Taal

Taalontwikkeling en taalstrijd

In de middeleeuwen was in heel België het Latijn de officiële spreektaal. Geleidelijk aan werd deze taal vervangen door het Frans. In Vlaanderen riep deze situatie steeds meer weerstanden op en verderop in de 19e eeuw kwam uiteindelijk een Vlaamse eman­cipatiebeweging op gang. Het duurde echter nog tot 1930 voordat de 1e universiteit (die van Gent) Nederlandstalig werd. Aanvankelijk was de Vlaamse emancipatiebeweging van linkse signatuur, maar ze werd steeds rechtser (op het extreme af) en boette daardoor aan populariteit in. De taalstrijd is al erg lang sluimerend aanwezig en laait nu en dan op. In 2005 en 2008 gebeurde dat in de Brusselse randgemeenten. Het ging er om of Franstaligen in Vlaamse gemeenten rond Brussel op Franstalige partijen mochten stemmen. De Vlamingen vonden van niet. In de wetstraat in Brussel is het Belgische federale parlement gevestigd dat weer knopen zal moeten doorhakken.

Officiële en officieuze talen

In België bestaan officiële en officieuze talen. De officiële talen zijn Nederlands, Frans en Duits, maar officieus wordt vooral Vlaams en Waals gesproken. Brussel is officieel twee­talig, maar 85% van de hoofdstedelingen spreekt Frans. Wie moeite heeft met deze taal kan daar met Engels vaak beter uit de voeten dan met Nederlands. Het Waals wordt gezien als een Romaanse taal die zich vanaf de Romeinse tijd los van het Frans heeft ontwikkeld. In alle formele situaties, ook tegenover vreemdelingen, spreekt men in heel Wallonië Frans, maar zodra men onder eigen volk is gaat men over op de streektaal. In de Waalse versie van het kerstliedje “de herdertjes lagen bij nachte” praten de herder­tjes bijv. Waals tegen elkaar, maar de engelen en Maria converseren in het Frans. Het Waals als zodanig kent 4 dialecten en het is in het Franstalige deel van België niet de enige streektaal. Langs de zuidoostelijke grens met Luxemburg wordt Letzebuerguesch (de aan Duits verwante streektaal van Luxemburg) gesproken. In het daaraan grenzende zuidoosten van België overheerst het Lotharingse dialect. In Bergen (Mons) en ten wes­ten daarvan (westelijk Henegouwen) geeft in de informele sfeer het Picardisch (een Noord-Frans dialect) de toon aan. Eenderde deel van de ruim 3,3 miljoen Franstalige Belgen beheerst nog het eigenlijke Waals. In de media wordt het nauwelijks gebruikt, maar in het volkstoneel leeft het sterk. Zo’n 200 amateurgroepen putten inspiratie uit wel 10.000 Waalse komedies die vaak uit de 19e eeuw stammen. In het Waals zitten invloeden uit het Duits en Nederlands. Soms doet het aan Zuid-Limburgs denken. De Duitstalige gemeenschappen (rond 70.000 zielen) wonen langs de Belgisch Duitse grens.

Vlaams en Nederlands

Tegenwoordig is ook het Vlaams een officieuze spreektaal, zij het dat het gebruik ervan zeer wijdverbreid is; ook in de media. Zoals uit het jaarlijkse grootdictee der Nederlandse taal vaak naar voren komt beheersen de Vlamingen echter vanuit hun on­derwijs het ABN vaak beter dan de Nederlanders zelf. Het Vlaams kent naast de dialecten West-Vlaams Oost-Vlaams, Brabants en Limburgs ook stadsdialecten als Antwerps en Gents. Sommige van die dialecten lijken wel erg weinig op het ABN. De schrijver van deze website vroeg in augustus 1978 in een IJslandse autobus een groepje hippies eens in het Engels naar hun landsaard omdat hij er geen woord van kon verstaan wat ze elkaar vertelden. Daarop bleken ze uit Belgisch Brabant of Belgisch Limburg te komen.

Voorbeelden van Vlaamse woorden die tot misverstanden kunnen leiden
Vlaams Nederlands
Aardig

Afgang

Aftrekker

Betrekking

Bibbergeld

Borstelen

Buitenwerper

Croque-monsieur

Deksel

Dopper

Eng

Fijn

Gemak

Inslapen

Kuisvrouw

Kwak

Lafaard

Levensduurte

Smoren

Uitwijken

Wipplank

IJsgang

Vreemd, raar

diarree

flesopener

Seksuele verhouding

Gevarentoeslag

Schilderen (ook kunst)

Uitsmijter (discotheek)

Tosti hamkaas

Deken (voor bedden)

