fysiek bezig zijn; 55+; meer details in 2015 en 2014). In VB onderscheiden schooldiploma & inkomen het sportactieve volksdeel het sterkst van het niet actieve volksdeel (kansen). Van de Vlaamstaligen was rond 25% lid van een sportclub (onder de sportactieve bevolking 41%; bij 55plussers en lage inkomensgroepen minder). Wie geen lid is van een club sport veelal individueel en doet dikwijls aan meer dan één sport (het vaakst wandelen, fietsen en lopen). Wel steeg tussen 2009 en 2014 de clubparticipatie; het sterkst bij jongeren (15-35j). Van de actieve sporters in VB deed 15% aan wedstrijdsport (85% sportte louter recreatief). Over 2014 (p226) stond in VB recreatief fietsen met 26% bovenaan de top10 van meest beoefende vormen van sport & beweging (m 29%, v 22%; 55plus 51%), gevolgd door wandelen (21%, v 24%, m 19%; 55plus 45%), hardlopen/joggen (20%, m 19%, v 21%; 15-55j 26%), fitness (16%, m 15%, v 18%), zwemmen (12%, v 16%), voetbal (9%), wielertoerisme 4,5%, dansen 4,4%, wintersport 4,2% en tennis 3,7%. Bij mannen kwam voetbal met 17% op plek 4 (m 15-35j: met 19% op plek 3). Tennis daalde na 2008 van 7,3% naar 3,7%.

Bij wie eind 2013 in heel BE in de week voor de vraagstelling minstens 1-3xp/w flink fysiek actief was (29%, EU ook 29%, vaker 14 om 16%, minder vaak 57 om 55%; EB412) scoorden naar duur per keer kort en lang iets boven gemiddeld (minder dan ½u 20%, EU 16%; ½u-1½u 53 om 59%; langer 24 om 23%; Q3). Qua matige activiteit p/w (lopen in wandeltempo niet meegerekend) zat BE qua frequentie relatief hoog (op 4 tot 7 dagen 32 om 25%, 1-3d 37 om 30%, nooit 31 om 44%) en hier was het duurpatroon vergeleken met de EU normaal hetzelfde (>1½u 19 om 18%, <½u 30 om 24%). Het volkdeel dat meer dan 10min. p/d wandelt was in BE relatief klein (nooit 19 om 17%, op 1-3d 38 om 26%, vaker 43 om 60%) en naar duur per keer scoorde kort wederom boven gemiddeld (>1½u 10 om 10%, <½u 48 om 41%). Belgen bewegen dus niet zo heel veel en naar EU maatstaf besteden ze tegelijk ook nog tamelijk veel tijd aan het kweken van zitvlees (QD6). Het volksdeel dat p/d minder dan 4½u zittend of liggend op de zetel doorbracht was aan de kleine (42 om 46%) en het deel dat dit soort fysieke lethargie langer dan 5½u ten toon spreidde aan de grote kant (43 om 37%).

BE kent een uitgebreid netwerk van sportvoorzieningen. Het volksdeel dat bevestigde dat de eigen omgeving voldoende gelegenheid biedt om fysiek actief te zijn was relatief groot (87%, +4% t.o.v. 2009; EU 76%, +1%). Het segment dat vond dat de gemeenten te weinig deden aan sportvoorzieningen was met 38% van doorsnee grootte (+6%, EU +4%; QD11). Qua plek waar of context waarin gesport werd, werd in BE thuis het vaakst aangevinkt (38%, EU 36%) gevolgd door buiten (32%), maar dat was onder het EU gemiddelde (40%). Naar EU maatstaf scoorden onderweg (29%) & sportclub (17%) aan de hoge kant. Werkplek (13%), sportcentrum (9%), onderwijsinstelling (6%) & elders (5%) bleven rond gemiddeld en een fitnesscentrum scoorde nog relatief laag (11 om 15%), maar wel met 4% winst t.o.v. 5 jaar eerder. Werkplek (+5%), sportclub & school wonnen ook (beide +2%; D7) en buiten verloor (-6%, EU -8%). Het volksdeel dat lid was van een club rond fysieke activiteit was intussen groter gegroeid dan gemiddeld in de EU (32 om 26%; sportclub 16 om 12%, fitness 11 om 11%, andere club 5 om 3%) bij 4% winst sinds 2008 (EU 7% verlies). In 2014 (p218) gaf bij de Sport Vlaanderen poll in VB (meer antwoorden mogelijk) het grootste segment (49%) aan individueel en niet georganiseerd te sporten, gevolgd door een club voor één sport (29%), zelf samen met anderen georganiseerd (27%) en (op afstand) fitness (12%), club met meer sporten 6%, club die geen sportclub is (4%), gemeentelijke sportdienst of sportreis (ieder ca. 2%), sportevenement of bedrijf (ca. 1%) en naschoolse sport of sportkamp (<0,5%).

Het segment sportvrijwilligers (QD12-14) lag in BE met 9% van de respondenten iets boven het EU gemiddelde van 7% en deze staken er ook iets meer tijd in dan gemiddeld (p/m minder dan 5u: 61%, EU 64%; langer: 39 om 35%). Daarbij viel op dat in BE sinds eind 2008 het deel dat er 6-20u in stak (29%, EU 27%) met 7% groeide (EU +3%) en het deel dat zich er 21-40u mee onledig hield van 16% naar 7% zakte (-9%; EU 6%, -1%). De meest frequente bijdrage bestond in organisatie (met 48% bij de EU top, EU 35%), gevolgd door kantinewerk etc. (31 om 21%), trainer coach (25 om 29%), bestuur (22%), administratie (21 om 16%), scheidsrechter/ official (13 om 9%), vervoer (11 om 15%), uitrusting (10 om 8%), onderhoud (9 om 10%) en overige (9 om 10%; QD14, meer antwoorden mogelijk). Bij de poll van Sport Vlaanderen over 2014 (p238 etc.) werkte 80% van de vrijwilligers voor een sportclub (evenement 12%, sportbond 10%, andere club dan sportclub 10%, sportdienst etc. 6%, school 2,5%, buurt 1,5%). Van het segment dat als trainer coach bijdroeg (26%) deed 60% dit ongediplomeerd.

Het BOIC (links) maakte in 2017 melding van 80 sportbonden met 20.000 clubs en 2 miljoen leden (18% van de totale bevolking van BE). Van de 80 bonden zijn er 38 Olympisch & aangesloten bij internationale bonden en 41 internationaal en niet Olympisch. Vlaams België kwam in 2016 tot 85 erkende sportfederaties (62 met subsidie: 38 wedstrijdsport & recreatief, 24 enkel recreatief) met ca. 13.000 clubs en 1,5m leden en Waals België in 2014 tot 57 bonden met bijna 7000 clubs en 639.000 leden. In 2015 telde Vlaanderen 3 bonden met meer dan 100.000 leden. Dit waren de voetbalfederatie (230.000), tennis Vlaanderen (144.000) en Gymnastiekfederatie Vlaanderen (107.000). Daarna kwamen de wielrijdersbond (76.000), de (roomse) Sporta federatie (68.000), OKRA sport 55+ (46.000), de zwemfederatie (44.000) en 8 bonden met tussen 40.000 en 30.000 leden. Daar viel de wielerbond Vlaanderen (29.200) net buiten.

Sportvoorzieningen en evenementen

Rond 2015 (link 2) telde men in Vlaams België (VB) 20.695 sportinfrastructuren (veelal gemeentelijk), het meest voetbalvelden (ruim 8000, incl. 170 kunstgrasvelden), gevolgd door sportlokalen (2300), tennisvelden (1850), petanque terreinen (1250), sporthallen (1150, excl. 219 tennishallen & 221 squashlokalen) en ruim 1000 turnzalen & gymhallen. Verder telde men ca. 600 (boog)schietbanen, 450 maneges & 16 renbanen, 385 atletiek voorzieningen (velden, pistes, omlopen), 356 fitnesscentra, 343 sportcentra, 306 zwembaden, 236 fietsvoorzieningen (187 mountainbike routes, 38 BMX terreinen, 11 wielerpistes), bijna 250 skate, skeeler & schaatsvoorzieningen (210 skateparken, 24 skeelerpistes, 14 ijspistes) en 52 golfterreinen. Bij slechts 28% van de gemeenten volstonden de infrastructuren met als voornaamste knelpunten slijtage, ouderdom en energiekosten. De grootste tekorten bestonden bij loopcircuits, sporthallen, zwembaden en fitnesscentra. Van 73 sportfederaties hadden 43 nood aan meer sportinfrastructuur.

