Woonsituatie

Woningbestand

Huisvesting is voor de Belgen erg belangrijk, want in 2003 zag men het als de voornaam­ste voorwaarde voor een goed leven. In 2002 leefde ruim driekwart van de Belgische huishoudens in een stedelijk gebied. In het land waren in oktober 2001 meer vrijstaande wonin­gen (32,6%, bron NIS; NL 15%) en minder rijtjeshuizen (24,6 om 31%), etagewoningen (24,2% om 31%) en hoekhuizen of 2 onder 1 kap woningen (18.1% om 25%) dan in ons land. In de Belgische bouwvoorschriften wordt minder nadruk gelegd op eenvormigheid dan in de Nederlandse en dat maakt de totaalindruk van het woonbestand rommeliger of minder saai. Op het platteland overheersen vrijstaande huizen en 2 onder 1 kapwoningen en in de grotere steden etagewoningen. Anders dan in Nederland zijn etagewoningen met minder dan 10 eenheden toonaangevend hetgeen de leefsfeer vaak minder onpersoonlijk maakt. Slechts 4% van de huishoudens woonde in 2004 in flats van 5 of meer verdiepingen (EU15 15%, EU10 34%). Volgens housing statistics in the European Union 2005/06 telde het bestand in 2003 (incl. 2e woningen etc) 4,8 miljoen eenheden. Het NIS telde er in 2003, exclusief 2e woningen etc, 4,3 miljoen.

In 2004 was 32% van het woningbestand van voor 1945 (bij top3 EU15; NL 22%). In 2004 beschikte men over 462 wooneenheden per 1000 inwoners (EU25 450) en in 2004 werden er per 1000 inwo­ners 4,4 bijgebouwd (EU25 5) en zo’n 2,5 gesloopt (weinig naar Eu maatstaven). Naast de groei van het aantal huishoudingen vormen de sterk stij­gende grondprijzen (tussen 1995 en 2003 van 2 naar ruim 15% per jaar) een belangrijke bepalende factor in de woningbouw. Het laatste heeft in de hand gewerkt dat de nieuwbouw tussen 1997 en 2003 met 20% is gedaald, dat er onder de nieuwbouw meer hoogbouw zit (meer dan 3 verdiepingen), dat er meer wordt verbouwd of dat pan­den geheel worden afgebroken om ter plekke een nieuw pand op te bouwen. Tussen 2003 en 2006 groeide het aantal verleende bouwvergunningen voor wooneenheden flink (van ruim 45.000 naar 61.000), maar in 2007 lag het weer iets onder 54.000. Daarmee kwam het totale bestand voor begin 2008 uit rond 4,5 miljoen eenheden. In 2003 haalde het aantal vergunningen voor appartementen in flats het aantal vergunningen voor andere eenheden in en in 2007 lag de verhouding op 10 om 8. Het gemiddelde bewoonbare oppervlak per nieuwbouwwoning daalde intussen van 108 naar 103 m².

Kwaliteit van het bestand

In 1991 lag het gemiddelde vloeropper­vlak per woning met 86 m² iets onder het EU gemiddelde (90 m²). Volgens NIS bedroeg het vloeroppervlak bij nieuwbouwwoningen tussen 2000 en 2007 rond 103 m². In 1996 lagen het ob­jectieve woon­ruimtegebrek (min­der dan 1 kamer pp) op 5% (EU 11%) en het aandeel van de huishou­dens dat de woon­ruimte te klein vond (subjectief ruimtegebrek: 13%, EU 17%) on­der de EU nor­maal. In 2001 had onder de groep die rond moest komen van minder dan 60% van modaal 6% (Eu15 15,7%) en van de groep boven 140% van modaal 1,6% (EU 54,6%) objectief ruimtegebrek. De Eurlife indicator maakte voor 1994 t/m 2000 gewag van 1,4 kamer per bewoner en voor 2003 van 2. In 2003 beschikte men per 10 bewoners over 27 kamers, het grootste aantal binnen de EU25 (EU25: 18). In 2001 had 95% van de huishoudens douche of bad (iets onder EU15 gemiddelde), 73% (Nederland 90%) had cv en 70% (Nederland 81%) had dubbele be­glazing. Het aandeel huishoudens met klachten over huisrot (9%) en vocht (13%) lag in 2003 iets boven de EU15 normaal. In België staan vaak minder auto’s op straat dan in Nederland, want 64% van de huishoudens (in de ste­den minder; Ne­derland 30%) had een ga­rage. In 2003 had 3% van de wonin­gen (EU15 1%) geen wc maar een buitentoilet en bij 1 op de 3 woningen (vooral op het platteland) was nog een regenwaterbak te vinden. In 2003 klaagden naar EU maatstaven vrij veel huishoudens (21 om 18%) over herrie uit de omgeving. Het aandeel met klachten over de kwaliteit van lucht (17%) of water (14%) en gebrek aan groenvoorzieningen (14%) of met 2 of meer omgevingsklachten (17%) lag echter iets onder het EU gemid­delde. In 2000 had slechts 6% van de Belgen (EU15 11%) thuis geen plaats om buiten te zitten.