Steuntrekker

Smal, nauw

Sluw, listig

WC

Inwonen

Schoonmaakster

Borrel

Alcoholvrij biertje

Kosten, levensonderhoud

Roken

Emigreren

Duikplank

IJzel

Talenkennis en opinie over talen in België

Eind 2005 was voor 56% van de Belgen Nederlands, voor 38% Frans en voor 0,6% Duits de officiële moedertaal. Voor 5% was dat een andere officiële EU taal en voor 3% een taal van buiten de EU (bron: Eurobarometer 243, wave 64.3). Rond 2007 beheerste van de bewoners van het Vlaamse gewest 59% het Frans (onder 40j 71%, boven 40j 50%), terwijl slechts 19% van de Walen (onder40j 23%) het Nederlands beheerste (Ivan van de Cloot, Itinera Institute 2008/27). Dit in aanmerking nemend sprak eind 2005 in totaal 26% van de Belgen geen vreemde talen (EU25 44%), 74% (EU 56%) kende er minstens 1, 67% (EU 28%) minimaal 2 en 53% (EU 11%) 3 of meer. De 3 vreemde talen die buiten de eigen moedertaal het vaakst werden beheerst waren Engels (59%), Frans (48%) en Duits (27%). In 2003 was nog 63% van de bevolking (EU15 zonder VK en Ierland 58%) naar eigen oordeel enigszins tot uitstekend in staat tot het lezen van Engelse teksten. De kennis van andere talen dan de eigen taal (voldoende om een gesprek te kunnen voeren) ligt in België flink boven het Eu gemiddelde en hetzelfde geldt voor het volksdeel dat een hoge pet opheeft van de talenkennis in eigen land (70%, EU 44%). Het deel dat liever ondertitels dan nasynchronisatie ziet op TV lag eveneens flink boven de EU normaal (67 om 37%; op TV is in België ondertiteling gebruikelijk).

Het deel van de Belgen dat het erg nuttig leek voor de eigen zelfontplooiing en carrière om vreemde talen te kennen groeide tussen 2001 en 2005 met 8% naar 91% (EU25 82% in 2005) en het deel dat talenkennis erg belangrijk vond voor de carrière vooruitzichten van hun kinderen lag eind 2005 met 77% iets boven de Eu normaal (75%). Het volksdeel dat vond dat taalonderwijs politieke prioriteit verdient behoorde bij de Eu top5 (75%, EU25 66%). Eind 2005 vond 59% van de Belgen (EU25 55%) 6-12 jaar en 40% 0-5 jaar (EU 39%) een goede leeftijd om met vreemde taalles te beginnen. Het volksdeel dat op de basisschool al in aanraking kwam met een 1e vreemde taal lag iets boven de EU normaal (28 om 24%) en het deel dat in het vervolgonderwijs voor het eerst buitenlandse taalles kreeg lag daar verder boven (70%, EU 59%). In 2006 kregen leerlingen in het lager secundair vervolgonderwijs les in 1,2 vreemde taal (EU27 1,4 taal) en in het hoger secundair vervolgonderwijs in 1,7 taal (EU 1,3 taal). Naar verhouding veel Belgen vonden het aanbod aan vreemde talen in hun onderwijs voldoende divers (79%, 2e EU25; EU 61%). In 2006 kreeg 94% van de leerlingen in het algemeen vormende secundaire vervolgonderwijs Engelse les (EU27 89,5%).

Eind 2005 had 27% van de Belgen (EU 18%) in de 2 jaar vooraf gewerkt aan verbetering van hun talenkennis over de grens van het eigen gewest en 30% (EU 21%) was van plan om dit in het komende jaar te doen. Op de vraag naar 2 voorkeurstalen koos een relatief groot deel (83%, EU 68%) Engels, gevolgd door Frans (53%, EU 25%), Duits (8%, EU 22%) en Spaans (5%, EU 16%). Als reden om geen vreemde taal te leren kwam “geen tijd” het vaakst uit de bus (41%, Eu 34%; andere opties: “geen zin” en “geen geld”). De meeste Belgen (77%; EU 65%) kennen vreemde talen van school, maar het deel dat dit een effectieve manier vond om ze te leren was vrij klein naar EU maatstaven (53 om 57%). Het aandeel Belgen dat wel wat zag in groepsgewijze taallessen buiten school met een docent was relatief groot (27%, EU25 20%). Veel Belgen waren voorstander van één taal die iedereen in de Eu spreekt (75%, Eu 70%) of onderschreven de stelling dat iedereen in de EU minstens één taal over de eigen grens moet kunnen spreken (91 om 84%). Het aandeel voorstanders van kennis van 2 van zulke talen lag op 60% (EU 50%). Het gedeelte voorstanders van meer steun aan regio en minderhedentalen lag iets boven de EU normaal (66 om 63%) en het deel dat vond dat alle talen in de EU gelijk behandeld moeten worden lag daar precies op (72%).