Via sport en venues zijn belangrijke voorzieningen in BE te achterhalen. Daaronder vallen  45 voetbalstadions met meer dan 6000 plaatsen (lijst). Vroeger hadden ze vaker een wielren of atletiekbaan, maar nu zijn weinig voetbalstadions nog multifunctioneel qua sportgebruik. De belangrijkste uitzondering is het Koning Boudewijn stadion in Brussel (geopend in 1930; tussen 1946 en 1985 het Heizelstadion), met ruim 50.000 plaatsen het grootste van België (BE) en met de hoogste UEFA beoordeling o.m. thuishaven van het nationale voetbalelftal en speelplaats van internationale voetbaltoernooien die BE krijgt toegekend. Net als bij meer voetbalstadions is het onderdeel van een sportcomplex en wordt het stadion tevens gebruikt voor evenementen als popconcerten. Naar aanleiding van één van de grootste rampen uit de wereldwijde voetbalgeschiedenis (Heizeldrama;  29 mei 1985) kreeg het stadion na renovatie in 1990 de huidige naam. Ook in het 2e en 3e stadion van het land; respectievelijk het Maurice Dufresne stadion van Standaard Luik (1909, 30.000) en het Jan Breydel stadion van Cercle Brugge & Club Brugge (1975; 29.000) zijn wel interlands gespeeld. Andere stadions met een UEFA classificatie zijn de Luminus Arena in Genk (1990, 24.000) en het Constant van den Stock stadion van Anderlecht te Brussel (1917, 21.500). De historische term “hel van Deurne” verwijst naar Bosuilstadion in Antwerpen (1923; 16.700), de stad waar ook het Olympisch stadion zich bevind (1920; 12.200) als residu van de spelen van 1920. Thans is het enkel nog een voetbalstadion. Het Koning Boudewijn stadion tezamen met het bijbehorende sportcomplex is ook belangrijk als internationaal atletiek centrum. Sinds 1996 vindt in het stadion bijv. de jaarlijks terugkerende Memorial van Damme plaats. Voor veldhockey zijn de velden/stadions van hockeyclub Braxgata te Boom en die van KHC Dragons uit Brasschaat (beide provincie Antwerpen) belangrijk. De capaciteit is via Vlaams improvisatievermogen tot op zekere hoogte flexibel.

De grootste multifunctionele sporthallen in BE zijn evenementenhallen waar ook sport plaatsvindt. Het Sportpaleis te Antwerpen (1933) is met een capaciteit van 23.000 de grootste hal in Europa (lijst). Vroeger was de hal bekend vanwege het baanwielrennen (6daagse van Antwerpen) en meer recent vanwege het WTA vrouwentennis toernooi en bijv. het WK turnen 2013. De Ethias arena in Hasselt (2004, 21.000, onderdeel van indoor pretpark Plopsa) ligt er naar capaciteit niet ver achter. Paleis12 (15.000, op het expo terrein in Brussel) & Vorst nationaal (ca. 10.000) te Brussel mogen er ook zijn, maar de Flanders expo te Gent (met o.m. tennishallen) komt daar met een capaciteit van 13.000 nog tussen. Kleiner zijn het RTL Spiroudome in Charleroi (6300), country hall Ethias Liège (5600), de Lotto Arena (5200, o.m. basketbal, tennis en EK vrouwen volleybal 2015) in Antwerpen, de topsporthal in Gent (5000), de Sea arena in Oostende (basketbal, tennis, zwembad; 5000), de Nekkerhal in Mechelen en hallen van Sport Oase, o.m. te Leuven (3400). Sport Vlaanderen (i.e. de Vlaamse overheid) exploiteert 13 sportcentra; 7 omnisport, 2 watersport & 2 ruitercentra en 2 ijsbanen. Sportcentrum De Deuster in Peer beschikt met een sporthal & pistes over voorzieningen voor tal van sporten. Onder de pistes vallen de grootste overdekte skipiste van Europa, een wieler en een atletiekpiste, 2 Finse pistes voor joggers en een paardenrenbaan. Voor paardensport zijn het hippodroom van Waregem (met races rechtsom) en het Hippodrome de Wallonie in Bergen bekender. Onder de wielerpistes vallen het Vlaams wieler annex sportcentrum Eddy Merckx en het Kuipke (1927, 3000; bekend van de 6daagse) te Gent. Ook de grote racecircuits van BE, die van Spa-Francochamps (70.000; met sinds 1950 o.m. een jaarlijkse formule 1 Grand Prix) en van Zolder, zijn vaak toneel van wielerkoersen zoals het WK & wereldbeker wedstrijden veldrijden en het WK op de weg in Zolder. Voor internationale wedstrijden veldrijden is het duincircuit van Koksijde eveneens populair. Qua watersporten zijn de Hazewinkel roeibaan te Willenbroek bij Antwerpen en de Watersportbaan in Gent topvoorzieningen voor roeien/ kajakken. Voor wedstrijd zwemmers is daar zwemcentrum Wezenberg (1973; 800) in Antwerpen.

Het arboretum van het West-Vlaamse Koekelare kent een budopad, gewijd aan Japanse vechtsporten.

Onder de populaire breedtesport evenementen vallen ook in BE één of meerdaagse wandelmarsen. In wandelsport Vlaanderen zijn 350 wandelclubs verenigd. Men claimt een deelname van 1,7 miljoen aan 2000 evenementen. De 2daagse van Vlaanderen en de 4daagse van de IJzer trekken meer dan 10.000 deelnemers. Jaarlijks terugkerende wedstrijd & recreatielopen trekken ook in BE vele honderdduizenden deelnemers (Atletiek). Onder de drukst bezochte vallen gecombineerde loopevenementen als de marathon & 10mijl van Antwerpen (deelname: ruim 40.000 in 2014) de 20 km van Brussel (40.000 in 2016) en de halve & hele marathon van Brussel (ca. 12.500). Wie bedenkt dat deze lopen vaak een veelvoud aan publiek trekken (w.o. veel supporters van deelnemers) kan zich een beeld vormen van de massaliteit ervan. Het fietsen brengt in BE nog veel meer mensen op de been. Het aanbod aan toertochten & wedstrijden is enorm en de publieke belangstelling kan overweldigend zijn. Zo worden in BE bijv. wielerklassiekers ook als toertocht verreden. Een dag voor de profs doen 16.000 wielertoeristen (het toegestane maximum; voor de helft van buiten BE) de ronde van Vlaanderen en bij de profronde staan ca. 700.000 mensen langs het parcours (2012).

Onder de nog niet nader genoemde topsport evenementen kende wikipedia zomer 2017 voor BE artikelen over 100 à 150 internationale wedstrijden tussen ca. 1890 en 2016, het meest Europese en wereldkampioenschappen (EK’s en WK’s). Daarbij springt wielrennen er uit, maar atletiek, voetbal & turnen en meer recent veldhockey & volleybal zijn ook sterk vertegenwoordigd. Aan wielerevenementen had BE tussen 1894 en 2016 29 keer een WK te gast. Van de 37 evenementen in de UCI World Tour voor mannen van 2017 speelden er zich 8 af in BE; 7 wielerklassiekers en de meerdaagse BinckBank tour. Bij de vrouwenvariant vielen in 2017 4 klassiekers in dit circuit. In 1920 had Antwerpen de Olympische zomerspelen te gast. Bij atletiek staat de Memorial Van Damme hoog aangeschreven (sinds 1977, thans onderdeel van de Diamond League). BE kent geen lange afstand loopevenementen met een speciale IAAF erkenning. Bij het tennis is het ATP en WTA toernooi van Antwerpen het meest toonaangevend. Op de global sport nations index, die bijhoudt waar de grootste sportevenementen ter wereld plaatsvinden, stond BE in 2017 met 8 evenementen op plek 27 van 86 landen (plek 14 EU). Op de stedenranglijst haalde in BE Heusden-Zolder met een 42e plaats de top100. Buiten dit alles zijn er uiteraard de jaarlijkse (top)competities en NK’s (nationale kampioenschappen) bij alle mogelijke sporten.

