Tijdsbesteding, recreatie en huishoudelijke bezittingen

Uitgaven voor en belangrijkheid van vrije tijd

In 2005 gaven Belgische huishoudens 9.3% van hun budget uit aan recreatie en cultuur (EU 9,6%). Aan restaurants en hotels spendeerden ze 5,1% van hun geld (EU 9%) en aan alcohol, tabak en narcotica 3,8% (EU 3,6%). Rond begin oktober 2006 lag het contingent Belgen dat de stelling onderschreef dat vrije tijd belangrijker gevonden hoort te worden dan werken net iets boven het EU gemiddelde (50 om 48%, NL 40%).   

Tijdsbesteding: vergelijking met EU landen en ontwikkeling

Door de bank genomen hebben de Belgen in Nederland de naam een nijver, ambitieus en status­gericht volk te zijn dat vroeg naar bed gaat en vroeg weer op is; maar tegelijkertijd op Bourgon­dische wijze van het leven weet te genieten. In tussen 1998 en 2004 gedaan tijdbestedingonderzoek (het onderzoek in België dateert van rond 1999) onder 20 tot 75 jarigen in 17 van de huidige 27 Eu landen wordt dit beeld ten dele bevestigd. Hieruit kwam naar voren dat de Belgen relatief lang bezig waren met onderweg zijn, huishoudelijk werk (m.n winkelen en kinderverzorging en wassen en strijken bij vrouwen) en het doorbrengen van vrije tijd (m.n vrouwen) en relatief kort met betaald werk en studie. De Walen staken in 2005 naar wetenschappelijke standaarden meer tijd dan Vlamingen in huishoudelijk werk, opleiding, persoonlijke verzorging, sociale participatie en slapen en rusten en minder in onderweg zijn. Belgen onderweg gingen naar de 17 landen maatstaf relatief weinig lopend en fietsend of met het openbaar vervoer en verkozen vaak een eigen gemotoriseerd transportmiddel (v 62%, m 67%).

Van de vrije tijd werd in 1999 naar de 17 landen maatstaf een relatief groot deel (v 45%; m 44%) besteed voor het TV scherm. Volgens IP international lag de kijktijd per avond in 2005 in Vlaanderen (3u5m) onder het Europees gemiddelde (3u47m) en die in Wallonië er iets boven (3u50m). In uitrusten stak men ook veel tijd en de deelname hieraan (v 58%, m 55%) was zelfs de grootste binnen de 17 landen. Het feit dat het deel van de vrije tijd dat sportend werd doorgebracht (v 5% m 7%) en de deelname aan sport (v 17%, m 23%) tot de kleinste behoorde binnen de 17 landen past in de lijn der verwachtingen die dit oproept. Deze combi rechtvaardigt het vermoeden dat men relatief vaak een Belg (of Belgische) duttend op sofa of luie stoel voor de TV kan aantreffen (bijv tijdens een sportmatch of in het geval van een vrouw een soapserie op TV). Veel minder Belgen dan Nederlanders keken in bed TV (20 om 50%), want veel Belgen zien dit als lummelen. Het deel van de vrije tijd dat lezend werd doorgebracht was bij vrouwen klein (9%), maar bij mannen met 10% naar verhouding groot. Men bracht tamelijk veel tijd (v 5%, m 8%) recreatief door met hobby en spel en de deelname hieraan lag relatief hoog (v 16%, m 18%). De bestede vrije tijd aan vrijwilligerswerk (v en m beide 3%) en de deelname hieraan (beide geslachten 10%) lagen weer onder gemiddeld. Het omgekeerde geldt voor cultuur en vermaak (beide geslachten 3% van de tijd; deelname v 6%, m 8%), hetgeen het Bourgondische imago van de Belg nog enigszins bevestigt. Qua top3 van vrijetijdsactiviteiten was het aandeel Belgen dat in 1999 sport daartoe rekende kleiner dan gemiddeld in de EU15 (20% om 23%), het deel dat culturele activiteit koos was wat groter (15 om 13%, zie cultuur) en het gedeelte dat relaxen koos (54 om 45%) lag weer verder boven het EU15 gemiddelde.

In 2005 waren Belgische mannen ten opzichte van 1999 minder lang aan het werken, slapen en rusten. Ze hadden meer vrije tijd, maar deden daarin minder aan cultuur en vermaak. Vrouwen sliepen of rustten juist meer en waren meer bezig met cultuur en vermaak. Ook waren ze langer onderweg of zich aan het scholen en ze hielden zich minder lang onledig met huishoudelijke en gezinstaken dan in 1999. Beide geslachten staken minder tijd in persoonlijke verzorging (incl. eten en drinken). Ook werd wekelijks zo’n 15% minder tijd besteed aan verenigingsleven. Mannen staken wel meer tijd in sociale contacten. De bevolking als geheel had per week 5,5% meer vrije tijd te besteden Dit surplus kwam m.n. terecht in nieuwe media (van 0u18 naar 0u59), tv en video (van 16u30 naar 16u52), sport (van 0u55 naar 1u11), recreatie (van 2u00 naar 2u24) en uitgaan (van 0u25 naar 0u32 p/w). In de vrije tijd werd echter minder lang gelezen (van 3u22 naar 3u01) en naar muziek geluisterd (van 0u39 naar 0u33; wellicht voor een deel vervangen door muziek luisteren via nieuwe media). Het gedeelte 15-75 jarigen dat in de 3 maanden voor de vraagstelling het internet had gebruikt was in 2007 naar EU27 maatstaven tamelijk groot (thuis 60 om 47%, op het werk 23 om 25%; op school 7 om 8%, elders 3 om 7%). Het deel dat via het internet contact legde met overheden (21%, EU27: 27%), formulieren downloadde (19 om 18%) of opstuurde (8 om 13%) of privé goederen of diensten bestelde (15 om 23%) bleef echter onder het EU27 gemiddelde.   