Bereikbaarheid, betaalbaarheid en woontevredenheid

Het aandeel huur­woningen daalde tussen 1991 en 2003 van 42 naar 31% (in Vlaanderen zelfs naar 26%: 17% privé-ver­huur, 7% sociale verhuur; NL 46%). Huur en gratis woningen in privé-bezit worden, vooral in verpau­perde industriestreken in Wallonië en in oude wijken, vaak slecht on­derhouden. Bij huurwoningen lag de huurprijs in 2003 in 13% van de gevallen bo­ven €500 p/m. In 2001 werd in Vlaanderen 28% van het huurbestand verhuurd aan de hoogste 20% van de inkomens. Tussen 1996 en 2003 stegen de huren gemiddeld met 13% (EU25 18%). In 2000 kreeg 1% van de huishoudens woonsubsidies (EU15: 5,5%). Het gedeelte sociale huurwoningen lag in 2001 op 7% van het totale bestand en op 24% van het bestand aan huurwoningen. In 2005 viel 6% van de nieuwbouweenheden onder sociale woningbouw (NL 13%). In de gereguleerde sector lagen de huren in 2004 gemiddeld rond €2400 p/j (NL €4300 p/j).

In 2003 was van de 73% eigenwoning bezitters 32% (EU15 39%) hypotheekvrij (Eurlife indicator). Een doorsnee hypotheeklening besloeg gemiddeld 20 jaar en was gesloten voor 80 tot 85% van de woningwaarde (NL 30j en 112%). Tussen 1997 en 2003 ging het aantal uit­staande hy­potheken met 80% omhoog. Het eigen woningbezit onder lage inkomensgroepen was groot (60% in 2000, EU15 50%, NL 32%). De overheid steunde dit eigen woningbezit, bijv met goedkope leningen en subsidies. In 2005 bestond het bestand nog voor 23,8% uit huur (of gratis) woningen en voor 76,2% uit koopwoningen. Tussen 1998 en 2000 steeg de hypotheekrente van 5 naar 6½%, maar in 2003 lag ze weer op 5%. De bouwkosten gingen tussen 2000 en 2004 met 7% omhoog (EU25 19%). Het aantal jaarlijks verkochte woningen vertoonde tussen 2000 en 2007 een gestaag dalende tendens (van 107.100 naar 103.500) terwijl de koopprijzen flink stegen. In de 1e helft van 2008 deed de grond gemiddeld €87 per m². Er werden in dat tijdvak 32.300 gewone woningen verkocht à raison van €170.000, 7700 villa’s, bungalows of landhuizen voor €313.900 gemiddeld en ruim 19.200 appartementen voor €173.000 p/s (bron NIS).

Tussen 1995 en 2005 gaven Belgische huishoudens volgens Eurostat rond 23% van hun budget uit aan directe woonlasten (EU 21,7%; NL 22,2% in 2005). In 2005 ging 5,4% van dat budget (EU 6,3%) op aan woninginrichting en routineonderhoud. De woonlasten stegen tussen 2000 en 2004 zo’n 5% sneller dan gemiddeld in de EU15. In 2001 zag 21,6% hun woonkosten (EU15 17,4%) als een zware last, 35,8% (EU gemiddelde) zag ze als een gewone last en 42.6% (EU 42,8%) beschouwde ze niet als last. In 2001 was 18% van de woningen slecht onderhouden (in grote steden of Wallonië meer, in Vlaande­ren minder; EU15 22%). In 2003 beoordeelden de Belgen hun woonsituatie met een 7,8 gemiddeld (EU15 7,7). Een jaar later was volgens de Eurlife indicator 93% (EU15 91%) tevreden met de woonsituatie en 90% tevreden met de woonomgeving (EU15 87,6%).