Voetbal in België

Naar organisatie kent België (BE) als evenknie van de KNVB de KBVB voor voetbal op nationaal en regionaal niveau. In 2008 werden de Vlaamse VFV en de Waalse ACFF opgericht die in competities samenwerken met de KBVB. Buiten dat zijn er binnen het amateurvoetbal de Vlaamse KVB; roomse, socialistische & liberale voetbalbonden en bonden voor zaal of minivoetbal; ieder met een eigen competitie. Bij het voetbal waren internationaal voor clubs en het nationale team van BE de jaren 70 en 80 erg succesvol. Voor het nationale team (BE) geldt dit ook vanaf 2014. Het mannenelftal, sinds 1906 gekend als de rode duivels naar de kleur van het tenue, stond tussen 1993 en 2017 op de FIFA ranglijst gemiddeld 31e onder ruim 200 landen (hoogste: 1e in aug. 2015; laagste 66e in aug. 2009; 7e in juni 2017; bel, ranking). Dit team speelde in 1904 zijn eerste officiële interland tegen Frankrijk. Deze eindigde in een gelijkspel (3-3). In 1901 versloeg een Belgische selectie echter al een selectie uit NL met 8-0. Het Nederlands elftal geldt als grootste rivaal. Tussen 1905 en 2016 is de “derby der lage landen” tussen BE en NL 126 keer gespeeld (slechts 2 landenderby’s werden vaker gespeeld). Voor BE eindigde ze 41x in een overwinning, 55x in verlies en 30x in een gelijkspel. Van 1904 t/m juni 2017 speelden de mannen van BE 749 interlands (de 750e vindt op 31/8-2017 plaats tegen Gibraltar). Daarvan eindigden 308 in een overwinning, 162 in een gelijkspel en 280 in verlies (lijst) met een positief doelsaldo van 54 (1286 voor; 1232 tegen). Bij de 20 WK’s voetbal sinds 1930 haalden de Rode duivels 12 keer de eindrondes (het Nederlands elftal 10x) met als beste resultaat een 4e plaats in 1986 in Mexico.

In 1972 had BE het Europees Kampioenschap (EK) te gast en in 2000 was men samen met NL EK gastland. Bij de 15 EK’s tussen 1960 en 2017 deden de rode duivels 5 keer mee, maar met beter resultaat dan bij WK’s. In 1980 werd het team vicekampioen achter West-Duitsland en in 1972 werd men op eigen bodem 3e na West-Duitsland en de Sovjet-Unie. Een team uit BE nam 5x deel aan Olympische spelen. Bij de spelen van 1900 in Parijs was voetbal een demonstratiesport. Een Belgisch studententeam werd daar 3e van 4 deelnemende landenteams. In 1920 namen de rode duivels thuis (de Olympische spelen in Antwerpen) voor het eerst deel aan een officieel toernooi en daar werd men Olympisch kampioen. Bij de laatste deelname in 2008 in Peking werd een Belgisch jeugdteam 4e. De vrouwen van BE (bijnaam: Red Flames) stonden tussen 2003 en medio 2017 gemiddeld 29e op de FIFA ranglijst met zo’n 150 landen (hoogste 22e in juni 2017, laagste 35e in mei 2010). Ze kwalificeerden zich in 2017 voor de EK eindronden waar ze in de poulefase 3e werden. Het jeugdteam van BE kwalificeerde zich in 2002 en 2007 voor het EK. In 2007 werd men daar 4e met OS deelname als gevolg.

In het clubvoetbal werd in 1895/96 in BE met 7 clubs het eerste landskampioenschap georganiseerd. Daarmee is de Belgische competitie de oudste op het Europese continent. In 1905, nog voor de 1e bekercompetitie in 1911/12, is promotie & degradatie ingevoerd. Het aantal clubs en competitiereeksen groeide gestaag door. Naar betaling van spelers was in BE het onderscheid tussen het naoorlogse amateur & profvoetbal niet scherp. Tussen 1952/53 en 2015/16 kende het land een nationale competitie met 4 niveaus met als uitgangsnorm 16 clubs per reeks binnen die niveaus. De top van het profvoetbal werd gevormd door een eerste (sinds 1942) en een tweede klasse. De 3e klasse daarna was opgedeeld in de 2 reeksen A en B. De laagste nationale voetbaldivisie was de 4e klasse met de 4 reeksen A t/m D. Daaronder volgden provinciale reeksen (9 provincies). In 1974 is de Pro League opgericht ter behartiging van de belangen van profvoetbalclubs. Deze is verantwoordelijk voor de organisatie van de competitie op het hoogste niveau (sinds 1997 de Jupiler pro League, naar de sponsor). Met ingang van het seizoen 2016/17 is de competitie omgegooid omdat men onderscheid wilde tussen prof & amateurvoetbal. De eerste klasse werd eerste klasse A en behield 16 ploegen, maar de 2e klasse werd eerste klasse B met 8 clubs. Samen vormen ze nu de eerste klasse en de Pro League. De resterende 10 ploegen gingen naar de voormalige 3e klasse die (met nog steeds 16 ploegen) omgedoopt is tot eerste klasse amateurs. Deze wordt thans gevolgd door een 2e klasse (met 3 reeksen) en een 3e klasse amateurs (4 reeksen).

In de eerste klasse A gaat de strijd om het landskampioenschap. Daarnaast organiseert de KBVB een bekertoernooi waar clubs in de nationale competitie aan moeten deelnamen en een aantal clubs uit provinciale reeksen aan mogen meedoen. Sinds 1979 duelleren de landskampioen en bekerwinnaar aan het begin van het volgende seizoen in één match om de Supercup. Net als in NL plaatst de landskampioen zich rechtstreeks voor het UEFA Champions League toernooi en komt de vicekampioen terecht in de voorrondes. De bekerwinnaar en nummer 3 uit de competitie gaan rechtstreeks naar het Europa League toernooi. Normaal gesproken duelleren de nummers 4 en 5 om een plek in de Europa League voorrondes. Tussen 1970 en 1995 konden clubs uit BE Europees relatief goed meekomen doordat transfer beperkt mogelijk was. Na 1995 veranderde dat (Bosman-arrest) en sindsdien worden spelers met opvallende kwaliteiten veel vaker verkocht aan rijkere clubs in het buitenland zodat het voor een Belgische club moeilijker wordt de Europese top te halen. Wel ziet jong buitenlands talent de Belgische eerste klasse nogal eens als een aantrekkelijk tussenstation. Sinds 1970 wordt in het vrouwenclubvoetbal van BE gespeeld om de landstitel. Nadien zijn daar een beker toernooi (sinds 1976) en een supercup match (1984) bijgekomen. Tussen 2012 en 2015 kenden BE en NL een gezamenlijke vrouwencompetitie, maar in 2015/16 kreeg het Belgische vrouwenvoetbal als hoogste afdeling een Super League met 8 ploegen die ieder seizoen 4x tegen elkaar spelen. De eerste klasse daaronder telt 14 ploegen. De landskampioen mag deelnemen aan de UEFA Champions League voor vrouwen.

Naar verrichtingen in landelijke competities is tussen 1896 en 2017 in BE 114 keer gestreden om de landstitel. Deze werd het vaakst gewonnen door RSC Anderlecht uit Brussel (34x), gevolgd door Club Brugge (14x), Union St. Gillis uit Brussel (11x, thans in de eerste klasse B) en Standard Luik (10x). Het bekertoernooi is tussen 1912 en 2017 62 keer gespeeld. Hier is de volgorde Club Brugge (11), Anderlecht (9) en Standard Luik (7). Club Brugge won het vaakst (14 van de 38 edities) de wedstrijd tussen de winnaars van beide toernooien om de Supercup; gevolgd door Anderlecht (12x) en Standard Luik (4x). In het vrouwenvoetbal was tussen 1972 en 2017 Standard Luik het vaakst kampioen (20x), op afstand gevolgd door Eendracht Aalst en St. Truiden (beide 5x). De beker is het vaakst gewonnen door Anderlecht (10 van 41x), gevolgd door Luik (7x) en St. Truiden (6x). Begin juli 2017 stond BE in de competitie coëfficiënt van de UEFA, die de prestaties van nationale competities rangschikt, met 5 teams in de Champions & Europa league 9e van 54 Europese landen. In de internationale clubrangorde kwam Anderlecht het verst (plek 32), gevolgd door Racing Genk (44), Club Brugge (53), AA Gent (59), Standard Luik (95), KSC Lokeren 112, Zulte Waregem 131 en Charleroi (167). De Champions League (of een voorloper ervan) bestaat sinds 1955. T/m 2017 was Club Brugge in 1977/78 verliezend finalist. De huidige Europa League (sinds 1971) kreeg in 1983 Anderlecht als Belgische winnaar en het jaar daarop was men verliezend finalist. Anderlecht won wel 2 keer (in 1976 en 1978) Europacup 2, de voorloper van de Europa League en in de jaren erna slaagde men er ook in de UEFA Super Cup te winnen. In 1977 en 1990 was men verliezend finalist in de Europa League. In 1988 had KV Mechelen in deze finale succes tegen Ajax nadat men in de achtste finale Anderlecht reeds uit het toernooi had gewipt. In 1975/76 verloor Club Brugge de finale van het Europacup 2 toernooi en in 1993 gold dit voor FC Antwerpen. Zo is UEFA beker 4 keer gewonnen door een ploeg uit BE en een Belgische club was 6 keer verliezend finalist. St. Truiden bracht het in 2007/08 tot de kwartfinale van de UEFA vrouwen Champions League. In 2015 is deze meest succesvolle vrouwen voetbalclub van BE opgeheven.