Sociaal maatschappelijk en buitenshuis

In 2000 lag volgens de Eurlife indicator het deel van de Belgen van 15+ dat meer dan eens per week contact had met buren (71 om 70%) rond en met vrienden of familie (78 om 72%) boven het EU gemiddelde. Rond 1998 was het vertrouwen in de media en vrijwilli­gersorganisaties in het land al jaren lang vrij groot en dat in kerk, grote ondernemingen, justitie, overheden en politiek erg klein. Het volksdeel dat vertrouwen betoonde in minstens 2 van de 3 federale instellingen politieke partijen, regering en parlement steeg tussen 1997 en 2005 echter van ver onder het EU15 gemiddelde (15 om 34%) naar flink daarboven (43 om 33%, bron Eurlife indicator). Tussen 1994 en In 1998 lag het aandeel Belgen dat lid was van een club of partij rond het EU15 gemiddelde (38%). Daarmee lag ook het deel dat in 1999 actief was in een godsdienstige (6 om 7%) of politieke of een ideële organisatie (20 om 17%) of dat om persoonlijk redenen lid was van een club (17 om 15%) rond dat gemiddelde. In 2003 vonden relatief veel Belgen dat ze precies genoeg tot teveel tijd staken in vrijwilligers werk en politieke activiteiten (63%: EU25 55%) of in sociale activiteiten (70 om 67%). M.b.t gezinsactiviteiten lag deze score op het EU gemiddelde (75%) evenals de beoordeling van het eigen gezinsleven (7,9 op een schaal van 1 t/m 10). In alle 25 Eu landen vond men gezin/familie erg belangrijk (EU gemiddelde 9,6) en de Belg scoorde hierop met een 9,0 het laagste na de Nederlander. In 2001 voelde 7% van de Belgen zich door de eigen familie buitengesloten (EU27 5,7%) en het deel dat inschatte dat de familie bij zou springen in nood lag iets onder de EU normaal (60 om 64% in 2003).

België kent een rijke eet, drink en hore­ca­cultuur. In 1997 waren er in het land per miljoen inwoners bijna 2 keer zoveel restau­rants en bijna 2½ keer zoveel cafés als in Nederland. Na 2000 ging het aantal cafés achteruit, maar er blijven erg veel restaurants. Zo telde bijv het dorpje Damme niet ver van Brugge in 2008 op ruim 700 inwoners zo’n 30 eetgelegenheden met plaats voor 20 tot 120 gasten. Visites afleggen, uitgaan, hobby’s en spelletjes, vissen en het bezoeken van evenementen zijn (vooral in het weekend) geliefde bezigheden buitenshuis. In de cafés is naast bier drinken biljarten en kaartspelen erg populair. Door de bank genomen was naar Eu maatstaf in 1997 de cul­tuurdeelname gemiddeld. Aan dansen en zingen werd door vrouwen meer dan 2 keer zoveel gedaan dan door mannen (het grootste verschil binnen de EU), maar m.b.t. deelname aan sportwedstrijden was de manvrouw ratio in België slechts 45% (Nederland 64%). Mede doordat het bezoeken van sportwedstrijden vaak als gezinsuitje wordt gezien bezoeken iets meer vrouwen dan mannen wedstrijden (veelal vrouwen van deelnemers). Men zorgt dan voor een entourage waarin ook de kinderen zich niet vervelen (kermiskoersen ed.). In beide landen ligt het theaterbezoek het hoogst bij vrouwen (België 7%, NL 17% verschil). Het bioscoopbezoek ligt wat hoger bij mannen.

De meeste Belgen (met uitzondering van Brusselaars) houden zich bij gesprekken liever wat op de vlakte dan dat er uitgesproken meningen worden geventileerd en heftige de­batten worden gevoerd.

Huishoudelijke bezittingen

In 1996 beschikte qua wooncomfort 1 op de 5 Belgische huishou­dens (EU 18%) over een 5tal basis en luxevoorzieningen (kleuren tv, video, magnetron, vaatwasser en telefoon). In 2001 had volgens de laatste volkstelling 77% van de huishoudens minimaal 1 auto en 22% daarvan had er 2 of meer. In Wallonië zijn rond en kort na de millenniumwisseling opvallend veel mountainbikes verkocht. Het aantal personenauto’s dat rondreed met een Belgisch kenteken steeg tussen 2001 en 2008 van 4,7 naar 5,1 miljoen.   

Bezit duurzame gebruiksgoederen in procenten onder Belgische huishoudens in 1998 en  2004 en in de EU in 2004
Gebruiksgoed

1998

2004

EU

Vrieskast

56

58

51

Wasmachine

89

85

84

Vaatwasser

37

43

37

Magnetron

64

79

Kleuren tv

96

96

95

Videorecorder

73

78

65(2006)

Videocamera

19

19

Afzonderlijke CD-speler

60

45

PC

Internet thuis

35

5

65

46

45(2003)

DVD

DVD voor PC

9

21

10

41

52(2006)

Auto

80

73

Fiets

68

69