De bekendste rivaliteit in het clubvoetbal van BE is die tussen Anderlecht en Standard (Luik). De wedstrijd tussen Anderlecht en Club Brugge is de Ajax Feyenoord van BE. Ook de Brugse stadsderby tussen Club Brugge en Cercle Brugge geldt als voetbalklassieker. M.n. voor Mechelen is de derby KV vs. Racing speciaal (voetbal).

 

Als legendarische voetballers van voor de 2e wereldoorlog oorlog kunnen Bernard Voorhoof (1910-1974), Robert de Veen (1886-1939) en Raymond Braine (1907-1978) worden genoteerd (BE). Bernard Voorhoof, die naar verluid opmerkelijk veel met het hoofd scoorde, is met 30 doelpunten in 61 interlands topscorer van het Belgisch elftal tot op de dag van vandaag. Robert de Veen eindigde met 26 goals in 23 matches op plek 5 in de topscorer top10. Hij is daarmee veruit de meest efficiënte spits van de Rode Duivels. Raymond Braine (23 in 53 interlands, plek 7) was de eerste die BE ontvluchtte als voetballer om elders een profcarrière op te kunnen bouwen. Bernard Voorhoof deelt de topscorerpositie van de Rode Duivels met Paul van Himst (geb. 1943), naar die had er meer wedstrijden voor nodig. Wel speelde Van Himst vaker in de Rode Duivels (81x) en  hij won het vaakst (4x, Stat) de Gouden Schoen (GS), de prijs voor de beste voetballer van het jaar in BE die sinds 1954 bestaat. In 1974 was hij de eerste van 5 voetballers die de Nationale trofee voor sportverdienste (NT, sinds 1928) kreeg uitgereikt. Deze jaarprijs is eenmalig in de carrière van een individu of sportteam. Tenslotte boekte hij successen als trainer van o.m. Anderlecht en de Rode Duivels. Onder de gelauwerde spelers van BE vallen evenzeer Jan Ceulemans (1957; met 96 interlands record international; 9e topscorer; 3x GS, 3x profspeler van het jaar en de NT) en Marc Wilmots (1969; NT; 3e topscorer met 29 uit 70 interlands; 2x GS; 2x beste voetballer in het buitenland en voetbalcoach van het jaar van BE). Jean-Marie Pfaff (1953; 1x GS, NT) is in 1987 (het jaar dat de prijs werd ingesteld) uitgeroepen tot wereldkeeper van het jaar. In 1994 viel Michel Preud’homme (1959) deze eer te beurt. Pfaff staat met Jan Ceulemans en Franky van Elst (1961; 86 caps, met Eric Gerets 3e op de interland spelerlijst) voor BE in de FIFA 100. Erwin Vandenbergh (1959) was het vaakst (sinds 1895) topschutter in de hoogste regionen van de Belgische competitie (tussen 1980 en 1991 6 keer).

Onder de medio 2017 nog actieve spelers vallen verdediger Jan Vertonghen (1987; medio 2017: 91 caps, 3e international) en Axel Witsel (1989; 81 caps, 8e met Paul van Himst) onder de top 10 van de interlandspelers. Spits Romelu Lukaku (1993) werd in 2009 gekozen tot Belgisch sportbelofte van het jaar. In 2010 werd hij als 16jarige topschutter in de Belgische eerste klasse en in 2011 kreeg hij de Ebbenhouten Schoen uitgereikt, een jaarprijs voor de beste voetbalspeler in BE van Afrikaanse afkomst. Medio 2017 had hij al 57 caps en kwam hij met 20 doelpunten binnen in de top10 van interland topscorers. Verdediger Vincent Company (1983; 71 caps) kreeg de Ebbenhouten schoen 2 keer en is in 2010 verkozen tot beste Belgische voetballer in het buitenland, een in 2000 ingestelde onderscheiding. Ook Marouane Felliani (1987; 72 caps) ontving beide ereblijken. Onder de beste voetballers in het buitenland vallen verder Thomas Vermaelen (in 2008), doelman Thibaut Courtois (2013, 2014) en aanvallende middenvelder Kevin de Bruyne (2015, 2016; in 2015 ook Belgisch sportman van het jaar).

Onder de bondscoaches van eigen bodem (Lijst) voert qua aantal wedstrijden Guy Thys (1922-2003; resultaten: 2e EK 1980, 4e WK 1986) de lijst aan met 114 interlands tussen 1976 en 1991. In 1983 was hij de eerste die werd verkozen tot Belgisch voetbaltrainer van het jaar en in 1986 is hij door het tijdschrift World Soccer gekozen tot wereldcoach van het jaar. Sinds 2011 wordt in BE ook een naar hem vernoemde trainers Award uitgereikt. Thys wordt op afstand gevolgd door Constant Vanden Stock (1914-2008; 68 interlands), Marc Wilmots (49; in 2013 & 2014 coach van het jaar van BE), Raymond Goethals (1921-2004; 44; 3e EK 1972; UEFA Supercup 1976 en 1978 en Europacup II 1978 met Anderlecht, Champions League 1993 met Marseille) en Paul van Himst (36; UEFA Cup 1983 met Anderlecht). Sinds 2011 wordt de trofee Raymond Goethals uitgereikt voor een voetbalcoach die zijn herinnering doet herleven. In 2016 is deze toegekend aan oud keeper Michel Preud’homme. Die is, net als Robert Weseige (1939) en Aimé Anthuenis (1943) 3 keer verkozen tot voetbaltrainer van het jaar van BE. Deze eer viel het vaakst te beurt aan Hugo Broos (1952), als speler verdediger bij Anderlecht en Club Brugge en als coach in 2017 met Kameroen winnaar van de Afrika cup. Ook in BE waren de meeste toptrainers op jongere leeftijd actief als topvoetballer.

Andere teamsporten

De Sportploeg van het jaar prijs van België (BE), die in 1997 is ingevoerd, ging in BE het vaakst (13 van de 21 keer) naar een team bij een meer individuele sport. Het betrof 6 keer (2004 en 2007 t/m 2011) een atletiek estafetteploeg (4 keer de 4x 400m ploeg, 2 keer de 4x100m damesploeg; Lijst), 4 keer een tennisteam (1999 mannen nationaal, Fedcup 2001 & 2006, Davis cup 2015), 2 keer (1998, 2003) het nationale motorcross team en één keer (2002) een tafeltennis team uit Charleroi. BE doet het bij de pure teamsporten buiten voetbal goed bij het in NL uitgevonden niet Olympische korfbal. In toptoernooien (WK, EK) wordt men meestal 2e achter NL, maar in 1991 werd BE wereldkampioen. Bij de meer wereldwijd beoefende teamporten stond zomer 2017 BE bij het veldhockey op de wereldranglijst van de FIH (op basis van alle grote toernooien) onder 35 landen bij de mannen op plek 5 van en bij de vrouwen op plek 14. BE is recentelijk bij het veldhockey in opkomst. Zo won in 2016 John-John Dohmen de jaarprijs voor de beste veldhockeyspeler ter wereld (sinds 1998) en in 2012 en 2016 ging de sportploeg van het jaar prijs naar het nationale mannen hockeyteam, de Red Lions. Het team won in 2016 Olympisch zilver. Voor een eerder resultaat (brons) moet men terugvallen op de spelen van 1920 in Antwerpen. Ook kort daarvoor werd 2x zilver gewonnen bij belangrijk toernooien (2014/15 wereldbeker, 2013 EK) en in 2007 won men bij het EK brons. De vrouwen van BE kennen tot op heden (nazomer 2017) als beste resultaat een 2e plek bij het EK. Bij clubtoernooien op Europees niveau (sinds 2007/08) stond zomer 2017 BE bij de mannen met KHC Dragons op plek3 met 1x zilver en 3x brons (Veld) Bij de vrouwen werd in de 70er jaren Ukkel 2 keer 2e.

De sportploegprijs ging in 1997 naar de heren van volleybalclub Noliko Maaseik. In dat jaar en in 1999 was men verliezend finalist bij de Champions League volleybal (sinds 1960) en in 2000 evenaarde men het resultaat van VC Zwellik (thans niet meer bestaand) uit 1994 door 3e te worden. De nationale teams van BE (de “Red Dragons” bij de heren) wonnen tot op heden nog geen eremetaal bij Olympische spelen, WK’s of EK’s. Wel wonnen de mannen in 2013 de Europese beker en de vrouwen waren dat jaar verliezend finalist. Op de FIVB wereldranglijst met rond 175 landen stond BE aug. 2016 bij de vrouwen op plek 16 en bij de mannen op plek 18. Bij het beachvolleybal stond zomer 2017 het Belgisch duo Koekelkoren/ van Walle 14e op de wereldranglijst. Bij het honkbal werd het Belgische mannenteam op het EK (33 edities) in 1967 in eigen land kampioen. Verder won men 2 keer zilver en 6 keer brons. In de begintijd van het ijshockey wonnen de mannen van BE in 1913 het EK en in 1927 werden ze er 2e. Ook resultaten bij waterpolo zijn vooroorlogs (Eng). Het mannenteam won tussen 1900 en 1936 bij Olympische spelen 4 keer zilver en 6x brons en bij het EK won men tussen 1927 en 1947 3x brons. In 1996 wonnen de mannen van BE brons op het EK zaalvoetbal.

Andere topsport

Olympisch had België (BE) het meeste succes bij het boogschieten. Wel dateert, zoals bij meer sporten in BE, dit succes uit een naar sportmaatstaven grijs verleden. T/m 1920 wonnen Belgen bij Olympische spelen (OS) 20 medailles met boogschieten (incl. 14 bij de spelen van 1920 in Antwerpen), waarvan 11 van goud. Daardoor staat men bij deze sport in de Olympische medaillespiegel tot op heden op plek 3. Hubert van Innis (1866-1961) is met 9 keer eremetaal waarvan 6 keer goud naast meest succesvolle Belgische Olympiër de meest succesvolle Olympische boogschutter ooit. Op plek 2, 3 en 4 van de OS medaillespiegel van BE staan boogschutters die bij de spelen van 1920 in Antwerpen hun gehele oogst binnenhaalden. Het betreft Edmond Cloetens & Edmond van Moer (beide 3xg) en Louis van Beek (5; 2xg, 3xz). Van de 8 Olympische medailles van BE bij de schietsport dateren er 5 van de periode t/m 1924; incl. het goud, zilver en brons van Paul van Asbrouck (Lijst). Van meer recente datum is het brons van Frans Peeters (in 1988) en het zilver van Lionel Cox in Londen in 2012. In de OS medaillespiegel van deze sport, die in 2016 63 landen telde, kwam BE (8, 1xg, 4xz) op plek 30.

Bij de zaalsporten is thans in Vlaams België de turnbond de 3e grootste sportbond. Toch moet men ook hier lang terug in de tijd voor Belgisch internationaal succes bij  gymnastische sporten. Tussen 1903 en 1913 wonnen Belgen 4 keer zilver en 5 keer brons bij het WK en enkel bij de spelen van 1920 in Antwerpen won een Belgisch team Olympische zilver en brons. Qua vecht & krachtsporten (BE; kracht) is ook bij het schermen Belgisch Olympische succes van lang geleden, enkel bij de heren en m.n. tussen 1912 en 1924 (1x brons in 1948). De grootste bijdragen leverden Paul Anspach (1882-1981; 2xg, 2xz, 1xb), Fernand de Montigny (1885-1974, OS team 1xg; 3xz; 2xb, waarvan één met veldhockey) en Charles Delporte. Door deze gedateerde successen staat BE op de OS medaillespiegel van het schermen nog altijd met 10x eremetaal (3xg) 11e van 34 landen. BE is international succesvoller bij de zelfverdedigingsport judo. In medaillespiegels stond men zomer 2017 Olympisch op plek 18 onder ruim 50 landen (12 keer eremetaal, 2 keer goud) en bij WK’s op plek 10 onder ruim 60 landen (41x eremetaal, 8xg; Eng). Europees kwam BE individueel met 43x goud op plek 7 (32 landen) en als team met 2xg op plek 13 (27 landen; Eng). Daniel Outelet (1936-1970; o.m. 5voudig Europees Kampioen) was de eerste internationale kampioen van BE. In de jaren 80 was Ingrid Berghmans de beste vrouwelijke judoka ter wereld (geb. 1961, 1xg OS, 6voudig WK, 7voudig EK, samen met tennisster Kim Clijsters 8x sportvrouw van het jaar van BE). Ook haar ex, Robert Van de Walle (1954) grossierde toen in edelmetaal (OS 1xg, 1xbrons, WK 2x zilver, 5xb, EK 3xg, 5xz, 10xb). In de 90er jaren vielen Ulla Werbrouck (1972, 1xg OS, 7voudig EK, WKZ: 2xz, 2xb) en Gella VandeCaveye (1973; 2voudig WK en Belgisch sportvrouw, 7voudig EK; 4x Europees judoka) onder de wereldtop. Zomer 2017 waren Charline van Snick (1990, o.m. 2voudig EK) en Dirk van Tochelt (1984, o.m. 1x EK en OS en WK brons) Belgische toppers. Bij het boksen staat BE op de medaillespiegel van de OS 38e bij ca. 90 landen dankzij 4x eremetaal (1xg, in 1924 van weltergewicht Jean Delarge; Lijst). Wel zijn daar nu de toppers Delfine Persoon (in 2015 sportvrouw van BE) en Sugar Jackson (beide meervoudig WK en EK). Bij de krachtsporten werd vedergewicht Frans de Haes in 1920 in Antwerpen Olympisch kampioen. Gewichtheffer Serge Reding (1941-1975; sportman v/h jaar 1968, trofee sportverdienste 1969) haalde voor BE in 1968 Olympisch zilver binnen. Ook won hij tussen 1968 en 1974 vier keer zilver bij een WK. Bij het worstelen bleef voor BE het resultaat bij de spelen beperkt tot 3x zilver (1924 & 1928).

Bij racket & batjessporten is de nationale trofee voor sportverdienste (sinds 1928) 2 keer toegekend aan 2 tennissers. In 1957 betrof het Jacky Brichant & Philippe Washer die in 1953 en 1957 als dubbel de finale van de Europese zone van de Davis cup wonnen. In 2001 viel de eer te beurt aan Kim Clijsters en Justine Henin nadat ze de halve finale van Roland Garos tegen elkaar hadden gespeeld. Hun erelijsten zouden indrukwekkende proporties gaan aannemen. Henin won 7 grandslam single titels (incl. de 3 finales die ze tegen Clijsters speelde) en Clijsters won er 4 (List) in het enkelspel en 2 (List) in een vrouwendubbel. Daarmee bezorgden ze BE samen een 6e plek op de landen ranglijst aller tijden van Grand Slam winnaars bij de vrouwen. Justine Henin voerde de WTA Lijst, die sinds 1975 bestaat, 117 weken aan (vanaf okt. 2007; plek 7) en Kim Clijsters vanaf aug. 2003 20 weken (plek 16). Clijsters is met judovrouw Ingrid Berghmans het vaakst (8x) gekozen tot sportvrouw van het jaar (Justine Henin 4x, tennisster Sabine Appelmans 2x). Dominique Monami werd in 1998 sportvrouw van het jaar nadat ze als eerste Belgische de top10 van de WTA rangschikking haalde. Ze won in 2000 samen met Els Callens Olympisch brons bij het dubbel. Juli 2017 was David Goffin op plek 14 de hoogst geplaatste Belg op de ATP ranglijst, gevolgd door Steve Darcis (53) en Ruben Bemelmans (96). Op de WTA ranglijst kwam Elise Mertens binnen op plek 55 (dubbellijst plek 59) met verder nog Yanina Wickmayer (82) en Kirsten Flipkens (86, dubbellijst plek 40) in de top100.  Bij het badminton bleef het internationale topsucces voor BE beperkt tot 1 keer brons in het gemengd dubbel bij het EK in 2010. Bij het tafeltennis won Jean-Michel Saive (sportman v/h jaar 1991 & 1994, nationale trofee sportverdienste 1991) zilver bij het WK. Bij het EK werd hij in 1994 Europees kampioen enkelspel en in 2008 haalde hij met een herenteam uit BE Europees brons binnen. In de medaillespiegel van het WK komt BE met 2x z en 2x b op een gedeelde 20e plek. Juli 2017 stond Cedric Nuytinck als enige Belg in de ITTF top100 (op plek 80).

Bij watersporten haalde BE met zwemsporten bij een EK lange baan 26x eremetaal binnen, waarvan 5x goud en bij een EK korte baan 16x (3xg). Bij het EK lang staat men daarmee 21e op de Europese ranglijst (41 landen) en bij het EK kort 24e (36 landen). Bij het WK lang bezette BE na de editie van 2017 met 4x eremetaal (1xg) een gedeelde 34e plek van 60 landen op de wereldranglijst en bij het WK kort verkeerde men met 1xb en een gedeelde 45e plek in de onderste regionen van deze ranglijst. Bij het waterpolo won BE voor de 2e wereldoorlog 6 keer eremetaal bij de OS en 3x bij een EK. De sportvrouw van het jaar titel ging 6 keer naar een zwemster. Daarmee kwam de sport op de 3e plaats na tennis en judo. Rugslag zwemster Carine Verbouwen viel de eer in 1975, 1978 en 1979 te beurt, m.n. vanwege haar Belgische records. Ingrid Lempereur verwierf in 1984 als eerste uit BE ooit Olympisch eremetaal met zwemmen (b 100m schoolslag). In 2016 werd ze opgevolgd door vrije slag zwemmer Pieter Timmers (zilver 100m; al eerder 3xz en 3xb bij een EK; in 2012 met de mannen estafetteploeg 4 x 50m). Kimberly Buys won in 2012 zilver op de 100m vlinderslag (in 2010 EK zilver 200m wisselslag). Voor BE was 1995 het meest succesvolle EK jaar met voor schoolslag zwemster Brigitte Becue (sportvrouw 1994, 1995) 2xg en 1xz (al eerder zilver op de 200m in 1989) en voor Frédérik Deburghgraeve 1xg en 1x z bij dezelfde zwemdiscipline. In 1998 was hij als eerste Belg ooit al WK geworden bij een zwemnummer (100m schoolslag; Lijst).

Bij het roeien heeft BE t/m 2016 geen Olympische kampioenen voortgebracht. In de medaillespiegel stond men met 8x eremetaal (6xz; Lijst) 32e onder 49 landen. Het meest recent is OS zilver van lichte skiffeuse Annelies Bredael in 1992. Wel kent het land 2 wereldkampioenen. In de WK medaillespiegel stond men in 2017 met 16x eremetaal (7xz en 7xb) 28e onder 46 landen. Het meeste succes had BE ook hier met de lichte skiff (9x eremetaal: 2xg, 4xz). Hiermee wonnen Wim van Belleghem (1963; WK: 1xg, 2xz; 1xb tussen 1987 en 1991) en Eveline Peleman (in 2014) het WK. Rita Defauw haalde als lichte skiffeuse tussen 1986 en 1990 3xz en 1xb binnen op een WK. Bij het zeilen & surfen staat BE in de Olympische medaillespiegel (t/m 2016) met 9 keer eremetaal (2xg, 4xz) op plek 17 onder 45 landen. Het goud dateert van 1920 en 1924 (Lijst) met Léon Huybrechts als winnaar van g & z. Meer recent was men via André Nelis (1935-2012; OS z & b in 1956 & 1960) en Sebastien Godefroid (goud WK 2001 & EK 1998; z OS 1996, WK 2000; b EK 1996 & 2001) succesvol in de (eenpersoons) Finn klasse. Freestyle surfer Steven van Broeckhoven won tussen 2009 en 2013 4 EK’s en 1 WK. In 2008 (Egon Plofier) & 2010 (Yann de Muysere) won een Vlaming het WK zeilwagenracen.

Met paardensport staat BE in de Olympische medaillespiegel t/m 2016 (34 landen) met 12 keer eremetaal (5xg, 2xz) op plek 13. Ook dit eremetaal dateert veelal van de periode tussen 1900 en 1920 met als meervoudige winnaars Daniel Bouckaert (2xg) en Louis Finet (1xg & 1xb), beide in 1920 in Antwerpen in de discipline voltige (ruiteracrobatiek) die bij die unieke gelegenheid Olympisch was. Bij de wereldruiterspelen (sinds 1990 om de 4 jaar het officieuze WK) komt BE (13; 5xg, 6xz) op plek 6 van 24 landen. In 2006 bleek WK goud weggelegd voor Félix-Marie Brasseur (vierspan) en paardenbelg & springruiter Jos Lansink en in 2010 voor Philippe Le Jeune (ook springruiter).

Qua Olympische deelname staat atletiek voor BE met 349 (t/m 2016) bovenaan. Op de medaillespiegel kwam men op plek 32 van zo’n 100 landen. In de medaillespiegels van kampioenschappen in de buitenlucht haalde BE t/m 2015 bij het WK een 77e plek onder ca. 100 landen die ooit eremetaal wonnen. Bij het EK kwam men t/m 2017 op plek 20 van 42 landen. Bij de indoor varianten van de winter werd men 42e van 80 landen bij het WK en 15e van 46 landen bij het EK. De tabel hierna biedt nadere info over de verdeling van het eremetaal voor BE bij deze evenementen (Olympische Spelen, Wereld Kampioenschappen, Europese Kampioenschappen). Meerkampster Nafissatou Thiam haalde aug. 2017 het eerste goud voor BE binnen bij het WK outdoor-atletiek.

Type Eremetaal Alle atletiekevenement t/m zomer 2017
OS WK EK
Outdoor Indoor Outdoor Indoor
Goud 5 1 1 9 17
Zilver 5 4 4 11 13
Brons 2 1 3 10 10
Totaal 12 6 8 30 40

Naar herkomst van dit eremetaal domineren de loopnummers met bij de mannen de hoofdbijdrage van midden & lange afstanden en bij de vrouwen van sprintnummers. De sprintfamilie Borlée leverde met 23 van de 96 medailles (m.n. vergaard in estafettes) de grootste bijdrage. Deze begon met vader Jacques (1957) die in 1983 zilver won op de 200m bij het EK indoor en 2 jaar later sprintster Edith de Maertelaere huwde. De rest van de oogst zou komen van 4 van hun kinderen die vader Jacques ging coachen (coach van het jaar in 2011 en 2012). Dochter Olivia (1986) won als enige Olympisch goud (op de 4x100m in 2008 na diskwalificatie in 2016 van het Russische team; in 2007 WK brons op deze discipline). Zijn 3 zonen excelleren m.n. op de 400m met als oudsten de tweeling Kevin en Jonathan (1988). Kevin won op de 400m vlak in 2010 brons op het WK en in 2012 werd hij Europees kampioen. Op de 4x400m estafette behaalden beide broers hun grootste successen (WK 1xz; EK 3xg, 1xz, 2xb). Jongere broer Dylan (1992) maakte vanaf 2015 deel uit van dit estafetteteam waarmee zijn bijdrage uitkwam op 2x EK goud en 1x EK zilver. Andere bijdragen op de sprintafstanden bij mannen kwamen van Fons Brydenbach (goud EK indoor 400m vlak 1974 & 1976) en Ronald Destruelles (zilver verspringen EK indoor 1978; tussen 1984 & 1988 1x g, 1xz & 3xb bij het EK indoor 60m). Individueel werd het meeste eremetaal voor BE (13 van 95) evenwel binnen gehaald door sprintster Kim Gevaert tussen 2002 en 2008 (1978; 60m, 100m, 200m). In 2008 won ze Olympisch goud met de 4x100m estafetteploeg (verder: WK 2x z; EK 5x g, 2xz en 2xb). Het meeste goud won hoogspringster & meerkampster Tia Hellebaut (1978). In 2008 werd ze Olympisch kampioen hoogspringen en wereldkampioen indoor bij de vijfkamp en in 2006 en 2007 sprong ze het hoogst op het EK indoor. De grootste belofte was rond 2015 meerkampster Nafissatou Thiam (1994; goud: Olympisch 2016,  EK indoor & WK 2017; zilver EK indoor 2015, brons EK 2014).

In 1948 werd Gaston Reiff Olympisch kampioen op de 5000m (hij figureert bijv. nog in Suske & Wiske album “de stierentemmer”). De meeste midden & lange afstandlopers uit BE kenden hun hoogtijdagen echter in de 60er en 70er jaren. Drie van hen werden getraind door Mon Vanden Eynde. Van hen werd Gaston Roelants (1937) in 1962 Europees en in 1964 Olympisch kampioen op de 3000m steeple. In 1966 werd hij 3e bij het EK op dit nummer. Op de marathon won hij bij het EK in 1969 zilver en in 1966 en 1974 brons. De belangrijkste palmares van pupil Emiel Puttemans (1947) zijn 2xg (1973, 1974) en 1xz (1978) bij het EK indoor op de 3000m en Olympisch zilver op de 10.000m (1972). De grootste triomfen van veelbelovende middenafstandsloper Ivo van Damme (1954-1976) waren zilver (1975) & goud (1976) op het EK op de 800m en Olympisch zilver op de 800 & 1500m in 1976. Zijn Belgische records op de 800m en 1000m stonden zomer 2017 nog overeind. Alras nadat hij eind 1976 verongelukte is naar hem het prestigieuze Memorial Van Damme atletiekevenement vernoemd, later de Belgische bijdrage aan de Diamond League wedstrijdserie. Tijdgenoot Karel Lismont (1949) beleefde zijn grootste triomfen op de marathon (Olympisch: zilver 1972, brons 1976; EK: goud 1971, brons 1978 & 1982) en bij internationale kampioenschappen veldlopen.

Voor BE kan wielrennen worden gezien als nationale sport. De sportman van het jaar titel ging bijv. het vaakst naar een wielrenner (18 van de 48 keer t/m 2016). Dit weerspiegelt zich in internationale prestaties van Belgen, vooral bij het wegwielrennen.  Zo zegevierde bij het WK bij de mannenelite het vaakst (26 van de 82 edities) een Belg (bij de vrouwen haalde men plek 3 van 17 landen). Bij alle wielerdisciplines samen werd BE bij WK’s op de weg met 107 plakken (45 keer goud) 2e achter Italië. In de 3 Grote Rondes haalde het land achter de 3 thuislanden Frankrijk, Italië en Spanje met 32 zeges een 4e plek onder de 17 landen die ooit winnaars leverden en bij de 5 grote wielerklassiekers voert BE de ranglijst aan qua aantal overwinningen (zomer 2017: 215 van 535 zeges). Met dit alles stond een Belg ook het vaakst bovenaan in de sinds 1948 gangbare wereldranglijsten voor wielrennen op de weg op basis van het WK, de grote wielerrondes en klassiekers (18 van de 68 keer t/m 2016). Bij het WK baanwielrennen, dat sinds 1893 vigeert, kwam BE t/m 2016 met 148x eremetaal (49xg) tot een 8e plek in de medaillespiegel. Mede doordat Olympisch de hoofdbijdrage komt van baandisciplines, BMX en mountainbiken haalde BE t/m 2016 met 26 medailles (7xg) plek 10 van 42 landen die ooit eremetaal wonnen. Wel werd de wielersport aldus in de Olympische medaillespiegel voor BE nog 2e na boogschieten. Bij het niet Olympische en in BE zeer populaire veldrijden excelleren de Belgen terug op wereldniveau. Hier leverde het land bijv. bij het mannenelite WK (sinds 1950) t/m 2017 29 van de 68 wereldkampioenen. Bij de vrouwenelite (sinds 2000) scoorde BE echter pas in 2017 een eerste WK titel.

De grootste bijdrage werd geleverd door Eddy Merckx (geb. 1945, actief 1961-1978, bijgenaamd de kannibaal) die met 525 zeges op weg & baan in de sportjournalistiek bekend staat als grootste renner aller tijden. Ook scoorde hij hoog bij Grootste Belg verkiezingen. Hij won de 3 Grote rondes en grote klassiekers meerdere malen, werd 3 keer wereldkampioen en stond het vaakst (7x) bovenaan in de wereldranglijsten voor wegrenners. In Grote rondes won hij een ongeëvenaard aantal etappes (64). Op de baan werd hij wereld & Europees kampioen en won hij 17 zesdaagsen, meestal samen met Patrick Sercu (1944) die tussen 1964 en 1983 het recordaantal van 88 zesdaagsen op zijn naam schreef. Ook is Sercu o.m. 3voudig wereldkampioen sprint en enkelvoudig Olympisch kampioen achtervolging. Op wegrenner wereldranglijsten behaalde tussen 1948 en 1958 Fred de Bruyne (1930-1994, tevens sportjournalist) m.n. via winst bij klassiekers 3 keer de toppositie met als concurrenten Rik van Steenbergen (1924-2003) en Rik van Looy (1933). Hoewel ze minder ver kwamen op de wereldranglijsten doet hun erelijst niet onder voor die van de Bruyne. Zo kwam van Steenbergen tot 1645 zeges; incl. 3 WK’s, 8 grote klassiekers, 25 etappes van Grote rondes en op de baan 40 zesdaagsen. Rik van Looy kende na Eddy Merckx het grootste aantal wegzeges (445; w.o. de grote klassiekers, 2 WK’s en 39 Grote ronde etappes). Andere 2voudige WK op de weg winnaars uit BE zijn George Ronsse (1928 & 1929), Briek Schotte (1948 & 1950; ook gekend als de laatste flandrien) en Freddy Maertens (1976 & 1981 + o.m. 35 etappes in Grote rondes). Qua aantal WK titels worden al deze mannen echter overtroffen door Yvonne Reynders (1937; 4x WK weg, 3x WK baanachtervolging). Sprinter Jef Scherens (1909-1986) won op zijn beurt tussen 1932 en 1947 ook 7 WK titels op de baan, waarvan 6 opeenvolgend vanaf 1932.

Meervoudige winnaars van Grote rondes uit BE zijn verder 3voudig tourwinnaar Philippe Thys (1890-1971), 2voudige tourwinnaars Firmin Lambout (1886-1964) & Sylvère Maas (1909-1966) en 2voudig winnaar van de Ronde van Spanje Gustaaf Deloor (1913-2002). De laatste tourwinnaar tot op heden (zomer 2017) uit het land is “berggeit” Lucien van Impe. Hij won in 1976. Onder de meer recente topwegrenners uit BE vallen Johan Museeuw (1965, prof 1988 & 2004; 115 zeges, bijgenaamd “De leeuw van Vlaanderen”), Tom Boonen (1980, prof 2002-2017; 150 zeges w.o. 1 WK en 14 klassiekers) en de thans (2017) nog actieve Philippe Gilbert (o.m. 1 WK & 11 klassiekers) & Greg van Avermaet (goud Olympische wegwedstrijd 2016). Gerenommeerde ploegleiders (allen voormalige renners) zijn Lomme Driesens (1912-2006, actief 1947-1984), Walter Godefroot (1943, ploegleider 1980-2005 ), Patrick Levefre (1955; sinds 1992), Wilfried Peeters (1964; sinds 2002) en Marc Sergeant (1959; sinds 1999). Onder de bekendste wielerploegen vallen Lotto en Quickstep. Veldrijden wordt al vanouds gedomineerd door Belgen. Bij het WK (sinds 1950) wonnen ze 29 van 67 mannentitels. De meeste (7 tussen 1966 en 1973) gingen naar Eric De Vlaeminck (1945), gevolgd door Roland Liboton (1957; 4 proftitels 1980-1984), Mario de Clercq (1966; 3x: 1998-2002) en Erwin Vervecken, 3x  2001-2007). Onder de 2voudige winnaars vallen Sven Nijs (1976; WK 2005 & 2013, won ook 13 van de 34 edities van de Superprestige veldrijden) en rijzende ster Wout van Aert (1994; WK in 2016 en 2017).

In de gecombineerde duursporten is bij de triatlonvarianten (zwemmen, fietsen & lopen) Luc van Lierde (1969) succesvol met o.m. 4 wereldtitels en 2 Europese titels. Hij werd geëerd met diverse prestigieuze Belgische sportonderscheidingen. Zijn naamgenoot Frederik van Lierde (1979) won in 2013 een wereldtitel. Marc Herremans (1973)  zette na een zwaar ongeval zijn carrière voort als rolstoel triatleet en won in 2006 de Ironman in Hawaï (geldend als WK over de langste afstand). Op de duatlon (lopen, fietsen, lopen) won Benny van Steelant (1976-2007) 8 wereld en 4 Europese titels voordat hij verongelukte. Zijn jongere broer Joerie (1982) kwam t/m 2012 tot 5 wereldtitels (de eerste kort na het overlijden van zijn broer) en 3 Europese titels.

In gemotoriseerde snelheidssporten zijn Belgen erg succesvol bij de motorcross. Bij het WK stond BE nazomer 2017 in het landenklassement met 135x eremetaal en 55 overwinningen met kop en schouders bovenaan onder de 24 landen die ooit medailles wonnen. De meeste titels werden behaald in zwaardere klassen (m.n. 500cc en 250cc) met als grootste bijdragen 10x goud van Stefan Evers (geb. 1972; actief 1988-2006), gevolgd door 6xg van Joël Robert (1943, actief 1960-1976) en 4 Belgen (Roger de Coster, Joël Smets, Eric Geboers en Georges Jobé) die 5 WK titels wonnen. Al deze coureurs wonnen ook tal van GP wedstrijden en zijn niet meer actief. De beste nog actieve motorcrosscoureur Clément Desalle (1989, sinds 2006) kwam tot op heden tot 22 GP zeges. Bij de Zijspancross zijn de Belgen sinds 2005 in opkomst met o.m. Joris Hendrickx (WK 2009), Ben Adriaenssen (WK 2013, 2014), Jan Hendrickx (WK 2016) en bakkenist Sven Verbrugge. In de autosport behaalde voor BE in de Grand Prix formule 1 Jacky Ickx (1945, actief 1967-1979) de meeste overwinningen (8), gevolgd door Thierry Boutsen (1957; actief 1983-1993) met 3 zeges en Max Verstappen (1997; actief sinds 2015) met tot op heden 1 zege. Max Verstappen is geboren in het Belgische Hasselt, heeft een dubbele nationaliteit en komt uit voor NL.

Met wintersporten zijn voor BE de belangrijkste internationale prestaties geleverd in de schaatssport. Bij het kunstschaatsen won in 1948 het koppel Pierre Baugniet & Micheline Lannoy het t/m 2014 enige Olympisch goud voor BE bij winterspelen. Ook haalden ze 2 wereldtitels en 1 EK titel binnen. Wel scoorde Robert van Zeebroeck in 1928 Olympisch brons voor BE. Met langebaanschaatsen volgde een relatieve internationale doorbraak vanaf het moment in 1996 dat de in 1967 geboren Nederlander Bart Veldkamp (schaats)Belg werd. Nadien vestigde hij de nodige Belgische records en won hij voor BE tussen 1998 en 2001 2 keer zilver en 3 keer brons bij internationale kampioenschappen (incl. Olympisch brons 5000m en WK zilver & EK brons allround). In 2012 werd hij coach van een team van Belgische langebaanschaatsers. Daarin ging Bart Swings zijn prestaties voor BE overtreffen; incl. t/m 2017 naast alle nationale records, zilver (2016) & brons (2017) op het EK allround, brons op het WK allround (2013) en 23x eremetaal op afstanden bij WK’s, EK’s en wereldbekerwedstrijden. Al met al haalde hij in 2016 op de wereldranglijst aller tijden een 11e plek. Hij is ook succesvol op skeelers. Bij internationale kampioenschappen inline-skaten, geen Olympische sport maar wel een sport met een grotere landendeelname dan bij langebaanschaatsen, boekte hij 18 afstandzeges bij EK’s en WK’s. Met het evenmin winterse of Olympische rolschaatsen behaalde Annie Lambrechts tussen 1964 en 1981 (toen ze is uitgeroepen tot sportvrouw van het jaar voor BE) 19 wereldtitels  Olympisch succes voor BE bij het bobsleeën bleek in 1924 weggelegd voor een 5mansbob (brons) en in 1948 voor een 4mansbob (zilver) met daarin de veelzijdige Max Houben (48j) als oudste Olympische medaillewinnaar ooit. Een jaar eerder won hij al zilver (4mansbob) en brons (2mansbob) op het WK.

Bij de cafésporten (List) is in BE qua biljartsport vanouds carambolebiljart populair en dan m.n. de tak driebanden. Het land is in deze specialiteit individueel met afstand wereldleider (medaillespiegel WK individueel 1e van 21 landen met 53x eremetaal en 30x goud, WK landen 3e van 14 landen: 10 medailles, 4xg; EK individueel 1e van 13 landen: 81, 37xg). De belangrijkste bijdragen komen van Raymond Ceulemans (1937) met 35 WK titels (incl. 6 bij het bandstoten), gevolgd door Ludo Dielis (1945; 9 WK en 23 EK titels in m.n. driebanden en bandstoten), de inspirator van Ceulemans René Vingerhoedt (1921-2005; 2x WK en 22x EK driebanden) en Raymond Steylaerts (1933-2011; 6x WK, 14x EK kunststoten & driebanden). Eigentijdse coryfeeën zijn veelzijdig supertalent Frédéric Coudron (1968; 5 WK & 15 EK titels driebanden, bandstoten & kader) en driebanden specialist Eddy Merckx (1968; 2xWK, 1xEK; vernoemd naar wielrenner E.M.).

België bij de Olympische spelen

Bij de moderne Olympische spelen zond BE t/m 2016 een afvaardiging naar 26 van de 28 edities van de zomerspelen en naar 20 van de 22 winterspelen. In de medaillespiegel bracht men het met 153 x eremetaal, waarvan 41x goud, tot een 26e plek onder 136 landen die ooit medailles wonnen (zomerspelen 26e met 148x eremetaal en 40xg; winterspelen 29e van 39 landen met 5x eremetaal en 1xg). Naar sport scoorde fietsen het hoogst (26; 7g, 8z, 11b; Eng), gevolgd door boogschieten (20; 11g, 6z, 3b). Wel stamt de medailleoogst van het boogschieten uit een grijs verleden. Op plek 3 volgt atletiek (12; 5g, 5z, 2b) en op 4 paardensport (12; 4g, 2z, 6b). Naar edities verliepen de zomerspelen van 1920 (36, 14xg; 5e land in de medaillespiegel) en de winterspelen van 1948 (2; 1xg; 9e) het meest succesvol. De spelen van 1920 speelden zich af in Antwerpen en BE was toen dus het gastland. Van de 14 gouden plakken waren er 8 afkomstig van boogschieten. Op de wereldranglijst aller tijden van meervoudige Olympische kampioenen (List) was in 2017 voor BE boogschutter Hubert van Innis van rond 1920 met 9x eremetaal en 6x goud nog altijd gedeeld 23e. Hij bleef tot op heden (2017) de enige Belg onder de ruim 500 Olympiërs die ooit minimaal 3x goud wonnen.

Gehandicaptensport in België

Anders dan Nederland, waar gehandicaptensport geïntegreerd is in de reguliere sportbeoefening, kent België (BE) een afzonderlijk paralympisch comité. Sinds 2010 kiest men in het land een paralympiër van het jaar. T/m 2016 haalde BE bij paralympische spelen 221 keer eremetaal binnen, waarvan 72 gouden plakken. Daarmee werd men in de medaillespiegel aller tijden 27e onder 122 landen die ooit eremetaal wonnen. De grootste bijdragen aan deze oogst (Eng) kwamen bij de mannen van de atleten Paul van Winkel (geb. 1953; rolstoel; 12 x eremetaal; 7xg bij de 4 edities tussen 1980 en 1992), Marc de Vos (rolstoelatletiek & basketbal; 11, 6xg; 3 edities 1980-1988), Alex Hermans (middenafstandloper; 7, 4xg tussen 1988 en 2000), Achiel Braet (discus, kogel, speer; 6, 5xg 1976 en 1980) en Remi van Ophem (rolstoelmeerkamp & bankdrukken; 14, 4xg, 5 (discus & kogel; 8, 6xg bij 6 spelen tussen 1978 en 2002), Benny Govaerts edities tussen 1977 en 1988). Bij de vrouwen kwam tafeltennisster Ingrid Borre tot 7x eremetaal (3xg) en ruiter Michèle George tot 5 paralympische plakken (3xg 2012 & 2016) en 3 plakken (2xg, 1xz) bij de wereldruiterspelen van 2010 en 2014. Het meeste eremetaal voor BE stamt uit de zomerspelen van 1980 (35; 11xg, waarvan 10x met atletiek), 1984 (59, 21xg, 15 met atletiek) en 1988 (38; 15xg, 12x atletiek).